Zeven dagen en zeven nachten op zee

                                                                                                                                  Mindelo 20-1-2020

De dagen en nachten vloeien langzaam en geleidelijk in elkaar over. ‘s Morgens en ’s avonds van zeven tot tien houd ik de wacht. Iedere ochtend zie ik links de zon opkomen, de lucht kleurt rood alsof hij in brand staat. Iedere avond gaat de zon rechts voor mij onder en wordt de oranje gloed steeds feller. Ik onderscheid allerlei figuren in de wolkenformaties: een gezicht van een reus met een enorme neus, een arrenslee met kerstman of een leeuwenkop, ik fantaseer er op los. Als de avond vroeg invalt schijnt er een volle maan. Het is zo licht aan dek dat je kleuren en schaduwen kunt onderscheiden.

Als Eric, Joris en Liselot slapen en ik alleen in de kuip wacht houd, zit ik graag op de captains seat: achterin de kuip aan stuurboord, hebben we met kussentjes een soort primitieve fauteuil geïmproviseerd. Ik heb heldere gedachten die ik de vrije loop laat: ik reflecteer op wat was, ik denk na over wat gaat komen. Soms doe ik mijn oortjes in en luister naar muziek of naar mijn Spaanse luisteroefeningen. Vaak ook ga ik staan in de kuip en houd me vast aan de buiskap, beweeg op de muziek en gun mijn ledematen de broodnodige beweging. Raggaetón is op dit moment mijn favoriet, lekker foute muziek en zo pik ik gelijk weer wat Spaans op.

Als een van ons in de nacht de wacht houdt, slapen de anderen ergens in de boot: voorin lig je het meest te schudden, in het midden ligt het beter en achterin naast de voorraden lig je het best. Kijkend naar de verzameling conserven naast hun slaapplek doen Joris en Liselot zo vaak ideeën op voor het avondmaal van de dag erop. Liselot zag de kikkererwten en ging daarvan burgers maken en Joris kwam op het idee om ansjovis te gebruiken voor de pastasalade. Achterin moet je wel oordoppen in want onze windmolen staat op de achtersteven, is lawaaierig en loeit erop los om ons van elektriciteit te voorzien.

De eerste vier dagen moeten we allemaal inslingeren. We slapen en rusten veel. Gelukkig is niemand ernstig zeeziek. Iedereen is af en toe wat katterig: lezen of koken is lastig. Toch eten we heerlijk, we hebben vier lekkerbekken aan boord die ook nog eens van koken houden en grote hoeveelheden wegwerken. De avondmaaltijd is een van de hoogtepunten van de dag. Al vroeg in de dag bespreken we wat we zullen eten en verheugen we ons op de komende maaltijd. In Las Palmas hebben we een lijst gemaakt met gerechten en de bijbehorende boodschappen gedaan. Terugkijkend blijkt het een goed systeem te zijn, dat zijn vervolg krijgt bij de ‘Suriname oversteek’. Deze kortere tocht is een soort generale repetitie voor onze tocht naar de overkant van de Atlantische oceaan.

We verdrijven de tijd met liggen, slapen, denken, muziek luisteren en ik stort me op mijn Spaanse luisteroefeningen. Veder doen we spelletjes waar geen spullen voor nodig zijn: we doen raadspelletjes, we leggen elkaar onmogelijke dilemma’s voor of doen wedstrijdjes zoals wie de meeste blauwe plekken heeft. Door het geschud en gewiebel van de boot kost elke handeling enorm veel tijd en energie. Van de kuip naar de voorhut lopen, een afstand van 8 meter, kost veel moeite. Je moet je goed vasthouden en dan nog loop je het risico je te stoten met als gevolg weer een beurse plek. Liselot won de blauwe-plekken-wedstrijd met verve.

Als er buiten op het dek iets moet gebeuren, bijvoorbeeld als de boom moet worden bijgezet of juist weggehaald, het grootzeil moet worden gehesen of juist gestreken of er moet iets anders worden veranderd aan de zeilvoering, zijn we altijd aangelijnd, dat wil zeggen: er gaat een lijn van je reddingsvest naar de boot. Mocht de boot een enorme zwieper maken en je gaat over boord dan zit je nog altijd vast. Vooral met flinke deining en ‘s nachts zijn dit de spannendste klussen, die we dan ook zo veel mogelijk proberen te voorkomen door met gereefde zeilen de nacht in de gaan.

De zee is behoorlijk woelig, vooral de eerste dagen. De golven komen van opzij en van achteren. Ze zijn steil en hoog , soms maakt de boot een dwarse zwieper naar beneden of wordt de zijwaartse beweging steeds feller opgebouwd na een paar keer van rechts naar links te zijn geslingerd. Af en toe pakt de boot een grote golf en surft met een enorme snelheid vooruit. Dan weer is er een moment van rust waarin je hoopt dat de rust wat langer zal aanhouden. Soms raken we geïrriteerd, maar vaak ook hebben we enorme lol om de chaotische taferelen die worden veroorzaakt door de golven. Koken is een uitdaging en levert soms hilarische momenten op. Maar ook eten en drinken zijn een uitdaging. Je moet je vast houden met één hand en dan nog gaat het vaak mis en vliegt de inhoud van je hondenbak door de ruimte. De bewegingen zijn niet ritmisch, dus anticiperen is geen optie.

Een heerlijk hoogtepunt van de dag is ook de bijna dagelijkse dolfijnenshow waarop we getrakteerd worden. Telkens weer een cadeautje als de dolfijnen aan alle kanten de boot omringen en meezwemmen: kriskras onder de boot door of voor de boot langs. Een keer ligt Joris bij de boeg op zijn buik om de dolfijnen te filmen met de onderwatercamera. Hij komt klem te zitten tussen de reling en de voorpunt, zijn reddingsvest blaast zich op als hij door een golf wordt overspoeld.

Op de vijfde dag wordt iedereen ineens enorm actief, het katterige gevoel is weg bij ons allemaal. Deze dag vangen we ook onze eerste vis. Elke dag hangen we een 50 meter lange lijn uit met een blinker, in de hoop een vis te vangen. Joris en Liselot veranderen op deze dag de blinker: ze bevestigen een roze, diep duikende blinker, speciaal voor tonijn bedoeld. De dag is bijna voorbij en Joris haalt de lijn binnen. Dan voelt hij de weerstand en jawel, er zit een flinke vis aan. Met behulp van de lier haalt Liselot de vis binnen, Joris rolt de lijn aan de haspel, Karin legt snel de slachthamer, handschoenen, fileermes en snijplank klaar, Eric trekt de vis uit het water en het blijkt een enorme tonijn te zijn. De tonijn krijgt een paar klappen met de hamer, een wild en bloederig gebeuren, waarna de prachtige vis vakkundig door Joris wordt gefileerd. Een tonijn van ruim 8 kilo, we hebben er 4 dagen van gesmuld: tonijnsteak, sushi, curry en pasta met tonijn. Heerlijk is het. Af en toe hebben we een vliegende vis, een mooi blauw, sprookjesachtig wezentje aan boord. Tijdens de slachtpartij van onze tonijn komt er plotseling, oog in oog met de zojuist gedode vis een spartelend vliegend visje naast onze vangst te liggen. Joris gooit het nog levende visje terug in de oceaan. Eén leven wordt gered, de oceaan geeft en neemt.

Het zeilen gaat voorspoedig. We hebben een vrij constante wind van tussen de 15 en 22 knopen. We varen een ruime of voordewindse koers. Meestal hebben we een uitgeboomde genua opstaan. Dat gaat prima, totdat de wind inkakt tot onder de tien knopen. We experimenteren wat met de zeilvoering. Genua-grootzeil, gennaker, grootzeil-werkfok, maar het bevalt niet, de boot loopt niet lekker, of het grootzeil neemt de wind uit het voorzeil, of de wind blijkt opeens weer te krachtig voor de gennaker, een enorme lap zeil voor lichte wind. Dan rollen we de genua weer uit en hijsen de werkfok en gaan zo voor het lappie, zeilen aan weerszijden, ook wel melkmeisje genoemd. Dat blijkt geweldig te gaan als we zo’n beetje voor de wind varen, de koers die we ook tijdens de grote oversteek zullen zeilen.

Aan het einde van de zesde dag zien we in de verte vaag de contouren van São Antao. We moeten nog 30 mijl. Als we rond middernacht Mindelo naderen is het pikdonker, de maan is nog niet op. Dan worden we gegrepen door de acceleratiewind: het trechtereffect tussen de eilanden. We zagen dat aankomen dus hadden het grootzeil al laten zakken en de genua een stukje ingerold. We naderen de haven, starten de motor en rollen het laatste stukje genua in. Als we aankomen in de haven is het ineens  veel rustiger. Het is donker, we twijfelen of we zullen ankeren of een plekje zullen zoeken in de marina. Dan zien we een man staan op de steiger met een lamp. Hij seint en wijst ons een plekje, we varen naar de steiger en twee mannen helpen ons met aanleggen. We zijn er, zeseneenhalf etmaal na ons vertrek. Ik spring op de steiger en loop wiebelig en onwennig de steiger op. Ik hoef me niet vast te houden. Het voelt onwennig maar fantastisch. Zodra de boot goed vastligt nemen we een biertje, de eerste van de week, we proosten op de mooie, langste tocht tot nu toe en veilige aankomst. We gaan al snel naar ons bed en vallen als een blok in slaap.

Karin

Herenigd

We horen het thuisfront denken: waarom blijven Karin en Eric zo lang in Las Palmas hangen? Het thuisfront, een mengelmoes van vrienden, familie en kennissen, kunstminnaars, voetbalfans, muzikanten, kroeglopers, collega’s, ambtenaren en nog veel meer, is op dit punt eensgezind: het is tijd dat ze al die stoere voornemens – ‘in het kielzog van de grote ontdekkingsreizigers’ – nu maar eens waar gaan maken. Dat gaan we doen, we zijn op weg! We liggen in La Gomera, twee eilanden verderop. Hier vertrok Columbus op 6 september 1492, op weg naar de, vanuit westerse ogen bezien, Nieuwe Wereld. Morgen vertrekken wij ook, vanuit diezelfde haven van La Gomera als waar hij de ankers lichtte.

Las Palmas bleek een handige en fijne uitvalsbasis. We kwamen er aan, namen afscheid van opstapper Wim, verwelkomden Karins moeder en zus, om daarna onze zoon Joris en dochter Liselot op te gaan halen in Fuerteventura. Karin en ik huurden een AirBnB op een geitenboerderij en kaasmakerij. Daar zagen we dat het mogelijk is: op een diervriendelijke manier in het levensonderhoud voorzien, zelfs in het droge klimaat van dit dorre eiland. Het landschap houdt het midden tussen dat van Arizona en de maan.

Karin, Joris en Liselot zaten dubbelgevouwen op de achterbank in onze afgeladen Pinda 3, de derde gehuurde Fiat Panda, twee surfplanken bezetten de voorstoel en het centrale deel van de achterbank. Joris en Liselot zijn fanatieke surfers. Dus die surfboards moesten en zouden mee. Met diep ingedrukte schokbrekers reden we de ferry op, terug naar Gran Canaria, gleden een paar uur later over de vertrouwde boulevard van Las Palmas. Het voelde als thuiskomen, op onze boot, maar ook een beetje onze stad. Las Palmas kan ons bekoren, toeristen lossen op in de stad, waar het gewone Canarische leven zijn gang gaat. Razend druk, dat wel. Veel verkeer, de stad komt tijdens de spits in files tot stilstand, de stookoliedampen van de zeeschepen in de haven drijven over de stad, smalle trottoirs leiden naar drukke winkelstraten en verkeerspleinen. Wij vielen voor die andere kant van Las Palmas: de mooie gerestaureerde binnenstad, de tapas op donderdagavond, het stadsstrand waar Scheveningen een puntje aan kan zuigen: een brede boulevard zonder schreeuwerig vermaak, wel een plek waar de stad tot rust komt, diep ademhaalt, waar verliefde stelletjes handjes vasthouden terwijl de hemel rood kleurt aan het eind van weer een prachtige Canarische dag. Want wat is het weer hier heerlijk!

Wij hielden ons vooral op rondom de marina in Las Palmas, in goed Nederlands: de jachthaven. Ik deed klusjes aan de boot, waar onderdelen voor nodig waren en die zijn bij de watersportwinkels aan de kade ruim voorhanden. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat menig klus werd onderbroken doordat ik na het winkelbezoek halt hield bij de Sailors Bay Bar, Karin appte (‘ik drink even wat’) waarna Karin een uur later besloot ook te komen, om met mij het glas te heffen, waarna de namiddag zich als vanzelf voltrok. De gezelligheid won het menigmaal van het plichtsbesef. Zo raakten we tijdens diverse gelegenheden aan de praat met de zeilende couleur locale. Neem die bejaarde Amerikaan, een hoed als Clint Eastwood, met grijze baard, een accent uit het diepste zuiden van de Verenigde Staten dat de communicatie ernstig bemoeilijkte. Zijn articulatie was bovendien zeer matig door zijn beroerde gebit. Eén scheve tand in de onderkaak, wellicht ergens verstopt nog een tweede of derde, maar veel meer was het niet. Zijn naam weet ik niet meer, heb ik eigenlijk nooit goed verstaan, want na drie keer is het te lullig om nog een keer te vragen hoe iemand heet. Wel begreep ik, en is door andere bezoekers van de bar bevestigd, dat hij zeventien keer de Atlantische oceaan is overgestoken. Met een bootje van pakweg tien meter, dat bij windstiltes weinig hulp kreeg van een dieseltje met, op vol vermogen, slechts tien pk. Deze man zeilt zijn hele leven alleen, ik kon hem niks vertellen, hij wist alles, deed alles op zijn manier.

Een andere figuur uit het toneelstuk dat dagelijks op het terras van de Sailors Bay Bar wordt opgevoerd is half-Deen-half-Brit Jan. Zijn naam ken ik goed, en met mij het hele terras, want hij praat nogal hard. Zijn hele leven heeft hij mijnen geruimd, eerst voor het Britse, daarna voor het Deens leger, de knallen hebben zijn gehoor aangetast en het hele terras geniet mee. Hoewel de meeste bezoekers eerder geïrriteerd lijken, aangezien zijn gebulder het gesprek aan andere tafels hindert. Wandelende mijnen, het ontstekingsmechanisme, de mijnenadministratie van de moffen, de in en outs van het mijnen ontmantelen deelt hij met eenieder die het wil  – of niet wil – horen. Jan loopt met een stok, het gevolg van een zwaar motorongeluk, het is een wonder dat hij nog leeft. Jan slijt samen met zijn vrouw zijn laatste jaren op zijn bootje in de haven. Terwijl Jan dit luidkeels en breedsprakerig uit de doeken doet, en voor onze tafel nog eens bier bestelt, zit naast mij Richard. Hij heeft Ladybird, voormalig Canarische zwerfhondje, op schoot. Richard is een rustige, ongelofelijk aardige kerel, woont na allerlei zeilreizen al negen jaar op zijn boot in Las Palmas, samen met zijn vrouw. Ze liggen aan dezelfde steiger als wij. Toen hij me op een dag met een lege gasfles zag zeulen zei hij: die kun je twintig kilometer verderop laten vullen. Ik rij je er morgen wel naartoe. Kom daar in een Nederlandse bloemkoolwijk maar eens om. De dag erop zaten we in zijn auto, we vertelden elkaars levensverhaal, toekomstplannen, deelden onuitgesproken de waardering voor warm menselijk contact.

En toen kwamen Joris en Liselot aan boord en waren we weer met z’n vieren. Ze zeilen met ons mee naar de overkant, via Kaapverdië. Wat een feest om weer bij elkaar te zijn! Na een paar dagen voorbereidingen, klussen, bunkeren, afgewisseld met een middagje surfen en laatste bezoek aan de Sailors Bay Bar, was het op 31 december zover: surfboards vastgesjord aan de reling en trossen los. Volgens de pilot – gids voor zeilers – over dit gebied was het oppassen geblazen voor de gevreesde acceleratiezones. Winden worden tussen de Canarische eilanden doorgeperst. Een gezapig windje kan zich ontpoppen tot een windkracht 8. Niet handig als je daar niet op voorbereid bent. Maar wij hadden geluk. De wind kwam uit het zuidoosten, de acceleraties bleven daardoor uit. We zeilden de oostkust van Gran Canaria af, het eerste stuk afkruisend, en gingen op oudejaarsavond voor anker bij de zuidpunt, Maspalomas. Na een flesje bubbels met sterretjes in de hand (dankjewel Latoyah!) gingen we slapen. Het werd een hobbelig nachtje, er was bij deze wind te weinig beschutting achter het kaapje. We besloten de volgende dag in één keer door te zeilen naar La Gomera. We voeren de dag en nacht om Tenerife heen, met een machtig uitzicht op El Teide, de niet te missen vulkaan van Tenerife. Columbus voer er op 24 augustus 1492 ook langs. En toen gebeurde het: El Teide barstte uit. In zijn dagboek schrijft hij: ‘Veel bemanningsleden waren verbaasd en ook wel bang. … Ik heb hun de oorzaak van zo’n enorme vuurzee verklaard.’ Columbus verkocht hen een broodje aap verhaal, want in die tijd wist niemand waarom en hoe vulkanen uitbarsten, welke ondergrondse krachten werken en hoe de vork in de steel zit. Ook Columbus niet. Dat werd pas later duidelijk, eigenlijk pas in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de platentektoniek algemeen werd aanvaard als geologisch verklaringsmodel. Ok boomer!

Zo konden we wennen aan elkaar op de boot, overdag en in de nacht, probeerden de wachtindeling uit, vooruitlopend op de oversteek naar Kaapverdië en kwamen in de vroege ochtend aan bij La Gomera. Liselot stuurde Catherine in het pikkedonker, ons oriënterend op de kaart en een lichtgevende boei, de havenkom in. Ik nam het roer over, Joris, Karin en Liselot legden landvasten en stootwillen klaar. Via de marifoon riepen we de jachthaven op. Daar wachtte een vriendelijke marinero ons op. Toch handig als je gereserveerd hebt. Hij scheen met een zaklamp op de steiger: hier moet je wezen. We meerden af, wisselden beleefdheden uit, deden een dutje, waarna we enkele uren later naar een betere ligplaats werden begeleid.

Nu vieren we een klein weekje vakantie op La Gomera, we wandelen, eten, praten veel met elkaar, rijden het eiland rond in Up 1, een gehuurde VW Up. De jachthaven ligt middenin San Sebastian, een bescheiden stadje waar het toerisme niet al te dominant aanwezig is. Geen betonnen blokken hotels of andere wanstaltige architectuur. Ook hier gaat het Canarische leven gewoon door, terwijl zeilers en enkele andere toeristen samen met de eilandbewoners de terrasjes bevolken. Op het pleintje slenteren mensen zonder bestemming, gewoon lekker buiten zijn met elkaar. Aan de kade zitten drie mannen op een muurtje, zoals ze waarschijnlijk al jaren doen. Hoedjes op, benen wijd, de dikke buik ertussen en de hand op een wandelstok. Zo wordt het laatste nieuws besproken. Op 6 januari is het Driekoningen. Dit christelijke feest wordt de avond ervoor uitbundig gevierd, qua sfeer een soort mengeling van Kerst en Sinterklaas, met de drie wijzen uit het oosten, waarvan één donker, maar niet geschminkt, zoals bij het volksfeestje in Nederland nog vaak wel het geval is. Het wordt een feestelijke gebeurtenis: een trommelband, kinderen die op een podium cadeautjes krijgen van de drie heren. Geen onvertogen woord, geen politie, geen spanningen, blije kindergezichtjes, vertederde ouders. Zo hoort een kinderfeest te zijn! Heel bijzonder op La Gomera is de El Silbo, de lokale fluittaal, vroeger gebruikt om over de diepe dalen heen te kunnen communiceren. El Silbo wordt in de klas onderwezen en nog steeds gebruikt. In de haven, op straat en in de dorpjes op het eiland hoor je regelmatig het gefluit. Ontzettend grappig!

Woensdag 8 januari nemen we afscheid van de Canarische eilanden en vertrekken we naar Kaapverdië, een afstand van 900 zeemijl, pakweg 1650 kilometer. Afrika! Op Facebook en Instagram laten we natuurlijk direct weten als we er zijn. We hebben er ongelofelijk veel zin in. Groet van ons vieren!

Eric

De Zonnige dagen rond Kerst

30 december 2019

Tijdens de maanden november en december verkeer ik normaliter in een lichte herfstdip. Dit jaar is dat echter totaal anders. Het vrolijke, zonnige klimaat van de Canarische eilanden doet me bijzonder goed. Ik acht het bij deze bewezen: de afwezigheid van zonlicht veroorzaakt mijn herfstdip.

We vertrokken eind november van Madeira richting de oostelijke Canarische eilanden. Het liep anders. De oostelijke wind blies ons zuidwaarts naar Gran Canaria en sindsdien liggen we in de marina van de hoofdstad Las Palmas. Gelukkig is het hier goed toeven. Een grote haven met alle voorzieningen die we nodig hebben voor de grote trips die nog gaan komen. Zoon Joris en dochter Liselot stappen op en vanaf hier vervolgen we met zijn vieren onze reis.

Het is erg gezellig in de haven. We ontmoeten mensen uit allerlei landen, die bezig zijn zich voor te bereiden op hun grote reis. De meesten gaan richting Kaapverdië en van daaruit naar Zuid-Amerika of de Caraïben. Zoals wij. We zwaaien regelmatig mensen uit waarmee we een praatje hebben gemaakt of een biertje hebben gedronken. Weer anderen wonen hier al jaren op hun boot. Opvallend is de hoeveelheid Nederlandse vlaggen. Inmiddels zijn we er wel achter dat dat zogenaamde nep- Nederlanders zijn. In Nederland schijn je je boot gemakkelijk, snel en goedkoop (geen belasting) te kunnen registreren. Spaanse en Portugese zeilers maken daar graag gebruik van. We kwamen zelfs een Canadese boot tegen met een Nederlandse vlag.

Hier zijn enorm veel mensen die zich aanbieden als bemanningslid. We worden regelmatig gevraagd of we nog bemanning nodig hebben. Overal hangen advertenties waarin mensen zich aanbieden als bemanningslid en er lopen jongeren met een bord met ‘Brasil’ langs de steigers. Op het strandje naast de marina slapen veel jongeren in afwachting van een lift. Het aantal onervaren bemanningsleden dat zich de laatste tijd aanbiedt, is aanzienlijk toegenomen aldus Yvonne, een lagere schoolgenoot van Eric die we bij toeval troffen bij de Sailors Bay Bar. Zij is een ervaren opstapper en is al meerdere keren de oceaan overgestoken. Tegenwoordig bieden steeds meer (onervaren) jongeren zich aan als bemanningslid. Sommigen zijn misschien nog nooit aan boord van een zeilschip geweest. Als schipper neem je een risico als je ze meeneemt, je zit soms weken aan boord met iemand die misschien wel erg zeeziek wordt, angstig is of heel onhandig is en dingen kapot maakt. Deze verhalen horen we bij de Sailors Bay Bar, waar we regelmatig een pintje pakken of een echte Italiaanse pizza eten, andere wereldzeilers en oude bekenden ontmoeten. De Italiaanse eigenaar is zelf ooit met z’n zeilboot hier terecht gekomen en nooit meer weggegaan.

We huurden een autootje en verkenden het eiland. Op Gran Canaria zijn allerlei microklimaten en  verschillende landschappen: droge, bruine heuvels begroeid met cactussen en met palmen begroeide dalen. In het midden van het ronde, vulkanische eiland een groen berglandschap met toppen van bijna 1900 meter. In het noorden vind je zwarte lavastranden en in het zuiden het duinlandschap van Maspalomas met uitgestrekte goudgele, zandstranden. De hoogte van de temperatuur hangt erg af van waar je bent. Wij gingen op een ochtend naar de bergen voor een wandeling. We hadden alleen regencapes en vestjes bij ons. Een korte broek leek ons prima te doen. We vertrokken vanaf Las Palmas met een lekkere temperatuur, een graad of 23 en reden via steile kronkelweggetjes de bergen in. De temperatuur daalde snel en op de plaats waar onze wandeling zou beginnen gaf de temperatuurmeter van de auto 6 graden aan. We parkeerden de auto en begonnen onze wandeling naar de een na hoogste top van het eiland: Roque Nublo. Na zo’n 200 meter kwamen we uit de beschutting en had de wind vrij spel. Het waaide en regende keihard en we wisten niet hoe snel we terug naar de auto moesten komen. Gelukkig dat we vervroegd terug waren gekeerd want we zagen nog net hoe een man bij de geopende achterbak van onze huurauto stond. Eric rende achter hem aan en ik ging snel in de auto kijken of hij iets had gestolen. Hij bleek niets te hebben meegenomen maar had wel zitten roken in de auto. Het was een vervelend incident dat met een sisser is afgelopen, maar we hebben toch weer een lesje geleerd: beter op onze spullen letten.

We kregen bezoek uit Nederland van mijn moeder en zus Margreet. We gingen nu voor de tweede keer naar Roque Nublo. Mijn moeder bleef in een mooi gelegen Parador hotel met prachtig uitzicht en wij ondernamen een nieuwe poging, nu met z’n drieën. Deze keer met meer succes, het was stralend weer en deze keer had ik mijn lange broek wel thuis kunnen laten. Het was erg fijn om familie over te hebben uit Nederland. Mijn moeder genoot met volle teugen en deed middagdutjes op het strand, op onze boot en in de Parador terwijl wij drieën een wandeling maakten.

We zijn ook vijf dagen Fuerteventura geweest: een vakantie in een vakantie. Ik had een leuke Airbnb gehuurd bij een geitenfarm. We hebben daar afgesproken met Joris en Liselot. Later volgt nog een verslagje van onze tijd op Fuerteventura. We zijn inmiddels met z’n vieren terug op Catherine in Las Palmas. Het is heerlijk om weer herenigd te zijn! Morgen beginnen we aan onze grote reis naar Suriname via Kaapverdië. We maken eerst nog een paar korte tussenstopjes op Gran Canaria, Tenerife en La Gomera, zodat Liselot en Joris nog een beetje kunnen wennen aan het zeilend leven voordat we echt het ruime sop kiezen. Wordt vervolgd!

 

Karin

 

 

Madeira – Gran Canaria: eilandhoppen met hindernissen

29 november 2019

Langzaam, uur na uur, gaan de lampjes en lichten van Madeira over in een gloed aan de horizon. Hoe lang duurt het voordat een eiland volledig uit zicht verdwijnt, hoe groot is de afstand? Wim, goede vriend en opstapper op dit traject, tovert het antwoord uit zijn mobiel: ‘de wortel uit de hoogte van het eiland, plus de wortel uit de hoogte waar je staat, dat maal 2,12, dan heb je de afstand tot het eiland’. Terwijl we ons buigen over deze toepassing van Pythagoras, zien we een vreemd verschijnsel aan de andere horizon. Waar donkerte zou moeten zijn, ontwaren we talloze lichtjes. ‘Islas Desertas’, is mijn eerste reactie. Deze eilandengroep, op enkele mijlen afstand, zou volgens de kaart niet verlicht moeten zijn, maar ja, een kaart is slechts een weergave van de werkelijkheid. Maar de eilanden liggen aan bakboord, niet voor ons. ‘Vissersboten?’, vraagt Wim zich af. Maar dan zouden we ook groene en rode lampjes moeten zien. Ik neem een peiling. Even later nogmaals. Oei, die lampjes verplaatsen zich redelijk snel. Zo snel, dat we dicht in de buurt moeten zijn. Ik kijk op de kaart: het is hier een slordige 2500 meter diep, dus boeitjes kunnen het niet zijn, lijkt mij, want die liggen toch vast aan de bodem? ‘Het zijn boeitjes, van vissers’, zegt Karin gedecideerd. Ze heeft gelijk. Maar het voelde toch een tikje verontrustend, al die lichtjes terwijl we donkerte hadden verwacht.

Als we alle boeitjes zijn gepasseerd, Madeira volledig uit beeld is, Karin en Wim ter kooi gaan, blijf ik alleen in de kuip. Rust. Stilte. Volledige donkerte, geen hand voor ogen; het is bijna nieuwe maan. Gekabbel van een heerlijk rustig zeetje, een fijne, ruime wind van een knoop of 10 á 15. Arie, de windvaan, stuurt de boot. Ik hoef niks te doen. En dan komen de gedachtes. Hier, ergens tussen Madeira en de Canarische eilanden, lag Charles Darwin zeeziek op bed in zijn kooi, in januari 1832. Hij kwam amper aan dek, zo beroerd was hij. Wekenlang. Toch las hij boeken, boeken die een enorme impact op zijn latere werk zouden hebben. Hij verslond ‘Personal Narrative’, het zevendelige werk van natuuronderzoeker Alexander von Humboldt, Darwins grote inspiratiebron. Darwin had ook ‘Principles of Geology’ bij zich. Dit boek van Charles Lyell was zojuist verschenen. Kernpunt: alles op aarde is het gevolg van processen die nog steeds doorgaan. Kernpunt twee: alles voltrekt zich over onvoorstelbaar lange periodes. Met andere woorden: vergeet het scheppingsverhaal. Daar had de godsdienstige Darwin, die bijna een carrière in de kerk was begonnen, moeite mee. Juist Darwin zou later met zijn evolutietheorie – inmiddels onomstreden paradigma – afrekenen met alle bijbelverhalen over het ontstaan van de aarde en het leven en vooral: het ontstaan van de mens. Het begin van Darwins baanbrekende inzicht ontstond dus hier, waar wij nu zeilen, waar het water nu kabbelt. Genoeg daarover, want de beelden van de afgelopen twee weken Madeira komen als een film voorbij terwijl Catherine met deining en wind wordt meegevoerd.

Paula, een oude schoolvriendin van Karin, woont met haar man Frans op Madeira. Ze zijn verliefd op het eiland en dat begrijpen we heel goed. Madeira is prachtig en de mensen ongelofelijk aardig en behulpzaam, zoals eigenlijk alle Portugezen die we hebben ontmoet. Paula en Frans praten ons bij op een terrasje in hun woonplaats Machico. Frans en ik aan alcoholvrij bier – goed te doen! – Karin en Paula aan de groene wijn – echt waar, vinho verde! Op deze zachte zondag flaneert men voorbij, verliefde stelletjes, jonge gezinnetjes, grote families aan de late lunch, luidruchtig gelach naast ons, af en toe een rondkijkende toerist, uitzicht op de baai, het vissershaventje en het dorpspleintje met markt. Machico was ooit de hoofdstad van Madeira, vertelt Paula. Aan het eind van de dag tuffen we met ons huurautootje terug naar de oostkant, waar onze Catherine op ons wacht in Marina Quinta do Lorde. Dat is onze uitvalsbasis voor de wandelingen die we willen maken. Maar welke wandelingen? Sanne en Jasper, onze vrienden van de Giramondo, weten het antwoord. We zoeken ze op in de drukke, gezellige haven van hoofdstad Funchal. Ze reiken ons ‘Madeira Walks’ aan, een boekje met gedetailleerde beschrijvingen van prachtige wandelingen. We drinken nog wat op een terrasje in het oude stadscentrum en nemen dan afscheid. Zij zeilen door naar Tenerife. We zagen elkaar voor het eerst in Portosin, Noord-Spanje, later in Cies, Seixal en Porto Santo. We zullen elkaar weer treffen, maar waar, dat wijst zich vanzelf.

We wandelen over de oostpunt van het eiland: Ponta de São Lourenço, een dramatisch aride landschap richting de kaap, waar de wind vrij spel heeft. De oceaan klapt op de steile rotsen, aan beide kanten. Het uitzicht vanaf de kaap is adembenemend. Aan de horizon zien we Porto Santo liggen. Ons boekje waarschuwt voor hoogtevrees, maar dat blijft gelukkig beheersbaar. Op de terugweg begint het te waaien, een druppel valt, het klaart weer op, dan begint het goed door te regenen. Een woest gebied!

We maken een aantal wandelingen langs levada’s, de soms eeuwenoude irrigatiekanaaltjes met daarnaast lieflijke paden met geringe hoogteverschillen. Samen met onze Duitse vrienden Gerhard en Andrea van de Monte, die inmiddels ook in Quinta zijn afgemeerd, maken we zo’n levada-wandeling die ons onder watervallen door leidt. Bij de oorsprong van de levada tovert Gerhard een verrassing uit zijn tas: een paar flesjes Portugees stout-bier. Heerlijk spul. Andere wandelingen voeren ons de volgende dagen door diepe dalen en over berghellingen. Madeira is een prachtig eiland. Die conclusie had ik al getrokken op tienjarige leeftijd, toen ik op de lagere school een werkstuk over dit bloemeneiland maakte. Ik zie nog voor me hoe kleine Eric (op school noemden ze me Wessie, zoals grote mensen nu mijn oudere broer aanspreken) een halve eeuw geleden een foto uitknipte uit een reisgids, met daarop bloemen in een steile kloof, en het plaatje in het werkstuk plakte.

Het einde van ons verblijf op Madeira nadert, als we nog een bakkie met Paula doen. We zitten in een eenvoudig koffietentje, als een buurtgenote, een hoogbejaarde dame, aan Paula vraagt wie we zijn. Ze knikt goedkeurend, lacht ons toe, terwijl Paula vertelt over onze reis. Even later staat ze op, moeizaam, de artrose is bijna voelbaar, ze gaat op weg naar huis, blijft even staan aan ons tafeltje en wenst ons welgemeend een goede reis over de wereld en behouden thuiskomst. Lief.

Wim stapt op en we varen weg van Madeira. We koersen richting Isla Selvagen Grande, een verlaten rotsblok in de oceaan, twee nachten en een dag zeilen richting de Canarische eilanden. Daar zouden we prima kunnen ankeren. Maar na de tweede heerlijke nacht varen we ’s ochtends vroeg de baai binnen en het lijkt of ik de rotsen kan aanraken, zo smal is de baai. Volgens de zeilgids prima ankergrond, maar ik durf het niet aan. Een krabbend anker en we liggen in een zucht op de rotsen. Er ligt een boei. We leggen Catherine eraan vast, maar worden even later weggestuurd, want de Policia Maritíma heeft die boei nodig. Een grote boei, buiten de baai, eigendom van de marine, mogen we gebruiken. Het is een oud, lelijk, groot, roestig maar stevig ding. We knopen Catherine eraan vast en gaan met Billy de Bijboot naar het eiland voor een wandeling. Op het eiland worden we hartelijk welkom geheten door de vriendelijke mannen van de Policia Maritíma en het nationaal park. Karin regelt het papierwerk: bootdocumenten, paspoorten. Helaas komt Catherine vervaarlijk dicht bij het roestige gevaarte. We besluiten de lijnen te verlengen, Wim en ik varen terug om dat even te fixen. Achteraf zou blijken dat we dit beter niet hadden kunnen doen.

Enkele heren lopen met ons mee over het eiland, want deze eilandengroep valt onder een streng natuurbeschermingsregime. Enkele endemische soorten, vogels en een hagedissensoort, zijn kwetsbaar. Er is weinig te zien, het landschap lijkt een kruising tussen Arizona en de maan, maar dat maakt het tot een unieke plek. De gids spreekt geen woord Engels en wijst ons op informatieborden. Zijn hulp, een vrijwilliger uit Madeira staat ons wel in het Engels te woord en legt uit dat wij de eerste buitenlandse toeristen zijn die deze borden zien: ze staan er pas twee weken. Dat er zo weinig toeristen zijn is logisch. De enige manier om hier te komen is met je eigen zeilboot, via die krappe baai tussen de rotsen.

We hebben het eiland gerond, we zijn voldaan en ik verheug me op een rustige nacht aan de boei, met een zelfgebakken pizza en wijntje. Helaas loopt dat anders. De laagstaande zon belicht Catherine, die wordt belaagd door het roestige gevaar. Het onding schuurt tegen de scheepshuid. Die lange lijnen waren blijkbaar toch niet zo’n goed idee. We lopen naar beneden, Wim en ik pakken Billy, te klein voor ons drietjes dus Karin haal ik straks op, we varen naar Catherine om de schade op te nemen. Dat lijkt mee te vallen, maar de lange lijnen van Catherine zijn verstrikt geraakt rondom de ketting onder de boei. Wat zullen we doen? Met Billy de lijnen proberen te ontwarren? Eerst Karin ophalen met Billy, terwijl Wim probeert de boei af te houden? Lijnen doorsnijden en dan wegvaren? Terwijl ik de opties op een rijtje probeer te zetten om een plan te smeden, voel ik een licht alarmerend gevoel: gebrek aan controle, de situatie glipt me door de vingers. Geen gevaar, wel een ingewikkelde situatie. Het is te donker om Karin op te halen. Het is te donker om toch nog te ankeren, of toch weer aan die boei van de politie te gaan liggen. We komen handen tekort: boei afhouden, lijnenprobleem oplossen, Karin ophalen. Het vooruitzicht is weinig aanlokkelijk: niet ankeren maar wegvaren terwijl we alle drie best moe zijn van het wandelen en de vorige twee zeilnachten. We hebben honger. Na bliksemoverleg met Wim trek ik de conclusie: hulp van de mannen op het eiland inroepen. Karin heeft de handmarifoon – uiterst nuttig cadeautje van Wim – bij zich. Ik roep haar op en leg de situatie uit. Dan gaat alles heel snel. Karin vertelt later dat de vriendelijke mannen opeens stoere kerels werden, hun reddingsboot werd in een mum van tijd te water gelaten, Karin werd erin geholpen, met felle zaklampen in de aanslag racete de boot tussen de klippen door naar Catherine. Karin, gehinderd door een flinke deining, klom aan boord van Catherine, zoals je vroeger op de kermis in het lunapark op bewegende traptreden omhoog moest zien te komen. De mannen bekeken de boei en de lijnen en kwamen tot dezelfde conclusie: doorsnijden. Hopla, dat was in no-time gebeurd. We bedankten de hulpvaardige heren, redders in lichte nood, terwijl tijdens een poging tot handen schudden als afscheid de stoerste met zijn hoofd nog bijna tegen ons anker stootte, zijn collega hem in een flits wegduwde, de mannen voeren weg en opeens was het avontuur voorbij.

En toen dobberden we weer op de oceaan. Karin, Wim en ik maakten zo snel als mogelijk de boot zeilklaar. Spullen zeevast. Billy aan dek, buitenboormotor achterop vast. Karin hield met de zaklamp die nare roestboei in beeld, ter oriëntatie, want het was werkelijk pikkedonker en de gevaarlijke rotsen niet ver weg. Na een kwartier – of was het vijf minuten, een half uur? – hesen we de zeilen. Langzaam zakte de adrenaline. Karin toverde een omelet uit de kombuis. Ze vertelde achteraf dat ze zich dankzij het optreden van de stoere mannen geen moment onveilig heeft gevoeld.

We zetten koers naar Lanzarote. Helaas bleek de wind iets te oostelijk. Middenin de nacht, Karin en Wim sliepen, trok ik de conclusie: jammer, maar ik verleg de koers en val af. En zo voeren we na de vierde nacht op zee de haven Las Palmas op Gran Canaria binnen. Gemengde gevoelens, want jammer dat we ons plan (via Lanzarote en Fuertaventura naar de andere eilanden) niet hebben uitgevoerd, gemengde gevoelens ook dat we Selvagen hebben aangedaan. Een bevriend Duits echtpaar, Norbert en Sabrina, ervaren zeezeilers en ankeraars waarmee we in Porto Santo stevig hebben geborreld en die we bij toeval ook op Madeira troffen, nota bene in de parkeergarage bij de Decathlon, waren ook via Selvagen Grande gezeild en trokken direct de conclusie: hier gaan we niet ankeren, we varen door. Hadden wij beter ook kunnen doen. Maar ach, eind goed al goed. Catherine heeft een paar stevige krasjes opgelopen, we zijn een ervaring rijker en we hebben ervan geleerd. Terwijl ik dit typ, Wim een wandeling maakt in de stad en Karin naar de kapper is, de zon schijnt in de kuip en ik straks een biertje ga opentrekken, zie ik de geruststellende knik, vriendelijke lach en vertrouwenwekkende blik van die oude dame in Machico weer voor me: een goede reis en een veilige thuiskomst, zei ze. Ik kan het me verbeeld hebben, maar ze keek me aandachtig aan, recht in de ogen. Alsof zij daarvoor kan en gaat zorgen. Darwin of niet, het is een fijne gedachte dat ze dat doet.

Eric

 

Porto Santo: komen en gaan

                                                                                  16 november 2019

Er staat een stevige dwarswind de haven in als we vertrekken uit Porto Santo. We hebben weinig ruimte om te manoeuvreren. Het plan was Catherine met lijnen bij de dwarssteiger te houden, met behulp  van drie man. Eentje staat op de steiger voor ons en twee anderen staan op de vingersteiger naast de boot. Ik sta op de boeg om de lijnen op te vangen. Eric zet de motor in z’n achteruit en alle drie de mannen gooien de lijnen iets te vroeg naar mij. Ik zie nog in een glimp hoe Kevin de aardige Engelsman op de vingersteiger tot z’n enkels in het water staat. Ik ben druk bezig de lijnen binnen te halen als ik zie hoe de boot iets te snel zijwaarts afdrijft richting twee afgemeerde boten. De mannen aan de kade schreeuwen nog wat, maar Eric zet de motor exact op tijd volle kracht in z’n vooruit, zodat er maximale druk op het roer komt. Catherine draait langzaam tegen de wind in, de boeg gaat net op tijd door de wind, met de andere boten op slechts een paar meters afstand en we varen weg. Opgelucht varen we langs het Duitse stel dat een stukje verderop geankerd ligt: ‘See you later in Madeira’. De Canadees die op de steiger had geholpen loopt naar het havenhoofd en zwaait ons uit.

We zijn op weg. Een kort stukje 30 zeemijl, een uur of zes varen.  Als we de punt van Porto Santo voorbij zijn, zien we Madeira al liggen. Er staat een stevige wind en we varen een ruime koers. We experimenteren een tijdje met de zeilen. We hijsen het grootzeil en rollen de genua uit. Het grootzeil haalt de wind uit de genua die staat te klapperen als een gek. Toch maar weer het grootzeil laten zakken en dan maar ‘voor het lappie’, zoals dat in zeilerstermen heet. Met alleen de genua gaan we zelfs iets harder, dus het blijkt de juiste beslissing. De deining is flink en behoorlijk onregelmatig. Zolang we dichtbij Porto Santo zijn, hebben we nog last van een onrustige zee. Na een uur of twee wordt het wat rustiger, maar wel veel kouder. De warme, waterdichte kleding wordt weer tevoorschijn gehaald en we wapenen ons tegen de kou en de nattigheid.

Ik zie Porto Santo steeds kleiner worden en denk terug aan de twee heerlijke weken die we daar hebben beleefd. Na een behoorlijke heftige tocht kwamen we aan in Porto Santo. Via de marifoon kreeg ik wat onduidelijke aanwijzingen: eerst konden we gewoon een plekje uitzoeken in de marina, later bleek de marina toch vol en zeiden ze dat we aan een mooring in de ankerbaai konden gaan liggen. De ankerbaai was ook behoorlijk vol en er was geen mooring te bekennen. De Engelsman die we tijdens onze reis bijna de hele tijd op de AIS hadden gezien, was een uurtje voor ons gearriveerd en riep naar ons dat er überhaupt geen moorings waren. We gooiden het anker uit, ontkurkten een fles bubbeltjeswijn en gingen eens rustig om ons heen kijken. Beiden waren we ietwat teleurgesteld over wat we voor ons zagen. Precies voor onze neus stonden een paar lelijke industriegebouwen, een rokende dieselenergiecentrale met daarachter een bruine, dorre rotswand. Links van ons, bij de piepkleine marina was een lange volgekalkte kademuur. De wijn hakte er goed in na de lange dagen op zee en we gingen vroeg onder zeil.

De volgende ochtend meldden we ons bij het havenkantoor. Gelukkig was er toch een plaatsje vrij in de marina, want de nacht in de ankerbaai was me niet goed bekomen door het heen en weer zwiepen van onze boot. Nadat we voor de tweede keer de omgeving in ons opnamen, waren we al stukken positiever gestemd. Achter de kademuur zagen we een prachtig strand met palmbomen tot zover het oog reikte. De kademuur was beschilderd met kleurige schilderingen van wereldzeilers. Later zouden wij daar ook ons spoor achterlaten als een herinnering aan ons verblijf op Porto Santo. Het terras zat vol met zeenomaden van allerlei pluimage. Naast een paar oude Franse hippies zaten twee Engelse stelletjes die duidelijk een slok teveel op hadden en luidkeels uitweidden over allerlei bestemmingen die ze hadden aangedaan. De dag erop hetzelfde tafereel, de kater werd op zijn Engels weggespoeld met halve liters bier. Op het terras zaten ook een paar solozeilers, die ons later allerlei stoere verhalen zouden vertellen.

De marina van Porto Santo bleek een toevluchtsoord voor zeer uiteenlopende types. Onze buurman Alex uit Corsica zag er nogal woest uit met zijn gezichtstatoeages, maar bleek een vriendelijke, zachtaardige man. Toen wij onze bootschildering met ‘In het kielzog’ op de kademuur schilderden, vertelde hij hoe zijn wat gammel uitziende boot ‘Weak’ aan haar toepasselijke naam was gekomen. De vorige eigenaar had een spelfout gemaakt, de boot had eigenlijk ‘Wake’, Engels voor kielzog, moeten heten. Alex lag al vijf maanden in de marina en was van plan om in één keer vanaf hier door te varen naar de Caraïben. Hij bezat geen rooie rotcent en hoopte met wat klussen rond te kunnen komen.

We maakten mooie wandelingen, bezochten het leuke stadje en het huis waar Columbus had gewoond. In korte tijd hadden we een druk sociaal leven in en om deze marina. Een barbecue op het strand met onze vrienden van Giramondo, een andere barbecue georganiseerd door Alex en andere zeilers van de haven en een paar keer een borrel bij enkele geankerde schepen van Duitse stelletjes. Hun schepen glommen in de zon, van binnen alles spik en span, alles piekfijn op orde, één boot had zelfs een echte man cave, waar de schipper zich uit kon leven met de fonkelnieuwe dieselmotor, generator en watermaker. Het contrast met het afgeragde bootje van Alex en de rommelige Franse hippieboten was enorm. Hoe groot de verschillen ook zijn, er heerste een goeie sfeer en prettige saamhorigheid. Het blijft opmerkelijk: we varen als vreemden de haven binnen en na twee weken, als we weg varen, hebben we het gevoel alsof we talloze vrienden achterlaten. Het leuke is dat we een aantal zeker terug zullen zien op Madeira en later op de Canarische eilanden.

 

Karin

 

Naar zonnig Madeira

Porto Santo, 26 oktober 2019

Ik had hem nog willen bedanken, Ricardo, die ongelofelijk aardige en behulpzame havenmeester van Seixal. Helaas moest hij er alweer vandoor. Ricardo gaf ons een warm welkom toen we op 12 oktober arriveerden in dit knusse – naar later bleek – communistisch bolwerkje aan de Taag, tegenover Lissabon. De haven puilde uit, maar Ricardo zou Ricardo niet zijn als hij niet toch nog een bolletje voor ons wist te regelen. Een lokale visser stond hem voor ons af. Ricardo reikte glimlachend de lijn aan, hielp Karin met vastknopen, terwijl ik Catherine tegen de stroom in op dezelfde plek hield, maakte nog een babbeltje en ging er weer vandoor. Zijn hulp bleek een voorbode van hoe het er in Seixal aan toegaat. Vriendelijk, gemoedelijk, mannetjes op een bankje, moeders met kinderen in de speeltuin, giechelende pubers op de hoek, opa en oma aan de schuifel naast geduldig ondersteunende kleinkinderen, het onvermijdelijke wapperende wasgoed in smalle straatjes, terrasjes waar zeilende toeristen zich mengden met de Seixalenaren. We namen een avondje gulzig in met de bemanning van Giramondo. We hieven de glazen, de rokende barbecue van de buren droeg ook bij aan de lichte beneveling, de couleur locale liet zich van zijn beste kant zien, gestreken overhemden naast rebels geklede jongeren, een solitaire boekenlezer naast een druk gezelschap dat waarschijnlijk de gunstige uitslag van de laatste verkiezingen in Portugal besprak. Want links was de winnaar, en dat valt goed in Seixal. De kastelein zette een bakje nootjes op tafel, ook nog wat olijven, draaide jazz en Jim Morrison en we bestelden, vooruit dan maar, nog een rondje. Een andere gezellige avond leerden we Suzanne en Jurre van de Yndeleau beter kennen en hebben we de lekkerste vis in jaren gegeten, bereid op die rokende barbecue. Wat hebben we gelachen in dat restaurant, totdat we erachter kwamen dat alle andere gasten inmiddels naar huis waren. Het restaurant ging sluiten en wij stapten in de stromende regen in de bijbootjes en voeren terug naar onze drijvende huisjes op de rivier.

Met een lichte brok in de keel voeren we weg van Seixal, ik belde Ricardo om hem te bedanken, maar helaas: onbereikbaar. We zwaaiden naar Seixal, groetten Marcel et Nadine van de Caroleau3, een leuk Frans zeilersechtpaar dat we al in Aveiro hadden ontmoet, en gingen op weg naar het volgende hoofdstuk van onze reis. We zwaaiden ook naar het lieve gezinnetje van de Nortada, dat we opnieuw hadden opgezocht, in Lissabon dit maal, die prachtige stad, vooral de slingersteegjes in Alfama zijn betoverend. Lissabon, bakermat van de eerste ontdekkingsreizen naar andere continenten, Vasco da Gama heeft hier een grafmonument gekregen, een cenograaf zoals dit blijkt te heten, naast allerlei andere belangrijke mensen. In Lissabon hebben we ook een bezoekje gebracht aan het maritieme museum, want ik wilde per se, eigenhandig, letterlijk, voeling hebben met Columbus. Drie ankers, losgeslagen op de Azoren op zijn terugreis 1493 en later opgevist, staan hier opgesteld naast een baliemedewerker die, terwijl ik opgewonden poseerde voor de foto, gapend naar zijn smartphone zat te staren. Terug op Catherine herlees ik een stukje uit het dagboek van Columbus van 20 februari 1493 te Santa María, Azoren: ‘De haven ligt zeer ongunstig en ik ben bang dat ik de ankertouwen gekapt moeten worden – en inderdaad gebeurde dat.’

Onze intentie was, via een tussenstopje aan de monding van de Taag, Sines aan te doen. Maar Karin en ik kregen steeds meer het gevoel dat de herfst ons op de hielen zat en ons af en toe inhaalde. Regen, wind, net iets te koel in de avonden. We wilden graag naar de Algarve en Zuid-Spanje, maar hoe is het weer daar? Toen zagen we een mooi weergat om richting Madeira te zeilen. Het besluit was snel genomen. Let’s go down south!

De water- en dieseltanks bomvol, de koelkast puilde uit met verswaren, de avocado’s nog hard, we waren klaar voor de overtocht. Hopla, de koers op 221 graden en het eerste waypoint is de eindbestemming: Porto Santo, naast Madeira, een tocht van 480 zeemijl, 889 kilometer. Vier etmalen met onze niet al te snelle, maar zeewaardige schuit Catherine.

Zondag 20 oktober begint hotseklotsend, zoals zo vaak in een riviermonding. Karin en ik kijken elkaar aan en denken hetzelfde. Pffff…. De golfslag is rommelig, vanuit alle kanten, kort, steil, irritant. Karin krijgt het te pakken en hangt al snel over de reling. Naarmate de monding van de Taag zich verbreedt en overgaat in de zee, wordt het iets beter, maar voor Karin net iets te wild om in te slingeren. Ze trekt zich terug in de kajuit, pakt oordoppen en slaapt in.

Ik kijk om me heen: alles zeevast. Ik kijk naar de horizon: onheilspellende weerlichten rondom, noord, oost, zuid, west, maar gelukkig niet boven ons.  In mijn eentje aan dek vaar ik de nacht in. Geen schip te zien, ook niet op de AIS. Ik moet mijn krachten sparen, want er is dinsdag wat hardere wind voorspeld en dan is het aanpoten. Het is dus maar de vraag of Karin opknapt. Ik bereid mij voor op een paar dagen solozeilen. Dus nu niet smijten met mijn reserves. De nacht naar maandag blijft de zee pittig, de golven veel steiler dan verwacht, ook als we het continentaal plat afvaren en de oceaanbodem onder ons zakt tot meer dan 3000 meter. Toch lukt het me om in de kuip hazenslaapjes te doen: ik kijk rondom, check de AIS op scheepvaart rondom, zet de wekker een half uur later en slaap in. Zo gaat het door tot zonsopkomst. Ik voel me maandag verrassend fris. Karin steekt haar hoofd uit het luikje. ‘Hoe gaat het?’, vraag ik haar en zij aan mij. Karin is gammel, maar het is iets beter. De zee is ook wat rustiger. Optimistisch beginnen we aan de dag. Karin blijft benedendeks liggen en slaapt veel, maar klaart op als in de middag de wind gaat liggen en de zee afvlakt. Met slechts 8 knopen wind halen we toch nog 5 knopen snelheid. Komt ook omdat we aan de wind varen. Fijn, maar die wind komt wel uit een andere richting dan voorspeld. Wat heeft dit te betekenen? Ik voel een knoop in mijn buik, realiseer me dat we alleen zijn, ver van de kust, op de oceaan. Geen schip in de buurt. Nog drie dagen te gaan. Dan vraagt Karin: wat heerlijk die rustige zee, zo vriendelijk! Mij ontglipt een weinig geruststellende reactie: ‘stilte voor de storm.’ Want dat wordt het.

Maandagavond trekt de wind aan. Ik steek het tweede rif in het grootzeil. Een kwartier later gevolgd door een derde. Vervelend is dat de wind afneemt en toeneemt, dus genua in, genua uit. Ook de richting verandert, dus schoten aan, losser, geklooi met de windvaan die het gelukkig fantastisch doet. Het is hard werken. De wind neemt toe, gelukkig wel weer uit noordelijke hoek. 25 knopen, 28 knopen. Dan tikt de windmeter 30 knopen aan. Ik beleef alles op het moment, mijn zintuigen staan op scherp. Alles in het nu. Aan de horizon ook deze nacht de weerlichten. In de kleine uurtjes komt de maansikkel op die het ergste donker verdrijft. De golven zijn hoog, af en toe komt een breker aangerold, maar is steeds te laat om de kuip vol te laten stromen. Het blijft bij een klots water zo af en toe. Inmiddels staat de windmeter net zo vaak op 30plus als op 30min. Windkracht 7, af en toe 8.

Karin geeft in de ochtend een teken van leven. Luikje open, ze zegt iets, ik versta haar niet, het is een enorme herrie aan dek. Het is een slecht moment, want ik zie aan de horizon een stevige bui onze kant uit komen. Het wateroppervlak verraadt harde wind. Ik roep tegen Karin: ‘Alles onder controle, maar het is hard werken. Doe je luikje dicht, het gaat spoken.’ Zo snel als ik kan rol ik de genua in, een klein puntje laat ik staan voor de balans. En dan begint het: regen, hardere wind, een enorme pokkeherrie, ratelend voorlijk tegen de mast, ik val wat af, zodat we voor de wind uit geblazen worden, golven in de rug. In een flits zie ik 36 knopen schijnbare wind op de windmeter, dus tegen de 40 knopen ware wind. Oef, dat gaat richting 9 Beaufort.  Alles onder controle, zeg ik tegen mezelf. Maar mijn hart bonst in mijn keel. Gedachtes komen op. Waarom ben ik hier? Waarom heb ik geen camper of tourcaravan gekocht? Waarom wil ik dit? Ik zie mezelf niet als een thrillseeker. Boeken lezen, drummen bij Coolkast of Phoenix, of liedjes zingen op de gitaar bij een kampvuur, dat is toch ook leuk? Ben ik bang? Nee. Of toch. Ja, een beetje. Waarom? Dat iets breekt, scheurt, kapot gaat. Wat dan? Terwijl ik een beetje begin te piekeren danst Catherine op de golven, ze duikt de golfdalen in, op de steilste golftoppen komt ze bijna los en verliest ze even haar koers, maar Arie, de Aries-windvaan, pakt het snel weer op. Ik herwin het vertrouwen in ons schuitje, gastvrij van binnen, stevig van buiten.

Gaandeweg krijg ik een licht triomfantelijk gevoel: het gaat goed, dit komt goed, blijft goed gaan. Alles onder controle. De gehele dinsdagochtend blijft het windkracht 7 á 8, maar gaandeweg, langzaamaan, wordt het iets rustiger. Karin slaapt en slaapt. Als ze wakker is luistert ze muziek. Eenmaal aan de wijn in Porto Santo zegt ze dat de filmmuziek van La famille Bélier, vooral het nummer Jour, haar tot tranen toe ontroerde.

Het weer verbetert, de nacht is rustig. Woensdag is een mooie dag. Karin krabbelt op. Het is een wonder hoe de oceaan als bij toverslag is veranderd. De zee is vlak, alle zeilen bij, ik loop te klooien met de gennaker, maar het is niet genoeg. Motor aan. En zo tuffen we richting Porto Santo, onze heilsbestemming, veelgeprezen zeilersoord middenin de oceaan. De zon gaat onder. ‘Kijk’, zeg ik tegen Karin, ‘dit is de eerste keer dat je Mercurius ziet.’ Net boven de horizon, helder, in een roodgekleurd avondlicht. Na een kwartiertje gaat de planeet onder en begint de vierde nacht.

Dan is het donderdag. Een heerlijke windkracht 3, later aantrekkend naar 4. We zeilen wat, praten wat, en dan roept Karin: ‘land in zicht!’ Het is nog een uur of drie zeilen, maar we geven elkaar vast een high five. Het was afzien, vooral voor Karin, maar we hebben het gefixt. Om vier uur plonst het anker in het water van de havenkom van Porto Santo. We halen de olijven (niet uit een potje, maar echte lekkere!) tevoorschijn, Karin maakt een toastje met zalm en avocado. Die is op de oceaan gerijpt. We maken het verrassingspakketje open dat Joris en Liselot ons voor deze gelegenheid hebben meegegeven. Lief! We trekken een fles goed gekoelde witte wijn open. Allemachtig, die heeft nog nooit zo lekker gesmaakt als nu.

Eric

Met de Nortada in de rug

                                                                                              Lissabon 14-10-2019

‘Karin, het is de hoogste tijd dat jij weer eens een blog schrijft, want de mensen zijn mijn verhalen over Columbus nu wel zat’: spoorde Eric mij aan om weer eens een verhaal te schrijven voor ons blog. Ik koos er een regenachtige dag voor uit in Lissabon. Volgens de havenmeester zouden we te maken kunnen krijgen met heftige windstoten van wel 60 knopen (orkaankracht). De verschillende weerapps spraken elkaar tegen. Niets wees er die avond op dat het zo zou gaan spoken. We namen toch het zekere voor het onzekere; legden onze Catherine met een extra lijn vast aan de mooring, lieten Billy leeglopen en haalden de bimini  (de zonnekap) eraf. Inmiddels waren alle weerapps bijgesteld en was er geen vuiltje meer aan de lucht. Het bleek, zoals onze medezeilers op de groepsapp zeiden, slechts een storm in een glas water. Wel regent het vandaag bij vlagen keihard.  We gebruiken de dag om weer eens wat zaken te regelen.

Precies twee weken geleden kwamen we aan in de rustige baai van Baiona in Noord-Spanje. We waren in afwachting van de Nortada, de heersende noordenwind van deze streek. Deze wind is voor zeilers die zuidwaarts gaan fantastisch, we keken er reikhalzend naar uit. Tot dan toe had de Nortada het wat af laten weten. Dan moet je veel tegen de wind in, soms zeilen, maar vaak ook de motor erbij. Windkracht drie, vier schuin van achteren is eigenlijk ideaal. Soms lijkt het of het met zeilen altijd te is: te veel wind, te weinig wind, te veel zon, te weinig zon, te koud, te warm enzovoort, enzovoort. Eigenlijk geldt dit ook voor het gewone leven: te druk, te veel stress, te weinig geld, te ziek, te moe, te koud, te warm, te nat enzovoort, enzovoort. In Baiona gooiden we het anker uit en toen we naar de andere boten keken zagen we een blauwe tweemaster met de naam Nortada. Dit moest een goed voorteken zijn. Wat het nog interessanter maakte was dat ze een Nederlandse vlag voeren.

We gingen op de koffie bij de Nortada. We voeren er heen met onze Billy en hesen ons aan boord. Een jong Fries stel met twee hoogblonde kinderen verwelkomden ons. Een jongen van vier en een meisje van twee, precies Joris en Liselot van 22 jaar geleden. Het was heel gezellig en leuk om een inkijkje te hebben in hoe dit gezin met jonge kinderen op wereldreis gaat. Toen we wegvoeren met Billy gooide de jongen ter afscheid nog wat speelgoed in het water, zodat wij nog een paar keer wat spulletjes terug konden brengen. Zijn vader stond ook al klaar met de pikhaak om het een en ander op te vissen. ‘Wel bewerkelijk hoor’: verzuchtten Eric en ik. Maar wij hebben die vermoeiende, maar ontzettend mooie tijd ook gehad en nu zijn we vrije, krasse knarren op wereldreis.

Na Baiona voeren we door naar Porto. We lagen in de haven Leixões, even buiten Porto. Onze boot lag hier verschrikkelijk onrustig. Het is misschien moeilijk om voor te stellen, maar ze lag te trekken en te rukken aan de lijnen. Het was een gekraak en gebonk van jewelste. Ik sliep er zo slecht van dat ik een nachtmerrie kreeg. Ik moest een klas vol enorm boze, brutale pubers onder controle houden als docent. We hebben zelfs een nachtje in Porto in een Airbnb doorgebracht en heerlijk geslapen in een bed dat niet alle kanten uitzwiepte. Onze buren in de haven waren een Frans gezin met vier kinderen. Ze woonden een jaar in deze haven. Ik vond het moeilijk voor te stellen, maar het scheen niet altijd zo erg onrustig te zijn. Aan de andere kant van de pier was een enorm wilde branding, die de zuiging in de haven veroorzaakte.

Porto was leuk, wat een mooie stad! Heerlijk geslenterd langs de rivier de Douro, door de steegjes en gegeten in leuke kleine restaurantjes. Sacha, onze vriendin uit Rotterdam, was er op vakantie en we hebben een gezellige avond met haar doorgebracht. Op een middag aten we in een klein intiem restaurantje, gerund door twee mannen die eruit zagen als voormalig ICT’ers of iets dergelijks en die met enorm veel passie en toewijding ons in de watten legden. Eric en ik zeiden tegen elkaar: ‘wedden dat deze twee heren net een carrièreswitch hebben gemaakt’. We vroegen het op de man af. En jawel, na twintig jaar bij de bank waren ze sinds drie maanden dit restaurantje gestart. Hun droom was uitgekomen.

We moesten maar weer eens verder. Onderweg naar Lissabon zouden we nog een tussenstop hebben in Aveiro, het ‘Venetië van Portugal’. Dertig zeemijl, een fantastische tocht, hier gold mijn te-theorie toch weer niet. De Nortada blies ons naar Aveiro, we werden de hele dag vergezeld door Flipper en Jan van Gent. Eric manoeuvreerde Cath behoedzaam tussen ondieptes en branding door, de rivier op naar Aveiro.

Op loopafstand van het stadje was een oude gammele steiger van een watersportvereniging. Het leek het einde van de wereld. Vlakbij de steiger zagen we pas achteraf een elektriciteitskabel waar we precies onderdoor waren gevaren. Link was het, je blik is bij het varen over het algemeen horizontaal gericht en niet zozeer omhoog. Vanaf de steiger hadden we uitzicht op een grauwe muur vol graffiti. Op de meestal verlaten parkeerplaats speelden zich vreemde taferelen af. Iets met blind dates of stiekeme ontmoetingen? We bleven uiteindelijk drie nachten. De mensen van de watersportvereniging waren super aardig, we konden er douchen en we dronken er bier voor 60 cent. Op de kanalen van ‘Venetië’ voeren we met onze eigen gondola: Billy. We hadden veel bekijks en werden op de foto gezet door Japanse toeristen vanaf hun gondola. Helaas was de benzine op en moesten we het laatste stukje lopen met Billy tussen ons in. Gelukkig zag niemand ons behalve onze gezellige Franse buurman, die erg moest lachen. Dit Franse stel zagen we overigens weer terug in Lissabon, toen we de Taag overstaken in de ferry, rustig kabbelend in hun zeilboot nog even voorlangs, terwijl de ferry moest inhouden. Dan herhalen we een woordgrapje van onze Limburgse vriend Jan: ‘die Fransen, die Mitteren maar wat an’.

Karin

Waar haalde Columbus zijn olijven?

Porto 5-10-2019

Rondzeilen in Galicië heeft veel te bieden: prachtige baaien, in het Spaans ‘ria’s’. Aan de kust slaperige dorpjes en stadjes, zoals het overbekende San Fransisco of het minder bekende Portosin. Waar je ook zeilt, overal zijn vissers, meestal kleinere bootjes met grote motoren, vaak ook kleine bootjes met roestige buitenboordmotortjes van vissers uit het dorp, die voor gezin en de buren voor het dagelijkse menu het water op gaan. Bij San Fransisco lagen we enkele dagen voor anker. Naast ons lag zo’n houten schuitje, elke ochtend kwam de eigenaar aan boord. Zijn vissersdag werd ingekort omdat hij minstens een half uur nodig had om de buitenboordmotor aan de praat te krijgen. Een keer lukte dat niet, pakte hij de peddels en ging honderd meter verderop weer voor anker. De man herkende ons, wij hem. Toen we na drie dagen de mist invoeren, op weg naar de volgende bestemming, zwaaide hij ons beleefd uit. Het voelde een beetje als vertrekken van huis: wherever I lay my hat, that’s my home.
We zeilden in de mist, alles grijs. We zagen geen hand voor ogen. Het vocht dempte alle geluiden. Saaie boel zou je zeggen, maar toen begon de voorstelling. Ze kwamen van alle kanten, dolfijnen, groter dan die we eerder zagen, zoals Flipper, tientallen, onder de boot door, voor ons langs, naast ons. Hopla, de lucht in! En nog een, en nog een. Zo ging het wel een half uur door. En zo gebeurt er altijd wel iets, ook als er niets lijkt te gebeuren.
Heimwee hebben we nog niet. Sommige dingen missen we wel: vrienden, vriendinnen, familie, Joris en Liselot nog het meest, ook muziek maken, een potje voetbal. We missen ook olijven. Dat verrast ons nog het meest, want we hadden verwacht in deze streken volop olijven te kunnen krijgen. Ze zijn nergens te vinden. Als we hoopvol een grotere supermarkt vinden, in een stadje aan een ria, stappen we teleurgesteld weer naar buiten: alleen olijven in potjes en blikjes. Voor zeilers zijn olijven prima vers voedsel, goed houdbaar, ook ongekoeld. Columbus en zijn collega’s zullen vast ladingen hebben meegenomen. Maar waar zou hij ze vandaan hebben gehaald?
Onze tijd in de ria’s zit er bijna op als we koers zetten naar de eilandjes voor Ria de Vigo en de Ria de Pontevedra: Isla de Onse en Islas de Cies. Daar vinden we waar we deze hele onderneming voor zijn begonnen; schitterende natuur, te bezoeken vanaf ons drijvende huisje op een heerlijke ankerplaats. We roeien in Billy, ons bijbootje, naar het strandje, worden in de branding bijna ondersteboven gezwiept, maar we zijn er. Op Cies lopen we door de mist omhoog naar de vuurtoren. De vuurtoren was er en 1493 nog niet, toen Columbus terugzeilde van zijn eerste ontdekkingsreis. Zijn Niña overleefde ternauwernood een vliegende storm: ‘we dachten er aan onderdoor te gaan’, schreef Columbus in zijn dagboek. Het tweede schip, de Pinta, scheerde langs Onse en Cies en liep in februari 1493 een tiental kilometers verderop de haven van Bayona binnen. Wij gaan dat enkele dagen later ook doen, en bezoeken dan een replica van de Pinta, maar eerst doorkruisen we alle paden op de eilandjes. Verdwalen is moeilijk, paadjes lopen van vuurtoren naar vuurtoren en van de pier naar de vuurtoren. Op Onse stuiten we op de grootste vuurtoren. Daar woont en werkt nog een echte vuurtorenwachter. Waar vind je dat nog, in deze geautomatiseerde tijd? Het fleurige wasgoed wappert in de voortuin, verder gebeurt er niets. ’s Avonds ontsteekt de vuurtorenwachter zijn door zonnecollectoren van stroom voorziene led-lampen. Hoe deden ze dat vroeger eigenlijk, de brandstofvoorziening, op zo’n afgelegen eiland? Terwijl ik me dit afvraag, droomt Karin een beetje weg en kijkt rond. ‘Kijk nou eens’, zegt ze verbaasd, ‘Olijfbomen! Dus toch!’ Heel even is er hoop op verse olijven op dit eiland, maar de bomen dienden een ander doel. Op een informatiebord lezen we de geschiedenis van deze vuurtoren. Gebouwd in 1865, het magische jaar dat Charles Darwin zijn ‘Origin of species’ publiceerde en het wereldbeeld voorgoed veranderde, brandden de lampen van de vuurtoren op olijfolie! De bomen staan er nog, maar op het eiland is geen olijf te vinden. De dag erop keert de mist terug, de wereld is grijs. Ons bekruipt het gevoel dat het tijd is om zuidwaarts te zeilen, weg van de ria’s, op weg naar nieuwe kusten.

                              Eric

Spaans benauwd langs de Costa da Morte

San Francisco 17-9-2019

‘We moeten nu maar weer eens verder zuidwaarts’: zeiden Eric en ik tegen elkaar na een comfortabel verblijf van vijf dagen in de haven van Coruña, ‘Anders gaan we lijden aan havenplak’; zei ik, een term die ik had opgepikt van een vertrekkersgroep op sociale media.

Het was erg comfortabel en ook nuttig in A Coruña. We konden even bijkomen van onze oversteek en bovendien moest er het een en ander geregeld worden. Ik moest nog een keer naar de tandarts, Eric had  werk te doen en daar goede wifi voor nodig. Verder snoven we terloops nog wat cultuur op. Gelukkig is een verblijf in A Coruña allesbehalve een straf. Het is een ontzettend gezellig stadje met overal cafeetjes en barretjes. We moesten even wennen aan de Spaanse mores. Elke keer als we de stad ingingen met honger was bijna alles gesloten en werden er op de terrasjes alleen drankjes geserveerd. Om 8 uur ’s avonds merkten we nog steeds vol verbazing op: ‘eten die Spanjaarden nooit of zo?’ Vanaf een uur of half tien gaat men dan toch eindelijk los en wordt er lekker luidruchtig gedineerd.

Het tandartsbezoek ging goed. Anita (bedankt!), een vriendin die in Spanje woont, had telefonisch een afspraak voor mij gemaakt. Ik had een paar volzinnen in het Spaans op papier gezet en me goed voorbereid op alle woorden die te maken kunnen hebben met de behandeling die ik nodig had. De tandarts, een vriendelijke jonge vrouw, luisterde aandachtig naar mijn Spaanse zinnen en complimenteerde me toen in het Engels voor mijn goede Spaans. Daarna gingen we verder in het Engels en was het ineens niet meer zo ingewikkeld. Ze bleek zelfs een poosje geleden bezig te zijn geweest om zich in Nederland als tandarts te vestigen. Het leren van de Nederlandse taal bleek het grootste struikelblok. Ik vertelde haar dat ik docent Nederlands ben en dat ik inderdaad meerdere tandartsen les heb gegeven. We wisselden contactgegevens uit.

Enfin, na dit comfortabel en nuttige verblijf in A Coruña moest er maar weer eens gezeild worden. We wilden naar de beroemde ria’s van Noord Spanje. Dit zijn flinke baaien (een soort fjorden) waar je heerlijk beschut kunt ankeren. De tocht naar Camariñas hakten we in tweeën. De eerste tocht ging lekker. In het begin klaagden we nog een beetje over weinig wind maar later op de dag trok het aan tot 25 knopen (6 Beaufort). Het ging lekker, een ruime koers en flinke golven van achteren. We besloten te overnachten in de baai bij Corme. Ankeren is altijd weer spannend. Houdt het anker of niet? Ik sta achter het roer en Eric laat het anker vallen. Vanaf de voorkant gebaart Eric wat ik moet doen met de motor: in z’n vrij, in z’n vooruit of in z’n achteruit. Dit keer bleek het anker niet te houden. Het sleepte over de waterplanten en groef zich niet in. Opnieuw dan maar en inderdaad: bij het ophalen hing er een flinke bos zeewier aan. De tweede keer lukte het wel en konden we na een uurtje relaxen, onder zeil.

Vrijdag de dertiende, de volgende dag, gingen we op weg naar Camariñas, langs de Costa da Morte. Als ik bijgelovig was geweest had ik vast de weersberichten nog een keer gecheckt. Er waren geen grote veranderingen in het weer voorspeld, in vergelijking met de dag daarvoor. Een verblijf in zo’n rustig baaitje zet je bovendien soms op het verkeerde been. Wind? Welke wind? We waren de baai uit en de wind trok aan tot 30-33 knopen wind. De golven waren spectaculair hoog, vier á vijf meter, schat ik. Onze surfkinderen zijn er dol op. Op een gegeven moment werden de golven zo hoog dat we bang waren voor een breker die onze kajuit zou binnenkomen. Ik deed de luiken dicht en bleef zelf binnen. Toen de Kaap des Doods moest worden gerond, loefde Eric op naar een halvewindse koers. Nu werd het nog een stuk onstuimiger, de golven en wind kwamen van opzij. Ik zag dat de windmeter de 36 knopen ware wind (8 Beaufort) aantikte. Dit was de eerste keer dat ik echt bang was tijdens onze reis. Ik had het Spaans benauwd en stond zenuwachtig naar buiten te kijken. Ik zag dat Eric en onze boot Catherine alles onder controle hadden en liet het maar op me af komen. Ik wist dat het na een half uurtje over zou zijn en dat we een heerlijk bubbeltjeswijntje op ons avontuur zouden drinken. Eenmaal voor anker in de beschutte baai van Camariñas, smaakte de wijn heerlijk.

 

Karin

De Golf van Biskaje: een relaas

A Coruña, 9 september 2019

De wekker gaat, net nu ik weer de slaap heb gevat. Het was een onrustige nacht: toch wat spanning vanwege de Golf van Biskaje. Talloze waargebeurde verhalen spookten door mijn hoofd. Over onverwachts opstekende stormen, hoge golven, zeeziekte, gescheurde zeilen, doodsangsten midden op de Golf terwijl er geen weg terug is. Supertankers kunnen er in de problemen komen. Het beeld van de zinkende Amoco Cadiz komt steeds weer voorbij, die brak doormidden en ging recht naar beneden. Gaan wij met ons kleine scheepje Catherine niet het noodlot tarten? Onzin natuurlijk, honderden jachten steken jaarlijks probleemloos de Golf over, maar toch, de Golf van Biskaje boezemt genoeg ontzag in om wakker van te liggen.

Ik maak Karin wakker, een snelle bak koffie, de zon nog onder de horizon, motor starten, trossen los. We groeten het leuke stadje Camaret, Liselot en haar surfvriendin Irene zijn ons hier komen opzoeken, de zon komt op en we varen om Point du Grande Gouin heen. We houden een wat westelijke koers aan. Zo vermijden we de gevaarlijke rotsen van Point de Sein, die bijna 30 kilometer de zee insteken. Als we die op gepaste afstand voorbij zijn, koersen we 206 graden, een rechte lijn van 273 zeemijl (ruim 500 kilometer) richting A Coruña en blijven we buiten de route van de grote scheepvaart. Daarna zijn we er nog niet, want dan begint de gevreesde aanloop naar A Coruña: de pijlloze oceaandiepte komt abrupt tot een eind en de zeebodem komt omhoog van 4500 naar 100 meter. Dat levert ruwe zeeën op die het, met veel wind, bootjes als Catherine moeilijk kunnen maken. Wat staat ons te wachten?

Dan begint de lange rit. Vier dagen, drie nachten. De motor knort monotoon. 4 knopen wind is te weinig om te zeilen, zeker voor de wind. Ik baal. Dit is geen zeezeilen. 5 knopen wind. Er is weinig wind voorspeld, weliswaar uit de goede richting, maar ik had gehoopt op meer dan 5 armzalige knopies! Wanneer hijsen we de zeilen? 6 knopen. 7 knopen. Laten we het maar eens proberen. We hijsen het grootzeil. Teleurstelling. Geflapper, te weinig zeildruk om de giek aan lij te houden. Toch laten we hem staan, zetten hem midscheeps vast, klaar voor als de wind aantrekt. Dan: ‘Kijk! Dolfijnen!’ Eerst 1, 2, 3, dan zijn het er enkele tientallen. Ze dansen om Catherine heen, ik loop naar de boeg, kniel om zo dichtbij als mogelijk te komen. Ik steek mijn hand uit en raak deze prachtige dieren bijna aan. Er is oogcontact. Wat een opwinding, want een ervaring! Hier heb ik zo lang naar toegeleefd, ik ben gek op zeezoogdieren, Karin ook, niet in het Dolfinarium, maar hier in hun element, vrij. Tijdens de winterklussen in Strijensas, als het weer eens tegen zat, zei ik tegen mezelf: Je wordt terugbetaald, zet door, als je tussen de dolfijnen vaart ben je dit geploeter in de kou vergeten. En zo is het. Ik voel een geluk zoals ik dat in de stad niet ervaar. Het is anders, in de stad is geluk vaak extatischer, ingegeven door prikkels, drukte, muziek, mensen. Hier is geluk harmonieus, een gevoel deel uit te maken van iets groots. Dan zijn de dieren weg. We zien ze pas weer terug in Spanje.

8 knopen, 9 knopen. Motor uit. Zo glijden we enkele uren met een vaart van 3 à 4 knopen verder. Het is avond. De dieptemeter wijst acht meter aan, klopt niet natuurlijk, want de oceaanbodem is hier kilometers diep. De wind neemt weer af, motorrend gaan we de nacht in. Er is een reepje maan. Als die ook onder gaat is er geen lichtje meer te zien. Karin gaat te kooi. Ik heb in de avond geslapen, ik ‘doe’ de nacht, waarna ik morgenochtend ga slapen. We zijn alleen. Zo voelt het niet. Het firmament ontspant zich boven mijn hoofd. Jupiter staat ’s avonds laag aan de horizon. Ik herken een paar sterrenbeelden, Orion, Noorderkroon, Stier (ik!) met daarin de Plejaden, en de Melkweg slingert van horizon naar horizon. Zo mooi zie je het alleen op zee.

De dag erop verloopt zoals de vorige, ook al trekt de oostenwind aan tot 10 knopen en kunnen we de hele middag zeilen. Als ik naar binnen loop schrik ik me het apezuur. Een vogeltje fladdert vanuit de voorhut rakelings langs mijn gezicht naar de kajuit. Waar komt die vandaan? Hoe is die aan boord gekomen? Hoe lang is die al aan boord? We hebben geen idee. Af en toe vliegt het weg, om gelijk weer terug te keren. Zo blijft het bij ons aan boord. We dopen het vogeltje Calimero. Een prachtig diertje: volmaakt, gezond, maar kwetsbaar en op de verkeerde plek beland. We maken ons zorgen: haar spitse snaveltje is niet om zaden te kraken maar om insectjes te snoepen. Die zijn hier niet aan boord. De wind neemt weer af. Hup, motor aan, we willen de vaart erin houden. Calimero verstopt zich in het vooronder. Zo varen we weer de nacht in.

Dag drie is zonnig begonnen. Waar is Calimero? Ze heeft zich verstopt in een hoekje. Slaapt ze? Ze vliegt op, komt niet ver. Ze is duidelijk verzwakt. We proberen haar met een honingoplossing te voeden. Als ik haar oppak, voel ik dat ze zich aan mijn vinger vastklampt. Het is haar laatste stuiptrekking. Ik open mijn hand, Karin en ik kijken naar dit lieve, mooie diertje en naar elkaar. We zien dat we allebei een traan laten. We zeggen niets. Ik denk aan alles en aan niets: de zee, de zon, de wind, de stilte, A Coruña, leven. En dood. ‘Ik geef Calimero een zeemansgraf’, zegt Karin. Ze neemt Calimero van me over, houdt haar even vast en laat haar in zee vallen. Calimero drijft weg. De eindigheid van het leven in de oneindigheid van de zee.

Wind! Meer dan 10 knopen! We rollen de genua uit, geven de grootschoot ruimte. Daar gaan we. Heerlijk. Zo zeilen we de dag door. En we gaan richting het continentaal plat. De wind trekt verder aan, 15 knopen, ik zet alvast een dubbel rif. De golven worden hoger, steiler. Het gaat beginnen. Geen idee wat ons te wachten staat. De wind zet door. Een voordewindse koers: het grootzeil houdt de wind uit de genua en die rollen we in. Ik zet met een bulletalie de giek vast. Het stormzeiltje hijs ik alvast en zet hem strak. Zo hebben we er geen last van. Mocht de wind uit de hand lopen, dan laten we het grootzeil zakken en staat de stormfok al.  De wind trekt door. Meer dan 20, tot 25: 6 Beaufort. Derde rif. Het is avond. De zeebodem komt omhoog. Verwachtingsvol kijk ik naar de dieptemeter. Die geeft geen sjoege en begint dan te piepen. Minder dan anderhalve meter! Catherine surft over de steile golven, veroorzaakt schuim en luchtbellen onder de dieptemeter die denkt dat de bodem bereikt is en laat het alarm klinken. Een paar keer denk ik dat een oplopende golf zal breken en de kuip zal overspoelen, maar het is steeds net-niet. Spannend is het wel. Catherine wordt van de ene naar de andere kant geworpen – onvermijdelijk met deze golfslag en een voordewindse koers.

Het is nacht. Dit is pittig zeilen. Karin laat ik slapen, met de afspraak dat ze gelijk naar boven komt als ik haar nodig heb. Het is bewolkt. Alles is zwart. Ik zie geen hand voor ogen. Ik schijn met een zaklamp naar de golven, maar kan niets ontwaren. Regelmatig kijk ik op de kaart en de AIS: geen schepen in de buurt, geen ondieptes, geen gevaren. Recht zo die gaat. En dan verandert er iets. De zee wordt wilder, chaotischer, maar de golven minder hoog. Meer brekers, onvoorspelbaar. Catherine wordt opgetild, neergesmakt, opzij geduwd, ze trekt zichzelf gelijk weer overeind om de volgende duw te verwerken. Ik kijk naar de Aries windvaan: het roer voert razendsnelle correcties uit, zo snel zou ik het niet kunnen. Catherine doet het fantastisch, ze lijkt op een glijbaan te zitten, koersvast, we gaan als een speer, maar allemachtig wat een geweld, als er nu iets kapotgaat zit ik in de problemen. Weer een duw, ik hou me even niet goed vast en val van de kuipbank. Weer het alarm van de dieptemeter. Zo gaat het een uur of twee door. Land in zicht! Aan de horizon zie ik een vuurtoren van Galicië. Even later nog een. De horizon kleurt steeds roder: dag 4 dient zich aan.

Voor de kust van A Coruña neemt de wind af. Het wordt zelfs rustig. Hèhè. Karin heeft nauwelijks geslapen. Daarvoor was het veel te onstuimig. Maar bang is ze niet geweest. Gelukkig maar. Geen gescheurde zeilen, niks kapot, alles onder controle. Ik ga naar beneden, ga zitten, ontspan mezelf en een onbeschrijfelijke vermoeidheid overvalt me. We hebben het gevoel er te zijn, daardoor duurt het laatste traject langer dan verwacht. Het trekt nog even aan. Golven zijn opeens hoger dan tijdens de hele reis, maar ze zijn regelmatig en zonder witte koppen. We zeilen de baai van A Coruña binnen, het laatste stukje niet bezeild, we zetten de motor aan om tussen ondieptes door te kunnen sturen. Dan komen we in de luwte van de baai. De zee is tot rust gekomen. De zon schijnt. 77 uur na ons vertrek uit Camaret gooien we het anker uit, tegenover bij het strand van Mera. Catherine dobbert vriendelijk achter de ketting, Karin en ik zijn kapot en gaan eerst een dutje doen. Dan trekken we in de middag de fles Champagne open die Joris en Liselot ons voor deze gelegenheid hebben meegegeven. Ze zijn trots op hun pa en ma, zo staat in het begeleidend briefje. Wijzelf ook wel een beetje!

Eric