Burgh-Haamstede, 30-8-2020
Zo, we zijn weer thuis, een jaar nadat we vertrokken. Vertrouwd, rustig, prettig, aangenaam, warm – zowel het weer als de ontvangst van vrienden en familie. Ook een tikje vreemd en onwennig, onwerkelijk, vooral de eerste week, toen we net terug waren, maar toch niet helemaal geland, terwijl we toch echt op Schiphol zijn aangekomen. Nu, ruim een maand verder, zijn we weer helemaal oké, Karin en Eric, zoals mensen ons kennen van vóór onze zeilreis. De baard is geschoren, de kleren zijn gewassen. We kennen onszelf weer terug, ons sociale leventje met zoveel gezelligheidsmomenten met vrienden, ook al houden de beperkingen vanwege corona ons binnen het gareel. Een elleboogje hier, een warme groet daar, heel soms een knuffel als we ons niet kunnen inhouden. Het is fijn weer thuis te zijn, bij jullie, vrienden, familie, Joris! Liselot is nog in Australië, die hereniging volgt in oktober.
Dat gezegd hebbende, wat hebben we genoten van het afgelopen jaar zónder jullie, zonder bijna alles wat vertrouwd was, behalve onze gastvrije Catherine, die een jaar lang ons drijvende, knusse huisje was. Karin en ik namen een sprong in het ongewisse, toen we op de laatste dag van juli 2019 onder de Van Brienenoordbrug door voeren, uitgezwaaid door mijn lieve broer, een klein kwetsbaar mensje op die grote brug met voortrazend verkeer, hij riep ons een goede reis toe. Toen hadden wij nog geen idee hoe het ons zou bevallen en wat we allemaal zouden meemaken. Nu, een kleine maand na onze thuiskomst, lukt het ons om alle belevenissen rustig op een rijtje te zetten. Veel hoogtepunten, maar er waren ook enkele moeilijke situaties. De meest riskante deed zich midden op de oceaan voor.
De sprong in het diepe begon letterlijk bij de oversteek van de Golf van Biskaje. Niet alleen wij, ook een aantal andere zeilers met vergelijkbare reisplannen leefden een tikje gespannen toe naar deze eerste meerdaagse oversteek van de reis. Karin en ik hadden vaker nachten doorgebracht op zee, niet meer dan twee, op de Noordzee en vanuit Duitsland terug naar Nederland. Dit was andere koek. Minimaal drie etmalen over de tomeloze diepte van de oceaan. In de aanloop hielden we het weer goed in de gaten, want slecht weer in de Golf is geen pretje en kan de grootste schepen in problemen brengen. Toen kwam er een gunstig weergat aan, het woord dat zeilers bijna dagelijks in hun mond nemen maar landrotten wat vreemd vinden klinken. We vertrokken vanuit Camaret-sur-mer, Bretagne, waar onze dochter Liselot en haar vriendin Irene op surfvakantie waren en ons kwamen opzoeken en uitzwaaien. De oversteek zelf verliep probleemloos. Totdat we bij Noord-Spanje vanuit de oceaandiepte het continentaal plat opvoeren. Middenin de nacht, pikkedonker, kwamen we in een wildwaterbaan terecht. Of was het de lancering van een ruimtevaartuig? Laten we zeggen: een pittig zeetje. Catherine maakte de meest felle en onverwachte bewegingen, hup links, rechts, ze werd opgepakt en neergesmakt, maar ze gedroeg zich voorbeeldig. Alles trilde, rammelde, schudde. Anticiperen was onmogelijk omdat we geen hand voor ogen zagen. In één keer is daar de volgende golf. Hatsikidee, hatseflats, kedeng, plons! Toen kwam de zon op, het water
werd rustiger, we zeilden een paar uur verder en gooiden aan het eind van de ochtend het anker uit in de baai bij A Coruna. Voor het eerst maakten we mee hoe het voelt om op eigen kiel een verre bestemming te bezoeken. We waren opgelucht, we hadden de vuurdoop doorstaan, de komende meerdaagse tochten zagen we nu met vertrouwen tegemoet. Trots liepen we door de steegjes van de stad in Galicië en lieten we ons de lekkerste tapas serveren. De reis was begonnen!
We zakten de Spaanse kust af. Pittig avontuurtje beleefden we bij de Costa da Morte. Je zou zeggen, de naam had ons kunnen waarschuwen. De woeste kust van Galicië heeft prachtige, fjord-achtige ingangen, ria’s genaamd, waar we wilden ankeren en verstilde visserdorpjes zouden bezoeken. Maar eerst moesten we de kaap bij die dodenkust ronden. Ik, kapitein, schipper, Eric, niet dom maar ook een feilbaar mens, maakte enkele foutjes. Eén: ik voer te dicht bij de kust. Daardoor kregen de valwinden vanuit de bergen vat op ons. Twee. Na het reven bleek dat ik de stopper van de genuarolreeflijn niet goed vast had gezet. Dom. De wind trok opeens aan tot boven de 35 knopen, dat was mijn laatste waarneming, want daarna had ik geen tijd meer om naar metertjes te kijken. De genua rolde uit, een flinke lap zeil, de wind nam toe, Catherine was nog nooit zo scheef gegaan, Karin schrok wakker van haar middagdutje en vroeg met verschrikte ogen of alles onder controle was, ja alles oké maar
het is even druk, geen paniek maar wel hard werken, een kleine 40 knopen halve wind met veel te veel zeil maakt veel herrie, wat zeg je? Even aanpoten! En dan, zoals altijd, liggen we na de hectiek een uurtje later vreedzaam voor anker, biertje in de hand, na te praten over wat er mis ging, hoe het goed afliep en genieten we van het schitterende uitzicht op de woeste natuur van Ria de Muros. Zeilen is soms inspannend, soms wat eentonig, maar nooit saai.
Voor de kust van Galicië liggen de prachtige eilandjes Cies en Isla Onse, waar we mooi voor anker lagen en heerlijke wandelingen hebben gemaakt. We zeilden naar de Portugese stad Porto, daarna naar het gezellige dorpje Seixal, tegenover Lissabon. Vandaaruit maakten we de overtocht naar Porto Santo, een vrij onbekend eiland naast Madeira, er komt vrijwel geen reguliere Europese toerist, maar het is een levendig zeilersbolwerk. Hier wordt geschuurd, gelast, gezaagd, gepoetst, verbouwd, olie ververst en veel gezopen. We namen voor het eerst deel aan de weinig formele bijeenkomsten van wereldzeilers. De barbecue-avonden bleken het startsein voor menig slemppartij tot in de kleine uurtjes, sommige zeilers dronken de volgende dag hun kater weg bij het enige café aan de haven. Om diezelfde avond in de kuip de volgende tree aan te rukken, want: die koelkast in de boot werkt goed joh! En geef toe, als het bier koud staat bij 30 graden Celsius in de kuip, waarom niet nog een blikje opentrekken? Wereldzeilen is flink doorhalen in de havens en als je niet oppast blijf je er veel te lang liggen. Avontuurlijke bestemmingen waar wij vanuit de fauteuil in Rotterdam bij wegdroomden, blijken vol te liggen met zeilers die er voorlopig
niet wegkomen. Wij hielden ons een beetje in, zoals we vaker in ons leven de middenweg zoeken, niet al te veel extremen maar wel avontuur en jolijt, pilsje hier wijntje daar, niet roomser dan de paus maar ook niet van god los, hoewel Darwin in hoger aanzien staat. Dus wij vertrokken na een week of drie gezelligheid naar Madeira, waar we vooral veel gewandeld hebben, de alcoholconsumptie van de weken ervoor enigszins gecompenseerd hebben en aan onze conditie hebben gewerkt.
Vanuit Madeira zeilden we naar de Canarische eilanden. Vriend Wim kwam over en zeilde mee, we maakten een weinig fortuinlijke stop bij de Selvagens eilanden, waar de beperkte ankermogelijkheden ons voor een dilemma plaatsten. We hingen aan een verroeste boei, die na een wandeling op het dorre Portugese rotsblok flinke krassen bleek te hebben gekerft in Catherine’s verder gladde en glimmende scheepshuid. Toen was het pikkedonker, de lijnen raakten verstrikt
rondom de boei, Karin werd met de reddingsbrigade van het eiland naar Catherine vervoerd omdat ons weinig zeewaardige bijbootje Billy bang was in het donker, terwijl kanjer Wim en ik onze handen vol hadden aan dek en verdere schade aan de kwetsbare Catherine wisten te voorkomen. Uiteindelijk kwam alles goed en lagen we twee dagen later keurig aan een steiger van Las Palmas, Gran Canaria.
Terwijl de Tui-toeristen op Gran Canaria ondergebracht worden in massale betonnen bunkers, lagen wij knus in de fijne jachthaven van Las Palmas met onze Catherine. We namen afscheid van Wim, en Karin en ik laafden ons aan stoere verhalen van wereldzeilers, van allerlei pluimage, in de onvervalste Sailor’s Bar. Ook weer zo’n sympathieke gezellige zeilers-zuip-plek, en de norse, ongezellige
Italiaanse eigenaar, ex-zeiler, bakte zalige pizza’s. Karins moeder Greet kwam langs met Karins zus Margreet. We pikten Joris en Liselot op van hun surfvakantie op Fuerteventura. Na een paar dagen flink bunkeren vertrokken we. Nieuwjaar vierden we met bubbels voor anker bij de prachtige duinen van Maspalomas, zuidelijk Gran Canaria. Daarna zeilden we via La Gomera, Canarisch paradijsje, naar Kaapverdië.

Wat was het fijn om herenigd te zijn! Met z’n vieren aan boord ging prima. De altijd opgewekte en actieve Joris en Liselot, beiden talentvolle zeezeilers, maakten de achtdaagse overtocht naar de enige Afrikaanse bestemming van onze reis tot een makkie. We vingen onze eerste tonijn, een flink, prachtig dier, dat zijn leven met moeite liet. De kuip werd een wreed, rood abbatoir, het was boenen en schrobben na afloop van de slachtpartij. Maar lekker dat de tonijn smaakte!
In Kaapverdië waren we al een flink eind op streek. En toch hadden we het gevoel dat onze reis maar net begonnen was. Het eilandenland is een bestemming op zich, maar wij beschouwden het als een tussenstopje. We hebben er vooral voorraden ingeslagen en aangevuld, hoewel we Mindelo een gezellige plaats vonden en Santo Antão, daar tegenover, een adembenemend mooi eiland is met onwaarschijnlijke rotspartijen.

Alle zeilers komen bunkeren in Mindelo en de plaatselijke middenstand weet dat maar al te goed. Bij het betreden van de markthal, een roestig dak boven tafels met verswaar en daaronder wegrennende kakkerlakken, schalmt het door de ruimte: ‘Turista!’ En hup, de lokale prijslijstjes werden vervangen door de toeristische variant en de kassa, hoewel niet aanwezig, rinkelt. Wij hadden er geen probleem mee, Kaapverdië is een
arm land en de mensen moeten alle zeilen bij zetten, op een andere manier dan wij wereldzeilers doen. Zoals in andere zeilersknooppunten wordt ook in de marina van Mindelo, in het ‘Floating Restaurant’, menig biertje besteld, we hebben gezellige avondjes, ook met een aantal Nederlandse zeilers die we tot dan alleen maar kenden van hun facebook. En dan nadert het vertrek. De oversteek!
We gooien de trossen los, er wordt vanuit de marina flink getoeterd en gezwaaid. Een klein gebaar, even de handen omhoog en op een toeter blazen, maar het staat symbool voor de onderlinge verbondenheid van zeilers. Iedereen vindt het eigen bootje het mooist, zeer zeewaardig en zegt er op te vertrouwen, maar elke zeiler weet ook dat het wel eens mis kan gaan. De toeters bij vertrek betekenen dan ook: behouden vaart, goede reis.
Want hoewel veel jachten probleemloos de oversteek maken, krijgt toch menig zeiljacht problemen en loopt het soms verkeerd af. Aanvaring op zee, storm, gescheurde zeilen, motorproblemen, stuurproblemen, ziekte. Er kan van alles mis gaan en toch moet je vertrouwen hebben als je de haven uitvaart. Wij hadden dat vertrouwen.
De eerste week op de oceaan verliep vlekkeloos, hoewel de eerste twee dagen de wind het soms liet afweten. Daarna een heerlijk ruime wind, zorgeloos zeilen. De windvaan, wat een geweldig apparaat, stuurde de boot. Het was even zoeken naar de juiste zeilvoering, uiteindelijk bleek de uitgeboomde genua en het grootzeil over de andere boeg de beste resultaten te geven. De Atlantische oceaan oversteken? Geen centje pijn! Tevreden ging ik slapen, wetende dat mijn stoere dochter Liselot onze Catherine in haar eentje prima kan besturen. Ik lag vredig te slapen toen een scherp, abrupt geluid, een fractie van een seconde, mij terughaalde naar de werkelijkheid. Mijn lichaamsharen stonden recht overeind, mijn ogen wijd open, een fysieke reactie op: stront aan de knikker, onheil, ernstig, alarm, actie. Ik vloog naar de kuip, waar Liselot rondkeek en probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam. ‘Pap’, zei ze bezorgd, ‘ik hoorde een ….’ Ik onderbrak haar. Mijn oog viel op de genua en de voorstag. Los. Kapot. De mast loopt gevaar. ‘Maak Joris wakker’, zei ik nog. Ik lijnde mezelf aan en begaf me naar de

boeg. Daar hing de genua hulpeloos te wapperen aan de rolreeflijn en de zwiepende boom, het was een kwestie van tijd voor ook die zouden knakken. Wat ik nooit had gedacht dat zou gebeuren, maar wel eens had gevreesd, was een feit: een cruciaal dik stuk rvs, de putting, was afgebroken. Joris was inmiddels ook bij de boeg. Als ik heel eerlijk ben: de angst gierde door mijn lijf. Ik keek Joris in de ogen, die direct de ernst van de situatie inzag. Geen woorden nodig. Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…
Wordt vervolgd! Volgende week in deel 2 lezen jullie hoe het allemaal goed afloopt.

Terwijl we ons buigen over deze toepassing van Pythagoras, zien we een vreemd verschijnsel aan de andere horizon. Waar donkerte zou moeten zijn, ontwaren we talloze lichtjes. ‘Islas Desertas’, is mijn eerste reactie. Deze eilandengroep, op enkele mijlen afstand, zou volgens de kaart niet verlicht moeten zijn, maar ja, een kaart is slechts een weergave van de werkelijkheid. Maar de eilanden liggen aan bakboord, niet voor ons. ‘Vissersboten?’, vraagt Wim zich af. Maar dan zouden we ook groene en rode lampjes moeten zien. Ik neem een peiling. Even later nogmaals. Oei, die lampjes verplaatsen zich redelijk snel.
Zo snel, dat we dicht in de buurt moeten zijn. Ik kijk op de kaart: het is hier een slordige 2500 meter diep, dus boeitjes kunnen het niet zijn, lijkt mij, want die liggen toch vast aan de bodem? ‘Het zijn boeitjes, van vissers’, zegt Karin gedecideerd. Ze heeft gelijk. Maar het voelde toch een tikje verontrustend, al die lichtjes terwijl we donkerte hadden verwacht.
Genoeg daarover, want de beelden van de afgelopen twee weken Madeira komen als een film voorbij terwijl Catherine met deining en wind wordt meegevoerd.
Paula en Frans praten ons bij op een terrasje in hun woonplaats Machico.
Frans en ik aan alcoholvrij bier – goed te doen! – Karin en Paula aan de groene wijn – echt waar, vinho verde! Op deze zachte zondag flaneert men voorbij, verliefde stelletjes, jonge gezinnetjes, grote families aan de late lunch, luidruchtig gelach naast ons, af en toe een rondkijkende toerist, uitzicht op de baai, het vissershaventje en het dorpspleintje met markt. Machico was ooit de hoofdstad van Madeira, vertelt Paula. Aan het eind van de dag tuffen we met ons huurautootje terug naar de oostkant, waar onze Catherine op ons wacht in Marina Quinta do Lorde. Dat is onze uitvalsbasis voor de wandelingen die we willen maken. Maar welke wandelingen? Sanne en Jasper, onze vrienden van de
Ze reiken ons ‘Madeira Walks’ aan, een boekje met gedetailleerde beschrijvingen van prachtige wandelingen. We drinken nog wat op een terrasje in het oude stadscentrum en nemen dan afscheid. Zij zeilen door naar Tenerife. We zagen elkaar voor het eerst in Portosin, Noord-Spanje, later in Cies, Seixal en Porto Santo. We zullen elkaar weer treffen, maar waar, dat wijst zich vanzelf.
Het uitzicht vanaf de kaap is adembenemend. Aan de horizon zien we Porto Santo liggen. Ons boekje waarschuwt voor hoogtevrees, maar dat blijft gelukkig beheersbaar. Op de terugweg begint het te waaien, een druppel valt, het klaart weer op, dan begint het goed door te regenen. Een woest gebied!
Bij de oorsprong van de levada tovert Gerhard een verrassing uit zijn tas: een paar flesjes Portugees stout-bier. Heerlijk spul. Andere wandelingen voeren ons de volgende dagen door diepe dalen en over berghellingen. Madeira is een prachtig eiland.
Die conclusie had ik al getrokken op tienjarige leeftijd, toen ik op de lagere school een werkstuk over dit bloemeneiland maakte. Ik zie nog voor me hoe kleine Eric (op school noemden ze me Wessie, zoals grote mensen nu mijn oudere broer aanspreken) een halve eeuw geleden een foto uitknipte uit een reisgids, met daarop bloemen in een steile kloof, en het plaatje in het werkstuk plakte.
We zitten in een eenvoudig koffietentje, als een buurtgenote, een hoogbejaarde dame, aan Paula vraagt wie we zijn. Ze knikt goedkeurend, lacht ons toe, terwijl Paula vertelt over onze reis. Even later staat ze op, moeizaam, de artrose is bijna voelbaar, ze gaat op weg naar huis, blijft even staan aan ons tafeltje en wenst ons welgemeend een goede reis over de wereld en behouden thuiskomst. Lief.
We koersen richting Isla Selvagen Grande, een verlaten rotsblok in de oceaan, twee nachten en een dag zeilen richting de Canarische eilanden. Daar zouden we prima kunnen ankeren. Maar na de tweede heerlijke nacht varen we ’s ochtends vroeg de baai binnen en het lijkt of ik de rotsen kan aanraken, zo smal is de baai. Volgens de zeilgids prima ankergrond, maar ik durf het niet aan. Een krabbend anker en we liggen in een zucht op de rotsen. Er ligt een boei. We leggen Catherine eraan vast, maar worden even later weggestuurd, want de Policia Maritíma heeft die boei nodig. Een grote boei, buiten de baai, eigendom van de marine, mogen we gebruiken. Het is een oud, lelijk, groot, roestig maar stevig ding.
We knopen Catherine eraan vast en gaan met Billy de Bijboot naar het eiland voor een wandeling. Op het eiland worden we hartelijk welkom geheten door de vriendelijke mannen van de Policia Maritíma en het nationaal park. Karin regelt het papierwerk: bootdocumenten, paspoorten. Helaas komt Catherine vervaarlijk dicht bij het roestige gevaarte. We besluiten de lijnen te verlengen, Wim en ik varen terug om dat even te fixen. Achteraf zou blijken dat we dit beter niet hadden kunnen doen.
Enkele endemische soorten, vogels en een hagedissensoort, zijn kwetsbaar. Er is weinig te zien, het landschap lijkt een kruising tussen Arizona en de maan, maar dat maakt het tot een unieke plek. De gids spreekt geen woord Engels en wijst ons op informatieborden. Zijn hulp, een vrijwilliger uit Madeira staat ons wel in het Engels te woord en legt uit dat wij de eerste buitenlandse toeristen zijn die deze borden zien: ze staan er pas twee weken.
Dat er zo weinig toeristen zijn is logisch. De enige manier om hier te komen is met je eigen zeilboot, via die krappe baai tussen de rotsen.
Wat zullen we doen? Met Billy de lijnen proberen te ontwarren? Eerst Karin ophalen met Billy, terwijl Wim probeert de boei af te houden? Lijnen doorsnijden en dan wegvaren? Terwijl ik de opties op een rijtje probeer te zetten om een plan te smeden, voel ik een licht alarmerend gevoel: gebrek aan controle, de situatie glipt me door de vingers. Geen gevaar, wel een ingewikkelde situatie. Het is te donker om Karin op te halen. Het is te donker om toch nog te ankeren, of toch weer aan die boei van de politie te gaan liggen. We komen handen tekort: boei afhouden, lijnenprobleem oplossen, Karin ophalen. Het vooruitzicht is weinig aanlokkelijk: niet ankeren maar wegvaren terwijl we alle drie best moe zijn van het wandelen en de vorige twee zeilnachten. We hebben honger. Na bliksemoverleg met Wim trek ik de conclusie: hulp van de mannen op het eiland inroepen. Karin heeft de handmarifoon – uiterst nuttig cadeautje van Wim – bij zich. Ik roep haar op en leg de situatie uit. Dan gaat alles heel snel. Karin vertelt later dat de vriendelijke mannen opeens stoere kerels werden, hun reddingsboot werd in een mum van tijd te water gelaten, Karin werd erin geholpen, met felle zaklampen in de aanslag racete de boot tussen de klippen door naar Catherine. Karin, gehinderd door een flinke deining, klom aan boord van Catherine, zoals je vroeger op de kermis in het lunapark op bewegende traptreden omhoog moest zien te komen.
De mannen bekeken de boei en de lijnen en kwamen tot dezelfde conclusie: doorsnijden. Hopla, dat was in no-time gebeurd. We bedankten de hulpvaardige heren, redders in lichte nood, terwijl tijdens een poging tot handen schudden als afscheid de stoerste met zijn hoofd nog bijna tegen ons anker stootte, zijn collega hem in een flits wegduwde, de mannen voeren weg en opeens was het avontuur voorbij.
Decathlon, waren ook via Selvagen Grande gezeild en trokken direct de conclusie: hier gaan we niet ankeren, we varen door. Hadden wij beter ook kunnen doen.
Maar ach, eind goed al goed. Catherine heeft een paar stevige krasjes opgelopen, we zijn een ervaring rijker en we hebben ervan geleerd. Terwijl ik dit typ, Wim een wandeling maakt in de stad en Karin naar de kapper is, de zon schijnt in de kuip en ik straks een biertje ga opentrekken, zie ik de geruststellende knik, vriendelijke lach en vertrouwenwekkende blik van die oude dame in Machico weer voor me: een goede reis en een veilige thuiskomst, zei ze. Ik kan het me verbeeld hebben, maar ze keek me aandachtig aan, recht in de ogen. Alsof zij daarvoor kan en gaat zorgen. Darwin of niet, het is een fijne gedachte dat ze dat doet.


Er staat een stevige dwarswind de haven in als we vertrekken uit Porto Santo. We hebben weinig ruimte om te manoeuvreren. Het plan was Catherine met lijnen bij de dwarssteiger te houden, met behulp van drie man. Eentje staat op de steiger voor ons en twee anderen staan op de vingersteiger naast de boot. Ik sta op de boeg om de lijnen op te vangen. Eric zet de motor in z’n achteruit en alle drie de mannen gooien de lijnen iets te vroeg naar mij. Ik zie nog in een glimp hoe Kevin de aardige Engelsman op de vingersteiger tot z’n enkels in het water staat. Ik ben druk bezig de lijnen binnen te halen als ik zie hoe de boot iets te snel zijwaarts afdrijft richting twee afgemeerde boten. De mannen aan de kade schreeuwen nog wat, maar Eric zet de motor exact op tijd volle kracht in z’n vooruit, zodat er maximale druk op het roer komt. Catherine draait langzaam tegen de wind in, de boeg gaat net op tijd door de wind, met de andere boten op slechts een paar meters afstand en we varen weg. Opgelucht varen we langs het Duitse stel dat een stukje verderop geankerd ligt: ‘See you later in Madeira’. De Canadees die op de steiger had geholpen loopt naar het havenhoofd en zwaait ons uit.
Als we de punt van Porto Santo voorbij zijn, zien we Madeira al liggen. Er staat een stevige wind en we varen een ruime koers. We experimenteren een tijdje met de zeilen. We hijsen het grootzeil en rollen de genua uit. Het grootzeil haalt de wind uit de genua die staat te klapperen als een gek. Toch maar weer het grootzeil laten zakken en dan maar ‘voor het lappie’, zoals dat in zeilerstermen heet. Met alleen de genua gaan we zelfs iets harder, dus het blijkt de juiste beslissing. De deining is flink en behoorlijk onregelmatig. Zolang we dichtbij Porto Santo zijn, hebben we nog last van een onrustige zee. Na een uur of twee wordt het wat rustiger, maar wel veel kouder. De warme, waterdichte kleding wordt weer tevoorschijn gehaald en we wapenen ons tegen de kou en de nattigheid.
Ik zie Porto Santo steeds kleiner worden en denk terug aan de twee heerlijke weken die we daar hebben beleefd. Na een behoorlijke heftige tocht kwamen we aan in Porto Santo. Via de marifoon kreeg ik wat onduidelijke aanwijzingen: eerst konden we gewoon een plekje uitzoeken in de marina, later bleek de marina toch vol en zeiden ze dat we aan een mooring in de ankerbaai konden gaan liggen.
De ankerbaai was ook behoorlijk vol en er was geen mooring te bekennen. De Engelsman die we tijdens onze reis bijna de hele tijd op de AIS hadden gezien, was een uurtje voor ons gearriveerd en riep naar ons dat er überhaupt geen moorings waren. We gooiden het anker uit, ontkurkten een fles bubbeltjeswijn en gingen eens rustig om ons heen kijken. Beiden waren we ietwat teleurgesteld over wat we voor ons zagen. Precies voor onze neus stonden een paar lelijke industriegebouwen, een rokende dieselenergiecentrale met daarachter een bruine, dorre rotswand. Links van ons, bij de piepkleine marina was een lange volgekalkte kademuur.
De wijn hakte er goed in na de lange dagen op zee en we gingen vroeg onder zeil.
Onze buurman Alex uit Corsica zag er nogal woest uit met zijn gezichtstatoeages, maar bleek een vriendelijke, zachtaardige man. Toen wij onze bootschildering met ‘In het kielzog’ op de kademuur schilderden, vertelde hij hoe zijn wat gammel uitziende boot ‘Weak’ aan haar toepasselijke naam was gekomen. De vorige eigenaar had een spelfout gemaakt, de boot had eigenlijk ‘Wake’, Engels voor kielzog, moeten heten. Alex lag al vijf maanden in de marina en was van plan om in één keer vanaf hier door te varen naar de Caraïben. Hij bezat geen rooie rotcent en hoopte met wat klussen rond te kunnen komen.
We maakten mooie wandelingen, bezochten het leuke stadje en het huis waar Columbus had gewoond. In korte tijd hadden we een druk sociaal leven in en om deze marina.
Een barbecue op het strand met onze vrienden van Giramondo, een andere barbecue georganiseerd door Alex en andere zeilers van de haven en een paar keer een borrel bij enkele geankerde schepen van Duitse stelletjes. Hun schepen glommen in de zon, van binnen alles spik en span, alles piekfijn op orde, één boot had zelfs een echte man cave, waar de schipper zich uit kon leven met de fonkelnieuwe dieselmotor, generator en watermaker.
Het contrast met het afgeragde bootje van Alex en de rommelige Franse hippieboten was enorm. Hoe groot de verschillen ook zijn, er heerste een goeie sfeer en prettige saamhorigheid.
Het blijft opmerkelijk: we varen als vreemden de haven binnen en na twee weken, als we weg varen, hebben we het gevoel alsof we talloze vrienden achterlaten. Het leuke is dat we een aantal zeker terug zullen zien op Madeira en later op de Canarische eilanden.



De haven puilde uit, maar Ricardo zou Ricardo niet zijn als hij niet toch nog een bolletje voor ons wist te regelen.
Een lokale visser stond hem voor ons af. Ricardo reikte glimlachend de lijn aan, hielp Karin met vastknopen, terwijl ik Catherine tegen de stroom in op dezelfde plek hield, maakte nog een babbeltje en ging er weer vandoor. Zijn hulp bleek een voorbode van hoe het er in Seixal aan toegaat. Vriendelijk, gemoedelijk, mannetjes op een bankje, moeders met kinderen in de speeltuin, giechelende pubers op de hoek, opa en oma aan de schuifel naast geduldig ondersteunende kleinkinderen, het onvermijdelijke
wapperende wasgoed in smalle straatjes, terrasjes waar zeilende toeristen zich mengden met de Seixalenaren. We namen een avondje gulzig in met de bemanning van Giramondo. We hieven de glazen, de rokende barbecue van de buren droeg ook bij aan de lichte beneveling, de couleur locale liet zich van zijn beste kant zien, gestreken overhemden naast rebels geklede jongeren, een solitaire boekenlezer naast een druk gezelschap dat waarschijnlijk de gunstige uitslag van de laatste verkiezingen in Portugal besprak.
Want links was de winnaar, en dat valt goed in Seixal. De kastelein zette een bakje nootjes op tafel, ook nog wat olijven, draaide jazz en Jim Morrison en we bestelden, vooruit dan maar, nog een rondje. Een andere gezellige avond leerden we Suzanne en Jurre van de Yndeleau beter kennen en hebben we de lekkerste vis in jaren gegeten, bereid op die rokende barbecue. Wat hebben we gelachen in dat restaurant, totdat we erachter kwamen dat alle andere gasten inmiddels naar huis waren. Het restaurant ging sluiten en wij stapten in de stromende regen in de bijbootjes en voeren terug naar onze drijvende huisjes op de rivier.
We zwaaiden naar Seixal, groetten Marcel et Nadine van de Caroleau3, een leuk Frans zeilersechtpaar dat we al in Aveiro hadden ontmoet, en gingen op weg naar het volgende hoofdstuk van onze reis. We zwaaiden ook naar het lieve gezinnetje van de Nortada, dat we opnieuw hadden opgezocht, in Lissabon dit maal, die prachtige stad, vooral de slingersteegjes in Alfama zijn betoverend. Lissabon, bakermat van de eerste ontdekkingsreizen naar andere continenten, Vasco da Gama heeft hier een grafmonument gekregen, een cenograaf zoals dit blijkt te heten, naast allerlei andere belangrijke mensen.
In Lissabon hebben we ook een bezoekje gebracht aan het maritieme museum, want ik wilde per se, eigenhandig, letterlijk, voeling hebben met Columbus. Drie ankers, losgeslagen op de Azoren op zijn terugreis 1493 en later opgevist, staan hier opgesteld naast een baliemedewerker die, terwijl ik opgewonden poseerde voor de foto, gapend naar zijn smartphone zat te staren.
Terug op Catherine herlees ik een stukje uit het dagboek van Columbus van 20 februari 1493 te Santa María, Azoren: ‘De haven ligt zeer ongunstig en ik ben bang dat ik de ankertouwen gekapt moeten worden – en inderdaad gebeurde dat.’
Vier etmalen met onze niet al te snelle, maar zeewaardige schuit Catherine.
De nacht naar maandag blijft de zee pittig, de golven veel steiler dan verwacht, ook als we het continentaal plat afvaren en de oceaanbodem onder ons zakt tot meer dan 3000 meter. Toch lukt het me om in de kuip hazenslaapjes te doen: ik kijk rondom, check de AIS op scheepvaart rondom, zet de wekker een half uur later en slaap in. Zo gaat het door tot zonsopkomst. Ik voel me maandag verrassend fris. Karin steekt haar hoofd uit het luikje. ‘Hoe gaat het?’, vraag ik haar en zij aan mij. Karin is gammel, maar het is iets beter. De zee is ook wat rustiger. Optimistisch beginnen we aan de dag. Karin blijft benedendeks liggen en slaapt veel, maar klaart op als in de middag de wind gaat liggen en de zee afvlakt. Met slechts 8 knopen wind halen we toch nog 5 knopen snelheid. Komt ook omdat we aan de wind varen. Fijn, maar die wind komt wel uit een andere richting dan voorspeld. Wat heeft dit te betekenen?
Ik voel een knoop in mijn buik, realiseer me dat we alleen zijn, ver van de kust, op de oceaan. Geen schip in de buurt. Nog drie dagen te gaan. Dan vraagt Karin: wat heerlijk die rustige zee, zo vriendelijk! Mij ontglipt een weinig geruststellende reactie: ‘stilte voor de storm.’ Want dat wordt het.
Alles onder controle, zeg ik tegen mezelf. Maar mijn hart bonst in mijn keel. Gedachtes komen op. Waarom ben ik hier? Waarom heb ik geen camper of tourcaravan gekocht? Waarom wil ik dit? Ik zie mezelf niet als een thrillseeker. Boeken lezen, drummen bij Coolkast of Phoenix, of liedjes zingen op de gitaar bij een kampvuur, dat is toch ook leuk? Ben ik bang? Nee. Of toch. Ja, een beetje. Waarom? Dat iets breekt, scheurt, kapot gaat. Wat dan? Terwijl ik een beetje begin te piekeren danst Catherine op de golven, ze duikt de golfdalen in, op de steilste golftoppen komt ze bijna los en verliest ze even haar koers, maar Arie, de Aries-windvaan, pakt het snel weer op. Ik herwin het vertrouwen in ons schuitje, gastvrij van binnen, stevig van buiten.
Dan is het donderdag. Een heerlijke windkracht 3, later aantrekkend naar 4. We zeilen wat, praten wat, en dan roept Karin: ‘land in zicht!’ Het is nog een uur of drie zeilen, maar we geven elkaar vast een high five. 
60 knopen (orkaankracht). De verschillende weerapps spraken elkaar tegen. Niets wees er die avond op dat het zo zou gaan spoken. We namen toch het zekere voor het onzekere; legden onze Catherine met een extra lijn vast aan de mooring, lieten Billy leeglopen en haalden de bimini (de zonnekap) eraf. Inmiddels waren alle weerapps bijgesteld en was er geen vuiltje meer aan de lucht. Het bleek, zoals onze medezeilers op de groepsapp zeiden, slechts een storm in een glas water. Wel regent het vandaag bij vlagen keihard. We gebruiken de dag om weer eens wat zaken te regelen.
We waren in afwachting van de Nortada, de heersende noordenwind van deze streek. Deze wind is voor zeilers die zuidwaarts gaan fantastisch, we keken er reikhalzend naar uit. Tot dan toe had de Nortada het wat af laten weten. Dan moet je veel tegen de wind in, soms zeilen, maar vaak ook de motor erbij. Windkracht drie, vier schuin van achteren is eigenlijk ideaal. Soms lijkt het of het met zeilen altijd te is: te veel wind, te weinig wind, te veel zon, te weinig zon, te koud, te warm enzovoort, enzovoort. Eigenlijk geldt dit ook voor het gewone leven: te druk, te veel stress, te weinig geld, te ziek, te moe, te koud, te warm, te nat enzovoort, enzovoort. In Baiona gooiden we het anker uit en toen we naar de andere boten keken zagen we een blauwe tweemaster met de naam Nortada.
Dit moest een goed voorteken zijn. Wat het nog interessanter maakte was dat ze een Nederlandse vlag voeren.
Het was heel gezellig en leuk om een inkijkje te hebben in hoe dit gezin met jonge kinderen op wereldreis gaat. Toen we wegvoeren met Billy gooide de jongen ter afscheid nog wat speelgoed in het water, zodat wij nog een paar keer wat spulletjes terug konden brengen. Zijn vader stond ook al klaar met de pikhaak om het een en ander op te vissen. ‘Wel bewerkelijk hoor’: verzuchtten Eric en ik. Maar wij hebben die vermoeiende, maar ontzettend mooie tijd ook gehad en nu zijn we vrije, krasse knarren op wereldreis.
Porto was leuk, wat een mooie stad!
Heerlijk geslenterd langs de rivier de Douro, door de steegjes en gegeten in leuke kleine restaurantjes. Sacha, onze vriendin uit Rotterdam, was er op vakantie en we hebben een gezellige avond met haar doorgebracht.
Op een middag aten we in een klein intiem restaurantje, gerund door twee mannen die eruit zagen als voormalig ICT’ers of iets dergelijks en die met enorm veel passie en toewijding ons in de watten legden. Eric en ik zeiden tegen elkaar: ‘wedden dat deze twee heren net een carrièreswitch hebben gemaakt’. We vroegen het op de man af. En jawel, na twintig jaar bij de bank waren ze sinds drie maanden dit restaurantje gestart. Hun droom was uitgekomen.
Op loopafstand van het stadje was een oude gammele steiger van een watersportvereniging. Het leek het einde van de wereld. Vlakbij de steiger zagen we pas achteraf een elektriciteitskabel waar we precies onderdoor waren gevaren. Link was het, je blik is bij het varen over het algemeen horizontaal gericht en niet zozeer omhoog. Vanaf de steiger hadden we uitzicht op een grauwe muur vol graffiti. Op de meestal verlaten parkeerplaats speelden zich vreemde taferelen af. Iets met blind dates of stiekeme ontmoetingen? We bleven uiteindelijk drie nachten. De mensen van de watersportvereniging waren super aardig, we konden er douchen en we dronken er bier voor 60 cent.
Op de kanalen van ‘Venetië’ voeren we met onze eigen gondola: Billy. We hadden veel bekijks en werden op de foto gezet door Japanse toeristen vanaf hun gondola. Helaas was de benzine op en moesten we het laatste stukje lopen met Billy tussen ons in. Gelukkig zag niemand ons behalve onze gezellige Franse buurman, die erg moest lachen. Dit Franse stel zagen we overigens weer terug in Lissabon, toen we de Taag overstaken in de ferry, rustig kabbelend in hun zeilboot nog even voorlangs, terwijl de ferry moest inhouden. Dan herhalen we een woordgrapje van onze Limburgse vriend Jan: ‘die Fransen, die Mitteren maar wat an’.
Karin

