Burgh-Haamstede, 30-8-2020
Zo, we zijn weer thuis, een jaar nadat we vertrokken. Vertrouwd, rustig, prettig, aangenaam, warm – zowel het weer als de ontvangst van vrienden en familie. Ook een tikje vreemd en onwennig, onwerkelijk, vooral de eerste week, toen we net terug waren, maar toch niet helemaal geland, terwijl we toch echt op Schiphol zijn aangekomen. Nu, ruim een maand verder, zijn we weer helemaal oké, Karin en Eric, zoals mensen ons kennen van vóór onze zeilreis. De baard is geschoren, de kleren zijn gewassen. We kennen onszelf weer terug, ons sociale leventje met zoveel gezelligheidsmomenten met vrienden, ook al houden de beperkingen vanwege corona ons binnen het gareel. Een elleboogje hier, een warme groet daar, heel soms een knuffel als we ons niet kunnen inhouden. Het is fijn weer thuis te zijn, bij jullie, vrienden, familie, Joris! Liselot is nog in Australië, die hereniging volgt in oktober.
Dat gezegd hebbende, wat hebben we genoten van het afgelopen jaar zónder jullie, zonder bijna alles wat vertrouwd was, behalve onze gastvrije Catherine, die een jaar lang ons drijvende, knusse huisje was. Karin en ik namen een sprong in het ongewisse, toen we op de laatste dag van juli 2019 onder de Van Brienenoordbrug door voeren, uitgezwaaid door mijn lieve broer, een klein kwetsbaar mensje op die grote brug met voortrazend verkeer, hij riep ons een goede reis toe. Toen hadden wij nog geen idee hoe het ons zou bevallen en wat we allemaal zouden meemaken. Nu, een kleine maand na onze thuiskomst, lukt het ons om alle belevenissen rustig op een rijtje te zetten. Veel hoogtepunten, maar er waren ook enkele moeilijke situaties. De meest riskante deed zich midden op de oceaan voor.
De sprong in het diepe begon letterlijk bij de oversteek van de Golf van Biskaje. Niet alleen wij, ook een aantal andere zeilers met vergelijkbare reisplannen leefden een tikje gespannen toe naar deze eerste meerdaagse oversteek van de reis. Karin en ik hadden vaker nachten doorgebracht op zee, niet meer dan twee, op de Noordzee en vanuit Duitsland terug naar Nederland. Dit was andere koek. Minimaal drie etmalen over de tomeloze diepte van de oceaan. In de aanloop hielden we het weer goed in de gaten, want slecht weer in de Golf is geen pretje en kan de grootste schepen in problemen brengen. Toen kwam er een gunstig weergat aan, het woord dat zeilers bijna dagelijks in hun mond nemen maar landrotten wat vreemd vinden klinken. We vertrokken vanuit Camaret-sur-mer, Bretagne, waar onze dochter Liselot en haar vriendin Irene op surfvakantie waren en ons kwamen opzoeken en uitzwaaien. De oversteek zelf verliep probleemloos. Totdat we bij Noord-Spanje vanuit de oceaandiepte het continentaal plat opvoeren. Middenin de nacht, pikkedonker, kwamen we in een wildwaterbaan terecht. Of was het de lancering van een ruimtevaartuig? Laten we zeggen: een pittig zeetje. Catherine maakte de meest felle en onverwachte bewegingen, hup links, rechts, ze werd opgepakt en neergesmakt, maar ze gedroeg zich voorbeeldig. Alles trilde, rammelde, schudde. Anticiperen was onmogelijk omdat we geen hand voor ogen zagen. In één keer is daar de volgende golf. Hatsikidee, hatseflats, kedeng, plons! Toen kwam de zon op, het water
werd rustiger, we zeilden een paar uur verder en gooiden aan het eind van de ochtend het anker uit in de baai bij A Coruna. Voor het eerst maakten we mee hoe het voelt om op eigen kiel een verre bestemming te bezoeken. We waren opgelucht, we hadden de vuurdoop doorstaan, de komende meerdaagse tochten zagen we nu met vertrouwen tegemoet. Trots liepen we door de steegjes van de stad in Galicië en lieten we ons de lekkerste tapas serveren. De reis was begonnen!
We zakten de Spaanse kust af. Pittig avontuurtje beleefden we bij de Costa da Morte. Je zou zeggen, de naam had ons kunnen waarschuwen. De woeste kust van Galicië heeft prachtige, fjord-achtige ingangen, ria’s genaamd, waar we wilden ankeren en verstilde visserdorpjes zouden bezoeken. Maar eerst moesten we de kaap bij die dodenkust ronden. Ik, kapitein, schipper, Eric, niet dom maar ook een feilbaar mens, maakte enkele foutjes. Eén: ik voer te dicht bij de kust. Daardoor kregen de valwinden vanuit de bergen vat op ons. Twee. Na het reven bleek dat ik de stopper van de genuarolreeflijn niet goed vast had gezet. Dom. De wind trok opeens aan tot boven de 35 knopen, dat was mijn laatste waarneming, want daarna had ik geen tijd meer om naar metertjes te kijken. De genua rolde uit, een flinke lap zeil, de wind nam toe, Catherine was nog nooit zo scheef gegaan, Karin schrok wakker van haar middagdutje en vroeg met verschrikte ogen of alles onder controle was, ja alles oké maar
het is even druk, geen paniek maar wel hard werken, een kleine 40 knopen halve wind met veel te veel zeil maakt veel herrie, wat zeg je? Even aanpoten! En dan, zoals altijd, liggen we na de hectiek een uurtje later vreedzaam voor anker, biertje in de hand, na te praten over wat er mis ging, hoe het goed afliep en genieten we van het schitterende uitzicht op de woeste natuur van Ria de Muros. Zeilen is soms inspannend, soms wat eentonig, maar nooit saai.
Voor de kust van Galicië liggen de prachtige eilandjes Cies en Isla Onse, waar we mooi voor anker lagen en heerlijke wandelingen hebben gemaakt. We zeilden naar de Portugese stad Porto, daarna naar het gezellige dorpje Seixal, tegenover Lissabon. Vandaaruit maakten we de overtocht naar Porto Santo, een vrij onbekend eiland naast Madeira, er komt vrijwel geen reguliere Europese toerist, maar het is een levendig zeilersbolwerk. Hier wordt geschuurd, gelast, gezaagd, gepoetst, verbouwd, olie ververst en veel gezopen. We namen voor het eerst deel aan de weinig formele bijeenkomsten van wereldzeilers. De barbecue-avonden bleken het startsein voor menig slemppartij tot in de kleine uurtjes, sommige zeilers dronken de volgende dag hun kater weg bij het enige café aan de haven. Om diezelfde avond in de kuip de volgende tree aan te rukken, want: die koelkast in de boot werkt goed joh! En geef toe, als het bier koud staat bij 30 graden Celsius in de kuip, waarom niet nog een blikje opentrekken? Wereldzeilen is flink doorhalen in de havens en als je niet oppast blijf je er veel te lang liggen. Avontuurlijke bestemmingen waar wij vanuit de fauteuil in Rotterdam bij wegdroomden, blijken vol te liggen met zeilers die er voorlopig
niet wegkomen. Wij hielden ons een beetje in, zoals we vaker in ons leven de middenweg zoeken, niet al te veel extremen maar wel avontuur en jolijt, pilsje hier wijntje daar, niet roomser dan de paus maar ook niet van god los, hoewel Darwin in hoger aanzien staat. Dus wij vertrokken na een week of drie gezelligheid naar Madeira, waar we vooral veel gewandeld hebben, de alcoholconsumptie van de weken ervoor enigszins gecompenseerd hebben en aan onze conditie hebben gewerkt.
Vanuit Madeira zeilden we naar de Canarische eilanden. Vriend Wim kwam over en zeilde mee, we maakten een weinig fortuinlijke stop bij de Selvagens eilanden, waar de beperkte ankermogelijkheden ons voor een dilemma plaatsten. We hingen aan een verroeste boei, die na een wandeling op het dorre Portugese rotsblok flinke krassen bleek te hebben gekerft in Catherine’s verder gladde en glimmende scheepshuid. Toen was het pikkedonker, de lijnen raakten verstrikt
rondom de boei, Karin werd met de reddingsbrigade van het eiland naar Catherine vervoerd omdat ons weinig zeewaardige bijbootje Billy bang was in het donker, terwijl kanjer Wim en ik onze handen vol hadden aan dek en verdere schade aan de kwetsbare Catherine wisten te voorkomen. Uiteindelijk kwam alles goed en lagen we twee dagen later keurig aan een steiger van Las Palmas, Gran Canaria.
Terwijl de Tui-toeristen op Gran Canaria ondergebracht worden in massale betonnen bunkers, lagen wij knus in de fijne jachthaven van Las Palmas met onze Catherine. We namen afscheid van Wim, en Karin en ik laafden ons aan stoere verhalen van wereldzeilers, van allerlei pluimage, in de onvervalste Sailor’s Bar. Ook weer zo’n sympathieke gezellige zeilers-zuip-plek, en de norse, ongezellige
Italiaanse eigenaar, ex-zeiler, bakte zalige pizza’s. Karins moeder Greet kwam langs met Karins zus Margreet. We pikten Joris en Liselot op van hun surfvakantie op Fuerteventura. Na een paar dagen flink bunkeren vertrokken we. Nieuwjaar vierden we met bubbels voor anker bij de prachtige duinen van Maspalomas, zuidelijk Gran Canaria. Daarna zeilden we via La Gomera, Canarisch paradijsje, naar Kaapverdië.

Wat was het fijn om herenigd te zijn! Met z’n vieren aan boord ging prima. De altijd opgewekte en actieve Joris en Liselot, beiden talentvolle zeezeilers, maakten de achtdaagse overtocht naar de enige Afrikaanse bestemming van onze reis tot een makkie. We vingen onze eerste tonijn, een flink, prachtig dier, dat zijn leven met moeite liet. De kuip werd een wreed, rood abbatoir, het was boenen en schrobben na afloop van de slachtpartij. Maar lekker dat de tonijn smaakte!
In Kaapverdië waren we al een flink eind op streek. En toch hadden we het gevoel dat onze reis maar net begonnen was. Het eilandenland is een bestemming op zich, maar wij beschouwden het als een tussenstopje. We hebben er vooral voorraden ingeslagen en aangevuld, hoewel we Mindelo een gezellige plaats vonden en Santo Antão, daar tegenover, een adembenemend mooi eiland is met onwaarschijnlijke rotspartijen.

Alle zeilers komen bunkeren in Mindelo en de plaatselijke middenstand weet dat maar al te goed. Bij het betreden van de markthal, een roestig dak boven tafels met verswaar en daaronder wegrennende kakkerlakken, schalmt het door de ruimte: ‘Turista!’ En hup, de lokale prijslijstjes werden vervangen door de toeristische variant en de kassa, hoewel niet aanwezig, rinkelt. Wij hadden er geen probleem mee, Kaapverdië is een
arm land en de mensen moeten alle zeilen bij zetten, op een andere manier dan wij wereldzeilers doen. Zoals in andere zeilersknooppunten wordt ook in de marina van Mindelo, in het ‘Floating Restaurant’, menig biertje besteld, we hebben gezellige avondjes, ook met een aantal Nederlandse zeilers die we tot dan alleen maar kenden van hun facebook. En dan nadert het vertrek. De oversteek!
We gooien de trossen los, er wordt vanuit de marina flink getoeterd en gezwaaid. Een klein gebaar, even de handen omhoog en op een toeter blazen, maar het staat symbool voor de onderlinge verbondenheid van zeilers. Iedereen vindt het eigen bootje het mooist, zeer zeewaardig en zegt er op te vertrouwen, maar elke zeiler weet ook dat het wel eens mis kan gaan. De toeters bij vertrek betekenen dan ook: behouden vaart, goede reis.
Want hoewel veel jachten probleemloos de oversteek maken, krijgt toch menig zeiljacht problemen en loopt het soms verkeerd af. Aanvaring op zee, storm, gescheurde zeilen, motorproblemen, stuurproblemen, ziekte. Er kan van alles mis gaan en toch moet je vertrouwen hebben als je de haven uitvaart. Wij hadden dat vertrouwen.
De eerste week op de oceaan verliep vlekkeloos, hoewel de eerste twee dagen de wind het soms liet afweten. Daarna een heerlijk ruime wind, zorgeloos zeilen. De windvaan, wat een geweldig apparaat, stuurde de boot. Het was even zoeken naar de juiste zeilvoering, uiteindelijk bleek de uitgeboomde genua en het grootzeil over de andere boeg de beste resultaten te geven. De Atlantische oceaan oversteken? Geen centje pijn! Tevreden ging ik slapen, wetende dat mijn stoere dochter Liselot onze Catherine in haar eentje prima kan besturen. Ik lag vredig te slapen toen een scherp, abrupt geluid, een fractie van een seconde, mij terughaalde naar de werkelijkheid. Mijn lichaamsharen stonden recht overeind, mijn ogen wijd open, een fysieke reactie op: stront aan de knikker, onheil, ernstig, alarm, actie. Ik vloog naar de kuip, waar Liselot rondkeek en probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam. ‘Pap’, zei ze bezorgd, ‘ik hoorde een ….’ Ik onderbrak haar. Mijn oog viel op de genua en de voorstag. Los. Kapot. De mast loopt gevaar. ‘Maak Joris wakker’, zei ik nog. Ik lijnde mezelf aan en begaf me naar de

boeg. Daar hing de genua hulpeloos te wapperen aan de rolreeflijn en de zwiepende boom, het was een kwestie van tijd voor ook die zouden knakken. Wat ik nooit had gedacht dat zou gebeuren, maar wel eens had gevreesd, was een feit: een cruciaal dik stuk rvs, de putting, was afgebroken. Joris was inmiddels ook bij de boeg. Als ik heel eerlijk ben: de angst gierde door mijn lijf. Ik keek Joris in de ogen, die direct de ernst van de situatie inzag. Geen woorden nodig. Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…
Wordt vervolgd! Volgende week in deel 2 lezen jullie hoe het allemaal goed afloopt.

pakte hij de peddels en ging honderd meter verderop weer voor anker. De man herkende ons, wij hem. Toen we na drie dagen de mist invoeren, op weg naar de volgende bestemming, zwaaide hij ons beleefd uit. Het voelde een beetje als vertrekken van huis: wherever I lay my hat, that’s my home.
het strandje, worden in de branding bijna ondersteboven gezwiept, maar we zijn er. Op Cies lopen we door de mist omhoog naar de vuurtoren.
De vuurtoren was er en 1493 nog niet, toen Columbus terugzeilde van zijn eerste ontdekkingsreis. Zijn Niña overleefde ternauwernood een vliegende storm: ‘we dachten er aan onderdoor te gaan’, schreef Columbus in zijn dagboek. Het tweede schip, de Pinta, scheerde langs Onse en Cies en liep in februari 1493 een tiental kilometers verderop de haven van Bayona binnen. Wij gaan dat enkele dagen later ook doen, en
bezoeken dan een replica van de Pinta, maar eerst doorkruisen we alle paden op de eilandjes. Verdwalen is moeilijk, paadjes lopen van vuurtoren naar vuurtoren en van de pier naar de vuurtoren. Op Onse stuiten we op de grootste vuurtoren. Daar woont en werkt nog een echte vuurtorenwachter. Waar vind je dat nog, in deze geautomatiseerde tijd? Het fleurige wasgoed wappert in de voortuin, verder gebeurt er niets. ’s Avonds ontsteekt de vuurtorenwachter zijn door
zonnecollectoren van stroom voorziene led-lampen. Hoe deden ze dat vroeger eigenlijk, de brandstofvoorziening, op zo’n afgelegen eiland? Terwijl ik me dit
afvraag, droomt Karin een beetje weg en kijkt rond. ‘Kijk nou eens’, zegt ze verbaasd, ‘Olijfbomen! Dus toch!’ Heel even is er hoop op verse olijven op dit eiland, maar de bomen dienden een ander doel. Op een informatiebord lezen we de geschiedenis van deze vuurtoren. Gebouwd in 1865, het magische jaar dat Charles Darwin zijn ‘Origin of species’ publiceerde en het wereldbeeld voorgoed veranderde, brandden de lampen van de vuurtoren op olijfolie! De bomen staan er nog, maar op het eiland is geen olijf te vinden. De dag erop keert de mist terug, de wereld is grijs. Ons bekruipt het gevoel dat het tijd
is om zuidwaarts te zeilen, weg van de ria’s, op weg naar nieuwe kusten.

San Francisco 17-9-2019
Het tandartsbezoek ging goed. Anita (bedankt!), een vriendin die in Spanje woont, had telefonisch een afspraak voor mij gemaakt. Ik had een paar volzinnen in het Spaans op papier gezet en me goed voorbereid op alle woorden die te maken kunnen hebben met de behandeling die ik nodig had. De tandarts, een vriendelijke jonge vrouw, luisterde
aandachtig naar mijn Spaanse zinnen en complimenteerde me toen in het Engels voor mijn goede Spaans. Daarna gingen we verder in het Engels en was het ineens niet meer zo ingewikkeld. Ze bleek zelfs een poosje geleden bezig te zijn geweest om zich in Nederland als tandarts te vestigen. Het leren van de Nederlandse taal bleek het grootste struikelblok. Ik vertelde haar dat ik docent Nederlands ben en dat ik inderdaad meerdere tandartsen les heb gegeven. We wisselden contactgegevens uit.
Enfin, na dit comfortabel en nuttige verblijf in A Coruña moest er maar weer eens gezeild worden. We wilden naar de beroemde ria’s van Noord Spanje. Dit zijn flinke baaien (een soort fjorden) waar je heerlijk beschut kunt ankeren. De tocht naar Camariñas hakten we in tweeën. De eerste tocht ging lekker. In het begin klaagden we nog een beetje over weinig wind maar later op de dag trok het aan tot 25 knopen (6 Beaufort). Het ging lekker, een ruime koers en flinke golven van achteren. We besloten te overnachten in de baai bij Corme. Ankeren is altijd weer spannend. Houdt het anker of niet? Ik sta achter het roer en Eric laat het anker vallen. Vanaf de voorkant gebaart Eric wat ik moet doen met de motor: in z’n vrij, in z’n vooruit of in z’n achteruit. Dit keer bleek het anker niet te houden. Het sleepte over de waterplanten en groef zich niet in. Opnieuw dan maar en inderdaad: bij het ophalen hing er een flinke bos zeewier aan. De tweede keer lukte het wel en konden we na een uurtje relaxen, onder zeil.
Als ik bijgelovig was geweest had ik vast de weersberichten nog een keer gecheckt. Er waren geen grote veranderingen in het weer voorspeld, in vergelijking met de dag daarvoor. Een verblijf in zo’n rustig baaitje zet je bovendien soms op het verkeerde been. Wind? Welke wind? We waren de baai uit en de wind trok aan tot 30-33 knopen wind. De golven waren spectaculair hoog, vier á vijf meter, schat ik. Onze surfkinderen zijn er dol op. Op een gegeven moment werden de golven zo hoog dat we bang waren voor een breker die onze kajuit zou binnenkomen. Ik deed de luiken dicht en bleef zelf binnen.
Toen de Kaap des Doods moest worden gerond, loefde Eric op naar een halvewindse koers. Nu werd het nog een stuk onstuimiger, de golven en wind kwamen van opzij. Ik zag dat de windmeter de 36 knopen ware wind (8 Beaufort) aantikte. Dit was de eerste keer dat ik echt bang was tijdens onze reis. Ik had het Spaans benauwd en stond zenuwachtig naar buiten te kijken. Ik zag dat Eric en onze boot Catherine alles onder controle hadden en liet het maar op me af komen. Ik wist dat het na een half uurtje over zou zijn en dat we een heerlijk bubbeltjeswijntje op ons avontuur zouden drinken. Eenmaal voor anker in de beschutte baai van Camariñas, smaakte de wijn heerlijk.

De wekker gaat, net nu ik weer de slaap heb gevat. Het was een onrustige nacht: toch wat spanning vanwege de Golf van Biskaje. Talloze waargebeurde verhalen spookten door mijn hoofd. Over onverwachts opstekende stormen, hoge golven, zeeziekte, gescheurde zeilen, doodsangsten midden op de Golf terwijl er geen weg terug is. Supertankers kunnen er in de problemen komen. Het beeld van de zinkende Amoco Cadiz komt steeds weer voorbij, die brak doormidden en ging recht naar beneden. Gaan wij met ons kleine scheepje Catherine niet het noodlot tarten? Onzin natuurlijk, honderden jachten steken jaarlijks probleemloos de Golf over, maar toch, de Golf van Biskaje boezemt genoeg ontzag in om wakker van te liggen.
We groeten het leuke stadje Camaret, Liselot en haar surfvriendin Irene zijn ons hier komen opzoeken, de zon komt op en we varen om Point du Grande Gouin heen. We houden een wat westelijke koers aan. Zo vermijden we de gevaarlijke rotsen van Point de Sein, die bijna 30 kilometer de zee insteken. Als we die op gepaste afstand voorbij zijn, koersen we 206 graden, een rechte lijn van 273 zeemijl (ruim 500 kilometer) richting A Coruña en blijven we buiten de route van de grote scheepvaart. Daarna zijn we er nog niet, want dan begint de gevreesde aanloop naar A Coruña: de pijlloze oceaandiepte komt abrupt tot een eind en de zeebodem komt omhoog van 4500 naar 100 meter. Dat levert ruwe zeeën op die het, met veel wind, bootjes als Catherine moeilijk kunnen maken. Wat staat ons te wachten?
Dan begint de lange rit. Vier dagen, drie nachten. De motor knort monotoon. 4 knopen wind is te weinig om te zeilen, zeker voor de wind. Ik baal. Dit is geen zeezeilen. 5 knopen wind. Er is weinig wind voorspeld, weliswaar uit de goede richting, maar ik had gehoopt op meer dan 5 armzalige knopies! Wanneer hijsen we de zeilen? 6 knopen. 7 knopen. Laten we het maar eens proberen. We hijsen het grootzeil. Teleurstelling. Geflapper, te weinig zeildruk om de giek aan lij te houden. Toch laten we hem staan, zetten hem midscheeps vast, klaar voor als de wind aantrekt. Dan: ‘Kijk! Dolfijnen!’
Eerst 1, 2, 3, dan zijn het er enkele tientallen. Ze dansen om Catherine heen, ik loop naar de boeg, kniel om zo dichtbij als mogelijk te komen. Ik steek mijn hand uit en raak deze prachtige dieren bijna aan. Er is oogcontact. Wat een opwinding, want een ervaring! Hier heb ik zo lang naar toegeleefd, ik ben gek op zeezoogdieren, Karin ook, niet in het Dolfinarium, maar hier in hun element, vrij. Tijdens de winterklussen in Strijensas, als het weer eens tegen zat, zei ik tegen mezelf: Je wordt terugbetaald, zet door, als je tussen de dolfijnen vaart ben je dit geploeter in de kou vergeten. En zo is het. Ik voel een geluk zoals ik dat in de stad niet ervaar. Het is anders, in de stad is geluk vaak extatischer, ingegeven door prikkels, drukte, muziek, mensen. Hier is geluk harmonieus, een gevoel deel uit te maken van iets groots. Dan zijn de dieren weg. We zien ze pas weer terug in Spanje.
Als die ook onder gaat is er geen lichtje meer te zien. Karin gaat te kooi. Ik heb in de avond geslapen, ik ‘doe’ de nacht, waarna ik morgenochtend ga slapen. We zijn alleen. Zo voelt het niet. Het firmament ontspant zich boven mijn hoofd. Jupiter staat ’s avonds laag aan de horizon. Ik herken een paar sterrenbeelden, Orion, Noorderkroon, Stier (ik!) met daarin de Plejaden, en de Melkweg slingert van horizon naar horizon. Zo mooi zie je het alleen op zee.
Een vogeltje fladdert vanuit de voorhut rakelings langs mijn gezicht naar de kajuit. Waar komt die vandaan? Hoe is die aan boord gekomen? Hoe lang is die al aan boord? We hebben geen idee. Af en toe vliegt het weg, om gelijk weer terug te keren. Zo blijft het bij ons aan boord. We dopen het vogeltje Calimero. Een prachtig diertje: volmaakt, gezond, maar kwetsbaar en op de verkeerde plek beland. We maken ons zorgen: haar spitse snaveltje is niet om zaden te kraken maar om insectjes te snoepen. Die zijn hier niet aan boord. De wind neemt weer af. Hup, motor aan, we willen de vaart erin houden. Calimero verstopt zich in het vooronder. Zo varen we weer de nacht in.
Land in zicht! Aan de horizon zie ik een vuurtoren van Galicië. Even later nog een. De horizon kleurt steeds roder: dag 4 dient zich aan.
