Zwerven door de Grenadines

Le Marin, Martinique, 7 mei 2022

Liselot staat aan dek van de veerboot van Carriacou naar Grenada en leunt tegen de railing. Wij tuffen met Billy nog even langs en zwaaien, zwaaien nog een keer, en dan moeten we eraan geloven: ze gaat naar huis, ze is weg. Karin en ik zeilen samen verder, we staan er alleen voor. Dat zal wel even wennen zijn. Nu Liselot weg is, willen wij ook weg van Carriacou, naar een nieuwe bestemming, andere omgeving, een nieuw avontuur. In de Cariben is een volgend eiland nooit ver weg, je ziet het al liggen aan de horizon. Kijk, daar ligt Union Island, behorend tot het zelfstandige eilandstaatje met de prachtige naam Saint Vincent and the Grenadines. Daar willen we heen! Op naar fraaie ankerbaaien en palmenstranden!

We vullen de watertanks, de dieseltank is nog vrijwel vol en we zorgen dat Suzy, de buitenboordmotor van Billy, ook voldoende te drinken heeft. Zo zijn we wekenlang, wel twee maanden als we zuinig aan doen, zelfvoorzienend. Het tochtje naar Union Island gaat voorbeeldig. Een rustig windje, vlakke zee en een lekker zonnetje. We gaan aan de wind, het is net-wel-net-niet bezeild. Het wordt net-niet, dus het laatste half uurtje, terwijl de zon de horizon nadert, zetten we de motor aan en pruttelen we de baai van Clifton Bay in. Hier moeten we morgen inklaren. Dat is de procedure die we telkens weer moeten doorlopen als we een ander land aandoen. Hoe zal het inklaren hier gaan? Overal is dat anders.

De dag erop gaan we goedgemutst naar het kantoortje van de customs, we hadden via de mail alle benodigde papieren gestuurd, een negatieve test erbij, je zou zeggen, een fluitje van een cent omdat we alles ook geprint kunnen laten zien. De douanedame weigert echter onze papieren in ontvangst te nemen. ‘You need an agent’, zegt ze. In onze naïviteit zeggen we dat dat niet nodig is, alle papieren zijn op orde, hier, kijk maar. ‘You need an agent’, herhaalt ze. ‘Procedures’. Met zachte drang werkt ze ons het kantoortje uit. Terwijl ik het met ‘ja maar’ en ‘why’ nog een keer probeer, heeft ze de telefoon al gepakt, belt ze de ‘agent’, terwijl we op de hoek van het straatje staan en een rastaman op leeftijd, halend aan zijn joint, zittend op het stoepje, onverschillig meeluistert naar haar bondige uitleg: ‘An agent is necessary. Because it is procedure.’ Even later rijdt de lokale loodgieter zijn busje met gereedschap voor: onze agent. Hij neemt onze papieren in ontvangst, loopt het kantoortje binnen, overhandigt alles aan dezelfde douanedame, en een uurtje later zijn we ingeklaard. Kosten: 70 US dollar, waarvan 50 voor de agent, die overigens een hele aardige kerel blijkt te zijn, hij geeft ons ook nog 20 dollar korting. Hij vertelt de hele procedure ook absurd te vinden, zo’n opmerking schept een band, we nemen afscheid en de agent gaat verder met het repareren van een afvoer. In een klap realiseren we ons dat we in een ontwikkelingsland zijn, armer dan Trinidad en Grenada, dat wanhopig op zoek is naar buitenlandse valuta. Vergeet je Nederlandse logica, hang naar efficiency, een rationele aanpak: welcome on Union Island, part of the Grenadines!

Naarmate we langzaamaan vanaf Trinidad noordelijker zeilen, richting het kapitaalkrachtige Martinique en enkele kleine miljonairseilanden zoals St Barths en Anguilla, worden zeilboten talrijker en groter. De eerste knoeperd ligt tegenover ons: Aragon. We zoeken op Google. Meezeilen? Geen probleem, leuk idee zelfs, kom aan boord, gezellig! Kosten 40.000 euro’s per week. Dat is wat onze dierbare Catherine zou moeten opbrengen bij verkoop. De Nederlandse eigenaren treffen we in een bar, heel aardig, niks mis mee, ze staan ergens in de Quote 500 en stellen vragen. ‘Koken jullie zelf? Echt? Hebben jullie geen bemanning? Echt niet? Wij hebben permanent vijf man aan boord.’

De volgende dag begint de jeuk. Clifton Bay is te vol en te rommelig. Kitesurfers schieten links en rechts voorbij, leuke sport, maar wij willen een ander uitzicht. We gaan ankerop, gaan naar de andere kant van het eiland. Chatham Bay, een uurtje varen. Vier, vijf boten, we zoeken een plekje ergens ertussen, niet te dicht bij het strand, niet te ver, precies goed. Het anker plonst, de bodem is van zand, ideaal, het anker graaft zich in en wij kijken in stilte om ons heen. Groen, blauw beneden, blauw boven, met daartussen zandkleur, daar komt het zo’n beetje op neer. ’s Avonds, aan het bier, kijken we naar de zonsondergang. Aragon is ons achterna gevaren, het is een mooie boot, geen horizonvervuiling, maar ze ontneemt met die afmetingen een deel van het uitzicht. ‘Iedereen is van de wereld, de wereld is van iedereen’, denken we met dank aan wijlen Thé Lau, wiens laatste concert met The Scene we in Amsterdam hebben bijgewoond. Een man op het podium die bijna zijn laatste adem uitblaast, nee, een feest was het niet, wel gedenkwaardig. Dat soort momenten doen je beseffen dat je leeft, dankjewel Willie Alberti, en dat doen we volop.

We struinen het eiland af, komen de eerste landschildpadden tegen die, zo blijkt later, talrijk zijn in de Grenadines. Wat zijn ze kwetsbaar, deze bijzondere dieren, lang geleden geëvolueerd volgens Darwins wetten. Deze grootmeester van de natuurwetenschap kwam ze tegen op de Galapagos, daar zijn ze meer dan een meter, hier dertig centimeter, ze zijn langzaam, hebben geen verdedigingsmiddelen behalve verstoppen in het schild. Het is vertederend om te zien hoe het beestje zich terugtrekt, zoals een kind zich verstopt onder de lakens, in de hoop dat pa en ma het niet zien. We treffen een schildpad in de goot van een bergweg, waarschijnlijk van de steile berg gerold; we tillen het beestje op en zetten het neer op een groenere plek waar geen auto’s komen. Zeeschildpadden zijn een delicatesse, en dat hebben ze geweten ook. Ze werden tijdens ontdekkingsreizen door zeelui gevangen en meegenomen, in kisten vastgebonden en opgesloten en aan dek gesjord, zo bleef het vlees lekker vers. Handig! Dierenwelzijn? Leed? We hebben honger! Zo simpel is de logica van de zeeman en de gemiddelde supermarktbezoeker. Helaas worden zeeschildpadden nog steeds gevangen en eindigen ze op de barbeque, ook al zijn ze beschermd, is dat illegaal en worden ze nota bene stiekem uit de wateren van Caribische natuurparken gevist: ‘we know you don’t like’, vertelt een eilandbewoner ons. We: lokalen. You: westerlingen. Gelukkig voor de landschildpadden zijn ze niet te vreten. Dat is hun redding en anders waren ze allang uitgestorven zoals de dodo van Nieuw Zeeland: weerloos, in harmonie met de natuur met maar één natuurlijke vijand. Den mensch.

We doorkruisen Union eiland te voet, hebben alle uithoeken gezien, zijn met de opblaasbare kano de hoek omgegaan en aan land gegaan bij Bloody Bay, niemand te zien behalve Adam en Eva, en zijgen bij thuiskomst neer op een terrasje van Chatham Bay. Er zijn er drie: twee met klandizie en de derde ertussenin waar geen zeiler zich waagt. Toch ziet die er uitnodigend uit. De eigenaar heeft met lege omgekeerde bierflesjes in het zand een bloemenperkje aangelegd. Laten we daar gaan zitten, in plaats van die andere twee waar de wifi de belangrijkste reden lijkt voor andere zeilers om plaats te nemen op het terras. Met de ondergaande zon boven een blauwe Caribische Zee voor de neus is hun blik gericht op een beeldscherm. Dat is wereldzeilen anno 2022! We kunnen hier wel uitbundig gaan lopen doen, je droom verwezenlijken enzo, je leeft maar een keer dus koop een zeilboot, maar ook hier in de Cariben draait het om de religie van Het Beeldscherm en Internet. Heeft u wifi? Ja? Geef me dan maar één koffie waar ik twee uur mee doe.

De eigenaar van tent nummer drie is een vriendelijke kerel. Hij is opgetogen dat we er zijn, eindelijk zijn er zeilers op zijn terrasje, samen met één andere gast: een lokale man, rode ogen en pratend met dubbele tong. De eigenaar draagt een T-shirt met opdruk: SVG, one people, one nation. Het is van de oppositie, die opkomt voor de belangen van de Grenadines. De mannen bespreken de politiek. De president? Corrupt en hij buit de kleine eilanden uit. Dan verschuift het onderwerp naar Bloody Bay. Dat komt de stemming ten goede. Wat blijkt? Bloody Bay is doomed! ‘Hebben jullie het gehuil niet gehoord? Van verdronken zeelui? Niemand waagt zich meer in Bloody Bay! Behalve jullie met de kano!’

De volgende ochtend zetten we koers naar de Tobago Cays. Die hebben niets te maken met het Tobago van Trinidad. Thuis, vanuit driehoog achter op de Samuel Mullerstraat te Rotterdam, ben ik een aantal keren weggedroomd bij het vooruitzicht de Tobago Cays aan te doen. We gaan er nu heen! Wat volgt is een uiterst stroef tochtje, met de motor tegen wind en stroming in. Met een slakkengangetje gaan we met een boog om Bloody Bay heen en ronden moeizaam de noordpunt van Union Island. Het gaat op en heen en weer, een hoop gedoe, geen lolletje. De diesel doet z’n werk en een uur later liggen we voor anker bij de Tobago Cays. Het gevaar van hoge verwachtingen is dat het tegenvalt. Dat is hier ook het geval. De Cays bestaan uit wat riffen en drie piepkleine eilandjes. Er liggen heel veel boten voor anker en twee knoeperds van de volgende miljonairs. De verhouding tussen de omvang van de Cays en het aantal bezoekers ligt uit het lood. We besluiten na twee nachtjes verder te zeilen naar het volgende eiland. Mayreau.

We vertrekken gereefd, maar komen enkele uren later met volle zeilen aan, eerder te weinig dan teveel wind door de luwte van het eiland. We laten het anker vallen en dobberen in de baai aan de voet van het dorp. De weg erheen is steil: doen we morgen. Kijk, daar komt de veerboot, die een veerdienst onderhoudt tussen de Grenadines en het hoofdeiland Saint Vincent. Toettoet! De kapitein draait z’n schip, de achterklep rust op de houten steiger terwijl de boeg van het forse schip vrij in het water dobbert. Volgens Europese veiligheidsregels zou dat ten strengste verboden zijn, maar deze stuurman weet wat hij doet. Wat zou er uitgeladen worden? Alles moet hier worden aangevoerd, het eiland is droog en klein. Meer dan een stapel rode bierkratten kunnen we van deze afstand niet ontwaren. Toettoet! Er rent nog iemand aan boord en dan vaart de rode ‘Bequia V’ weer weg. De rust keert weer op de ankerplaats. We drinken nog even een biertje op een terrasje aan het strand. We hebben direct in de gaten dat de sfeer hier heel prettig en ontspannen is. Dat wordt bevestigd als we de dag erop de dorpsstraat omhoog lopen. Hi, good morning, hello, glimlachje hier, een groetje daar. Het is stil op straat, er zijn meer restaurants (tientallen) dan toeristen (wij twee). De meeste zeilers, pakweg vijftien boten, verblijven in de volgende baai en komen niet in het dorp. Andere toeristen zijn er nauwelijks. Op aanraden van onze zeilvrienden van Giramondo, die hier tijdens de corona lockdown waren, bezoeken we Dennis Hideaway. Hier gaan we vieren dat we sinds 13 april (het was een vrijdag!) 1990 bij elkaar zijn. 32 jaar, wat een tijd en wat hebben we veel meegemaakt en twee geweldige kinderen op de aarde gezet. We zijn gezegend, we beseffen het maar al te goed en zijn er dankbaar voor!

Het zeilseizoen in de Cariben is afgebakend van orkaanseizoen naar het volgende orkaanseizoen, van december tot juni. We moeten een beetje opschieten als we nog meer eilanden willen aandoen! Dat wordt Canouan, de minst bekende Grenadine. Het wordt een gemoedelijk tochtje over een vriendelijke zee. Dat leidt tot gesprekken van beschouwende aard. We beginnen over de iets langere termijn na te denken. Wat gaan we volgend seizoen doen? Waar gaan we heen na de Cariben? Wat gaan we doen als deze zeilreis is voltooid? Is deze zeilreis ooit voltooid? En dat huis in Frankrijk, en dat campertje, en ons leventje in Rotterdam, hoe past dit allemaal in elkaar? Ideeën en opties zat. Eerst maar eens ankeren bij Canouan, langgerekt smal eiland met een grote baai. Wij kiezen voor een rustig ankerplekje, noordelijk van het dorp, beschut door een rotswand, vlakbij een piepklein strandje. Er liggen twee andere zeilboten. We vallen met z’n drietjes in het niet bij een enorm megajacht, ter grootte van een koopvaardijschip. Anna, volgens Marine Traffic. Karin googelt naar de eigenaar: de steenrijke Rus, miljardair Dmitry Rybolovlev. Lees zelf op internet hoe hij aan zijn fortuin is gekomen, feit is dat hij vanwege de oorlog nergens heen kan, hier is opgesloten op zijn speeltje. Als meneer zich verveelt gaat hij waterskiën. Of een potje voetballen op het sportveld op het voordek. Of nog leuker, een tripje met de privé-helikopter! Dan scheert het ding boven het eiland, waar bewoners met vissen en de verkoop van wat groente en fruit het hoofd boven water moeten houden. Als de helikopter verveelt, pakt hij normaal gesproken zijn privé-Airbus en laat hij zich naar zijn voetbalclub AS Monaco vliegen, maar dat kan nu helaas niet. We zien het aan, het protserige schip, gebouwd in Aalsmeer, moeten we hier trots op zijn, voordat je het weet vraagt de volgende miljardair of je De Hef (iconische brug in Rotterdam, voor de niet-Rotterdammers) even kan afbreken omdat zijn schip er niet onderdoor past. Verrek, Jeff Bezos is daarmee bezig! Anna ligt ver weg genoeg om er geen last van te hebben. Maar wat een decadentie, wat een hebzucht, bedenk eens wat de ecologische footprint van deze man moet zijn? Soms vraag ik me wel eens af, waar heb ik ons mooie bootje van 11 meter eigenlijk aan (niet mee, maar aan) verdiend? Waarom zijn Karin en ik zo uitverkoren dat we dit vrije leven kunnen leiden? Zou deze Rus met zijn 111 meter zich dat wel eens afvragen?

Onze ankerplekje is min of meer lukraak gekozen, maar blijkt paradijselijk. Het koraalrif is vrij gezond, in tegenstelling tot veel andere koraalriffen in deze regio. Het snorkelen is prachtig. Natuurlijke golfbrekers van basalt, uitgespuugd door de vulkaan, zorgen dat we heerlijk rustig liggen. En achter de rotswand is er nauwelijks wind. Dat is anders op het eiland zelf: we wandelen een afgesloten stuk asfaltweg af, het leidt naar een niet-afgerond bouwproject waar een enorme afgedankte bulldozer staat te verroesten, en belanden aan de Atlantische kant van het eiland. Een winderige, ruwe kust, baai na baai, hier woont helemaal niemand, behalve de fregatvogels die van bovenaf zien dat wij de enigen in de wijde omtrek zijn en omkeren omdat het al begint te schemeren.

We gaan verder, naar Bequia. Sommige zeilers die vanuit Europa zeilen, kiezen Bequia als aankomsthaven. Na een rustige zeiltocht is de aanloop naar de grote ankerbaai prachtig, we varen langs een steil en wild schiereiland waarachter het vliegveld schuil gaat. En dan liggen we weer voor anker. ’s Avonds vieren we Pasen in het dorp, we dansen op de reggae van de band, want dit feest wordt hier uitbundig gevierd. Geen eieren zoeken en contemplatie, maar lekker uit je dak gaan zoals op Koningsdag in Nederland. Als ik bij dageraad vanaf de railing het laatste biertje uitplas, bonkt de boemboem-muziek nog uit de speakers op het dorpsplein.

Een groep zeilers heeft het hart verpand aan dit eiland. Samen met de lokale bevolking werken ze aan verbetering en ontwikkeling, zoals tegengaan van zwerfafval. Ook hebben zij middelen verzameld om een fraaie boardwalk aan te leggen die nu de handigste wandelroute aan de baai is. Een geweldig initiatief, chapeau!

Dan komt er een eind aan onze tocht door de Grenadines. We besluiten het grotere moedereiland Saint Vincent en Sint Lucia te passeren en rechtstreeks naar Martinique te zeilen. We moeten door. De seizoenen kennen harde deadlines! We slaan groente en fruit in bij de stal van een allerhartelijkste rasta, een jonge knul nog. ‘I wish you safe travels, please come back to Bequia’, zegt hij en doet ons een trosje bananen cadeau. Natuurlijk, mensen willen geld verdienen aan onze aanwezigheid, maar de meesten zijn oprecht vriendelijk en aardig.

Daar gaan we, het wordt weer eens een iets langere zeiltocht. Ik  verheug me op een nacht op zee! De oversteek naar Saint Vincent gaat vlot, tot in de luwte van het eiland de wind volledig wegvalt. We motoren het hele stuk langs de kust, urenlang. Af en toe probeer ik weer te zeilen, maar met 6 knopen wind is dat op zee geen doen. Dan is er 7, 8, 9, 10 knopen wind. We kunnen weer, motor uit! Tussen Saint Vincent en Sint Lucia, dat we op de terugweg naar Trinidad willen aandoen, trekt de wind verder aan om bij Sint Lucia weer stil te vallen. Hup, motor aan. Dan volgt de oversteek naar Martinique, dolfijnen heten ons welkom op weg naar deze Franse buitenpost in de Cariben. De laatste uren is het flink opboksen tegen wind en harde stroming, maar dan varen we toch echt de baai van Le Marin binnen. We zijn in de Europese Cariben en beginnen aan een nieuw hoofdstuk van onze Caribische zeilreis.

Eric

One thought on “Zwerven door de Grenadines”

  1. Prachtige kleuren aan de hemel en van het water. Is inderdaad een blessing avontuur. Mooi hoe je het contrast en de ledigheid beschrijft, en je inlevensvermogen, jullie maken veel mee die superjachten waar wij het hier over hebben, over het paard getilde mensen!
    Wij zijn druk met de opvoeding van onze Mollie, de bijtgrage pup. Iedere dag is een avontuur, onze speelsigheid wordt aangewakkerd , onze irritatie grens beproefd. Haar puberteit begint over 1 maand! Poeh..maar ik weet wat ik kan verwachten over 1 jaar en daar focus ik me op als de wanhoop van dit hele avontuur te groot wordt. Denk dan terug aan die mooie momenten met onze logeerhond.
    Ahoy bea

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *