De meeste mensen deugen, ook op Saint Lucia

28 augustus 2022

Hoe plan je een zeilreis? Wat wordt de vertrektijd, hoe laat gaan we ankerop, hoe laat willen we aankomen? Dat laatste geeft bij ons de doorslag. Zoals nu, tijdens ons vertrek van Dominica. We gaan terug naar Trinidad, en maken stopjes onderweg bij Martinique (lekker makkelijk, even bijkomen met camembert), Saint Lucia (hadden we overgeslagen tijdens de heenreis) en Carriacou (voelt als thuiskomen). De eerste stop wordt dus Martinique, een tochtje van pakweg 100 mijl en met 5 knopen (voor niet-zeilers: een knoop is een zeemijl per uur en een zeemijl is 1,852 km/uur) gemiddeld is dat ongeveer 20 uur zeilen. Met een marge van vier uur sneller (stroom mee, goede wind) of langzamer (door de onvoorspelbare stroom of windstilte) kiezen we voor een vertrektijd rond het middaguur, zodat we bij daglicht aankomen. Want ’s nachts aankomen en in het donker een ankerplek zoeken vinden we niet leuk. Ik haal het anker binnen, berg het op, terwijl Karin Catherine de baai uit stuurt. Dag Dominica, bedankt voor de gastvrijheid. Dag Pays, jachtclub van houtje-touwtje en een beetje rauw maar o zo fijn, we komen een keer terug. Waarschijnlijk, want met zeilen weet je het maar nooit.

De zeilen hebben we inmiddels gehesen, als ik Arie, onze windvaan-stuurautomaat, aan het werk zet. In de hoop dat de luwte achter het eiland mee zal vallen, zetten we de zuidelijke koers uit. Al snel blijkt dat de eerste vulkanische piek te hoog is en de oostenwind tegenhoudt. Windstilte. Motor aan, Arie los, genua in. Zo hannesen we langs de kust van Dominica, een van de mooiste eilanden die we tot nu toe aangedaan hebben. Zie ons vorige blog. Af en toe profiteren we van een zuchtje wind, rollen de genua uit, en na een kwartiertje gaat de motor weer aan. Op de heenreis dreven hier uitgestrekte velden zeewier, nu ligt er gelukkig vrijwel niets. Terwijl de kust voorbij trekt, pakken donkere wolken zich samen. Eerst boven land, dan maakt de grijze massa zich los van de bergen en komt in onze richting. Na enige tijd is alles grijs. De dag loopt op z’n eind. Het is weer windstil, de motor draait z’n toeren, een spookachtig beeld, donker, grijs, onheilspellend.

Dan barst de regen los. Vanochtend nog niet voorspeld (of niet goed gekeken denk ik achteraf), maar des te heftiger. Ooit een tropische bui meegemaakt? Nou, deze bui doet er nog een schepje bovenop. Dikke druppels, recht naar beneden, het zicht is belemmerd. In de kajuit is het met dichte luiken warm en broeierig, zeer onaangenaam, als een stoomsauna. Ik trek mijn zeiljas aan. Het ding, een jaar voor vertrek uit Rotterdam aangeschaft tegen een forse prijs, legt het af tegen de bui. Binnen twee minuten ben ik drijfnat. Uit dat onding. De bui houdt aan, het blijft gieten. Na een uur is het dek mooi schoongespoeld en draai ik de dop van de watertank eraf. Hup, na een tijdje is die volledig gevuld. Het blijft gieten, de hele avond. Ik zoek een beetje beschutting onder de buiskap en bimini, maar dat lukt amper. Ik ga dan even naar binnen, droog me af, trek een droge onderbroek en hemd of T-shirt aan, maar als ik heel even buiten ben om aan een lijntje te trekken of iets anders noodzakelijks te doen is alles doordrenkt. We zitten inmiddels rond middernacht. Druipend zie ik dat ik nog maar één droog setje heb. Die bewaar ik. Het laatste uur van de helse bui loop ik in m’n blootje door de kajuit en kijk ik af en toe in de kuip of er geen scheepvaart in de buurt is. Tussendoor droog ik me af met een handdoek.

Dan houdt de regen op. Tussen donkere wolkenflarden zie ik af en toe de  maan en sterren.  Een zuchtje wind, net genoeg om te zeilen. Ik trek m’n laatste droge setje aan, breng Catherine zeilend op koers, en dan begint de nacht echt. Nachtzeilen, het is altijd weer bijzonder, alsof je weggezogen bent uit de werkelijkheid, je in een andere wereld verblijft. De wind trekt aan naar normaal: 20 knopen, een goeie 5 Beaufort. Twee rifjes in het grootzeil, de genua een half metertje ingerold, zo zeilt Catherine comfortabel. Ik voel dat ze meer kan hebben, maar het zeilt ontzettend prettig. Ruim vijf, soms zes knopen, geen zorgen dat als er een nachtelijke storing overtrekt, Catherine te veel zeilt voert. No hurry, no worry.

We naderen Martinique. Het silhouet doemt op, en met de noordelijke kaap in de buurt buigt de wind af, terwijl de oostelijke hemel langzaamaan oplicht. Met Karin weer in de kuip zeilen we langs de kust. Nog een uurtje later en Catherine ligt vrijwel op dezelfde plek als waar we twee weken geleden ankerop gingen: vlakbij St Pierre, het door een verwoestende vulkaanuitbarsting in 1902 verminkte stadje. Hier vullen we de voorraden aan met Franse lekkernijen en denken met een soepele rode wijn in de hand vooruit: wat gaan we doen als we terug zijn in Nederland? Dat onderwerp komt natuurlijk vaker ter sprake, maar nu zijn we concreet. Karin solliciteert de volgende dag vanaf Catherine als docent bij haar vorige werkgever en wordt dezelfde week aangenomen. Verder besluiten we een camperbusje te kopen, want we willen ook op het land vrij zijn als nomaden. We snuffelen alvast op internet welke het gaat worden.

Dan gaan we weer ankerop. We willen naar de hoofdstad Fort de France, vertrekken met een suf briesje, dat na een tijdje aantrekt tot een stevige oostzuidoostelijke wind, die zelfs even boven de 30 knopen uitkomt. Zo is het zeilen in de Cariben: er kan elk moment een storing overtrekken en dan blaast het behoorlijk. We zouden het laatste stuk moeten opkruisen, de baai in. Daar hebben we geen zin in. We zeilen strak door, het gaat lekker, hoog aan de wind, en komen laat in de middag aan bij Grande Anse. Of is het Petit Anse, dat blijft ook na een paar dagen onduidelijk. We liggen in een fraaie baai en zien Saint Lucia liggen. Dat eiland hebben we op de heenreis overgeslagen. We hebben minder positieve geluiden opgevangen, maar we weigeren het oordeel van anderen klakkeloos aan te nemen. Het zou onveilig zijn, met diefstal en zelfs overvallen op zeilers. De bevolking zou heel onaardig zijn, aldus een goede bekende van me die er geweest is. En zelf zien we op tegen de massaliteit van Rodney Bay, het schreeuwerige toeristen- en zeilcentrum waar de collectieve oceaanoverstekers van de Atlantic Rally for Cruisers met honderden tegelijk op af koersen. Die baai slaan we lekker over. Wij zetten koers naar de kleinere Marigot Bay.

Ankeren en ankerop gaan: het is inmiddels routine, realiseer ik me als ik bezig ben met het ankergerei en Karin achter het roer staat. Toen we vertrokken was dat één van de uitdagingen waar we als beginnende zeenomaden voor stonden. Tuurlijk, ankeren deden we ook in Zeeland, en af en toe tijdens tripjes naar bestemmingen aan de Noordzee en Denemarken. Maar bij voorkeur knoopten we vast aan een ankerbolletje. Nu gooien we het anker uit, hebben een protocolletje dat we afdraaien met als laatste handeling het ter hand nemen van het ankerbiertje.

De oversteek naar Saint Lucia is een eitje. Rifje voor het comfort, Arie doet braaf z’n werk en wij hangen wat in de kuip. Een eenvoudig dagtochtje, ’s ochtends weg, ’s middags weer voor anker. We krijgen een goeie ankertip van ‘bevriende’ (aanhalingstekens want we kennen ze alleen via Facebook) zeilers: bij Marigot gelijk aan de noordkant van de vaargeul, daar is goeie ankergrond en liggen we beschut als in een zwembad. Het inklaren verloopt soepeltjes, wel even wennen aan een polsbandje dat aangeeft dat we corona-proof zijn. We huren een auto en onze ontdekkingstocht door dit eiland-land kan beginnen.

De heuvel naast de baai is steil, onze 4WD trekt zich omhoog en we stoppen als zich een geweldig uitzicht aandient. Daar beneden ligt onze Catherine, eenzaam voor anker tussen groene heuvels, voor de ingang tot de baai van de dure marina. Een prachtig tafereeltje, maar een beetje zorgelijk ben ik wel: Catherine ligt toch wel veilig, zo alleen met niemand aan boord? We liggen er gratis, wordt er niemand boos? Dan horen we een uitroep van een diepe vrouwenstem: ‘Hey!’ Niet tot ons gericht, de vrouw staat in een knalgroen onderkomen, een soort patatkraam op wielen, en groet een voorbijrijdende auto. We nemen een kijkje. De vrouw stelt zich voor als Caroline en prijst haar roti’s aan, bereid met kruiden uit haar eigen tuin, ‘no chemicals’, alles vers, we nemen de vegetarische roti mee voor lunch onderweg.

Een half uurtje later zitten we tussen tropische bomen de overheerlijke roti’s te eten. We beginnen aan een wandeling die start bij een onderkomen van het lokale Staatsbosbeheer, de Luciaanse variant van de nationale natuurbescherming. Een jonge vrouw loopt ons naar de ingang, die is op slot, sleutel erin, hek open en ze begeleidt ons de eerste honderd meter. ‘Dit pad is deel van een netwerk dat heel het eiland beslaat. Wij zorgen voor de bewegwijzering en het onderhoud, zoals de tredes op steile hellingen en we zetten stokken klaar voor de wandelaars’. Ze reikt ons er twee aan, wenst ons een fijne tocht en loopt terug naar haar werkplaatsje. Wat zowel Karin als mij opvalt is de kracht en het zelfbewustzijn dat deze stoere, intelligente jonge vrouw uitstraalt: met mij valt niet te sollen. Het pad is inderdaad in goede conditie en het leidt ons langs prachtige vergezichten en over steile hellingen.

Een paar uur later rijden we terug naar Catherine. Op de heuveltop bij de baai zwaait Caroline ons tegemoet: ‘Hey!’ We drinken een biertje bij haar, bestellen alvast de roti voor de volgende dag, ze deelt wat culinaire geheimen en dan gaan we terug naar ons drijvende huisje. Een ritueel dat zich de dagen erna zal herhalen. Elke dag verklapt Caroline een geheimpje. Ze heeft ruzie met haar zus die veel geld verdient in New York en deze groene foodtruck heeft gefinancierd. De dag erop vertelt ze dat de ruzie is bijgelegd. Dan vertelt ze dat een neefje is doodgeschoten door de politie, die regelmatig voorbijrijdt en die je maar beter te vriend kan houden. Toch blijft Caroline opgewekt. Ze kent iedereen in het kleine dorpje, elke auto toetert bij haar truck en ‘Hey!’ is haar antwoord. Als ik even naar de auto loop en Karin alleen is met Caroline informeert ze met een knipoog naar ons intieme leven. Om daarna te verklappen welke brouwerij de beste rum maakt van het eiland. Elke middag tijdens een biertje is het lachen met Caroline totdat de laatste dag is aangebroken en we afscheid nemen. Via whatsapp krijgen we vervolgens elke dag religieuze boodschappen van haar. God bless you.

We verblijven een week in Saint Lucia en hebben alleen maar leuke ontmoetingen met grappige of aardige mensen. Elke ochtend krijgen we bezoek van Santa Claus, een goedlachse praatjesmaker die op een surfboard langszij komt en fruit en groente verkoopt. Veel te duur, maar zijn kinderen moeten naar school toch? Daar kunnen wij als welgestelde westerlingen niets tegenin brengen. Ook bijzonder: we beginnen aan een wandeling die start bij een doodlopende weg, Caroline’s roti in de rugzak voor onderweg, als twee jongeren om ons heen dralen. Wat willen ze? Gaan ze moeilijk doen, zeuren om geld, ons lastig vallen, onze auto openbreken als we weg zijn? We houden rekening met vervelende scenario’s, want Saint Lucia was toch zo onveilig? De jongens zeggen ook te gaan wandelen. Ze volgen ons. Met twee onbekende knapen alleen in het bos, dat is ongemakkelijk, maar in onze onderbuik zit het goed, we vertrouwen op onze intuïtie dat deze jongens niets kwaads in de zin hebben. Wat ze dan wel willen, blijft lang onduidelijk. Ze lopen met ons mee over het prachtige pad door ongerept bos. De oudste zegt weinig, hij lijkt de jongere te begeleiden. Het knulletje blijkt een slim kereltje, die na wat onhandige gesprekspogingen opeens honderduit loopt te vertellen wat hij wil worden, wat hij leuk vindt, dat hij een iPhone wil verdienen en over zijn favoriete oom. En dat we straks langs een radioactief huis komen. Dat blijkt fantasie, de ruïne is een voormalige dorpsgevangenis, diep in de jungle. Als we terug zijn bij de auto zegt het knulletje: ‘thank you, you made my dream come true, to walk with tourists and practise as a guide.’ De twee draaien zich om en lopen terug naar hun dorpje, want moeder zal wel ongerust zijn. We hielden rekening met opgeschoten jongeren die problemen zouden kunnen veroorzaken, maar ontmoetten onschuldige, ontwapenende kinderen.

Ons verblijf loopt op z’n eind. Over drie weken vertrekt onze vlucht naar Amsterdam, het is tijd om af te zakken naar het zuiden, richting Trinidad. We nemen afscheid van Caroline en van Saint Lucia, als zoveelste bewijs dat vooroordelen er zijn om ontkracht te worden en dat het op zoveel plekken in de wereld prachtig is, met mooie en goedwillende mensen die er het beste van proberen te maken. De meeste mensen deugen, ook op Saint Lucia. Wat zijn we blij dat we hier geweest zijn!

 

Dominica: ‘Stop or I’ll shoot!’

1 juli 2022

De zon is al een tijdje onder, de volle maan verlicht de ankerplek bij Saint Pierre, noordelijk Martinique, als we aanstalten maken te vertrekken. Weggaan bij nacht is anders, het is een beetje spannend, doet me denken aan toen ik als kind ‘s nachts uit bed stapte, het huis doodstil, en stilletjes door de gordijnen naar buiten gluurde en zag dat de wereld tot stilstand was gekomen. Wij beginnen straks aan de overtocht naar Dominica, volgens velen misschien wel het mooist van alle Caribische eilanden. Dat willen we met eigen ogen zien. Motor starten, ik begeef me naar de ankerbak, Karin aan het roer, de ankerlier trekt het anker uit de grond en omhoog, waarna Karin de boot 180 graden draait, de baai uit, weg van ondieptes en rotsen, richting de Caribische zee. We doen wat we moeten doen na elk vertrek: grootzeil hijsklaar maken, zeilbandjes eraf, Karin draait de boeg in de wind, autopilot aan, ruimte op de schoot, Karin bedient de lier in de kuip, ik help mee bij de mast, het zeil staat, en terug op koers. We bevinden ons nog in de luwte van de vulkaan, het is rustig, en draaien de genua, het grote voorzeil, uit. Daar is het moment dat de wind krachtig genoeg is om de motor uit te zetten. We zijn zeilend. Alleen het geluid van bruisend water langs de romp van Catherine, en de wind in de zeilen. Als de zeilen goed zijn getrimd, neemt de windvaan het over van de elektrische autopilot. Dat is een magisch moment. Catherine vertoont dan alle kenmerken van een levend wezen, met een homeostase, een zichzelf in stand houdende evenwichtssituatie. Geen fossiele of elektrische energiebronnen, maar een gesloten krachtensysteem, aangestuurd door wind.

We zien het silhouet van Martinique naast ons, als de eerste lange oceaangolven die zich tussen Dominica en Martinique persen, ons bereiken. We gaan omhoog, omlaag, bergje op, dal in. Dan trekt de wind aan. Tussen eilanden is de wind sterker, door een tunneleffect vanwege de bergen. Toch is de wind sterker dan verwacht en voorspeld. Zoals altijd eigenlijk. Geen 15-20 knopen, maar meer dan 25. Voor de zeil-leken: een knoop is iets meer dan een mijl per uur. 25 knopen is dan 46 km/uur, windkracht 6 op de schaal van Beaufort. Niks aan de hand, we zeilen halve wind, beetje aan de wind probleemloos de volgende dag tegemoet. Totdat de wind verder aantrekt. De genua hebben we dan al een stuk ingerold. Catherine klapt af en toe in een golfdal, duwt het water opzij, ze trilt, schudt, maakt geluiden die horen bij een schip dat werkt, dat windkracht omzet in voortstuwing en waterverplaatsing.

De windmeter doet er steeds een knoopje bij, tot de wind stormachtig  wordt: 30 á 35 knopen, windkracht 7, uitschieters naar 8. Hoe harder de wind, hoe meer herrie. Thuis, vanaf de bank in de woonkamer zou ik denken, poehee, pittig, met een bootje van elf meter in deze omstandigheden, laat maar, ik kijk liever Netflix. Maar het went snel, er is niks aan de hand, Catherine koerst probleemloos op Dominica af, Karin slaapt al, ik hang in de kuip en doe af en toe een hazenslaapje.

Bij dageraad varen we langs Dominica. Het eiland gaat grotendeels schuil achter een dik wolkenpak dat rond de bergen hangt. De zee is plat, tot rust gekomen achter het eiland.  Wij varen door, onze bestemming ligt aan de noordwestkant: Portsmouth. Dan zie ik de eerste plakken zeewier, sargassum, vanuit de Atlantische oceaan wordt dat massaal naar de Cariben geblazen. Het wier hoopt zich meestal op aan de oostkusten, maar nu drijft het hier, in de luwte van het eiland. Catherine baant zich een weg door het bruine drijvende veld. De wind is maar net genoeg om te zeilen, we gaan niet sneller dan 2 knopen, maar de ochtend is zo prachtig mooi, en Catherine kabbelt in vrijwel volledige stilte zo lieflijk voort dat ik het wel prima vind. We hebben geen enkele haast.

Dan clusteren de plakken wier zich samen tot dikke tapijten. De wind laat het nu volledig afweten. Met de motor probeer ik tussen de bruine oppervlakten te sturen, maar vergeefs, het wier blijft hangen aan het roer en de schroef, de motor schrikt, het toerental zakt, ik zet de motor even in z’n vrij en met de schroefbladen in de vaanstand glijdt het wier van de schroef. Zo motoren we verder tot er weer net genoeg wind is om te zeilen. Om de haverklap veeg ik bossen wier van het windvaanroer, als Portsmouth in zicht komt. Karin is er inmiddels bij komen zitten. ‘Goeiemorgen!’

We worden in de baai welkom geheten door Albert. Hij zit in zijn boot en adviseert ons aan de noordkant te ankeren. Daar is een officieuze jachtclub gevestigd, Pays, Portsmouth Association for Yacht Security. Albert is daarbij aangesloten en hij legt ons uit dat zij de geankerde jachten helpen, een oogje in het zeil houden, helpen met inklaren en met barbequeavonden voor wat gezelligheid zorgen. We aarzelen even, want is mooi en rustig, maar omdat we ook wel van wat reuring houden volgen we zijn advies op. Als we in de middag aan wal gaan en het Pays gebouwtje binnen lopen, zien we dat deze jachtclub andere kenmerken heeft dan die van, pakweg, een jachtclub op Isle of Wight of in IJmuiden. Hier geen fauteuils maar houten planken, geen bar maar een koelbox. Een groep mannen hangt onderuit in de banken, enkele met een stevige joint in de hand, omringd door rookwalmen en een lui reggaedeuntje rolt uit de speakers. ‘Yeah man, welcome!’

Eentje neemt ons bij de hand, verzekert ons dat alles in orde komt, adviseert ons een biertje te bestellen terwijl hij ons inklaart bij de douane en immigration. Wij zitten op het terrasje, sippend van het lokale Kubuli-bier, prima spul, als we kennismaken met de ambulante groenteboer die zich voorstelt als King George. Gehuld in vodden is zijn spraak vanwege ontbrekende tanden soms lastig te volgen. Zijn aanbod is nogal beperkt, maar omdat hij duidelijk verlegen zit om wat klandizie, kopen we een paar mango’s. Hij vertelt dat hij burgemeester van New York is geweest, laat terloops zijn paspoort zien en besluit zijn betoog met de mededeling dat hij ook nog CEO bij een of ander bedrijf is. We zouden King George elke dag zien, een folkloristische figuur met een grote fantasie, niet opdringerig, wel amusant en opgewekt, die de mango’s zelf plukt en andere groente en fruit overal vandaan scharrelt.

We huren een auto, de beste manier om in korte tijd het eiland een beetje te leren kennen. Het rijden is vermoeiend, de ene na de andere bocht, nooit een recht stuk, altijd alert op overstekende kippen, zwerfhonden, dorpsbewoners en kuilen in de weg. Nogal avontuurlijk dus, maar hoe mooi! De weelderige begroeiing begint direct buiten het dorp en via bergweggetjes rijden we naar de andere kant van het eiland. Onderweg maken we wandelingen, die steevast bij watervallen uitkomen. De een is nog mooier dan de ander.

Het allereerste ritje is het meteen raak. We rijden door het verlaten noorden van het eiland, stoppen even bij een borrelende zwavelbron – we bevinden ons in een vulkanische zeer actieve regio – en rijden een paar kilometer door naar het begin van het paadje dat ons naar een waterval zal voeren. Best leuk toch, een waterval, laten we gaan kijken! We verwachten weinig, watervallen vallen vaak tegen, te weinig water, of vervuild, plastic flessen en andere troep van dagjesmensen, te veel mensen vaak ook. Het begin van het pad is vlak, dan omhoog, daarna is het klauteren over de rotsen in een kloof. Na een half uur worden we onthaald op een waar spektakel! De rotswanden voor, links en rechts op enkele meters afstand gaan loodrecht omhoog, met daartussen een kletterende watermassa. We kijken omhoog, recht boven ons een metersgroot rotsblok probeert naar beneden te vallen maar zit klem tussen de wanden. Brrr! We durven er niet onder te gaan staan. Er is verder niemand en dat zal bij de andere watervallen en paden die we bewandelen niet anders zijn. Dat de Cariben meer zijn dan een dreadlock holiday, strand, rum punch onder de parasol en snorkelen in een blauwe zee wisten we al. Maar dat de eilanden zoveel natuurschoon herbergen en dat daar bijna niemand komt, lokalen noch toeristen, dat heeft ons tijdens deze reis enorm verrast.

Het beginpunt van de volgende wandeling is moeilijk te vinden, maar we zijn vastberaden om het voormalige slavenpad ‘Jacko’s trail’ te belopen. Bij een eethuisje vragen we de uitbater of zij misschien weet waar het pad is. Ze buigt voorover, haar forse boezem op de toonbank, ik vraag me af waarom ze zo doordringend kijkt, en ze zegt: ‘Just wade through the river’. Nee, zelf heeft ze dat nooit eerder gedaan, lacht ze, maar echt, aan de overkant begint het pad. Even later staan we aan de rivieroever. Een meter of twintig breed, het water stroom vrij snel.  Karin waadt er doorheen, ik val met de iPhones in de tas bijna om, maar blijf overeind. Even later staan we op een helling met fruitbomen en kruidenbosjes, met verderop een huisje. Een vrouw staat ervoor, komt ons tegemoet, vraagt een bescheiden bedrag voor de toegang tot het pad dat zij en haar man onderhouden. We klauteren over het slavenpad, uitgehouwen uit rotsen, het is pittig want de treden zijn soms een meter hoog, en we hangen als beloning een half uurtje rond bij de rivier. Ook hier is weer helemaal niemand.

Als we terug zijn raken we opnieuw aan de praat met de vrouw, die zich voorstelt als Eunice. Ze woont hier al veertig jaar, heeft haar gezin grootgebracht en houdt van dit simpele leven. ‘The clean air keeps me healthy’,  zegt de tanige vrouw van zestig en moeder van vier, met lange dreadlocks en een kleurige doek als rok. Deze zelfbewuste vrouw straalt kracht uit, er ontwikkelt zich een boeiend gesprek over geneeskrachtige kruiden, leven in harmonie met de natuur. Onder deze primitieve omstandigheden voelt ze zich rijker dan westerse stadsmensen en is ze gelukkig, het is een bewuste keus om hier te wonen, ze wil hier nooit weg. Een beetje elektriciteit via een zonnepaneel, water vangt ze op, de was en wassen doet ze in de rivier, en het benodigd geld verdient ze met de verkoop van gewassen, af en toe een geit en enkele puppy’s die ondertussen onze voeten besnuffelen. Wij leggen ons leven uit: stadsmensen op en top, maar nu genieten we er volop van dat we elke dag omringd zijn door de natuur van de zee, kusten en baaien. Eunice luistert belangstellend, stelt enkele vragen, luistert. Het wordt al wat later, we nemen afscheid en ze wenst ons een veilige reis toe. Onderweg naar Pays is Karin in de auto opvallend stil. Is er iets? ‘Die vrouw intrigeert me. De wijsheid, kracht, de vrijheid van denken, de keuzes die ze maakt. Heel bijzondere vrouw.’

Elke dag, na onze autoritten en wandelingen, als we bij Pays aankomen, is King George bereid een paar mango’s te verkopen en een praatje te maken. Wat blijkt? Hij heeft ook nog connecties bij de Caribische bank en laat een bankpasje zien. ‘You see? Caribbean bank RBC! You want to see the gold? Let’s go tomorrow!’ Fluitend loopt hij verder, ‘have a nice evening!’ Weinigen dragen hun lot zo luchthartig als King George.

Zondagavond is er barbecue voor de zeilers, georganiseerd door Pays. All you can eat. Geroutineerd worden de kippen en de vismoten gedraaid boven de kolen, de borden worden met een ruime hoeveelheid salade opgediend en de rum punch is onbeperkt beschikbaar. De reggae staat hard, ‘we’re jamming’, we dansen op blote voeten in het zand, maken nieuwe vrienden en praten met vele anderen. Op de vraag ‘where are you heading?’ komen uiteenlopende antwoorden: allerlei eilanden in Cariben, Panama en de Pacific, maar ook de VS en de Intracoastal Waterway (ICW) en de terugrit naar Europa. Inspirerend, Karin en ik weten het nog niet, eigenlijk behoren al deze bestemmingen tot de mogelijkheden. Waar gaan we heen? De tijd zal het leren, eerst maar eens via Saint Lucia (volgend blog, we lopen een beetje achter!) terug naar Trinidad.

We hebben de auto nog een dag als we besluiten niet te ver weg te gaan en een strand te bezoeken. We parkeren de auto langs de kant van de weg, lopen een slingerpad af naar beneden en een prachtige baai opent zich voor ons. Een enkele badgast en een welkom door een keurige gastvrouw die even later aerobict in de zee. Palmbomen, het strand wit, de zee blauw en het water warm. We lopen omhoog en nemen ontspannen plaats in onze huurautootje. Hier kan ik niet keren, te link zonder zicht op welk verkeer er aankomt. Ik rij een stukje verder en bij een breder stuk rechte weg keer ik de auto. Er komt niets aan, maar links zie ik wat beweging. Wat is dat? Het lijkt een wegversperring, verkeerscontrole? Wat er de komende seconden gebeurt is nauwelijks na te vertellen, het lezen duurt langer dan de belevenis. Ik zie een man in camouflage uniform. Karin hoort de man iets roepen. Een toevallige passant kijkt om, de enige in de wijde omtrek, ik vraag hem door het autoraampje: ‘is he shouting at you or us?!’ Ik zie de man op ons af komen rennen. Karin denkt: een guerillastrijder! Ik denk: ik sta dwars op de weg, ik moet snel keren. Karin hoort: ‘Stop the car!’ Ik zie dat die vent een f***ing automatische geweer bij zich heeft! Karin hoort: ‘Stop or I’ll shoot’. We zijn in de aap gelogeerd. In een flits denk ik: mijn god, politie, ze denken dat we de auto willen keren omdat zij daar staan. De gecamoufleerde politieman staat met gericht geweer naast ons. ‘Get out of the car! Now!’ Hij trekt de achterklep open. Ik stap uit, met de handen omhoog. ‘Why are you avoiding the police!?’ Voordat ik kan antwoorden herhaalt hij zijn vraag. Ik zie dat hij behoorlijk opgefokt is. ‘I’m not, please let me explain’, probeer ik zo rustig mogelijk te antwoorden. Hij staat het mij niet toe, nu zegt hij: ‘You are avoiding the police!’ Ik zie Karin, ze kijkt naar mij, ik kijk naar het indrukwekkende vuurwapen, nog nooit zoiets gezien, naar de onrustige ogen van de agent, die nog buiten adem is van zijn sprintje naar ons toe. Ik vertel het verhaal van het strand, maar hij pruimt het niet, schudt nee. Ongeloofwaardig. Te toevallig dat we precies hier willen keren. Dan, opeens, staat zijn superieur naast hem. We hadden hem niet zien aankomen. Hij luisterde mee, ziet dat wij onschuldige en onbenullige toeristen zijn. Geen verdachte spullen in de kofferbak, alleen natte zwemspullen. Hij sust, de agent met het wapen zwijgt, maar hij wil het laatste woord hebben: ‘Never turn the car here. It’s too dangerous.’ We rijden weg, hijgen nog wat na, en moeten dan hartelijk lachen om de situatie. ‘You are avoiding the police! Stop or I’ll shoot!’

Als onze tijd in Dominica er bijna opzit zijn we dikke maatjes geworden met Franko en Lilian. Biertje bij hun, bij ons, een paar op de kant. Ze wonen op hun stoere Hallberg Rassy, een stuk groter dan onze Catherine. Helaas scheiden onze wegen als we ankerop gaan en richting Saint Lucia zeilen. We nemen afscheid van Dominica met de belofte ‘we’ll come back!’, en zeggen gedag tegen onze nieuwe vrienden: ‘we’ll meet again!’ Zij gaan via Los Roques, een eilandengroep van Venezuela, richting ABC-eilanden. Maar een volgend jaar, een volgend zeilseizoen, zo zegt onze intuïtie, zouden we ze zomaar ergens kunnen treffen. Want wij gaan waar de wind ons brengt en dat doen wel meer zeilers.

 

Martinique, Cariben of Frankrijk?

                                                                31 mei 2022

‘Eric, weet je zeker dat je hier ankert? Liggen we niet te dicht bij dat bolletje?’, roept Karin terwijl ze wijst naar een kleine rode bal in het water. Een vissersboeitje, misschien navigatiebol, denk ik. In een flits maak ik een inschatting en afweging: afstand, windrichting, lengte ankerketting. ‘Zit wel goed!’, roep ik vanaf de boeg van Catherine terwijl ik het anker laat zakken en mijn onderbewustzijn zegt dat dat bolletje ons nog problemen kan bezorgen. Karin zet de motor in de achteruit, Catherine blijft waar ze is: het anker houdt. Na vier uur motoren langs de zuidkust van Martinique tegen stroom en wind in gaat eindelijk de motor uit. Wat een rust! Verderop liggen honderden, zo niet enkele duizenden jachten, voor anker, aan ankerbollen, of aan lange steigers in de marina. Blijkbaar hebben al die luxe huur-catamarans die ons in de Grenadines nautisch voor de voeten liepen, hier hun thuishaven. Hier zijn vele mensen op zoek naar hetzelfde: een unieke zeilvakantie. Dream Yachts! Wij liggen in deze kilometers brede baai, aan de andere kant, naast de mangroven, beschut tussen ondieptes van koraalsteen. Een paar jachten om ons heen, waaronder enkele verlaten en verwaarloosde boten die wonderlijk genoeg nog drijven, voor de rest is het groen van de palmbomen en mangroven. Mooie plek! Prima uitvalsbasis om uitstapjes te maken. Om te beginnen gaan we direct naar de supermarkt, want die rode wijn met camembert moet direct worden gescoord. Ook nu maak ik een inschatting: afstand naar de steiger en daarna een stukje lopen. Moet kunnen, ook al zijn we behoorlijk vermoeid na een etmaal zeilen met weinig slaap en begint het al te schemeren.

We varen met bijboot Billy naar de steiger, dat blijkt met ons 2,5 pk-tje verder weg dan gedacht, halverwege varen we op een ondiepte, tuffen verder en knopen vast aan de bolder. Terwijl we door het stadje lopen, geen 5, geen 10, geen 20 minuten maar inmiddels een half uur, denken we hetzelfde. Karin spreekt het uit: ‘We lijken wel junks! We hadden gewoon op de boot moeten blijven.’ Uiteindelijk lopen we door de air conditioned supermarché en vergapen ons aan de overdaad, die na de betrekkelijke schaarste in de Grenadines, op ons af komt. Tig merken chips. Honderd soorten kaas. Duizend soorten wijn, of moeten we zeggen chateaus en appelations. We plukken uit de schappen waar we voor kwamen, lopen terug, stappen in Billy, varen terug naar de boot die we in het donker met moeite kunnen vinden en dan zitten we in de kuip, te moe om te genieten van de lekkernijen. Tijd om ter kooi te gaan.

We keken uit naar Martinique, hadden er zoveel over gehoord. Geen zeiler slaat tijdens een Caribisch rondreisje het eiland, deel van de Europese Unie, over. Alle bootonderdelen en klusspullen zijn er te krijgen en Europa is nu eenmaal lekker geordend en duidelijk. Karin en ik besluiten het eiland te leren kennen met de auto, maar eerst maken we een wandeling langs de zuidkust. Een prachtig wandelpad kronkelt via bos van baai naar baai. Alles perfect aangegeven en… schoon, geen plastic! Als die viezigheid er niet is, realiseer je je pas hoe gewoon het is geworden, al die troep en vervuiling. We nemen een duik in de vierde baai en keren om, want de avond komt eraan.

Martinique laat zich tijdens onze autotochtjes van zijn beste kant zien. We vinden de ene na de andere wandelroute via Maps.me, het wandelequivalent van Google maps. Allerlei ecosystemen doen we aan tijdens urenlange wandelingen waarbij we niemand tegenkomen. Waar zijn al die wereldzeilers en andere toeristen? Of wandelende Martinicanen? Aan de Atlantische kant dalen we af door tropisch bos met eeuwenoude woudreuzen, het bos gaat over in mangrove, een verdwaalde palmboom ertussen, dan opeens wit strand met op het halfdroge deel stoere plantjes, ware pioniers, die zich niet laten afschrikken door het zeezout en zo de boel koloniseren, met hun inspanningen houden ze het zand vast zoals helmgras in Hollandse duinen. In zee de volgende ecologische zone met dikke plakken zeewier, dat we tijdens onze Atlantische oversteek zo vaak tegenkwamen. De bruine drijfplant wordt naar Caribische westkusten geblazen, hoopt zich op, gaat daar rotten en stinken, tot onvrede van velen, met opruimacties als gevolg. Hier, tijdens onze wandeling, is het wier nog fris, niks aan de hand, en verbazen we ons erover dan we over een breedte van pakweg twintig meter vijf ecologische zones waarnemen. Een tropenboom met metersdikke stam staat pal achter het strand. Prachtig!

Een week lang brengt de auto ons naar de mooiste plekjes. We lopen ons suf, op een glibberig modderpad glijden we uit, het is af en toe zuchten en puffen van inspanning, maar wat is het hier mooi! Na een uur glibberen en glijden leidt het modderpad ons naar een loopbrug over een riviertje. Dan begint het te regen. Eerst proberen we te schuilen onder een geplukt bananenblad. Als kind las ik Suske en Wiske, die deden dat ook. Ik dacht: dat ga ik ook een keer doen. Verderop zien we een poeltje, helder water, visjes zwemmen in het natuurlijke aquarium, er is niemand in de buurt, wat kan ons het schelen, kleren uit en plons! Als de regen ophoudt drogen we ons af en vervolgen de wandeling. Onderweg laat Karins zool bij de neus van de schoen los. Het elastiekje van een mondkapje biedt soelaas. Dan begint de zool ook achter los te laten. Het tweede elastiekje eromheen. Ook de andere schoen, van een gerenommeerd merk, krijgt hetzelfde euvel. We offeren nog een mondkapje op. Gemankeerd weten we de auto te bereiken, spoelen de modder van ons af en rijden terug naar de baai van Le Marin.

De mangrove naast onze ankerplaats is een magische plek. Een beschutte baai in een baai, met schoon zwemwater, geen zuchtje wind, tenzij er weer een bui overkomt. Tijdens zware stormen knopen zeilers hier hun boten vast aan de mangrovewortels. Vooral tijdens orkanen is het op hoop van zegen en een schietgebedje houden, meer kun je dan niet doen. Sommige boten doorstaan het, andere zijn gezonken en liggen er nog steeds. We schrikken ons een hoedje als we bijna op zo’n gezonken jachtje varen tijdens een tuftochtje met Billy. De boot, ooit een oceaanzeiler, is gestript, alles van waarde of nut is eraf gesloopt, wat rest is de kale romp onder water. Een beetje onheilspellend!

We hebben wel weer eens zin in een echte Sailor’s Bar, zo’n tent waar mannen met baarden en slecht verzorgde gebitten te vroeg aan het bier zitten en wereldzeilers stoere zeilverhalen vertellen. Helaas, die bar hebben we op Martinique niet kunnen vinden. Wel horeca waar goed gevulde portemonnee’s worden geleegd voor meergangen diners, wijn en bier tegen stevig tarief, vakantiegangers van dikke catamarans laten zich verwennen langs menukaarten op Europese standaard. Veel uitgeven in korte tijd, want aanstaande maandag wacht de baas je op in het kantoor.

Na twee weken begint het bij ons te jeuken. Waar zijn we? In de Cariben? Of in Frankrijk? Zijn we, zeilend in het kielzog van de ontdekkingsreizigers van weleer, zoals we onze reis een tikje pretentieus hebben aangekondigd in maandblad Zeilen, bezig aan een avontuurlijke reis langs Caribische eilanden? Of lummelen we wat rond, zoals de gemiddelde vakantieganger in augustus in Frankrijk? De Creoolse cultuur lijkt verstopt achter borden van de Europese Unie, hier delft de reggae het onderspit tegen de verleidingen van westerse welvaart. Zo langzamerhand is het tijd om door te zeilen naar de volgende bestemming.

Eerst varen we nog een keer met Billy de hoek om, naar ankerplek Saint Anne. Een paar honderd boten liggen hier voor anker bij dit stadje. Ook Thomas, de Nederlands sprekende Duitse welzijnswerker die we in Trinidad hebben leren kennen, ligt hier. We hebben al aan aantal keren afgesproken en ook nu drinken we een paar biertjes op het dorpspleintje. Terwijl we de afhaalpizza’s verorberen, spelen zeilerskinderen met lokale leeftijdsgenootjes, ze scheuren op skateboards en fietsjes over het pleintje, zigzaggen tussen nietsvermoedend publiek, botsen af en toe tegen iemand op, de dorpszwervers drinken hun sterke drank op het laatste bankje, een stelletje ernaast, een bejaard echtpaar op de volgende, het is van alles wat door elkaar. Het is een uiterst charmant plaatsje en met het katholieke kerkje – Franse stijl – in onze rug bespreken we van alles. Thomas heeft geen huis, alleen zijn boot. Wat is thuis? Een huis of een gevoel? Wat is rijkdom, materieel bezit of vrijheid? Het is een fijne avond die eindigt met de voorspelling dat onze koersen wel weer zullen kruisen en dat ook dan het bier weer koud staat.

Het waait die ochtend harder dan voorspeld. Komt vaker voor in deze regio, een tijdelijk verschijnsel, die wind gaat wel weer liggen. We gaan ankerop, Karin aan het roer, ik haal de ankerketting binnen. Dan wordt de boeg gegrepen door de wind, het lukt Karin niet de boot in de wind te houden en we liggen dwars op de wind. Ik haast me terug naar het roer, geef een dot gas, stuur in de wind. ‘Waar is het bolletje?’, roept Karin. Dat boeitje zit ergens onder de boot. Verdomme. Dat ellendeding, ik had niet zo dicht erbij moeten ankeren. Ik had tijdens het ankeren niet zo gemakzuchtig moeten zijn! Dan floept de rode bal onder de boot vandaan, maar het kwaad is geschied: het ding zit vast aan ons anker en de ankerketting. Vloek. Vloek! Op mezelf. Wat nu? Ik probeer het anker en de rode bol omhoog te krijgen, maar het is te zwaar voor de ankerlier. De wind sleurt ons naar een ondiepte en we sleuren het rode onding mee. Ik haast me terug naar het roer, geef extra gas, ten koste van alles moeten we voorkomen dat we op de grond lopen. Als ik probeer een plannetje te maken, ik overweeg al het anker op te geven en los te maken, terwijl Karin oppert om de rode bol met de pikhaak omhoog te trekken, dan komt de buurman met zijn bijboot aangescheurd. Hij kijkt een beetje nors, ‘No English’, ‘Pas de problème’, en haalt vanuit zijn bootje het boeitje uit het water, gelukkig zit er geen betonblok onder maar een ankertje dat hij los weet te krijgen van onze ankerketting. Dit loopt met een sisser af. ‘Merci beaucoup monsieur’,  roep ik hem na als hij weer wegscheurt. Nors, maar zeer behulpzaam!

We motoren naar de bunkersteiger, waar we de watertanks vullen, en gaan dan op weg. Ik neem me voor op de volgende ankerplek voorzichtiger te zijn, doordachter te werk te gaan. We laten de baai van Le Marin achter ons, gevolgd door een houten tweemaster met een donkere rookpluim van slecht verbrande diesel achter zich. Ik herinnerde me het verhaal van zo’n schip dat hier gezonken was tijdens de vorige zware storm, weer is gelicht en opgeknapt. Zou dat dit schip zijn? Zo veel zeilschepen, zo veel verhalen en kleine en grote drama’s; ons gehannes met het rode bolletje steekt er gelukkig magertjes bij af.

De zuidkust van Martinique is rommelig vaarwater. Met de wind in de rug en geen zijwaartse druk op het zeil, maar met golven die van alle kanten komen, worden we door elkaar gehusseld. De tweemaster kruist af: zigzaggend met de wind mee. Zo waggelt het minder. Ik volg dat voorbeeld. We ronden de zuidkaap en een uurtje later varen we het piepkleine baaitje van Anse Noir binnen. Er liggen maar vier boten, we passen erbij. Anker uit, voldoende afstand van de rotswand en andere boten. Motor uit. Rust. En wat een prachtige omgeving rondom dit baaitje met zwart vulkaanzand! We wilden hier een nachtje rusten, maar blijven drie dagen. We snorkelen boven een gezond koraalrif en maken een wandelingetje in de buurt. Dan is het tijd om verder te gaan, naar de meest noordelijke ankerplek van Martinique, Saint Pierre, springplank naar het volgende eiland Dominica.

Anse Noir was goed beschut. Als we op zee zijn merken we pas hoe hard het waait. Uit voorzorg waren we met een dubbel rif vertrokken, maar met de 25-30 knopen had een derde rif in het grootzeil het zeilcomfort verhoogd. We gaan wel als een speer, Catherine klokt 8 knopen, razendsnel voor deze gezette dame op leeftijd. Dan zijn we bij Saint Pierre, we gooien een kilometer van het plaatsje – lekker rustig – het anker uit in 7 meter diepte, en schommelen vredig met een rood wijntje en olijven in de aanslag in de avondzon.

De wereld is een wonderlijke plek. Dat laat Saint Pierre zien. Het was de hoofdplaats van de Fransen op Martinique, een bestuurlijk centrum en levendig handelsplaatsje met zo’n 20.000 inwoners. In 1902 begint vulkaan Mont Pelée zich te roeren. Eerst wat gerommel, er zijn wat overstromingen, modderstromen, maar ach, dat gebeurt wel vaker. En dan, in een keer, een enorme explosie: de vulkaan barst uit, ontploft, en het hele plaatsje is in een oogwenk verwoest. Vrijwel iedereen komt om het leven, behalve een veroordeelde die is beschermd door zijn gevangenis. Saint Pierre is weggevaagd, de bewoners verhuisd naar het hiernamaals. Wij lopen door het stadje, achter de boulevard liggen de ruïnes; er is geen mens, tropische bomen overwoekeren de vernielde bouwsels uit de koloniale tijd. Saint Pierre is een soort museum, een vergeten spookstadje, een stille getuige van de kracht van Moeder Natuur. Voor het strand liggen over een strook van meer dan een kilometer tientallen wrakken, bijna allemaal schepen die zijn gezonken door de uitbarsting. Een zo’n schip ligt op zwemafstand van onze ankerplek. We drijven erboven met onze snorkelsets. Al snorkelend lopen de kriebels over mijn rug bij het zien van het dek en de spanten. Een scheepswrak boezemt ontzag in. Ik neem me voor bij onze volgende oversteek, naar Dominica, extra voorzichtig te zijn.

Eric

 

 

 

 

 

 

Trinidad – Grenada: komen en gaan

 

Carriacou, Grenada, 24 maart 2022

‘Eriek!’ Ik lig ondersteboven in de motorruimte, in een onmogelijke houding, onderzoek een langzaam druppelende diesellekkage, en herken het Franse accent van Laurent. Hij vraagt zich af wanneer we nou echt klaar zijn om het water in te gaan, of de belangrijkste klussen nu toch echt gedaan zijn. Ik vraag me hetzelfde af bij zijn boot. Wanneer is hij vaarklaar? ‘Eriek, can you help me with my engien?’ Tuurlijk, ik ben nooit te beroerd een helpende hand uit te steken, maar ik moet zelf nog flinke stappen zetten om de kluslijst te verkorten tot aanvaardbare omvang. De lijst is lang. Nieuwe oven installeren. Motorsteunen verstevigen. Motor kleine beurt geven. Bilgepomp aan de praat krijgen. Verstaging nalopen en afstellen. Nieuw anker vastmaken en een plek vinden voor het oude, dat dienst gaat doen als reserveanker. Autopilot repareren. Accu’s vervangen. Andere klussen zijn geklaard: antifouling zit erop, 200 meter beschimmelde lijnen gewassen, nieuwe pakking in de schroefaslager. De nieuwe putting van de voorstag zit er ook op. De oude was midden op de oceaan afgebroken, een pittig stressmoment, het had zomaar onze mast kunnen kosten, lees een eerder blog daarover en ons artikel in Zeilen magazine. Omdat dit blog beperkt is qua lengte, hou ik het hierbij, maar de kluslijst is veel langer met kleine en grotere klussen. Daar ga ik dan de rest van de week mee verder om de week erop zeilklaar te zijn. Een beetje druk staat er wel op de planning, want Liselot staat te popelen om te vertrekken. Zij heeft vijf weken voordat ze aan haar nieuwe baan begint.

Einde middag kijk ik met Laurent naar zijn proefdraaiende diesel. Het ding loopt na wat aanvangsproblemen prima. Ook een Westerbeke, net als de mijne, verguisd in Nederland, waar Yanmar en Volvo Penta de voorkeur krijgen, maar erbuiten hoor ik er vaak goede verhalen over. De mijne pruttelt na een revisie al een paarhonderd uur goed door. De Amerikaanse marine schijnt grootafnemer te zijn van ‘Westerbiek’. Dat zal toch iets zeggen? Als de proefdraai klaar is, zegt Laurent: ‘Eriek, tonight barbeque?’ Goed idee. En zo wisselt het harde werken zich af met aangename momenten van ontspanning. ’s Avonds wisselt ons groepje zeilers onder de mangoboom hun ervaringen uit, veel details over klusproblemen, ook inspirerende verhalen over mooie zeilbestemmingen en ankerplekjes. Laurent vertelt nogmaals zijn verhaal: in Guyana is hij ’s nachts aangevaren op de rivier door een flink schip, met forse averij tot gevolg. Voor zijn vrouw was deze ervaring zo traumatiserend dat ze niet meer verder wil zeilen. Elke zeiler vertelt zijn of haar verhaal, het bier staat in een emmer met ijs, de barbecue gaart grote lappen vlees waar onze vegaburgers en aubergine schril bij afsteken. Ik speel ‘Blue Sunday’ op m’n gitaar, Braziliaanse Gui trommelt mee op z’n bongo’s, de Pool van de catamaran rammelt mee met een muziek-ei, men eet, men zingt, men drinkt, ouwehoert, neemt een haaltje van een rondgaande joint, een scheutje rum, de honden van de werf komen ook even buurten, het is een mooie avond.

Op een ochtend schrikken we van het nieuws over Oekraïne. Oorlog, vooral in de vorm van ordinair Europees landjepik, was toch iets van de vorige eeuw? Hier in de Cariben lijkt het allemaal zo ver weg, maar het is dichtbij. Wat gaat dit brengen? Een bevriend Russisch zeilersstel loopt verslagen rond, ze vinden het vreselijk. Ze maken zich zorgen over hun zoon in Moskou: straks wordt hij opgeroepen voor het leger.

De dagen gaan voorbij op de werf van Peake. Dan breekt de dag aan dat Catherine te water gaat. Nog een paar dagen later, een afscheidsbarbeque en dan is het zover. De dag van vertrek is aangebroken. We kienen ons vertrek zo uit dan we de stroom van een paar knopen mee hebben in de Boca del Monos, de smalle doorgang tussen het eilandje Monos en Trinidad. Eerst maar eens het krappe haventje van Peake uit zien te komen. Onze nieuwe vrienden lopen spontaan uit om een handje te helpen met de lijnen: meer hulp dan lijnen. Thomas, de goedmoedige Duitser, hij heeft me gitaar zien spelen zonder plectrum en geeft me er een mee (‘you may need this’), De Portugese Tini met haar schattige zoontje van anderhalf Cairi, natuurlijk is daar Laurent, een omhelzing, een foto, wees voorzichtig, de havenmeester, de buurboten, iedereen zwaait en roept. Bye! Take care! Fair winds!

We varen de kom uit, varen nog even langs Gui, vader van Cairi, dan is het afscheid gedaan en zetten we de knop om. Reddingsvesten aan. Naar het dek, zeilbandjes eraf, zeilen hijsen, stootwillen naar binnen, Catherine gaat na bijna twee jaar weer de zee op. De motor blijft aan als we door de Bocas sturen. We zetten ons schrap, om de hoek is de Caribische Zee, daar wacht de wind op ons, is stroming, kan het opeens tekeer gaan. En dat doet het ook. De golven komen aanrollen vanaf de oceaan, ze zijn kort met witte koppen, dit is geen zondagmiddagtochtje op de Grevelingen, dit is aanpoten. Catherine wordt opgetild, krijgt niet de tijd om van de steile golven af te glijden, de boeg komt geheel uit het water en we knallen op het golfdal. Boem! En nog een keer, en nog een keer. Catherine krijgt het na twee jaar rust gelijk flink te verduren. Kaboem! Liselot houdt de boot op koers, terwijl ik de windvaan aan de praat probeer te krijgen. Hoe werkt dat ding ook al weer? Ik had alles klaargemaakt, maar blijkbaar heb ik iets verkeerd gedaan. Catherine draait op de vaan als een dronken banaan alle kanten op. Pas na een half uur, of nog langer, kom ik erachter: we hebben een jaar lang wind mee gehad, nu komt de wind van voren, het kwadrant staat 180 graden gedraaid. Links wordt rechts, stuurboord wordt bakboord. Ik herstel mijn denkfout en Arie stuurt Catherine als vanouds rechtsdoor. Pfff… nu hebben we tijd om de zeilen te trimmen, te navigeren, allerlei dingen en lijntjes te controleren of af te stellen. Om eerlijk te zijn: het is pittig. Boem, we knallen voor de zoveelste keer in een golfdal. Als schipper moet ik positiviteit en controle uitstralen, ik denk dat ik dat doe, maar van binnen hoor ik mezelf zeggen: het wordt een vermoeiend ritje. Terwijl ik doodmoe van klussen, regelen en te korte nachten van een lichte spanning aan deze tocht ben begonnen. Ons vertrek een dag uitstellen was geen optie, want de wind trekt de komende dagen verder aan. Even doorbijten dus. Karin heeft het moeilijk, het pilletje helpt niet, ze is katterig, trekt zich terug. Liselot is een kei, samen krijgen we Catherine op een aangenamere manier op koers. Het gaat steeds beter, naarmate de zeebodem dieper ligt, worden de golven iets minder steil en kort, Catherine krijgt er ook meer plezier in, de ware wind is van een vlagerige 25 tot 30 knopen (6 a 7 Beaufort), afgezwakt tot een gelijkmatigere 20 knopen. We zeilen hoog aan de wind, Grenada lijkt net bezeild, het gaat erom spannen of we onze bestemming halen zonder laveren. Dan zeilen we de nacht in. Liselot gaat slapen. Ik ben alleen in de donkere nacht.

Aan de horizon doemt een rood licht op: olieplatform. De komende uren zal die langzaam voorbij glijden, terwijl wij met een vaartje van vijf knopen richting Grenada gaan. Het is twee jaar geleden, maar de nachtwacht voelt vertrouwd en aangenaam. De wind zwakt verder af. Windvaan Arie doet z’n werk, ik zet de wekker die me elk half uur wakker maakt, ik sta op, kijk rond, kijk op de AIS of er schepen in de buurt zijn. Dan zoek ik weer de beschutting onder de buiskap en dommel weer in. Dit ritme van de nacht voelt prettig en kan ik lang volhouden. Dan neemt de wind verder af tot 10 a 15 knopen. We zijn met de werkfok ondertuigd. De stroom zet ons weg, zo is Grenada niet bezeild. Ik zie het nog een uurtje aan, als ik Liselot aan dek roep, want ik ga liever niet in mijn eentje in het donker naar voren, ook al ben ik aangelijnd. Even later is de grotere genua gebold, neemt de vaart toe en gaan we weer lekker.

De laatste paar uur wordt duidelijk dat we moeten gaan kruisen. Helaas. De stroming, in deze regio heel matig gedocumenteerd, is sterker westelijk dan verwacht en gehoopt. Het wordt een ploeteren tegen wind en stroming in, maar dan naderen we vroeg in de middag toch echt de hoofdstad van Grenada: St. George. We ankeren niet maar grijpen een bolletje, maken onze lijn eraan vast en besluiten lekker te gaan rusten. Klotsend op de milde deining zien we een zonsondergang uit duizenden. Onze eerste oversteek zit erop.

De dag erna lopen we door het vriendelijke en oud-koloniale stadje, klaren in, kopen lokale simkaarten, doen boodschappen en zetten koers naar de drukste ankerbaai van Grenada: Prickley Bay, want hier kan Liselot eindelijk haar surfboard gebruiken. In Prickley Bay is het zeilleven eigenlijk een beetje saai. Veel zeilers hangen hier langere tijd rond, of komen zelfs de baai niet meer uit. Het brengt een wat saai ons-kent-ons sfeertje met zich mee, we voelen ons niet uitgenodigd om ons te mengen. Wel maken we een wandeling naar de volgende twee baaien en Hog Island. Hier liggen ook tientallen zeilboten, maar hangt een totaal andere sfeer! Hier hadden we liever geankerd, achteraf bezien. Geen luxe restaurants, maar twee of drie geïmproviseerde stalletjes waar je op een boomstronk je biertje drinkt. Jongeren dansen op muziek, lachen als het begint te regenen, een groepje mannen leegt een stapel zeeappels, waarvan de binnenkant blijkbaar eetbaar is. Nooit geweten! We babbelen met een Duitse dame van middelbare leeftijd, ze is hier al vijftien jaar, trots wijst ze op een bescheiden bootje: ze is sinds vorige week de eigenaar.

Het is tijd om het binnenland in te gaan. We pakken een minibusje, de chauffeur rijdt als een dolle over de slingerwegen en zet ons af bij Grand Etang National Park. Daar lopen we een modderpad op en beklimmen de Mount Qua Qua, de een na hoogste berg van het eiland. Bovenop zien we aan de ene kant de oceaan, aan de andere kant de Caribische Zee. Indrukwekkend! Het is een glij- en modderpartij van jewelste, we komen bruin en gebutst terug bij het bezoekerscentrum, waar de waterkraan en zelfs een douche ons toonbaar maken voor de busrit naar beneden.

We zeilen verder, houden de vaart erin want Liselot heeft dan nog maar een dag of tien. We stoppen bij het onderwaterpark, een beeldentuin op de zeebodem. Die avond ankeren we in de prachtige Halifax Bay. Het is geen kleine baai, maar aan twee kanten hangen leidingen over het water, liggen enkele scheepswrakken en in het midden is het nogal diep. We zoeken de zijkant op. Het is de eerste keer dat ons anker serieus op de proef wordt gesteld, met een rotswand en -bodem op dertig meter afstand. Spannend. Gelukkig graaft de Kobra zich goed in en Catherine ligt vast.

Na een eerste duik vaart een catamaran de baai binnen. Het is de ‘Amazing’, met Nieuw Zeelandse/Australische bemanning, die dezelfde route volgt als wij. We hebben ze ontmoet in Trinidad, in Prickley Bay en nu Halifax. Zo is het zeilen in de Cariben: een komen en gaan van bekende boten. In Trinidad en Prickley Bay troffen we Shady Lady, kompanen in Charlotteville, Tobago, tijdens de eerste, chaotische maanden van de coronapandemie.

We  maken ons klaar voor de korte oversteek naar Ronde Island, niet veel meer dan een flink rotsblok. Het basalt is opgestuwd door de ernaast gelegen onderwatervulkaan Kick ‘em Jenny. We mogen niet te dicht bij de krater varen, maar zeilen wel over de hellingen. Boven de krater kunnen gasbellen naar boven borrelen, als je daar vaart met je bootje, dan zak je naar beneden en is het afgelopen. Rondom het eiland is flinke stroming, we zetten de motor bij, het is even vervelend hotseklotsen, maar dan laten we het anker vallen in de beschutting van het eiland. We nemen een duik, koken een heerlijk maaltje, trekken een biertje open bij zonsondergang. De dag erop varen we bijboot Billy II (Billy I is niet meer) het strandje op, we banen ons een weg tussen het struikgewas, cactussen en lianen omhoog. Dan staan we op de berg, kijken over de baai. De enige andere boot vaart net weg, dan zijn we alleen op dit eiland. Aan de horizon vaart Amazing voorbij, die treffen we later wel weer.

 

Die middag gaan we door naar Carriacou, ter grootte van Schiermonnikoog, tien zeemijl verder. Het wordt een mooie zeildag. Zo kan het dus ook, geen gebeuk en geram op de brekende golven, maar een vriendelijk vaartje over een blauwe, niet te hobbelige zee. We moeten wel opkruisen, zo worden de tien mijlen er twintig, als we in de namiddag Tyrell Bay binnenvaren. Na een dagje rondkijken en borrelen met Amazing varen we in een uurtje tijd naar het onbewoonde, piepkleine Sandy Island. Daar hangen we een paar dagen rond, snorkelen, hangmatteren, een stukje rennen op het witte strand en met Amazing een avond een vreugdevuur van palmtakken, gepofte vis en aardappelen, we spelen gitaar, de rumpunch is heerlijk, en dan varen we met Billy rond middernacht, de halve maan is inmiddels opgekomen, terug naar Catherine. De volgende dag, een beetje brak, wandel ik over het strand als een viertal vrolijke lokale dames in bikini me aanspreken. ‘Taking a stroll? Could you take a picture of us?’ De vier gaan er goed voor staan, ze genieten zichtbaar van dit dagje uit. ‘I will take another photo form a different angle’, zeg ik, als me een paar meter verplaats. De ondeugendste van het stel heeft er zin in: ‘Different angle? I will show you a different angle!’ Ze draait haar volle achterste naar de camera en bukt voorover. ‘Is this the right angle?’ De dames gieren het uit en bedanken me voor de foto.

Dan wordt het tijd om te bunkeren in Tyrell Bay. We nemen afscheid van Amazing, varen weg van Sandy Island, rollen de genua uit, zeilen de hoek om, als een jacht ons nadert. Opmerkelijk: een zeilboot zonder mast. We besteden er verder geen aandacht aan. Een paar uur later, als we dobberen in de baai, vaart een bebaarde man in een bijbootje langs. Ik herken de houding en het postuur. ‘Laurent!’ Wat doet hij hier? Hij draait zich om, stuurt zijn dinghy naar ons. Ik steek twee duimen op. Hij antwoordt met één duim naar beneden. Laurent, normaal gesproken de vrolijkheid zelve, kijkt bedrukt. Als hij in de kuip zit, voorovergebogen, doet hij zijn verhaal. Onderweg van Trinidad naar Martinique sloeg het noodlot toe. Vier uur ’s nachts hoorde hij een knal. Hij stond op en was verbijsterd toen zijn mast was omgevallen en in het water lag. Afgebroken als een luciferhoutje. Hij inspecteerde zijn boot: geen lekkage of verdere schade. Dan is hij uren bezig de stagen los te maken om de mast in zee te laten zakken. Vervolgens motort hij verder en belandt in Carriacou. Hij heeft geluk gehad, de mast had op hem kunnen vallen, dan had hij dit niet kunnen navertellen.

Zeilen lijkt soms makkelijk, in harmonie met de elementen. Soms is het uitdagend, met harde wind en hoge golven. Soms is het gevaarlijk, als het materiaal het begeeft. Dan heb je geluk nodig. Zoals Laurent, en zoals wij, toen onze voorstag los schoot midden op de oceaan. Laten we hier maar niet te lang bij stilstaan. We nemen vandaag afscheid van Liselot en ons avontuur gaat dan verder. Dag lieve schat, het was heerlijk je een maand aan boord te hebben. Liefs!

Eric

 

 

 

 

 

Thuiskomen op Catherine

Chuaguaramas, 12-02-2022

Ik ben er klaar voor. Eindelijk naar Trinidad! Eric testte voor de tweede keer positief en moet nog even wachten. Mijn o zo geriefelijke KLM-vlucht verloopt voorspoedig. Laurent, de Fransman van de terugvlucht anderhalf jaar geleden naar Amsterdam, zit ook in het vliegtuig. Wat een toeval! Mooi, dan kan ik gelijk mijn onlangs geleerde Frans uitproberen. Na een korte stop op Barbados kom ik aan in het warme, zwoele Trinidad. We delen een taxi met een Zweedse zeiler en gaan op weg naar Peake Yard. We rijden eerst door de drukke hoofdstad Port of Spain en dan langs de kustlijn met links de scheepswerven en scheepvaartbedrijven en rechts de groene heuvels van Trinidad. Gezellig klets ik met de spraakzame taxichauffeur. Ik ben gelijk helemaal gewend aan het Trinidad-accent en herinner me ook weer hoe aardig de mensen hier zijn.

We zijn aangekomen bij de slagboom van Peake Yard. Ik herken de vrouwelijke portier nog. Ze hijst de slagboom omhoog en ze overhandigt mij een enveloppe. Daarin zitten een sleutel en drie piepkleine briefjes met Wifi-codes. Voor de eerste drie dagen heb ik namelijk een kamer gehuurd. Ze geeft me ook een mooi pakje met daarop: afzender Shady Lady. Even later zit ik nog even op het terrasje voor mijn kamer met uitzicht op de steiger. Ik zie een paar bekende boten liggen en krijg een flashback van anderhalf jaar geleden. Ik zie Catherine en Billy onze bijboot aan de steiger liggen. Het voelt allemaal zo vertrouwd. Het is inmiddels 22.00 uur lokale tijd en dus voor mij 3.00 ’s nachts, als ik op bed in een diepe slaap stort. De volgende ochtend maak ik dankbaar gebruik van het pakketje met ontbijtspulletjes van Chrissy en David van Shady Lady.

Ik kan bijna niet wachten om naar Catherine te gaan. Voel me licht zenuwachtig als ik de trap op klauter. Oei, die steile, vier-meter hoge ladder opklauteren,  ben ik ontwend. Ik open het luik en ga naar binnen. De warmte en muffe schimmellucht komen me tegemoet. Ik doe zo snel mogelijk alle raampjes open en verse lucht stroomt binnen. Ik inspecteer de kastjes en de wanden. Het valt mee. Havenmeester Oliver heeft goed op onze boot gepast. Ik videobel met Eric, die niet kan wachten om te horen en te zien in welke staat Cath zich bevindt. ‘Het valt echt mee Eric, ik laat het flink doorluchten en ga goed soppen, misschien best lekker voor je om op een schone boot aan te komen’, zeg ik terwijl het zweet uit m’n poriën gutst.

Ik ga aan de slag. Ik sjouw alle kussens naar buiten en doe textiel in zakken. Alles ruikt muf en schimmelig. Dit klimaat zorgt vooral voor veel roest en schimmel. Dingen zijn verroest, ritsen gaan niet open en spullen voelen kleverig aan. Beestjes kom ik niet tegen.  Het vet dat we op de steunen onder de boot hebben gesmeerd om ongedierte te weren, heeft prima geholpen. Geen ongedierte aan boord. Alleen blijkt de afvoer van het wasbakje verstopt en zwemmen er opeens talloze piepkleine beestjes rond. Ik inspecteer de voorraden, houdbare spullen uit allerlei bestemmingen: kruiden uit Suriname, tomatenpuree van Gran Canaria, sardines uit Madeira, makreel uit Frankrijk en zelfs witte bonen in tomatensaus van de Jumbo uit Rotterdam van waaruit wij 12 juli 2019 vertrokken. De meeste blikken zijn nog goed en zelfs 12 pakken houdbare melk kunnen nog worden gebruikt. Schoonmaakmiddelen, doeken, alles is aanwezig in dit complete huishouden. Cath heeft dan ook een volledig jaar als huisje gefungeerd. Ik was vergeten hoe compleet ze is.

Ik stop rond een uur of 12 want de hitte is niet meer te harden. Ik moet mijn tempo aanpassen, het is bloedheet. Helemaal nu Cath op de kant staat en niet wordt omringd door verkoelend water. Ik denk terug aan de laatste keren dat ik in het Kralingse Bos ging wandelen met vrienden. Koud was ik tot op het bot na een middagje buiten. Nu ervaar ik het tegenovergestelde: warm tot op het bot. Een vergelijkbaar gevoel kun je in Nederland alleen maar bereiken met een saunabezoek. Ik ga naar mijn kamer om siësta te houden. Op de werf is het rustig, iedereen doet kalm aan op deze tijd.

Na de siësta loop ik een rondje over de steiger. Ik ontmoet Tini met haar zoontje Cairi. Hij is geboren nadat wij Trinidad hadden verlaten. Ik herinner me haar nog heel goed met haar bolle buik. Nu is daar een klein, schattig jongetje. Ik had wat hemdjes, de enige zomerse kleding te krijgen in winters Nederland, bij de Hema gekocht. Ik herken ook de twee Engelse Dave’s. Niets lijkt veranderd: rustige Dave komt nog steeds regelmatig met zijn dinghy naar de steiger, zijn zwart-witte kat zit al klaar op de voorpunt om daarna behendig op de steiger te springen. Stoere Dave was mijn zwemmaatje. Hij zwemt nog iedere dag om fit te blijven en is druk met het opknappen van meerdere boten tegelijk. Ik loop naar Power Boats, de werf naast de onze, om Shady Lady te bezoeken. Ik dwing mezelf om te slenteren, pas mijn tempo aan. Het is heet, de zon brandt, maar ik geniet volop. Wat is het fijn hier, het voelt als thuiskomen. Op weg naar Power Boats ga ik even zitten bij de barbecue-plaats onder de grote mangoboom. Er ligt een rijpe mango, ik pel hem en eet hem op. Heerlijk, wat heb ik verlangd naar dit moment.

Ook bij Power Boats heeft de tijd stilgestaan, het is rustig. Ik herken boten, sommige mooi en glimmend en andere verwaarloosd, spookboten met wapperende stukken, zwart plastic, kapot gescheurd door de uv-stralen van de brandende zon. Het weerzien met David en Chrissy is gezellig en vertrouwd. Ik overhandig hen de cadeautjes uit Nederland: kaas, koffie, drop en stroopwafels. We kennen David en Chrissy van Shady Lady toen we tijdens de lockdown, in het begin van de pandemie, in de baai van Tobago lagen. Cath en Shady Lady waren gedurende een maand of vijf de enige twee boten daar. We waren daar min of meer gestrand en konden onze plannen niet meer doorzetten. Deze keer pakken we de draad weer op en vervolgen we onze reis alsnog. Shady Lady is al die tijd in Tobago gebleven. Ze zijn nu op Trinidad voor onderhoud en gaan binnenkort weer terug. Ik word uitgenodigd voor een sundowner op zaterdagavond.

De laatste dag in mijn kamer gebruik ik om Catherine leefbaar te maken. Ik kan niet wachten om mijn intrek te nemen in de boot. In plaats van de saaie instant noodlesoepjes en de oploskoffie kan ik daar mijn eigen maaltje koken en lekkere koffie zetten. Alles is aan boord. Met hulp van Eric op afstand, sluit ik de elektriciteit aan, vul het water bij en sluit het gas aan. Als ik bezig ben in de boot staat plotseling alles te trillen, kort maar krachtig. Een aardbeving! Het is te kort om angstig te raken, maar wel vreemd om mee te maken in een boot op het droge. Tussen Tobago en Trinidad ligt het episch centrum, een aardbeving met een kracht van 5.5 op de schaal van Richter, lees ik later op internet.

Die avond ga ik naar Power Boats voor de sundowner en ontmoet een Russisch stel, vrienden van David en Chrissy. Hun eigen boot ligt in Guatamala en ze zijn hier om een boot van een Rus over te zeilen naar Turkije. De eigenaar kan zelf niet komen, want zijn Spoetnik-vaccin wordt in Trinidad niet geaccepteerd. Ook de buren, een jong Zwitsers stel, nemen deel aan het feestje. We maken pizza’s in een cobb-barbecue en de drank vloeit rijkelijk. Er gaan heel wat Caribs en shotjes rum doorheen. Ik beperk me als enige tot het bier. Als ik later samen met de slingerende Russen naar Peake terug slenter, vertellen ze dat in Rusland een geslaagd feest behoort te eindigen in absolute dronkenschap. Toch ben ik blij dat ik de shotjes rum heb afgeslagen. De volgende ochtend ben ik nog best fris.

Dan komt de dag dat Eric zal arriveren. Ik heb inmiddels mijn intrek op de boot genomen en wacht in spanning zijn komst af. Hij is uiteindelijk ook met de KLM gevlogen, nadat zijn reservering bij United Airlines op niets was uitgelopen. Het is een heel prettige, directe vlucht. Eric vertrekt onder geleide van de storm Corrie. Dat zal behoorlijk te keer gaan in het vliegtuig, maar zodra hij hier is valt alle stress van hem af, weet ik uit eigen ervaring. De laatste maanden voor vertrek waren behoorlijk stressvol door corona en het afmaken van diverse klussen, zowel voor Eric als voor mij. Hier kom je in zo´n ander wereldje terecht dat alle stress van je afglijdt. De Carib staat koud, laat Eric maar komen.

Karin

Trinidad here I come!

 

Rotterdam, 13-1-2022

Reistas volgepropt met nuttige spulletjes voor aan boord, onderdelen, accessoires, wat extra koffie omdat dat in Trinidad minstens zes keer zo duur is, papierwerk in orde, dubbel gevaccineerd, geboosterd, hatsikidee, mij kan niemand wat maken, ik ben er klaar voor: Trinidad, here I come!

Allemachtig wat heb ik er zin in. Eindelijk terug naar Catherine, ons brave bootje dat al anderhalf jaar droog staat te bakken onder de blakende zon. Ze heeft ons nodig en wij haar! Eindelijk is het zover. Anderhalf jaar heeft het geduurd, maar nu ga ik echt. Karin komt tien dagen later, ik stel eerst orde op zaken aan boord zodat ook de kapiteinsvrouw een fatsoenlijk onderkomen heeft, gevrijwaard van stof, schimmels en ander storend ongemak.

De vlucht van United Airlines staat geboekt, de Boeing is al onderweg deze kant op, morgenvroeg stap ik aan boord. Nog wel even een PCR-test doen, want dat moet uiterlijk 24 uur voor vertrek. Ik spring op mijn roestige fiets, een oud barrel met gebroken spaken en slagen in de wielen, rijp voor recycling, maar de brik redt het nog net tot mijn vertrek, ik flits door Rotterdam, rij langs Diergaarde Blijdorp de Bergweg op, krijg in de kliniek gelijk de staaf in mijn strot en neusholte en dan vanavond heb ik de ongetwijfeld negatieve uitslag. Want we zijn bijna twee jaar verder in deze corona-ellende en ik ben een van de weinigen die gevrijwaard is gebleven van de ziekte. Misschien behoor ik wel tot die bijzondere groep mensen waar het virus geen vat op krijgt? Ik heb even gedacht om me aan te melden voor medisch onderzoek, de oproep las ik op internet, bij mensen die maar niet besmet willen raken. Maar ja, ik ga naar Trinidad, dus kan ik niet meehelpen om de geheimen van de menselijke ziekte en gezondheid te ontrafelen.

’s Avonds zitten we gezellig aan tafel, Karin heeft gekookt, Joris en vriendin Maud trekken een flesje wijn open, het is gezellig zoals een avond voor vertrek moet zijn. Liselot staat op de piste en belt me nog even om een goede reis te wensen. Rond half elf ga ik maar eens kijken of de uitslag er is, want dan kan ik inchecken en een stoel bij het raam zoeken. Yes! De uitslag is binnen. Ik lees het Engelstalige reisdocument, en dan valt mijn oog op het woord

Positive

Positief? Ik lees het nog eens goed. Ja hoor, echt, het staat er. Ik ben de Sjaak. Trinidad here I come? Not yet.

Eric

Terugblik deel 2: Alles komt goed, maar dan komt corona

Burgh-Haamstede, 30-9-2020

In het vorige blog beschreef ik hoe midden op de oceaan, halverwege Kaapverdië en Suriname, onze voorstag losraakte. Je kan wel zeggen: een serieus probleem. Hieronder lees je hoe het allemaal goed afliep. En dat onze reis in de Cariben door corona eindigde waar die begon.

Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…Ik wist me te herpakken, raakte niet in paniek, maar de angst gierde wel door mijn keel, de adrenaline raasde door mijn lijf, ik probeerde de ratio het te laten winnen van emoties, ik moest nu dénken, niet voelen. Mijn verstand zei: we zijn midden op de oceaan, ik moet het overzicht behouden en juist handelen. Anders kan de mast afbreken, althans het bovenste deel, want de kortere kotterstag – goddank had ik die voor deze reis laten plaatsen – gaf nog steun aan het onderste deel van de mast. Ook het voorste onderwant oefent een voorwaartse kracht uit op de mast. Het lukte me om rustig te blijven, ik behield het overzicht. Allereerst: genua inrollen, met de hand, terwijl de voorstag met het hele rolreefsysteem, een metertje of vijftien lang en tientallen kilo’s zwaar, heen en weer bungelde, tegen de preekstoel aan kletterde, dan weer op het voordek schuurde. Ik moest oppassen dan mijn hand niet bekneld raakte, maar het lukte met hulp van Joris. Vervolgens wat te doen? De voorstag fixeren om verdere schade te voorkomen. Vervolgens zo snel mogelijk de spinakerval aan de boeg bevestigen als noodstag. In de tussentijd reefden we het grootzeil om de krachten op de mast te verminderen, maar lieten we het grootzeil wel staan omdat de voordewindse koers de mast naar voren duwde. Terwijl Liselot en Karin in de kuip de koers bewaakten, werkten Joris en ik geweldig samen, elk besef van tijd verdween, maar na een tijd was de klus geklaard en zaten we na te hijgen in de kuip. De mast bewoog niet, was niet krom, leek stabiel. Ik probeerde Karin en Liselot objectief te informeren over de ernst van de situatie, maar ook gerust te stellen. Alles komt goed, zei ik, hoewel een stemmetje in mij zei: je hóópt dat het goed komt.  Joris en ik spraken af bij dageraad de situatie opnieuw op te nemen. We gingen ter kooi.

De volgende dag maakten we een plan. We wilden de voorstag aan een oog op het boegbeslag bevestigen, daarvoor moest eerst de genua worden geborgen, daarna de rolreefinstallatie worden gedemonteerd, om bij de spanner van de voorstag te kunnen komen, losser te draaien en ruimte te maken voor een noodverbinding. Een flinke klus omdat alles enorm vast zat en de deining het werk bemoeilijkte. Met een uiterste krachtinspanning, vergezeld van een diepe oerkreet, kon ik wat gecorrodeerde inbusbouten loskrijgen. Maar het lukte! We bevestigden de voorstag aan het oog, spanden de stag een beetje op en zetten het rolreefsysteem weer in elkaar. Dit was een zeer geslaagde noodklus, we konden zonder al te veel zorgen de werkfok aan de kotterstag hijsen en de vaart verhogen, op weg naar de overkant.

Gaandeweg, na een of twee dagen, maakte de stress plaats voor ontspanning. Ook bij mij, nu ik zeker wist dat de mast redelijk goed verstaagd was, zolang we niet aan de wind zouden gaan varen, zolang de wind niet van voren kwam. We konden opnieuw genieten van de oceaan. Het geruststellen van Karin en Liselot lukte me nu veel beter, omdat ik er zelf in geloofde dat het allemaal goed zou aflopen.

We kregen weer oog voor de oceaan. We verbaasden ons over de enorme hoeveelheden zeewier dat voorbij trok. Gelukkig bleef niets hangen aan onze vleugelkiel, schroef of roerblad. We zagen ook talloze Portugese oorlogsschepen langskomen. Weinig complexe wezens, die kwallen, maar door de evolutie (daar istie weer, Darwin!) perfect aangepast aan het leven op de oceaan. Ze hebben een fleurig zeiltje waarmee ze op koers blijven en meterslange tentakels waarmee ze hun voedsel weten te vangen. We zagen een troep orka’s en veel dolfijnen. Geen dag is saai op de oceaan, ook als je verstaging heel blijft, mits je ziet wat er allemaal te zien is.

En toen, na zestien dagen op de oceaan, waren de drie Îles de Salut in zicht. Karins telefoon kwam tot leven met de mededeling: welkom in Frankrijk. Dat betekende dat we gewoon met ons Nederlands abonnementje konden bellen, appen, internetten. We gooiden het anker uit en namen gelijk een duik in het beschutte baaitje van Île Royale, enkele De eerste plonshonderden meters naast Île du Diable, Duivelseiland, waar Dreyfus gevangen zat vanwege een staatscomplot, een triest anti-semitisch drama aan het einde van de negentiende eeuw dat nog steeds  als een dieptepunt in de Franse geschiedenis wordt beschouwd: de Dreyfusaffaire. Ook Papillon zat er gevangen, diens verhaal is verfilmd, maar wel op een ander eiland. Ondanks deze zwaarmoedige geschiedenis liepen wij lichtvoetig, trots en opgewekt een rondje over het prachtige eilandje. Want we hadden de oceaan overgestoken! Tegenslagen overwonnen, teamgeest bewaard, samengewerkt én met elkaar genoten. Als vader ben ik apetrots op dit gezin, mijn eigenzinnige vrouw, en fantastische zoon en dochter, dat voelde ik op Île Royale sterker dan ooit, ooit tevoren.

Suriname lonkte. Na twee nachten gingen we ankerop. De stroming en wat wind sleurde ons met een machtige negen knopen (pakweg 16 km/uur), supersnel voor onze ondertuigde Catherine, over de ondiepe kustwateren van Frans Guyana naar de aanloopton van de Surinamerivier, waar we zoals gepland rond het middaguur van 10 februari aankwamen. We loefden op, zeilden zelfs even aan de wind, wat we maanden niet hadden gedaan. Ik keek omhoog, checkte de noodverstaging, de mast stond stabiel, stevig, ook bij deze wind. Tussen de oevers van de rivier lieten we de zeilen zakken en motorden stroomopwaarts, langs Paramaribo, verder de bruine rivier op. Onze berekening bleek juist; we hadden stroom mee, tot we vastknoopten aan de enige steiger voor jachten in Suriname, die van Marina Waterland.

Wat volgde was een heerlijke maand in dit prachtige land, met doorgaans ontzettend aardige mensen en heerlijk eten. Toch hing er een gespannen sfeer in het land: de verkiezingen kwamen eraan, zou Bouterse, de drugshandelaar die zich voordeed als politicus, de crimineel die het land al veertig jaar in de greep hield, accepteren als hij zou worden weggestemd? Daar kwam ook nog eens de verduistering van 100 miljoen Amerikaanse dollar bovenop, een enorme  domper voor het toch al kwetsbare land met een half miljoen inwoners. Van de ene op de andere dag had elke Surinamer er omgerekend een schuld van 200 U$ dollar bij! Bovenop de toch al torenhoge staatsschuld. Het slechte nieuws stond dagenlang op de voorpagina’s van de kranten, was het gesprek van de dag bij de warungs en winkels. En toch, ondanks corruptie en wanbeleid ademt Suriname levenslust, plezier, ontspanning en klinkt de muziek.

Na twee weken namen we afscheid van Joris en Liselot, die hun studie moesten oppakken. Dit gezin houdt het moeilijk droog bij afscheid. Het werd een tranendal op vliegveld Zanderij! Maar we waren ook blij, dat we twee maanden lang met elkaar waren geweest op deze bijzondere reis. Toen de tranen waren gedroogd stonden Karin en ik elkaar een beetje verdwaasd aan te kijken. Een rit huiswaarts volgde, met weinig woorden, maar veel gedachtes en gevoelens.

De dagen erna vonden we afleiding en gezelligheid bij onze nieuwe zeilvrienden aan de steiger van Waterland, Nederlandse zeilers die net als wij de sprong gingen maken naar de Cariben. Karin en ik hervonden onszelf de weken erop als duo, paar, koppel op reis. We maakten prachtige uitjes met ons huurautootje, dronken Parbo-biertjes met de buren. We werden gastvrij onthaald door een Nederlands-Surinaamse oud-collega en mede-Rotterdam-Delfshavenaar die vlakbij de marina woont. Dankzij haar en haar aardige vriend begrepen we steeds meer van het land en de politiek. Terloops lazen we in de krant berichten uit China die we toen nog weinig aandacht gaven. Ook toen de eerste berichten vanuit Italië binnenkwamen, betrokken we dat niet op onszelf, noch op Nederland. Hoe naïef waren we! Inmiddels was het de eerste week van maart. Tijd om verder te gaan.

En daar gingen we, de rivier af, stroom mee, we zeilden in drie dagen naar Tobago. Daar, in de baai van Charlotteville, Man of War Bay, het noordelijkste puntje van het eiland, lieten we op 10 maart het anker vallen om het pas in juni weer op te halen. De ankerketting was begroeid, wij hadden ons niet verplaatst, maar de wereld was veranderd, niet alleen op Tobago, overal, niets was meer vanzelfsprekend. Ook niet dat je als zeiler kan gaan en staan waar je maar wilt, zolang je je keurig hield aan regeltjes van douane en immigratie, kon je als zeiler overal heen. Nu konden wij helemaal nergens heen. Tobago, springplank naar tientallen Caribische eilanden, bleek geen startpunt maar voorlopig eindpunt van onze reis. Het enige dat we konden doen was afwachten. We probeerden nog wel de Curaçaose en Bonairiaanse overheden te overreden om ons toe te laten. Tevergeefs. Wachten was onze enige mogelijkheid. Wat deden we die maanden? Zwemmen, tonijn fileren, bakken, gitaar spelen. Weer zwemmen. Boodschappen doen in het dorp, waar we er na enige tijd helemaal bijhoorden als tijdelijke dorpsgenoten. Tussendoor deden we enkele klusjes aan de boot. Ik voelde rust in mijn hoofd, ontspanning, schreef muziek en songteksten. We hadden af en toe een gezellig praatje en later een barbecue met onze fijne buren van de Shady Lady, zeezwervers, vrijbuiters. Toen de lockdown werd versoepeld, huurden we een autootje en kriskrasten een week lang over het eiland, maakten wandelingen dwars door het schitterende regenwoud en verbaasden ons erover dat wij met Shady Lady, waarmee we nu bij Mr. Gray bier konden drinken met Marvin Gay uit de speakers, de enige zeilers waren die op dit paradijselijke eiland waren. Andere boten, honderden, zochten hun heil bij bekendere bestemmingen: Grenada, Martinique, de Grenadines. Nu hadden wij het gevoel dat we dit eiland hadden herontdekt, vijf eeuwen nadat Columbus voor het eerst de groene heuvels zag. Zijn naam schrijf ik nu op, maar noemde ik toen niet, want ook op Trinidad en Tobago, kortweg T&T, tegenwoordig één land, drong het besef door, terecht, dat Black Lives Matter en dat de wereldgeschiedenis doorgaans vanuit westers perspectief wordt beschreven. De toekomst van het standbeeld van Columbus in de hoofdstad Port of Spain was onderwerp in de kranten van T&T. In Charlotteville was er weinig van te merken. Sharon – de stoere uitbaatster van het enige hotel in het dorp die niet met zich liet sollen, zelfs de lokale politie had ontzag voor haar – bleef me ‘darling’ noemen, en schoof onder de toonbank tien bier in mijn boodschappentas. ‘Enjoy!’ riep ze me na, vergezeld met een vette knipoog.

En zo schoven de dagen, weken, maanden voorbij. Toen kwam het nieuws dat wij ons met de boot mochten verplaatsen binnen de territoriale wateren van T&T. We namen afscheid van Shady Lady, we’ll meet again, don’t know where, don’t know when, en zeilden naar de volgende baai: Bon Accord. Daar lagen we als enige boot voor anker, veilig achter een groot koraalrif. Elk cliché van een tropisch eiland werd hier bevestigd, met als enige geluid het ruisen van de palmbomen en het geklots van lieflijke golfjes tegen de romp van Catherine. We verzonnen allerlei smoezen om nog maar een weekje te blijven, waarom niet, en nog een week, morgen dan, of toch maar overmorgen? Uiteindelijk raapten we de moed bij elkaar en gingen op weg naar onze voorlopige eindbestemming: Chaguaramas, Trinidad.

De drempel van de baai bij Bon Accord is tijdens vloed amper twee meter, onze Catherine schoof met een enkele decimeter over de zandbodem. Spannend. Maar het ging goed en we voeren de laatste zeilnacht in van onze reis. Een heerlijke nacht, waarin alle herinneringen van het afgelopen jaar, zoals in deze en vorige blog beschreven, door mijn hoofd schoten. De volgende ochtend lagen we in Trinidad aan de steiger van Peake Yacht Services, een professioneel, gastvrij en net haventje en werf. Hier deelden we verhalen met andere wereldzeilers, het was een warm bad van mensen van allerlei pluimage, gretige jonge zeilers, een zwangere jongedame, een uitgezeilde oudere dame, een rechtse Amerikaan en progressieve Europeanen, een Brexiteer, een Londense goedzak, en een hartelijke groep Fransen. Iedereen was anders, maar we waren allen één: wereldzeilers, in een poging te leven op de dag, niet morgen maar nu het kan, ieder op zijn of haar eigen schuit, op zoek naar de vrijheid die ons nu tijdelijk was ontnomen.

We motorden Catherine naar de kraan, de banden werden onder haar romp bevestigd, de kraan tilde haar omhoog, haar onderkant zag er verrassend goed uit. Ze werd naar haar plaatsje op het land gereden. Hier mag ze uitrusten, op de kant, tot we onze reis hervatten. Wanneer dat kan weten we niet. De grens van T&T is dicht, niemand mag het land in. Dat is de realiteit van het coronajaar 2020. Karin en ik boekten een vlucht naar Amsterdam, er ging maar één vliegtuig per maand naar Europa, dus we besloten deze te nemen. Een rib uit ons lijf, dat wel. God zegene de greep, we zien wel wanneer de grenzen open gaan, wanneer we weer terug kunnen. En toen stonden we ineens op een vrijwel uitgestorven Schiphol. Mijn broer, de laatste die ons uitzwaaide vanaf de Van Brienenoordbrug in Rotterdam, was de eerste die we zagen, hij stond als enige op een uitgestorven Schiphol op ons te wachten. Een elleboog, een voorzichtige omhelzing. Joris kwam later aangelopen en reed ons naar huis. De ruitenwisser veegde de laatste beelden van Catherine en de Caribische Zee weg, de tropische hemel maakte plaats voor de grijze lucht waaruit Hollandse regen viel op platte polders. We zijn thuis, vertrouwd, maar in een veranderde wereld. We gingen op reis, op zoek naar afgelegen plekken en onbedorven baaien waar de wereld is zoals die altijd is geweest. Wat we vonden is een wereld die voor iedereen is veranderd. De tijd zal het leren of de tijd weer wordt teruggedraaid, of we die vertrouwde wereld van vroeger nog zullen vinden, als we onze reis hervatten, met onze Catherine, verder van huis, langs de Caribische eilanden en dan weer verder. Waarheen? Dat weten we nog niet, we gaan het zien.

Eric

Terugblik deel 1: Over de grote plas

Burgh-Haamstede, 30-8-2020

Zo, we zijn weer thuis, een jaar nadat we vertrokken. Vertrouwd, rustig, prettig, aangenaam, warm – zowel het weer als de ontvangst van vrienden en familie. Ook een tikje vreemd en onwennig, onwerkelijk, vooral de eerste week, toen we net terug waren, maar toch niet helemaal geland, terwijl we toch echt op Schiphol zijn aangekomen. Nu, ruim een maand verder, zijn we weer helemaal oké, Karin en Eric, zoals mensen ons kennen van vóór onze zeilreis. De baard is geschoren, de kleren zijn gewassen. We kennen onszelf weer terug, ons sociale leventje met zoveel gezelligheidsmomenten met vrienden, ook al houden de beperkingen vanwege corona ons binnen het gareel. Een elleboogje hier, een warme groet daar, heel soms een knuffel als we ons niet kunnen inhouden. Het is fijn weer thuis te zijn, bij jullie, vrienden, familie, Joris! Liselot is nog in Australië, die hereniging volgt in oktober.

Dat gezegd hebbende, wat hebben we genoten van het afgelopen jaar zónder jullie, zonder bijna alles wat vertrouwd was, behalve onze gastvrije Catherine, die een jaar lang ons drijvende, knusse huisje was. Karin en ik namen een sprong in het ongewisse, toen we op de laatste dag van juli 2019 onder de Van Brienenoordbrug door voeren, uitgezwaaid door mijn lieve broer, een klein kwetsbaar mensje op die grote brug met voortrazend verkeer, hij riep ons een goede reis toe. Toen hadden wij nog geen idee hoe het ons zou bevallen en wat we allemaal zouden meemaken. Nu, een kleine maand na onze thuiskomst, lukt het ons om alle belevenissen rustig op een rijtje te zetten. Veel hoogtepunten, maar er waren ook enkele moeilijke situaties. De meest riskante deed zich midden op de oceaan voor.

De sprong in het diepe begon letterlijk bij de oversteek van de Golf van Biskaje. Niet alleen wij, ook een aantal andere zeilers met vergelijkbare reisplannen leefden een tikje gespannen toe naar deze eerste meerdaagse oversteek van de reis. Karin en ik hadden vaker nachten doorgebracht op zee, niet meer dan twee, op de Noordzee en vanuit Duitsland terug naar Nederland. Dit was andere koek. Minimaal drie etmalen over de tomeloze diepte van de oceaan. In de aanloop hielden we het weer goed in de gaten, want slecht weer in de Golf is geen pretje en kan de grootste schepen in problemen brengen. Toen kwam er een gunstig weergat aan, het woord dat zeilers bijna dagelijks in hun mond nemen maar landrotten wat vreemd vinden klinken. We vertrokken vanuit Camaret-sur-mer, Bretagne, waar onze dochter Liselot en haar vriendin Irene op surfvakantie waren en ons kwamen opzoeken en uitzwaaien. De oversteek zelf verliep probleemloos. Totdat we bij Noord-Spanje vanuit de oceaandiepte het continentaal plat opvoeren. Middenin de nacht, pikkedonker, kwamen we in een wildwaterbaan terecht. Of was het de lancering van een ruimtevaartuig? Laten we zeggen: een pittig zeetje. Catherine maakte de meest felle en onverwachte bewegingen, hup links, rechts, ze werd opgepakt en neergesmakt, maar ze gedroeg zich voorbeeldig. Alles trilde, rammelde, schudde. Anticiperen was onmogelijk omdat we geen hand voor ogen zagen. In één keer is daar de volgende golf. Hatsikidee, hatseflats, kedeng, plons! Toen kwam de zon op, het water werd rustiger, we zeilden een paar uur verder en gooiden aan het eind van de ochtend het anker uit in de baai bij A Coruna. Voor het eerst maakten we mee hoe het voelt om op eigen kiel een verre bestemming te bezoeken. We waren opgelucht, we hadden de vuurdoop doorstaan, de komende meerdaagse tochten zagen we nu met vertrouwen tegemoet. Trots liepen we door de steegjes van de stad in Galicië en lieten we ons de lekkerste tapas serveren. De reis was begonnen!

We zakten de Spaanse kust af. Pittig avontuurtje beleefden we bij de Costa da Morte. Je zou zeggen, de naam had ons kunnen waarschuwen. De woeste kust van Galicië heeft prachtige, fjord-achtige ingangen, ria’s genaamd, waar we wilden ankeren en verstilde visserdorpjes zouden bezoeken. Maar eerst moesten we de kaap bij die dodenkust ronden. Ik, kapitein, schipper, Eric, niet dom maar ook een feilbaar mens, maakte enkele foutjes. Eén: ik voer te dicht bij de kust. Daardoor kregen de valwinden vanuit de bergen vat op ons. Twee. Na het reven bleek dat ik de stopper van de genuarolreeflijn niet goed vast had gezet. Dom. De wind trok opeens aan tot boven de 35 knopen, dat was mijn laatste waarneming, want daarna had ik geen tijd meer om naar metertjes te kijken. De genua rolde uit, een flinke lap zeil, de wind nam toe, Catherine was nog nooit zo scheef gegaan, Karin schrok wakker van haar middagdutje en vroeg met verschrikte ogen of alles onder controle was, ja alles oké maar het is even druk, geen paniek maar wel hard werken, een kleine 40 knopen halve wind met veel te veel zeil maakt veel herrie, wat zeg je? Even aanpoten! En dan, zoals altijd, liggen we na de hectiek een uurtje later vreedzaam voor anker, biertje in de hand, na te praten over wat er mis ging, hoe het goed afliep en genieten we van het schitterende uitzicht op de woeste natuur van Ria de Muros. Zeilen is soms inspannend, soms wat eentonig, maar nooit saai.

Voor de kust van Galicië liggen de prachtige eilandjes Cies en Isla Onse, waar we mooi voor anker lagen en heerlijke wandelingen hebben gemaakt. We zeilden naar de Portugese stad Porto, daarna naar het gezellige dorpje Seixal, tegenover Lissabon. Vandaaruit maakten we de overtocht naar Porto Santo, een vrij onbekend eiland naast Madeira, er komt vrijwel geen reguliere Europese toerist, maar het is een levendig zeilersbolwerk. Hier wordt geschuurd, gelast, gezaagd, gepoetst, verbouwd, olie ververst en veel gezopen. We namen voor het eerst deel aan de weinig formele bijeenkomsten van wereldzeilers. De barbecue-avonden bleken het startsein voor menig slemppartij tot in de kleine uurtjes, sommige zeilers dronken de volgende dag hun kater weg bij het enige café aan de haven. Om diezelfde avond in de kuip de volgende tree aan te rukken, want: die koelkast in de boot werkt goed joh! En geef toe, als het bier koud staat bij 30 graden Celsius in de kuip, waarom niet nog een blikje opentrekken? Wereldzeilen is flink doorhalen in de havens en als je niet oppast blijf je er veel te lang liggen. Avontuurlijke bestemmingen waar wij vanuit de fauteuil in Rotterdam bij wegdroomden, blijken vol te liggen met zeilers die er voorlopig niet wegkomen. Wij hielden ons een beetje in, zoals we vaker in ons leven de middenweg zoeken, niet al te veel extremen maar wel avontuur en jolijt, pilsje hier wijntje daar, niet roomser dan de paus maar ook niet van god los, hoewel Darwin in hoger aanzien staat. Dus wij vertrokken na een week of drie gezelligheid naar Madeira, waar we vooral veel gewandeld hebben, de alcoholconsumptie van de weken ervoor enigszins gecompenseerd hebben en aan onze conditie hebben gewerkt.

Vanuit Madeira zeilden we naar de Canarische eilanden. Vriend Wim kwam over en zeilde mee, we maakten een weinig fortuinlijke stop bij de Selvagens eilanden, waar de beperkte ankermogelijkheden ons voor een dilemma plaatsten. We hingen aan een verroeste boei, die na een wandeling op het dorre Portugese rotsblok flinke krassen bleek te hebben gekerft in Catherine’s verder gladde en glimmende scheepshuid. Toen was het pikkedonker, de lijnen raakten verstrikt rondom de boei, Karin werd met de reddingsbrigade van het eiland naar Catherine vervoerd omdat ons weinig zeewaardige bijbootje Billy bang was in het donker, terwijl kanjer Wim en ik onze handen vol hadden aan dek en verdere schade aan de kwetsbare Catherine wisten te voorkomen. Uiteindelijk kwam alles goed en lagen we twee dagen later keurig aan een steiger van Las Palmas, Gran Canaria.

Terwijl de Tui-toeristen op Gran Canaria ondergebracht worden in massale betonnen bunkers, lagen wij knus in de fijne jachthaven van Las Palmas met onze Catherine. We namen afscheid van Wim, en Karin en ik laafden ons aan stoere verhalen van wereldzeilers, van allerlei pluimage, in de onvervalste Sailor’s Bar. Ook weer zo’n sympathieke gezellige zeilers-zuip-plek, en de norse, ongezellige Italiaanse eigenaar, ex-zeiler, bakte zalige pizza’s. Karins moeder Greet kwam langs met Karins zus Margreet. We pikten Joris en Liselot op van hun surfvakantie op Fuerteventura. Na een paar dagen flink bunkeren vertrokken we. Nieuwjaar vierden we met bubbels voor anker bij de prachtige duinen van Maspalomas, zuidelijk Gran Canaria.  Daarna zeilden we via La Gomera, Canarisch paradijsje, naar Kaapverdië.

15kg schoon aan de haak

Wat was het fijn om herenigd te zijn! Met z’n vieren aan boord ging prima. De altijd opgewekte en actieve Joris en Liselot, beiden talentvolle zeezeilers, maakten de achtdaagse overtocht naar de enige Afrikaanse bestemming van onze reis tot een makkie. We vingen onze eerste tonijn, een flink, prachtig dier, dat zijn leven met moeite liet. De kuip werd een wreed, rood abbatoir, het was boenen en schrobben na afloop van de slachtpartij. Maar lekker dat de tonijn smaakte!

In Kaapverdië waren we al een flink eind op streek. En toch hadden we het gevoel dat onze reis maar net begonnen was. Het eilandenland is een bestemming op zich, maar wij beschouwden het als een tussenstopje. We hebben er vooral voorraden ingeslagen en aangevuld, hoewel we Mindelo een gezellige plaats vonden en Santo Antão, daar tegenover, een adembenemend mooi eiland is met onwaarschijnlijke rotspartijen.

Op de Oost-Vlieland

Alle zeilers komen bunkeren in Mindelo en de plaatselijke middenstand weet dat maar al te goed. Bij het betreden van de markthal, een roestig dak boven tafels met verswaar en daaronder wegrennende kakkerlakken, schalmt het door de ruimte: ‘Turista!’ En hup, de lokale prijslijstjes werden vervangen door de toeristische variant en de kassa, hoewel niet aanwezig, rinkelt. Wij hadden er geen probleem mee, Kaapverdië is een arm land en de mensen moeten alle zeilen bij zetten, op een andere manier dan wij wereldzeilers doen. Zoals in andere zeilersknooppunten wordt ook in de marina van Mindelo, in het ‘Floating Restaurant’, menig biertje besteld, we hebben gezellige avondjes, ook met een aantal Nederlandse zeilers die we tot dan alleen maar kenden van hun facebook. En dan nadert het vertrek. De oversteek!

We gooien de trossen los, er wordt vanuit de marina flink getoeterd en gezwaaid. Een klein gebaar, even de handen omhoog en op een toeter blazen, maar het staat symbool voor de onderlinge verbondenheid van zeilers. Iedereen vindt het eigen bootje het mooist, zeer zeewaardig en zegt er op te vertrouwen, maar elke zeiler weet ook dat het wel eens mis kan gaan. De toeters bij vertrek betekenen dan ook: behouden vaart, goede reis. Want hoewel veel jachten probleemloos de oversteek maken, krijgt toch menig zeiljacht problemen en loopt het soms verkeerd af. Aanvaring op zee, storm, gescheurde zeilen, motorproblemen, stuurproblemen, ziekte. Er kan van alles mis gaan en toch moet je vertrouwen hebben als je de haven uitvaart. Wij hadden dat vertrouwen.

De eerste week op de oceaan verliep vlekkeloos, hoewel de eerste twee dagen de wind het soms liet afweten. Daarna een heerlijk ruime wind, zorgeloos zeilen. De windvaan, wat een geweldig apparaat, stuurde de boot. Het was even zoeken naar de juiste zeilvoering, uiteindelijk bleek de uitgeboomde genua en het grootzeil over de andere boeg de beste resultaten te geven. De Atlantische oceaan oversteken? Geen centje pijn! Tevreden ging ik slapen, wetende dat mijn stoere dochter Liselot onze Catherine in haar eentje prima kan besturen. Ik lag vredig te slapen toen een scherp, abrupt geluid, een fractie van een seconde, mij terughaalde naar de werkelijkheid. Mijn lichaamsharen stonden recht overeind, mijn ogen wijd open, een fysieke reactie op: stront aan de knikker, onheil, ernstig, alarm, actie. Ik vloog naar de kuip, waar Liselot rondkeek en probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam. ‘Pap’, zei ze bezorgd, ‘ik hoorde een ….’ Ik onderbrak haar. Mijn oog viel op de genua en de voorstag. Los. Kapot. De mast loopt gevaar. ‘Maak Joris wakker’, zei ik nog. Ik lijnde mezelf aan en begaf me naar de

boeg. Daar hing de genua hulpeloos te wapperen aan de rolreeflijn en de zwiepende boom, het was een kwestie van tijd voor ook die zouden knakken. Wat ik nooit had gedacht dat zou gebeuren, maar wel eens had gevreesd, was een feit: een cruciaal dik stuk rvs, de putting, was afgebroken. Joris was inmiddels ook bij de boeg. Als ik heel eerlijk ben: de angst gierde door mijn lijf. Ik keek Joris in de ogen, die direct de ernst van de situatie inzag. Geen woorden nodig. Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…

Wordt vervolgd! Volgende week in deel 2 lezen jullie hoe het allemaal goed afloopt.

 

 

Gehecht aan Charlotteville als loodsmannetjes aan Catherine

Bon Accord, Tobago, 17-6-2020

‘Kijk nou, die vissen zijn meegekomen uit Pirate Bay!’, roep ik verbaasd als ik wat mangoschillen over boord kieper. Eric komt kijken en ziet hoe de pilot sharks, zoals ze hier worden genoemd, vliegensvlug heen en weer zwemmen tussen de boot en de mangoschillen. Ze voelen zich thuis bij ons en, als ze niet onze voedselresten verorberen, hechten ze zich met hun zuignappen vast aan de boot. Pilot sharks, zo genoemd omdat ze op kleine haaitjes lijken, worden in het Nederlands loodsmannetjes genoemd. Officieel zijn het ‘remora’, vissen die zich vasthechten aan grote zeedieren zoals haaien, dolfijnen, walvissen en nu dus aan onze Catherine.

Er wonen meer vissoorten onder onze boot. De laatste weken in Pirate Bay was onze populariteit bij de vissers enorm gestegen omdat er zich een ware kolonie cavalli’s rondom onze boot had verzameld. De vissers kwamen voor de cavalli, ze haalden de een na de andere op met hun simpele lijntje met aas. Af en toe vingen ze per ongeluk een pilot fish maar die werd dan afgekeurd en teruggegooid. We kregen altijd een cavalli als een soort pacht, omdat het min of meer ‘onze vissen’ waren. Toen we aangekomen waren in onze nieuwe baai kregen we een berichtje van onze oude buurtjes Shady Lady, waarvan we ’s ochtends afscheid hadden genomen: ‘de cavalli zijn naar Shady Lady verhuisd en er ligt er al een in de pan!’

Na drie maanden valt het afscheid van Charlotteville ons zwaar.  We hechten ons aan Charlotteville als loodsmannetjes aan Catherine! Gedurende de Coronaperiode hebben we hier een veilig toevluchtsoord gevonden. Voor mijn gevoel hadden we het niet beter kunnen treffen. Alles is te krijgen in het dorp, de mensen zijn enorm vriendelijk en gastvrij en we zijn samen met Shady Lady de enige ‘yachties’. In het begin vonden we het spannend, we wisten niet wat de toekomst zou brengen. We vonden het heel moeilijk dat we ineens zo in onze vrijheid werden beperkt. We zaten vast op het eiland en mochten niet naar een ander eiland. Maar toen merkten we dat we welkom waren in het dorp. Bewoners stelden ons meerdere malen gerust met de woorden: ‘Tobago is the safest and most beautiful place in the world to be during this Corona crisis’. Ook kregen we snel vertrouwen in de aanpak van de regering, die de dreiging van een pandemie zeer serieus nam. Er werden strenge maatregelen genomen en het land ging in lockdown.

Nog steeds zit Tobago en Trinidad, samen één land, kortweg T&T, op slot maar omdat de interne reisbeperkingen zijn opgeheven, mogen wij verplaatsen en dat is de reden waarom wij naar Trinidad kunnen varen. Vergeleken met veel andere Caraïbische landen is T&T veel minder eenzijdig afhankelijk van toerisme, er zijn meerdere bronnen van inkomsten: gas, olie, landbouw, visserij, levensmiddelenindustrie. In Charlotteville zoeken de mensen andere mogelijkheden om geld te verdienen nu er geen toeristen meer zijn. Ze gaan weer vissen of verkopen groente en fruit uit eigen tuin. Lisa, de dochter van onze groentevrouw Pria, helpt haar moeder in de winkel nu de spa op Trinidad, waar ze werkt, gesloten is. Sonson gebruikt z’n boot weer om te vissen, niet langer om toeristen rond te varen.

We gaan de mensen van het dorp missen. Vaak hebben ze hier een alias die verwijst naar iemands karakter, uiterlijk of liefhebberij. Bij mister Dean, alias Johnny Walker, kopen we onze overheerlijke mango’s en avocado’s. Hij loopt altijd met grote passen door het dorp en de steiger op en af. Waarom Sweety Pie zo heet, laat zich raden. Rara is de doofstomme jongen die lege bierflesjes verzamelt, altijd klusjes doet voor iedereen en z’n komst aankondigt met een keihard: ’RARA!’. Moody ziet er erg chagrijnig uit. Al Pacino, is een hartelijk opscheppertje die ons altijd in het Duits aanspreekt, hij noemt z’n goedkope Japanner de Ferrari. Waarom Sonson zo heet, weet ik niet. Dan heb je nog Darling, een grote stoere kerel met wellicht een zacht karakter of juist niet. Op de laatste dag maken we een praatje met Sweet Pea, een rustige bejaarde man die op de kademuur zit en ons altijd vriendelijk groet. Hij vertelt dat hij 20 jaar in New York heeft gewoond en met eigen ogen de Twin Towers heeft zien instorten. Voor sommige mensen hebben we zelf bijnamen bedacht zoals de magere man met de enorme laarzen: Klein Duimpje. Eric heeft in het hotel een bijnaam gekregen: de Ten- beer-man. Omdat hij daar altijd stiekem onder de toonbank tien biertjes gaat kopen bij de eigenaresse Sharon, ofwel Chocolate. De laatste weken van ons verblijf mogen we weer biertjes drinken in de openbare ruimte, in het begin zitten ze nog stiekem in een zakje, maar alles wordt steeds losser en het zakje verdwijnt ook weer. Bij Sharon kun je alles krijgen, zij is een echte zakenvrouw. Als we op een dag benzine willen kopen voor onze buitenboordmotor en blijkt dat je bij de bezinepomp geen benzine meer kunt kopen (‘maybe next week’), heeft Sharon de oplossing: ze heeft jerrycans vol benzine en vult de onze.

Pas na twee maanden, als de lockdown-maatregelen worden versoepeld, gaan we met ons huurautootje het eiland verkennen. Het is een klein rood jeepje met dezelfde kleur als ons oude campertje Roos, we noemen haar Roos II. We gaan voor het eerst Charlotteville uit, het voelt alsof we iets illegaals doen, maar politieauto’s groeten ons vriendelijk en laten ons passeren: we zijn gerustgesteld. We rijden over prachtige, totaal uitgestorven slingerweggetjes, er is nog steeds weinig verkeer. We rijden dwars door oude regenwouden en langs de wilde kust, met af en toe een beschutte baai met zandstrand, afgewisseld door enkele dorpjes. Het eiland is schitterend groen, overal zie je bloemen en ik verbaas me over de planten: het zijn de kamerplanten uit Nederland, alleen dan vele malen groter. Het is alsof je door een grote tropische kas rijdt. We maken lange wandelingen in het regenwoud. Heerlijk om weer eens echte wandelschoenen aan te hebben en de spieren aan het werk te zetten. Overal hoor en zie je vogels, de kolibrietjes lijken op hommels en maken een zelfde soort geluid. We zien krabben, leguanen en staan bijna op een slang die een reptiel aan het verorberen is. Gelukkig ziet Eric hem net op tijd! We gaan naar een waterval in een smalle kloof. Je kunt er alleen zwemmend naar toe. Er is een diep meertje, Eric zwemt naar de waterval en gaat er onder zitten. Ik voel me hier niet prettig bij, de kloof is 20 meter hoog. Ik roep Eric dat ie terug moet komen en blijf zelf in het midden zitten. Een paar minuten nadat Eric terug is valt er een stuk rots naar beneden bij de waterval. Pfff heftig!

Als we ergens op een verlaten onverhard weggetje rijden nemen we een lifter mee. Hij stelt zich voor als Sweety Pie, hij bakt weleens taarten voor het hotel van Sharon, en woont ergens midden in het woud. Hij laat ons zijn woning zien. Het is een oud houten huisje en er staat flink wat rommel, waaronder een compleet gasstel in het bos om het huis. Hij vertelt dat, als we nog een stukje verder rijden, we bij het mooiste baaitje van Tobago komen. Hij gaat er zelf bijna iedere dag zwemmen. Als we over politie beginnen en dat de stranden nog niet open zijn, lacht hij z’n enige tand bloot: ‘No police. Too far away’. We bezoeken het mooiste baaitje van Tobago en wanen ons Adam en Eva in de helblauwe zee bij het parelwitte strand. Als we terug rijden passeren we Sweety Pie en zien hoe hij lekker staat te koken op het roestige gasstel midden in het bos. Hij groet ons, lacht zijn ene tand weer bloot en wij vervolgen onze weg.

Op een andere dag tijdens een wandeling komen we aan bij een mooie groene vallei. Er is bedrijvigheid en een man komt ons tegemoet. Hij stelt zich voor als Anthony, spreekt met een Amerikaans accent en vertelt dat hij net terug is uit Amerika nadat hij daar 25 jaar gewoond heeft. Hij heeft in het leger gediend en was gestationeerd in diverse Europese landen. Hij raakt niet uitgepraat over de klunzigheid en domheid van de Amerikaanse president. Dit stuk grond is van zijn familie die hier al generaties woont en hij heeft ambitieuze plannen met het land. Hij is bezig de vallei te ontginnen en gaat er gewassen planten. De grond is vruchtbaar en er is een natuurlijke bron, dus water genoeg. Hij laat ons ook de plek zien waar zijn huis wordt gebouwd met zicht op de Caribische zee en aan de andere kant op de Atlantische oceaan: adembenemende vergezichten.

Met de crew van Shady Lady vieren we Erics verjaardag en houden een barbecue op het strandje van Pirate bay. Er gaat een grote tonijn op het vuur, die ochtend gekocht van Mr. Dash, en in het vuur leggen we aardappelen in folie. Met lekkere salades en zelfgebakken brood een heerlijke maaltijd. Er is bier en rum, Eric zingt en speelt gitaar, waaronder ons lijflied ‘It’s better to burn out than to fade away’ want we leven maar één keer, en we maken er een gezellige party van. We vieren naast Erics verjaardag ook de versoepeling van de lockdown regels. Er is weer aandacht voor sociale contacten en we merken dat we dat best gemist hebben. In het begin van de lockdown was er vooral aandacht voor de primaire levensbehoeften: eten, drinken en veiligheid. Toen daar in voorzien werd, kwamen daar de broodnodige sociale contacten bij. Ik moet denken aan de piramide van Maslow: als er aan primaire levensbehoeften – eten, drinken en veiligheid – is voldaan komt de behoefte aan respectievelijk sociale contacten, waardering, erkenning en zelfrealisatie. Onze zeilreis is eigenlijk die zelfrealisatie, die opeens weinig betekenis had doordat er, zo dachten we de eerste weken van de lockdown, geknaagd werd aan de primaire voorwaarden voedsel en veiligheid en we vrij geïsoleerd waren.

Ons verblijf bij Charlotteville zit er op; en we maken plannen voor het vervolg van onze reis. Via Bon Accord, een baaitje aan de zuidoostelijke punt van Tobago op vijf uurtjes zeilen afstand van Charlotteville, vervolgen we onze reis. We kunnen moeilijk afscheid nemen van Tobago daarom blijven we nog een dag of tien in Bon Accord voordat we verder gaan naar Trinidad. Sharon en Tony, een gezellig en gelijkgestemd Londens stel dat in het hotel van ‘Chocolate’ in Charlotteville verblijft, vergezelt ons op deze tocht. We zijn nieuwsgierig en kijken gespannen uit naar het veel wereldsere en drukkere Trinidad. Hoe zal het zijn na vier maanden anker weer in een haven te liggen met normaal sanitair en elektriciteit? We voelen ons een stelletje verwilderde zeenomaden. Een klein beetje beschaving zal ons wel goed doen, wat nieuwe kleren, Eric raakt door zijn onderbroeken heen en ik ben m’n eeuwige soepjurk (‘soup dress’, zo leerden we Sharon en Tony na flink wat wijn) wel zat. Een echte douche lonkt ook, heerlijk lang onder de douche staan en niet te hoeven besparen op zoet water. We liggen inmiddels tien dagen bij Bon Accord, het weer is omgeslagen, windstoten en veel regen. Als het weer verbetert gaan we dan eindelijk, echt waar, naar Trinidad.

Karin