Het is zover: we vertrekken vanuit Panamarina, waar we zes weken aan Catherine hebben geklust. Het is een smalle uitgang tussen koraalriffen door. Eric stuurt de boot in de wind en we hijsen de zeilen.
De boot zwiept alle kanten op en ik heb moeite mijn evenwicht te bewaren. Het is lang geleden dat we het ruime sop kozen, het is even wennen. Het wordt een kort tochtje van Panamarina naar Portobelo en Eric manoeuvreert Catherine behoedzaam tussen de rotsen en ondiepten door. Na een tijdje zeilen, zijn onze zeebenen weer terug en voelt het als vanouds. Alles werkt weer als een tierelier en we gaan als de brandweer. Het is een heerlijk gevoel om weer op zee te zijn, de wind te voelen en het water te horen klotsen tegen de romp van de boot.
Drie uur later komen we aan in de mooie, ruime baai van Portobelo. Links en rechts zijn de ruïnes van Spaanse forten.
Het kleine stadje Portobelo was ooit een belangrijk handelsknoopppunt en werd beschermd door forten met meerdere zware kanonnen. Ronddwalend door de forten kun je je goed voorstellen hoe dat ging in de tijd van de Spaanse overheerser. Ze hadden zich dit land toegeëigend en indringers werden verwelkomd met kanonnenvuur. Wij niet, wij zijn in deze tijd van harte welkom in de prachtig baai.
Precies een jaar geleden waren we ook in Portobelo, alwaar we Laiba hebben ‘gered’ van de baas van het plaatselijke pizzarestaurant.
Laiba, een meisje uit Londen, werkte als vrijwilliger voor deze Francesco, maar hij was erg onaardig tegen haar. Ze wilde graag weg en we boden haar aan mee te varen naar Bocas, maar dat vond hij niet zo leuk. Hij was erg boos en deed ons tierend uitgeleide op de steiger. Er ontstond een filmische scene op de steiger waar de gasten eens even goed voor gingen zitten. (https://inhetkielzog.nl/2024/03/22/cool-in-panamama/)
Francesco maakt wel heerlijke pizza’s en we hebben zin om er diezelfde avond te gaan eten. We twijfelen: zou hij ons herkennen van vorig jaar? Neemt hij het ons kwalijk dat we Laiba hebben meegenomen? De verlokking van zijn overheerlijke pizza’s weegt zwaarder, we gaan erheen. Hij verwelkomt ons hartelijk en lijkt ons te herkennen van vorig jaar. We reppen met geen woord over het gebeuren van vorig jaar en hij is een en al Italiaanse vrolijkheid en gastvrijheid.
We delen onze tafel met een groep mannen van middelbare leeftijd uit Rotterdam Zuid, die elkaar kennen van de hockey. Ze gaan met kapitein Eric, die we kennen uit Linton Bay, als crew mee door het Panama kanaal. Aan tafel ontstaat een herkenbaar Rotterdam Zuid sfeertje, de manier van praten, de accenten, de plekken waar we uitgingen, de scholen die we bezochten. Kleine wereld: eten bij een Italiaan in tropisch Panama met een gezelschap uit Rotterdam Zuid. Ech wel tof!
Na een dag of drie in Portobelo, waar we
inkopen doen,
de kerk met de zwarte Jezus bezoeken, de forten bekijken en een kanotocht maken, trekken we verder naar de rivier de Chagres.
Het is ongeveer acht uur varen. In de nabijheid van het Panamakanaal zigzaggen we tussen de gigantische zeeschepen door. Veel schepen liggen voor anker, maar niet allemaal, sommige gaan de zee op en andere varen juist richting kanaal. Het is goed opletten geblazen met ons minuscule bootje tussen deze giganten.
Als we de mammoettankers en reuze containerschepen achter ons hebben gelaten gaan we op zoek naar de monding van de rivier de Chagres. Het is een smalle doorgang, nog smaller dankzij de ondiepten aan weerskanten. Eric staat achter het stuurwiel en vaart op de kaart. Ik sta als extra hulp op de boeg, kijk links, rechts en vooruit in het heldere water om de smalle doorgang te vinden. Dan ineens belanden we in de totale serene rust van de rivier. Wat is dit een mooie plek!
De rivier baant zich een weg door het regenwoud, met gigantische bomen aan weerszijden. We horen en zien de brulapen in de bomen, gekleurde vogels vliegen af en aan. ’s Avonds als we met een zaklamp naar de oevers schijnen zien we meerdere paren ogen van krokodillen oplichten. Als je lang kijkt zie je ze knipogen.
De volgende ochtend zien we krokodillen zwemmen langs de oever, we besluiten toch maar niet te zwemmen in deze rivier. Zelfs een tochtje met Billy langs de oevers vind ik behoorlijk spannend.
Krokodillen en slangen jagen mij het meeste angst aan. Dan op de dag van vertrek worden wij verrast. Eric is de vloer aan het vegen en denkt een stuk touw te zien liggen, het touw kronkelt en blijkt een slang. Het is een mooi gekleurde, dunne slang van ongeveer een meter. Geen idee hoe dit dier aan boord is gekomen. Eric weet hem te vangen, kiepert hem overboord en hij zwemt snel en kronkelend richting oever.
We varen verder en verblijven 3 dagen in de baai van het vrijwel onbewoonde eiland Veraguas.
Het is een prachtig eiland met een grillige kustlijn. We maken een tochtje met Billy de bijboot. Overal zijn inhammetjes en piepkleine rotseilandjes met soms maar één boom erop. Je kan er heerlijk snorkelen. We zien een paar hutjes aan de andere kant van het eiland.
In de baai liggen we helemaal alleen en krijgen we een paar keer bezoek van twee jongens van een jaar of 13,14. We kopen kreeft, vis en conch of zeeslakken van ze. Ze zijn een beetje verlegen, maar ook erg nieuwsgierig naar ons en naar de boot.
De enorme zeeslakken zien er niet appetijtelijk uit, maar ik zoek een recept op en we maken er een lekker stoofpotje van.
We varen door naar de Bocas, het wordt een saaie lange tocht op de motor. We hebben, geheel volgens de normale patronen wind en stroom tegen. Gelukkig waait het niet al te hard en doet de motor het prima. We gooien net als vorig jaar ons anker uit in de baai van Bastimentos, een mooi wild begroeid eiland, met een leuk dorpje en een paar grote stranden. Met happy hour doen we een drankje in een hostel aan de waterkant en raken we aan de praat met een bijzonder stel uit Canada.
Hij is opgegroeid in Jamaica uit Chinese ouders. Zij en haar familie waren Vietnamese bootvluchtelingen. Ze was twaalf jaar toen ze in Canada aankwam. Ze vertellen over hun achtergrond en hoe fijn het is om in Canada te leven en ook hoe dankbaar ze daarvoor zijn. Wat een bijzondere ontmoeting toch weer en we constateren dat er op de wereld toch genoeg, fijne, positieve mensen zijn.
We verkennen de ander eilanden van Bocas del Toro en ik maak elke ochtend een flinke wandeling rond het eilandje Carinero. Ik werk een paar ochtenden per week online. Dan geef ik Nederlandse les. Eric heeft een contract bij een uitgeverij en werkt aan een boek. We zijn echte grey, digital nomads. Het is een easy life, alles gaat lekker. Dan in een fractie van een seconde verandert het ‘easy life’ gevoel. We liggen weer in de baai van Bastiamentos en ik ga alleen naar de wal en wandel zoals gewoonlijk naar de andere kant van het eiland naar Wizzard beach, waar ik een stuk de jungle inloop.
Er is verder niemand en een onheilspellend gevoel bekruipt me. Ik voel me vreemd en angstig, alsof iemand me observeert. De rillingen lopen over mijn rug en ik loop snel terug naar het strand en ga op een houten bankje met mijn gezicht richting zee, de laatste bladzijden van mijn spannende boek uitlezen. Plotseling grijpt een man gekleed in een hoodie, mijn rugzakje, die naast mij staat en verdwijnt vliegensvlug in de jungle. Het heeft geen zin om hem achterna te rennen en het enige wat ik kan doen is schreeuwen. En dat doe ik, zo hard heb ik nooit geschreeuwd; mijn longen uit mijn lijf. Een paar honderd meter verderop zie ik twee meisjes verschrikt opkijken en ik loop naar ze toe. Het zijn Duitse meisjes en ze horen mijn verhaal aan. Ze zijn heel lief en meelevend en bieden aan met me mee terug te lopen naar de andere kant van het eiland.
Ze gaan met een watertaxi naar een ander eiland en zetten mij af op onze boot. Eric schrikt van mijn verhaal en we gaan die middag aangifte doen bij de politie. Het belangrijkste dat in de tas zat, was mijn mobiel, daarnaast wat geld, kleding en strandspullen. Wat een gemis, geen mobiel, dan realiseer je je hoe afhankelijk je bent van zo’n ding. Het kost me weken om alles weer terug te vinden met wachtwoorden, inlogcodes etc. etc. De dief krijgt hooguit een tientje voor de gejatte mobiel, maar wat een verzoeking is het om alles terug op mijn mobiel te krijgen. Ik neem me voor simpeler te gaan leven wat betreft mobiel gebruik.
Gelukkig hebben we onze paspoorten nog, want eind maart gaan we op vakantie naar Colombia. We gaan voor de leuk, maar ook omdat ons Panamese visum moet worden vernieuwd. We vliegen vanaf het piepkleine vliegveld van Bocas. We moeten wachten in de vertrekhal omdat de president van Colombia na een bezoek aan Bocas terug naar Colombia vliegt. We zien vanuit de vertrekhal hoe er een kleine ceremonie plaatsvindt en veiligheidsagenten de boel in de gaten houden. Dan vliegt het presidentiële vliegtuig weg en zijn wij aan de beurt. Het is tamelijk spectaculair om te vliegen met zo’n klein toestel.
Op de terugweg vliegen we zelfs vlak boven de haven van Carinero en zien we Catherine vanuit de lucht.
We vliegen naar Medellín, bekend van drugsbaron Pablo Escobar. In de hoogtijdagen van Escobar was het een no go area. Na de ondergang van zijn drugskartel heeft de stad een enorme ontwikkeling doorgemaakt en is het prima vertoeven. Eerst zitten we in een hotel in de mooie, groene wijk Poblada, waar je overal gezellig barretje en restaurantjes vindt. Het is erg gezellig hier en we verbazen ons over de mooi aangelegde en onderhouden parkjes en plantsoenen met grote planten die we herkennen als kamerplanen in Nederland. Medellín heeft een aangenaam klimaat met een constante 24 graden. Dan verblijven we nog een paar dagen in een groot hotel pal in het centrum van Medellin.
We bezoeken het museum van Botero, de meest populaire kunstenaar van Zuid Amerika. Ik vind zijn kunstwerken heel leuk, beelden en schilderijen van dieren en mensen met merkwaardige verhoudingen: een groot dik lichaam met kleine voeten en handen en een rond hoofd met een piepklein gezichtje.
Op het plein voor het museum staan Botero’s beelden, die je kunt bekijken. Op en rond dit plein zie je een bonte verzameling aan mensen: prostitués, traverstieten, zwervers en andere mensen die aan de zelfkant leven.
Om de stad te verbeteren zijn er metro’s, kabelbanen en roltrappen aangelegd, die de stad verbinden met de op de heuvels gebouwde wijken. 
We bezoeken de wijk Comuna 13, die voorheen beschouwd werd als de gevaarlijkste wijk van de wereld. Dankzij de aanleg van de metro en veel sociale investeringen is het een leuke wijk om te bezoeken. Je gaat de steile bergen in met roltrappen en dwaalt rond in de smalle straten met overal kleurige graffiti. Het bruist en de snoeiharde muziek galmt in je oren.
We zijn ook met een kabelbaan de bergen ingegaan, waar je de stad achter je laat en plotseling wandelt in de jungle. We vinden Medellin erg bijzonder. Overal zijn aandenkens aan het verleden: indrukwekkende monumenten voor mensen die omgekomen zijn door het geweld, musea die de geschiedenis vertellen. Mensen gaan vooruit, zijn veerkrachtig en hebben deze stad opgebouwd tot een interessante, kleurrijke stad. Een bezoek aan het Escobar museum slaan we af als de gastvrouw van het museum vertelt dat een neef van Escobar zijn in beslaggenomen bezittingen op veilingen opkoopt en in het museum tentoonstelt. Je kunt er de auto’s zien waarin hij rondreed, zijn meubels, kleding en andere bezittingen. De cultus rondom Escobar is nog niet verdwenen. Er zijn nog altijd Colombianen die hem vereren. Het museum wordt niet gesubsidieerd door de overheid en is dus particulier bezit.
We hebben nog tien dagen. We huren een auto en maken een rondtrip in het gebied tussen de steden, Medellin, Cali en Bogota. Ik kan niet anders zeggen dan dat het landschap adembenemend is. We maken lange wandeltochten en bezoeken kleurige stadjes.
Het is prettig vertoeven hier, de mensen zijn aardig en het eten is heerlijk. Kennis van Spaans is zeker handig, want de mensen spreken geen Engels. Ook hier komen we herinneringen aan Escobar tegen. In een hotel staat op een altaartje naast Maria en de bijbel, een beeldje van Escobar.
We begrijpen dat de meningen over Escobar zoveel jaar later nog steeds zijn verdeeld.
Na deze vakantie in een vakantie hebben we weer zin om terug te gaan naar de boot. Zelf weer lekker eten maken en slapen in ons eigen bewegende bed. Een goed teken eigenlijk, Catherine voelt als thuis, ze is ons thuis.
Karin



Vandaag is de grote dag, we gaan eindelijk na vijf weken op de kant, het water in. Snel werken we ons ontbijt naar binnen en gaan de trap af. Er moet nog antifouling op de plekken waar de stutten stonden. Hier in Panamarina werken ze met een tractor die een grote oplegger voortduwt die de boot het water inrijdt. Dat werkt prima, maar zwaardere boten kunnen hier niet terecht, die moeten uitwijken naar de marina van Linton een stukje verderop. Het is altijd weer spannend, de tewaterlating van je boot. Catherine glimt als een spiegeltje, dat wel! Maar zijn alle klussen goed gedaan? Zal de motor starten? Komt er geen water binnen?
Eric klimt op de boot voordat ze het water in glijdt. De boot ligt in het water, maar er zit nog geen beweging in. ‘Problemas?’, vraag ik aan de chauffeur van de tractor. ‘Un poco aqua’, antwoordt deze. ‘Oei bij de schroefas?’, vraag ik gebarend. ‘Si’ zegt hij. Ik zie Jean Paul, de baas van de werf, terugkomen van Cath met een dinghy waarna hij op zijn vouwfietsje naar de werkplaats snelt en terugkomt met een paar grote tangen. Het probleem is gelukkig snel opgelost. Na een minuut of tien vaart Catherine weg.
Ik ga naar de dinghysteiger, start Billy en vaar naar Catherine. De mannen van de werf hebben Catherine al vastgeknoopt aan vier bolletjes en ze gaan er weer vandoor.
Het schroefaslager was versleten en moest worden vervangen. Een interessante en pittige klus waar Eric twee weken mee bezig is geweest en zelfs een artikel in Zeilen magazine aan gaat wijden. Er moesten nieuwe accu’s worden geïnstalleerd, nieuwe zonnepanelen gemonteerd en aangesloten en het elektrische systeem moest worden aangepast en vernieuwd. Eric, die bijna alles zelf doet, heeft voor de aansluitingen een elektricien ingehuurd om er zeker van te zijn dat alles goed en veilig gebeurt. Verder moest er een eindeloze lijst met kleinere zaken worden afgewerkt waarbij Eric zich vaak in de meest bizarre bochten moest wringen om ergens bij te kunnen.
We showen onze achtertuin en zwemmen de stroomversnelling af. Melissa en Erin kennen dit prachtige landschap vanuit de VS, ze zijn ermee opgegroeid in de Florida Keys. Toch vinden ze het fantastisch en zijn enorm blij weg te zijn uit de VS. Ze verafschuwen Trump en zijn zeer teleurgesteld in hun landgenoten die deze malloot in het zadel hebben gehesen.
Het zijn de begindagen van Trump als president en we vallen van de ene verbazing in de andere. Panama is ook onderdeel van Trump’s plannen. Hij wil het Panama kanaal terug! We vinden het eng en verontrustend.
Ze kennen naast ons ook nog een ander stel hier: de Franse Sandrine en Luc. Het is erg gezellig met al die Fransen. De marina is ook in Franse handen en we kunnen hier meer Frans dan Spaans oefenen. Het restaurant van de marina serveert heel goed eten.
We ontmoeten ook meerdere keren Akko en Liza van Chocktow en Caroline en Henk van Pandion.
Ze zoeken ons op in Panamarina of wij gaan langs bij hen in de marina van Linton bay. We kennen ze van vorige reizen en hebben elkaar op meerdere eilanden in de Caraïben ontmoet. Na afloop van een klusdag is het goed borrelen en altijd zijn er wel mensen in de stemming voor één of meerdere biertjes.
Het was een hele toer om die spullen hier te krijgen, de verzending heeft meer dan drie maanden geduurd. Maar eindelijk is het dan zover. Lekker eilandhoppen in Bocas del Toro. We hebben er zin in!







Morgen zien we wel verder. Ik stort in een diepe slaap en word de volgende dag gewekt door het gebrul van de apen. We nemen de schade op aan de boot en constateren dat het meevalt. Flink poetsen en organiseren is wat ons te wachten staat. We gaan gewoon door met klussen alsof we niet net een afstand van 9000 kilometer hebben afgelegd.
Na een probleemloze reis betrekken we ons onderkomen in Costa Rica. We hebben een lieflijk huisje in het bos nabij Cahuite gehuurd. Prachtig, midden in tropisch woud en tussen brulapen, maar afgelegen aan een onverharde weg zonder vervoer. Dat was misschien toch niet zo’n handige boeking van me, maar als zeilers zijn we gewend om met alle privacy in een baai ons eigen leventje te leiden, dus een lawaaierig kamertje in een drukke guesthouse zagen we niet zitten. De wandeling naar de ingang van het nationale park duurt al een uur en dan begint de route pas. Maar we zijn fitgetraind door de yogaklas in Turtle Cay en de talloze eerdere wandelingen, dus we zijn er klaar voor! We ronden het park, een kleine kaap in de Caribische Zee. De wandeling gaat eerst over een steiger door bos boven drassig land, dan langs de waterlijn. Rond het middaguur ploffen we neer op wit zand en zakken na de meegenomen lunch vredig weg in de droomwereld van een kort dutje.
Als we weer wandelen komen we er meer tegen en zien we ook talloze aapjes die ook duidelijk gewend zijn aan de frequente bezoekers van dit park. Tientallen toeristen, die allemaal een ‘unieke’ natuurvakantie in ecologisch paradijs Costa Rica willen ervaren. We realiseren ons dat we twee van de velen zijn.
Begrijpelijk en onontkoombaar, maar na een paar dagen Costa Rica missen we een avontuurlijk gevoel. Bovendien missen we onze knusse Catherine. Eerdere plannen om het binnenland in te trekken laten we varen. We boeken de terugreis naar Panama en zitten na vier dagen met een fris visum weer gezellig in de kuip van Catherine.
Pling! Een appje van Sylvie en Patrick, onze vrienden uit Turtle Cay. ‘We zijn over een half uurtje bij jullie!’ Hun fraaie catamaran Croix du Sud knopen we vast aan de steiger, we praten bij, ze moeten wat praktische dingetjes doen en daarna maken we een wandeling op het eiland Carenero. Dit is zo’n fijn stel! Deze korte wandeling vinden ze al prachtig en dankbaar dat ze zijn dat we ze het eiland laten zien! Ze zijn al tig jaar samen en nog steeds gaan ze met elkaar alsof ze twintigers zijn.
Het ‘Mon cheri!’ werkt aanstekelijk en Karin en ik kijken elkaar opnieuw in de ogen. Reizen, mensen ontmoeten, het houdt ons een spiegel voor. Die avond lopen we met zijn vieren door de straten van Bocas Town, na enkele cocktails tijdens Happy Hour. Het is gezellig hier!
We hebben het anker amper gezet of daar komt een bootje met heel veel pk’s aangesjeesd. In ons vorige blog schreven we over Jeroen en Danielle, een Nederlands stel dat op Isla Solarte een resort bouwt. Danielle is jarig, ze komen ons ophalen voor een beach party. We checken of het anker goed is ingegraven en dan stappen we aan boord bij het hippe gezelschap. Ongelofelijk leuke frisse aardige slimme vrolijke kleurrijke jonge mensen uit allerlei landen, waar we als oudjes opeens helemaal bij horen, want met een zeilboot de oceaan oversteken is natuurlijk supercool! De Red Frog Beach Club aan het prachtige Red Frog strand is de perfecte loungeplek voor een landerige middag. De rustigste vrouw van het clubje pakt haar ukelele, zingt, ik trommel en tweede-stem wat mee, de muziek verbroedert, we zingen, lachen en hebben kletspraatjes en diepere gesprekken. Het wordt een heerlijke middag met mensen die we een paar uur terug nog niet kenden. Het verbaast ons keer op keer hoe snel je vrienden maakt en ergens thuis kunt voelen!
We gaan ankerop, een half uur varen naar het volgende kommetje: Bahia Honda, hier loopt Hospital Bight dood. Lagen er in de vorige kom drie zeilboten, hier is niemand. Nog meer mangroven met daarachter tropisch woud. Als ik het anker laat zakken roept Karin: ‘dolfijnen!’ Terwijl ik bezig ben met de ankerketting, zwemmen de dolfijnen rond de boot! Prachtig.
We liggen er een dag voor anker als we besluiten aan te meren bij het piepkleine Agua Dulce Marina. Maar dan: ‘pling!’ Sylvie en Patrick appen dat ze onderweg zijn. Daar zien we hun mast al boven het gebladerte naderen. Ze ankeren naast ons en na een uitleg van onze plannen gaan ze mee naar Agua Dulce, een paar honderd meter verderop, om vandaaruit met de rugzak af te reizen naar Boquete in de bergen van Panama. Leuk!
Eerst maar eens inchecken bij de marina, niet meer dan een steigertje met plek voor hooguit zes boten. We maken een praatje met de eigenaar, hij stopt ons een bier in de handen, nog een biertje, heel gezellig, zijn vrouw komt erbij, bijzonder vriendelijk allemaal. Totdat het opeens gaat over de volksaard van volkeren buiten Europa en de man met nadruk zegt: ‘I am a racist’. Waarna hij in een monoloog vol racistische clichés zijn overtuiging opdringt. Karin valt stil. Ik waag een poging de tegenstrijdigheden in zijn verhaal duidelijk te maken, maar hij herhaalt: ‘I am a racist’. Zijn vrouw kijkt beduusd. Het was even gezellig, ze zit hier vrij eenzaam tussen de mangroven, ze is blij dat er weer eens leuke gasten zijn – er was verder niemand – waarmee ze fijn kan praten en dan verpest hij de sfeer met z’n verwerpelijke opvattingen. We laten het erbij.
De volgende dag zitten we weer in dezelfde raketboot naar Almirantes en pakken vandaaruit de minibus naar Boquete. We kronkelen de bergen in, het klimaat verandert, veel regen, de temperatuur daalt. ‘It’s so beautiful over there!’ had onze opstapper Laiba (vorige blog) ons beloofd, en ze heeft gelijk. Als we uitstappen in Boquete ruiken we de gezonde berg- en boslucht, de latino’s zien er anders uit, provinciaals, en we zien ruiters op paarden.
De inheemse mensen zijn kleurrijk, maar het is een ander volk dan de Guna’s van San Blas. We betrekken het door Jeroen en Danielle aanbevolen hotel en ’s avonds zitten we gezellig te eten met Sylvie en Patrick.
We maken een plan voor de komende dagen: wandelingen door het bos naar watervallen en ’s avonds relaxen met een wijntje en gezellig ouwehoeren.
Na vier dagen in de bergen zijn we terug op onze boten. Het verblijf bij de racist voelt ongemakkelijk dus we vertrekken de volgende dag. Op de kaart, vlakbij, hebben we een smalle en ondiepe doorgang ontdekt tussen Isla Bastimentos, het grootste eiland van de Bocas, en Isla Solarte, waar Jeroen en Danielle hun resort bouwen. We tuffen er eerst met de bijboot van Croix du Sud doorheen, doen op de ondiepste plekken peilingen en concluderen dan dat het wel goed zit: ondiepste plek is drie meter, terwijl wij anderhalf steken.
We zijn voorzichtig en ook beetje nerveus, bekennen we aan Sylvie en Patrick, gezien onze ervaring bij Sint Maarten. Daarover pratend komen ook zij met minder leuke ervaringen tijdens de reis. Ze hebben behoorlijk wat pech en schade gehad, maar ook geluk, want alles is steeds goed afgelopen: rompschade in een jachthaven, verkeerd uitgevoerde reparaties, gebroken tuigage (net als wij op onze oceaanoversteek). Ze hebben twee keer problemen gehad met orca’s. Dat liep maar net goed af: de eerste keer werden ze door schade aan de roeren onbestuurbaar en kwam de kustwacht te hulp. Een paar maanden later werden ze opnieuw aangevallen. Toen startte Patrick de motor en tegen alle gangbare adviezen in gaf hij vol gas en bleven de orca’s op afstand. Met andere woorden, met alles wat fout kan gaan begrijpen we elkaars onzekerheden en voorzichtigheid.
Dankzij de peilingen gaan we zonder vrees de fraaie doorgang in. Aan het eind is het slingeren tussen de ondieptes en over de baai uitgestrooide mangroveneilandjes, maar dan naderen we onze volgende ankerplaats: een paradijselijk stille plek met louter mangroven en water als een tafellaken zo glad. Een magische ankerplaats!

We besluiten nog één dag naar een volgende baai te gaan, een uur varen op de motor. Daar liggen we in de volgende prachtbaai, helemaal alleen, tussen mangroven, roofvogels cirkelen hoog in de lucht, af en toe vaart er een bootje langs van het nabijgelegen wetenschappelijk onderzoekscentrum. Hier en daar liggen boeitjes: hier onderzoeken biologen de groei van koralen. Verder is het de zoveelste schitterende ankerplaats. Vervelen gaat dit nooit, we blijven ons verwonderen over hoe mooi het hier is. Panama heeft ons echt verrast!
De laatste week willen we doorbrengen in de San Blas. Nog even genieten van de palmbomen, witte stranden, de gastvrijheid van Ibin’s restaurant, temidden Guna’s en hun cultuur. De tocht erheen is niet prettig. De eerste dag gaat nog wel, maar daarna valt de wind weg. Motoren is lastig met onze versleten schroefaslager. Af en toe horen we zorgelijke geluiden, ik draai zo weinig mogelijk toeren. Ander probleem: de accu’s zijn compleet naar z’n grootje. Overdag gaat het nog wel, met de energie van de zon, maar in de nacht lopen de accu’s snel leeg en is het behelpen. De startaccu is oké en die moet na zonsondergang bijspringen om de navigatieapparatuur werkend te houden. De tweede dag, als we half zeilend, half motorend tussen ondieptes laveren, verschijnt er een waarschuwing op het scherm en gaat het AIS-alarm af. Ramkoers! We naderen een zeilboot die ons bekend voorkomt. Huh? Ik check de AIS en ja hoor: Liza en Akko van Choktow, die we hebben leren kennen op Trinidad en voor het laatst op Curaçao hebben gezien. Wat een toeval! We kletsen wat over de marifoon en wensen hen een behouden vaart met de wind mee, terwijl wij verder aanmodderen tegen de wind in en met een gemankeerde aandrijving. Het is ‘schipperen’, maar aan het eind van de dag gaan we gelukkig voor anker bij Banedup.
Uit eten bij Ibin, luieren, lezen, zwemmen, relaxen. Ibin is bezig z’n restaurant uit te breiden, hopelijk voor hem wordt het een succes. Met zijn restaurant helpt hij familie aan werk en inkomen. Ook besteedt hij een deel van de winst aan kinderen en de school in Carti, het belangrijkste plaatsje in San Blas. Ibin is echt een goeie vent.

Dan is het zover: we gaan naar Linton, naar de werf Panamarina waar Catherine op de kant gaat. We gaan ankerop en varen de baai uit. Dan maakt de as alarmerende geluiden. Brrr. Als de ondieptes achter ons liggen zetten we de motor uit en ik spring in het water. Toch zie ik niks. Ik vermoed dat de as soms in een eigentrilling terecht komt binnen het uitgesleten lager. Als we weer varen speel ik wat met het toerental en lijk ik daarmee te kunnen voorkomen dat de schroefas in trilling raakt. Maar ik zie enorm op tegen het komende etmaal. Trok de wind maar een beetje aan, dan kunnen we zeilen en kan de motor uit…
Bij het verlaten van San Blas eilanden proberen we het met 7 knopen wind. Maar laverend tegen de wind in, en wat stroom tegen komen we na twee slagen op hetzelfde punt uit. Motor aan. Weer dat alarmerende geluid. Spelen met het toerental. Komt dit wel goed? De knoop in mijn buik verraadt dat ik me grote zorgen maak. ‘Kunnen we niet beter terug gaan naar Banedup?’, oppert Karin. ‘Nee, want daar kunnen we niks en zijn we verder van huis.
De boot moet gewoon op de kant voor reparatie en dat kan in Panamarina bij Linton Bay. Het beste is door te varen en hopen dat de wind zoals voorspeld aantrekt.’ Mijn gebeden worden verhoord. Daar is een briesje, we kabbelen hoog aan de wind parallel aan de kust met een slakkegangetje: 2,5 á 3 knopen. Maakt me niet uit, we zeilen! Dan valt de wind weer weg, motor aan, het rotgeluid gaat bij mij door merg en been, gelukkig is er weer wat wind, motor uit, en zo naderen we langzaam ons doel. Het is vroeg in de nacht, de wind trekt opeens behoorlijk aan, als we Linton Bay naderen. Donkere wolken en een frisse wind kondigen aan dat er noodweer aankomt. We moeten nog een uurtje als het losbarst. Het giet en het is pikkedonker. Maar we zijn er bijna, dus het maakt ons niet uit! We varen om Isla Grande heen, letten heel goed op want er zijn hier meerdere rotspunten die onverlicht uit zee steken. We kennen de baai van vorige keer, dus we weten ook dat er middenin de baai een grote onverlichte roestbak voor anker ligt. Daar doemt die al op, met daar achter tientallen ankerlampjes van zeilboten. Als de diepte afneemt tot een meter of vijftien, achter de roestbak, laten we het anker zakken. Die houdt gelijk, we liggen stil en zijn doorweekt, maar we zijn er!
Daar liggen we een paar dagen aan een bolletje in een kom midden in het mangrovenbos. Wat een geweldige plek is dit! Ook zien we onze vrienden Kirsten en Norbert van Odine, zie ons vorige blog, het voelt als thuiskomen. 
Dan is de dag aangebroken dat Catherine op de kant gaat. Het gaat allemaal routineus en professioneel. Eenmaal op de kant, naast Odine, maken we ons klaar voor vertrek naar Nederland.
Wat een fantastisch half jaar is dit geweest. Panama heeft ons enorm verrast. Wat een mooi land, een bijzondere cultuur en natuurlijk het Panama kanaal. Terwijl ik dit schrijf giert de wind om ons huis in Rotterdam, de regen klettert tegen de ramen. Karin en ik hebben ons leventje weer helemaal opgepakt, met werk, vrienden en familie, alsof we nooit zijn weggeweest. Maar af en toe kijken we elkaar aan en zeggen dingen als: ‘Ik heb nu al zin in de Pacific!’ of: ‘Wat een rijk leven hebben we toch!’ of: ‘Wat een heerlijk vooruitzicht dat we over een half jaar weer zeilen!’









Het is al weken onrustig voor de kust van Colombia, bij de beruchte kaap van Baranquilla. Daar moeten we omheen als we, vanuit Curaçao, Santa Marta of Cartagena willen aandoen. Meer smaken zijn er niet aan de noordkust van Colombia. Andere zeilers in de haven, die naar Panama gaan, kijken ook dagelijks naar de voorspellingen, in afwachting van een weer- en windgaatje. Ook zij vrezen Baranquilla. Achter die kaap reist Pico Cristobal vanaf de kust omhoog naar meer dan 5000 meter, met val- en rukwinden tot gevolg die ver in de Caribische Zee de zeilers lastigvallen. Want het is algemeen bekend dat het daar altijd 10 knopen harder waait dan de voorspellingen. 30 knopen is nog te doen, maar als je 40 kan verwachten dan rest maar een optie: wachten. 40 kan immers zomaar 50 zijn en dat is zware storm met metershoge golven. Nee dank u!
En als het maar hard blijft waaien bij Baranquilla, week na week, puilt de haven van Curaçao Marine Zone aan het Schottegat behoorlijk uit. Alle boxen zijn bezet, de aanlegsteigers voor passanten ook en daar liggen boten soms dubbel in het kleine haventje.
Karin, Liselot en ik houden een beraadslaging. Liselot’s tijd is beperkt, ze wordt knorrig van het wachten, en San Blas in Panama wil zij sowieso zien. Panama én Colombia aandoen is niet realistisch meer. We besluiten Colombia over te slaan en bij een windgat direct naar Panama te zeilen. In
de tussentijd hebben we het ontzettend fijn in Curaçao. Deze ‘rots der struikeling’, zoals mijn geliefde auteur wijlen
cruiseschepen, vervuiling, armoede, corruptie enz), maar roemen de fijne dingen. Vriendelijke vrolijke mensen. Dushi! Snorkelen! Fijne terrassen aan zee. We doen een opfris-duikcursus en duiken daarna een paar keer. De Christoffelberg beklimmen. De 
Tafelberg idem. Wandelen bij Sint Jorisbaai terwijl Liselot met haar kite over de baai scheert. En ’s avonds een biertje op de boot, in een bar of onder de palapa in de haven.
Karin maakt vrijwel dagelijks lange ochtendwandelingen in Willemstad, terwijl ik het gevecht aanga met die eeuwige kluslijst. Nieuwe gasleiding: ik heb acht winkels bezocht eer ik de juiste koppelstukjes heb gevonden.
Dieselonderhoud, alle filters had ik in meervoud meegenomen uit Nederland. Windvaan smeren, kapot zonnepaneel vervangen, haperende navigatie-instrumenten aan de gang krijgen, navigatieverlichting repareren. Alles wat draait of scharniert toont kwaaltjes of piept op z’n minst, want het fijne stof in de lucht zit in alle lagers en kieren. Om die reden heb ik de windmolen niet gefixeerd tijdens onze afwezigheid, al
Na een laatste barbecue op de werf nemen we afscheid van de achterblijvende boten. Het was zó gezellig daar! Ik start de motor, vele hulpvaardige handen helpen ons de krappe box uit. Zwaaien, toeteren, het gaat jullie goed! Achter ons gooien ook Sabali en Coral Moon van onze vrienden Mark en Donna de trossen los. Morgen volgen Kujira en Rare Breed. Bestemming: San Blas, Panama. We tuffen met z’n drieën onder de hoge Julianabrug door, waar we met Liselot’s auto zo vaak overheen zijn gereden. Stuurboord ligt Otrabanda, bakboord
Punda, als de motor van de Pondjesbrug wordt opgestart en de drijvende brug voor ons open scharniert. Erachter, in de monding van de baai, klotst het. Gedrieën leggen we onszelf op zee in de wind en hijsen de zeilen. Dan zeilen we voor de wind en een paar uur later ankeren we alweer in de baai van Santa Krus. 
We gaan nog even snorkelen en in het water wensen de drie boten elkaar een behouden vaart naar Panama. Morgenochtend beginnen we van hieruit onze vier- a vijfdaagse tocht naar San Blas: ongeveer 700 zeemijlen, 1300 kilometer. We gaan er even goed voor zitten!
Dan zijn we alleen op de Caribische Zee, geen vrienden om ons heen, de komende dagen staan Karin, Liselot en ik er alleen voor. De tweede dag vallen we terug tot onze reguliere vaart: 5,5 a 6 knopen. Het is prachtig zeilweer, de sfeer is ontspannen. We hebben voor drie dagen vooruit gekookt en de pasta bolognese, risotto funghi en pompoensoep is diepgevroren in de vriezer op de werf. ‘Wat zullen we eten?’ is het favoriete gespreksonderwerp, gevolgd door een beoordeling van de maaltijd, die telkens positief uitpakt: ‘Mmm het was heerlijk!’ Gevolgd door een verbeterpuntje: ‘Volgende keer iets meer champignons’. Zo ontspannen kan zeezeilen zijn. Ook de derde dag gaat het op z’n boerenfluitjes met zo’n 15 a 20 knopen wind, 4 á 5 Beaufort, de goede kant op.
Wel zien we een paar keer enorme boomstammen en stronken drijven, afkomstig uit het Colombiaanse regenwoud, meegesleurd door de brede Rio Magdalena bij Baranquilla. We hebben geluk nodig om daar niet tegen aan de varen. Vooral ’s nachts. Tijdens mijn wacht, vroeg in de derde nacht, zie ik aan bakboord de weerlichten die vanachter de horizon de bewolking verlicht. Blij dat we daar niet zijn.

Later, tijdens mijn wacht en daarna die van Liselot, blaast de wind met 25-30 knopen, uitschieters daarboven. 7 Beaufort. Als het licht wordt kijken Liselot en ik bij de wisseling van de wacht naar de zee: chaos. Golven van alle kanten, ze klotsen tegen elkaar op, ze lijken tegen elkaar op te bieden; ik ben lekker hoger dan jij! En hoog zijn ze. Karin schat ze op vijf meter, ik hou het op vier, maar het voelt als zes. Als Catherine in een golfdal ligt, kijken we omhoog tegen de watermassa aan. Indrukwekkend ja, dit hebben we de laatste keer meegemaakt in 2019, toen we vanuit Lissabon naar Porto Santo
Overdag blijft het flink waaien en de zee blijft irritant onregelmatig en hoog. Weer een boomstronk, op enkele tientallen meters afstand. Dan maakt Catherine opeens een zwieper, we houden ons vast. Al snel pakt Catherine de draad weer op. Later kwakt er een enorme plens water tegen de buiskap: waar kwam die golf opeens vandaan? Af en toe wordt Catherine opgetild door een heel steile golf; dan weet ik dat vlak erna, als het water onder de boot wegrolt, ze de grip op het water verliest, alsof ze los komt, flink helling maakt, oploeft en even van haar koers afwijkt. En zo werken we ons de hele dag in deze zware zee naar San Blas, wetend dat bij aankomst de volgende uitdaging wacht. Want we komen ’s nachts aan in een met riffen en ondieptes vergeven gebied. Of we moeten zes uur bijliggen, vertragen en de volgende ochtend aankomen, maar we zijn eensgezind: nee. We zetten koers naar Hollandes Cays, een plukje eilanden, buitenpost van San Blas. Ja, onze maritieme geschiedenis, gevoed door de ooit bejubelde VOC-mentaliteit, achtervolgt ons met argwaan, want wat zullen onze zeevarende voorvaderen hier nou weer hebben uitgespookt? Waar elders in de Cariben de inheemse bevolking zowat is uitgeroeid na komst van westerlingen, is in de San Blas de inheemse Guna-bevolking gelukkig alive and kicking en zijn ze zelfs semi-autonoom: Guna Yala noemen ze hun gebied.
We hebben de kaarten bestudeerd, zowel digitaal als van papier, de koers uitgezet, taken verdeeld. 22.00 uur: land in zicht, middels een paar flauwe lichtjes tegen de zwarte achtergrond. Waarschijnlijk ankerverlichting van een paar jachten. Onwaarschijnlijker zijn het lampjes van huizen, want Guna’s leven in hutten, er is op de buiteneilanden geen elektriciteit, behalve wat stroom via zonnepanelen. We proberen de lichtjes te vertalen naar de kaart: ‘Het moeten ankerlichten zijn’, zegt Liselot, zelf een bijzonder helder licht, gedecideerd, nadat ze een peiling heeft genomen. Dan komt de zeebodem omhoog, van pakweg 2 kilometer naar 1500, 1000, naar 200 meter. De golfslag verandert, ik hield rekening met een nog wildere zee, maar het wordt juist gelijkmatiger. We ontkoppelen windvaan Arie en Liselot gaat sturen. Dan is het 50 meter diep en ligt volgens de kaart het eerste eiland aan stuurboord, maar we zien het niet. Of toch, daar, een vage contour. Alle navigatie gaat via de kaart, want oriënteren op zicht is er niet bij. Te donker en bovendien zijn de gevaarlijkste riffen onder water. We koersen om de ondieptes heen, die al menig schip in dit gebied naar de verdoemenis heeft geholpen. Vorige week nog, een zeiljacht bij Porvenir, iets verderop, waar we later moeten inklaren. Pats boem, op een rif, vast, lek, niet meer te redden, total loss. Geen gewonden gelukkig. Ik probeer er niet aan te denken, hou m’n hoofd bij de navigatie. Karin kan zich in de maanloze nacht niet oriënteren: ‘ik hoop dat jullie weten wat je doet.’ Hier moeten we 90 graden naar stuurboord. Na de koerswijziging varen we westwaarts en komen we in de luwte van het volgende eiland. Liselot start de motor. We leggen de boot in de wind: we strijken de zeilen, ik bind, vanzelfsprekend aangelijnd, het grootzeil op de giek. Als ik in de kuip terug ben, zie ik dat Karin ongerust is. ‘Maak je geen zorgen, we weten wat we doen.’
Liselot zet de motor in z’n achteruit en ik check of het anker zeker-weten houdt. En dat doet het. We liggen vast en veilig voor anker! Als Liselot de motor uitzet, horen we louter het geraas van de golven op het strand. Verder niets. We kijken elkaar aan: wat zijn we opgelucht! We hebben het gefixt en geven elkaar een high-five. Wat een etmaal was dit, we zijn moe, moe! Tegen middernacht oppert Liselot: ‘Ankerbiertje?’
Schudden met je buik, links rechts, omhoog omlaag, de mast zwiept heen en weer zoals de danseres met haar armen in de lucht zwaait en haar heupen draait. De ankergrond is prima, maar de onophoudelijke deining maakt dat de meeste zeilers dit bijzondere eiland mijden, of zich na een nacht hotseklotsen vermoeid weer uit de voeten maken. Wij gaan er ook vandoor, na een geweldige week in onze airbnb, zoals Karin in het vorige blog heeft beschreven.
Bij het uitchecken is de opgewekte douanier optimistisch over de kansen van Statia als zeilersbestemming: ‘Er zijn vergevorderde plannen om de haven te moderniseren. Voor de vrachtschepen, maar ook voor zeilers. Er komt een pier, waarachter de zeilschepen kunnen ankeren. De aanbesteding is afgerond en de bouw kan beginnen. Binnen twee jaar zou het klaar moeten zijn.’ Dat zou voor Statia en zeilers een geweldige ontwikkeling zijn!
Vooral ’s nachts moet je op je hoede zijn. De bak is slecht of soms zelfs helemaal niet verlicht. Als je denkt even achter de sleepboot langs te gaan knal je dus op de staalkabel. Ja, dat is echt gebeurd! Wij, voorzichtig als we zijn, houden ruim afstand.
De enige optie lijkt nu te zijn het schip schuin te leggen en een beetje te draaien. Ik weet: dit kan me mijn roer kosten. Maar misschien hebben we mazzel. We draaien de genua uit, Catherine ligt een beetje scheef, draait om het draaipunt – de kiel – en onze motor brult, alle baardmannen trekken en duwen met hun dinghies. Catherine komt zachtjes in beweging, maar dan hoor ik een angstaanjagend gekraak. Het gaat door merg en been. Ik weet: mijn roer gaat er aan. Dan zijn we los. Maar het roer zit vast, we zijn stuurloos. We worden naar een plekje gesleept, een stukje terug, vlakbij Coral Moon, en laten het anker vallen. We bedanken de mannen, die net zo snel weer weg zijn als dat ze er waren. Dan is het stil.
Karin en ik kijken elkaar met holle ogen aan. Ik verontschuldig me bij Karin: het is 100% mijn fout. Ze trilt nog na, is misschien zelfs in shock, maar weet toch een samenhangend antwoord te formuleren: ‘Jij neemt als kapitein altijd alle verantwoordelijkheid. Het gaat altijd goed. Nu gaat het een keer mis. Ik neem je niets kwalijk.’ Ikzelf wel. Ik ben doodop. Leeg. Vervloek mezelf. Zo voelt het dus als je een onomkeerbare stommiteit bent begaan. Acceptatie is de enige weg.
Mark spreekt me bemoedigend toe, terwijl Donna en Karin gezellig zitten te keuvelen. ‘It happens to everyone. Every skipper makes a stupid mistake some time. It happens to all of us.’ Het doet niets af aan mijn stommiteit – waarom wilde ik zo dicht bij het strand, waarom heb ik niet goed op de kaart gekeken, waarom was ik zo onzorgvuldig terwijl ik normaal gesproken duizend keer op de kaart kijk – maar het helpt me de situatie te accepteren. Shit happens. Je kunt niet jaren over de wereldbol zeilen zonder een fout te maken.
De ochtend erop worden we eruit getild. Peter is er dan ook. Iedereen die we spraken zei: ‘Pete, the Dutch guy, he’s your man.’ Betrouwbaar, een vakman die regelmatig dit soort schades herstelt. Catherine hangt in de riemen, de schade aan het roer is aanzienlijk. Een scheur en een verbogen buis waar het roer omheen is gebouwd: de roerkoning is als een banaan.
Gelukkig is er op het eiland een nieuwe te vinden met dezelfde diameter. Maar wat blijkt: er is een minimaal verschil, de buis is een pietsie te breed, fractie van een millimeter. Dat levert een hoop werk en vertraging op. Uiteindelijk staat het nieuwe roer onder de boot, alles past, de roerkoning glijdt in de hennegatskoker, roer vast en we kunnen het water in.
De volgende dag monteert Peter de hele stuurinrichting – kabels, kwadrant – en dan is het klaar. Catherine wordt genezen verklaard. Bedankt Peter, je bent een kanjer!
De laatste avond brengen we door bij Lagoonies, gezellig zeilers-café-restaurant, met een Amerikaans stel dat we via Peter hebben leren kennen. Het is ouderwets gezellig, de anekdotes vliegen over tafel, we lachen, drinken, laten de sores van het roer achter ons. We zijn klaar voor het vervolg van onze reis.
De brug gaat open, we zwaaien naar een toeschouwer bij de jachtclub, gaan achter de Amerikanen aan onder de brug door, zij gaan linksaf, goede reis, wij gaan rechtdoor. Zeilen omhoog, koers uitzetten, motor uit. Arie stuurt Catherine de komende 500 zeemijl (x 1,852 = 926 kilometer) naar Curaçao.
De niet-meer-volle maan is de derde nacht weer ietsje kleiner geworden, komt wat later op, maar verlicht de rest van de nacht nog steeds de zee, veelvormige wolken lichten op in het maanlicht, als abstracte sculpturen in een museum. Elke avond, tijdens de schemering, steken we een rif in het zeil, hoewel er eigenlijk geen aanleiding voor is, maar we willen ’s nachts niet verrast worden door een windvlaag of tropische bui. Tijdens de derde dag beginnen we uit te kijken naar onze aankomst in Curaçao, waar Liselot op ons wacht. Wat een mooi vooruitzicht om haar daar te zien! Tijdens de vierde nacht krijgen we Bonaire in beeld en belanden in drukker vaarwater. Een groot containerschip komt recht op ons af. We liggen op ramkoers.
Volgens de reglementen moet hij voor ons wijken, maar lijkt dat niet van plan: de groene en rode boordlichten zijn beide te zien, en liggen steeds een beetje verder uit elkaar, wat betekent dat het schip snel dichterbij komt, wat wordt bevestigd door het ais dat al een tijdje het alarm doet afgaan. Via de marifoon roep ik het schip op. Geen reactie. Ik probeer het nog twee keer, maar de stuurman reageert niet. Door de verrekijker zie ik de hoge boeg, het flinke stuurhuis en breedte van het schip dat nog steeds recht op ons afkomt. Het gevaarte is nu op enkele honderden meters genaderd. Ik wil de motor starten om sneller te kunnen uitwijken, als op dit laatste moment het schip bijstuurt. Zoals de regels voorschrijven, maar ik vervloek de stuurman die niet reageerde op mijn oproepen en zo niet bijdroeg aan een veilige vaart.
Na een tocht van negentig uur, varen we door de smalle doorgang naar het Spaans Water, de populaire lagune en ankerplaats. Nog even goed opletten, ik navigeer nauwkeuriger dan ooit na ons avontuur in Sint Maarten, stuur Catherine langs de ondieptes en even later liggen we te dobberen achter ons anker. We zijn er!
Even later zitten we in de kuip, met een lekkere lunch terwijl we bijpraten over van alles: natuurlijk ons roergedoe, de heerlijk zorgeloze zeilreis hierheen, maar vooral over hoe leuk Liselot het hier heeft, met haar werk in het ziekenhuis, fijne collega’s, de gezelligheid in de vrije tijd, het kiten, restaurantjes, snorkelen. Eigenlijk mogen Liselot en Kaj helemaal niet aan boord komen, want we moeten nog inklaren. Dat doen we na de lunch.
Dan moeten we ook nog naar de havenmeester, die zit aan de andere kant van de haven, maar het is inmiddels te laat. Dus daar rijden we de dag erop naartoe, we rijden over de hoge Julianabrug, daaronder is het havenkantoor en die is eigenlijk alleen met de auto te bereiken. Hoe doen andere zeilers dat als ze geen Liselot hebben die de weg weet en een auto heeft? We vragen het tijdens een biertje in de kuip aan Mark en Donna, onze vrienden van de bovenwinden, waar we vlakbij zijn geankerd. ‘It’s incredible! It took us three days to complete the clearance procedure!’ We zien de humor ervan in, ook omdat alle ambtenaren en functionarissen zeer vriendelijk en behulpzaam waren.
De teenslippers zijn niet het perfecte schoeisel; dagen later roep ik nog een keer ‘au!’ als ik de zoveelste doorn uit de zool pluk.
We gaan naar de Sint Joris Baai en zien dat Liselot goed heeft leren kiten, ze vliegt door de lucht, een jaar nadat ze op Carriacou haar eerste lesjes kreeg, toen ze vanuit Trinidad enkele weken met ons meezeilde. We bezoeken haar werkplek, het Curaçao Medical Center, een hypermodern ziekenhuis, prachtig ontworpen met een open centrale hal waar een natuurlijk windje voor verkoeling zorgt. Als Liselot zich omkleedt en in een oogwenk van een zorgeloze levensgenieter verandert in serieuze arts, krijgen we een rondleiding over de afdelingen en maken kennis met wat collega’s.
Als de dienst van Dokter Lies begint en ze de spoedeisende hulp binnenloopt, zwaaien we nog even en gaan Karin en ik op zoek naar bus 6A richting Spaans Water.
De pondjesbrug, officieel de Koning Emmabrug, zwaait voor ons open. Het is een grappig bouwsel, drijvende brug op pontons die in beweging komt door een benzinemotor met schroef. Op de kade staan allemaal mensen te kijken en te zwaaien, en in het groepje zien we opeens een filmende Donna staan!
Zij en Mark zijn hierheen gekomen met bus 6A om ons te begroeten en
We maken Catherine schoon en klaar voor een paar maanden rust, we doen nog wat leuke dingen met Liselot en Kaj en dan zitten we opeens in het vliegtuig naar huis, op weg naar vrienden, familie. Wanneer en waarheen we onze zeilreis voortzetten? Dat laten we weten als we een strak plan hebben.





Alweer tien jaar geleden woonden en werkten we daar. Ik denk terug met gemengde gevoelens aan die tijd. Negatieve herinneringen zijn inmiddels verwerkt en nu kan ik niet wachten om positieve ervaringen op te doen. Ik verheug me er enorm op om op eigen kiel het eiland te bezoeken. Ik weet nog zo goed dat ik in ons huisje op White Wall, de oostpunt van het eiland, regelmatig uit het keukenraam stond te kijken naar de blauwe oceaan en fantaseerde over hoe we met Catherine misschien ooit op het eiland zouden aankomen. ‘Kijk’, zegt Eric, ‘vanaf zee kun je goed zien waarom White Wall zo is genoemd’. We zien een enorme witte krijtrots en met de verrekijker zien we ons huisje van toen: het witte blokkendoosje.
We zijn blij dat we een huisje op Statia hebben gehuurd. In mijn ooghoek zie ik nog hoe onze Engelse vrienden in gevecht zijn met hun bijboot die ze te water proberen te laten. Even later doen wij hetzelfde. Alleen kiezen wij ervoor om Billy maar gewoon van het voordek in het water te smijten. In je bijboot stappen met deze deining is nogal een gedoe. Timing is belangrijk: Catherine gaat omhoog en omlaag en Billy de bijboot van links naar rechts. Eén, twee hup en ik zit! Alle bagage in Billy voor ons weekje landrottenbestaan en op naar de douane.
We hebben al vier verschillende digitale systemen moeten invullen. Maar op de meeste eilanden moeten er meerdere formulieren met de hand worden ingevuld, vaak met een aantal carbonnetjes ertussen. Bij de douane treffen we de Britse buren en we spreken af ‘s avonds voor een sundowner in het Boardwalk Café.
Door de heg kijken we naar het blokkendoosje van vroeger en herinneringen komen bovendrijven. Als we met de huurauto Statia verkennen, zien we dat er weinig veranderd is. Statia ademt nog hetzelfde slaperige, goedmoedige sfeertje uit. Mensen groeten ons vriendelijk en we herkennen sommige gezichten van tien jaar geleden.
Ons favoriete Chinese restaurant, Cool Corner, blijkt helaas gesloten wegens vakantie. Bruce, de eigenaar van het restaurant, ontmoeten we later in zijn supermarkt die hij ook heeft. Hij herkent ons nog van tien jaar terug!
Tien jaar geleden moest je omschrijven waar je woonde: het derde huis na Big Stone of het laatste huis van White Wall of dat blauwe huisje naast de Cool Corner. De straatnaambordjes zijn half Nederlands, half Engels. Er wordt steeds minder Nederlands gesproken en geschreven in deze bijzondere gemeente van Nederland. In het onderwijs is in 2014 gekozen voor het Engels als instructietaal en daarmee is het hele schoolsysteem veranderd. Tien jaar geleden was er nog een Nederlands schoolsysteem. De kinderen gingen naar de havo of het vmbo. Nu is het Nederlands teruggebracht tot een vak op de basisscholen en in het voortgezet onderwijs. De leerlingen doen nu in het Engels een Caraïbisch examen.
We ontmoeten onze Britse buren van de baai. Als wij vertellen dat we onder de indruk waren van de snelheid van hun boot, biechten ze op: ‘we were cheating’. Ze hadden de motor aan toen ze ons voorbij stoven. Zij waren daarentegen onder de indruk van ons: serieuze zeilers met volle zeilen. Na het heerlijke eten komt een bekende dj en gaat het volume voluit: we kunnen elkaar niet meer verstaan. De jongeren van Statia verzamelen zich en het wordt big party. Wij oudjes besluiten onze borrel te beëindigen en Donna en ik dansen onze weg naar de dinghy’s, verbaasd nagekeken door de plaatselijke jeugd. Marc merkt daarbij droog op z’n Brits op: ‘too much booze’.
Daar op dezelfde plek waar onze kinderen toen ook waren, eten we onze lunch en maken we een keuze voor het vervolg.
We besluiten eerst de vulkaan te ronden en dan te kijken of we nog puf hebben om af te dalen in de krater. Het wordt een pittige tocht. Veel losse stenen en klimmen en klauteren. Eric herkent de blauwe markeringen met verf die hij maakte toen hij als vrijwilliger werkte voor natuurbehoud organisatie Stenapa. ‘Kijk die streep daar, ik herinner me dat daar het pad onduidelijk werd en ik een markering heb gezet’. Na een tijdje begin ik het zwaar te krijgen en zie dat ons water opraakt. Het is loeiheet en het zweet gutst van me af. Ik kan me niet beheersen als ik de fles aan mijn mond zet en klok al het kostbare vocht achterover. Wat nu?
Het water is op en we zijn pas halverwege de toer rond de vulkaan. Dan zien we een bordje van de Botanical Garden, we weten dat de tuin in onbruik is geraakt, maar hopen toch dat daar water te vinden is. Eric gaat naar beneden en ik blijf achter en wacht.
Een half uurtje later komt Eric terug: ‘de tuin was niet veel soeps maar kijk wat ik heb gevonden’ en hij tovert een volle fles water tevoorschijn. Er was daar een volle cistern met tap waarmee ik de fles heb kunnen vullen’. Overal op Statia gebruikt men cisterns om het regenwater op te kunnen vangen dat als drinkwater dient.
We kunnen weer verder en maken onze toer rond de vulkaan af, het is prachtig en thuis wacht ons een heerlijke koude Carib. Een biertje smaakte nog nooit zo lekker.
Ik heb toen ook meegewerkt met het maken van oefeningen en inspreken van leesteksten. Er zijn vier basisscholen op Statia en we bezoeken er twee: de grootste en de kleinste. Op de grootste school worden we verwelkomd door groep vijf en hun vakleerkracht Nederlands. De kinderen hebben vragen voorbereid en we geven antwoord in het Nederlands en hier en daar extra uitleg in het Engels. De kinderen zijn ontzettend enthousiast over Erics verhalen. Ze kennen de figuurtjes uit de verhalen en vertellen over hun eigen ervaringen met bijvoorbeeld heremietkrabben, naar aanleiding van het verhaaltje: woningruil, over deze dieren die bij elkaar komen op de berg en schelpen ruilen omdat ze te groot zijn geworden voor hun eigen schelp. Alle verhalen gaan over Statia, Saba en Sint Maarten, over de dieren en over het eiland.
Ze zijn enthousiast over de tekeningen en de foto´s die ze herkennen uit hun eigen leefwereld. Ze willen van alles weten: hoe heeft u de verhalen bedacht, hoe lang duurt het maken van een boek, wie heeft de tekeningen en foto’s gemaakt, hoe kwam u op het idee voor de boeken, wat is uw favoriete verhaal, waarom heten de heremietkrabben Pamela en Edwin. Het is gezellig, de leerkracht is hartelijk en begeleidt de kinderen op een rustige, vriendelijke en enthousiaste manier.
De kinderen vertellen dat ze bij het verhaal ‘Pannenkoeken bakken’ ook echt pannenkoeken zijn gaan bakken met hun juf. En op mijn vraag of de pannenkoeken lekker waren antwoordden ze: ’Ja heel lekker met stroop en suiker.’ Zo hebben ze spelenderwijs Nederlandse woorden geleerd. Het wordt een hartverwarmend bezoek, Eric krijgt kippenvel van ontroering terwijl het 30 graden is! ´Zo is Nederlands leren toch hartstikke leuk´, zeg ik. De juf is het er mee eens.
De leerkrachten weten nog niet zo goed hoe er mee om te gaan. Volgens de directeur missen ze een handleiding. De leerkrachten hebben zoveel veranderingen te verwerken dat dit teveel voor ze is. We beloven extra begeleiding. Wel zijn we welkom in de klasjes. De kinderen gaan enthousiast met ons op de foto en als we het schoolplein opgaan, waar ook kippen rondscharrelen, ontstaat er grote consternatie. Er loopt een enorme krab op de veranda. De kinderen schreeuwen en sommigen gaan op een stoel staan. 
Een juf veegt de krab met een bezem het schoolplein af en Eric de schrijver van de boeken vangt de krab in een krat en laat hem tweehonderd meter verderop vrij. Eén van de kinderen roept semi-teleurgesteld: ‘there goes my lunch’.
Er waren plantages en er werd volop handel gedreven. In die hoogtijdagen kwamen er meer VOC handelsschepen naar ‘the Golden Rock’ dan naar Amsterdam. De pakhuizen lagen vol met goederen. Nog steeds staan de restanten van de pakhuizen langs de baai. Je kunt er met duiken of snorkelen nog van alles vinden. De dame van het museum laat me haar ketting zien gemaakt van blue beads: ‘allemaal zelf gevonden, je moet er niet naar zoeken, maar op een dag vind je er gewoon eentje’. Blue beads zijn kralen waarmee de slaafgemaakten werden ‘betaald’ door de Nederlanders. Na de afschaffing van de slavernij werden ze door de vrijgemaakte slaven in zee gegooid en tot de dag van vandaag worden ze gevonden in zee of spoelen ze aan. Als ik de expositie bestudeer krijg ik weer datzelfde plaatsvervangende schuldgevoel. Slaven werden beschouwd als handelswaar en staan op de prijslijsten tussen vee en goederen. Wat een vreselijk onrecht is deze mensen aangedaan. Ik had het met de mevrouw van het museum over excuses aanbieden. Zij vindt dit ook belangrijk, maar het allerbelangrijkste vindt zij een breder bewustzijn bij de mensen. Overal moet er meer aandacht voor dit onderwerp zijn en vooral in het onderwijs, zodat we leren van de geschiedenis. Hier zie je de geschiedenis zo klip en klaar terug: hoe Nederland z’n kolonies uitbuitte en tot op de dag van vandaag zo’n welvarend land is over de ruggen van de Caraïbische bewoners en voormalig bewoners. De dame van het museum is zelf al een poosje op zoek naar haar roots. Eén afstammingslijn, tot zeven generaties terug, heeft ze terug kunnen vinden en die voert naar Guinea Bissau.
We rijden op een stoffige, verwaarloosde weg vol kuilen en gaten om ons doel te bereiken en vroegen ons direct af welke welgestelde hotelgast hier gebruik van zal maken. Welgesteld, omdat de kamerprijzen gaan vanaf 600 Euro. Een Nederlandse multi-miljonair die met rozenkweken zijn fortuin heeft verdiend is deze onderneming in 2019 begonnen. Als we aankomen zien we een enorm parkeerterrein met een paar auto’s. Dat belooft inderdaad geen grote drukte. We bezoeken het resort en worden onderweg vriendelijk begroet door medewerkers. We zijn zwaar onder de indruk, van hoe dit droge, dorre terrein is veranderd in een oase. Overal zien we jonge palmbomen, planten en bloemen. We lopen langs witte gebouwen en bungalows.
Er zijn twee helderblauwe zwembaden met rondom lege ligbedden en ingeklapte parasols. Alles staat gereed voor hotelgasten, maar er is niemand. We lopen verder door de zinderende hitte richting grens van het resort, een rand met daarachter de rotsige kustlijn. Er is geen strand, dus is er een enorm zoutwaterbassin aangelegd. 
Bij de prachtig ingerichte Bobby’s beach bar bestellen we een drankje en de ober vertelt dat die avond een beroemde dj (dezelfde als van het Boardwalk Café) gaat draaien en dat de Statianen in grote getalen naar het resort zullen komen. Terug richting de ingang kunnen we mee met een toeristentreintje en we verbazen ons weer over alle lege voorzieningen en het prachtig aangelegde resort. Er is echt geen gast te bekennen. Natuurlijk levert dit resort werkgelegenheid op voor de bevolking van Statia, maar gaan hier ooit gasten komen met al die toeristische eilanden als Sint Maarten, Sint Barth en Antigua zo dichtbij?
Zo ja, gaat dan dit nog echte, authentieke Caraïbische eiland totaal zijn charme verliezen?
Met een straf windje in de rug kruisen we de zeestraat tussen Les Saintes en Guadeloupe af. Met Catherine’s zeilen eerst over bakboord, daarna langs de zuidkust over stuurboord. Na een uurtje glijden we langs de westkust van het Franse overzeese departement. We zijn een tikje teleurgesteld: geen mooie ankerbaaien, stranden of beschutte plekjes. De jachthaven ziet er ook niet uitnodigend uit, waren we sowieso niet van plan, dus we zeilen door. We hebben onze hoop gevestigd op Petite Anse, op de kaart een kleine, beschutte baai. We varen naar binnen, zien een wit strandje, er ligt een handjevol zeilboten, hier gaan we ankeren. Hopelijk kunnen we ergens water vinden om onze vrijwel lege tanks te vullen. Ik vraag het aan een voorbijvarende man in een padvinderskostuum in z’n bijbootje. Er is een kraan op de kant. De man stelt zich voor als Thomas en is een hulpvaardige Duitser. Hij past op een catamaran in de baai, woont op een berghelling in een hutje, verzorgt daar wat zwerfhonden en katten en leeft van een klusje hier en daar. Onze versvoorraad is op en Thomas rijdt Karin met z’n autootje naar de super. Hoe aardig! Kom daar maar eens om in Rotterdam. Natuurlijk geven we Thomas een mooie fooi voor zijn spontane aanbod.
De volgende ochtend roept de man van de duikschool vanuit zijn rubberboot naar iedereen die het wil horen: ‘Dolphins!’ Twee dolfijnen zwemmen de baai in, een grote en een kleine, moeder en haar jong. Als ze twee rondjes hebben gezwommen spring ik met de actiecamera het water in, wie weet blijven ze nog even. En dan gebeurt het wonderlijke: de dolfijnen blijven in de buurt, ik kom heel dichtbij, ze zwemmen langs en onder me door, Karin is er inmiddels ook en zij ziet de dieren op twee meter afstand.
Ze schrikt zelfs opzij omdat ze zo dichtbij zwemmen! Het is een prachtige, indrukwekkende ervaring. De meterslange moeder kijkt ons in de ogen, het jong drinkt af en toe bij haar, het is een schitterend schouwspel.
We zijn gelijk verliefd op de baai. De aardige Thomas, de dolfijnen, en het krakkemikkige restaurantje (‘bonsoir mes enfants’ zegt de bejaarde uitbater als we op mijn 61e verjaardag aanschuiven op de houten bank), het is zo gastvrij en lekker ongedwongen. Petite Anse is onze uitvalsbasis. We huren een auto en trekken de bergen in. In dit zuidelijke deel van Guadeloupe, Basse Terre, domineert de vulkaan Soufrière het landschap. Wij rijden erheen en beginnen aan een wandeling (‘difficile’) naar de watervallen die van de steile hellingen naar beneden storten, de
Net als op Martinique zijn de wandelingen keurig gemarkeerd, dankjewel Europese Unie, maar dat maakt de tocht er niet minder zwaar op. Het begin is vlak en met vlonders toegankelijk gemaakt, het laatste stuk is klauteren op handen en voeten over de rotsblokken, soms hangend aan de hulptouwen.
Vooral Karin heeft het zwaar als ze last krijgt van haar kniebanden, een oude sportblessure. Maar ze bijt door de pijn heen en krijgt de beloning van een waterval van meer dan 100 meter hoog. De natuur is overweldigend en indrukwekkend, gister met de dolfijnen, nu bij de Chutes.

De verschrikkingen van toen staan in schril contrast met de gastvrijheid die wij hier in de Cariben dagelijks ervaren van de nazaten van al die mensen die dit onrecht generaties lang hebben moeten ondergaan.
Tegen onze regering zouden we willen zeggen: bied nou eindelijk eens die excuses aan. We rijden terug naar onze Catherine door Pointe-à-Pitre, een spookstad op zaterdag.
In de uitgestorven straten zien we de fraaie Creoolse straatkunst, die we na vandaag niet los kunnen zien van het verleden.
Op de top van de Soufrière is niet veel te zien, flarden koude mist bezorgen een prettige sensatie na maanden tropenhitte, maar hinderen het uitzicht op de krater van deze actieve vulkaan. In 2017 trokken orkanen Irma en Maria over het gebied, enkele wandelroutes werden toen onbegaanbaar, maar mijn route is goed aangegeven en begaanbaar. Eenmaal terug aan de voet van de berg tref ik Karin.
We nemen het ervan in het thermische bad, verwarmd door de vulkaan, en rijden daarna het steile, kronkelende bergweggetje af, terug naar Catherine in de baai.
Na een weekje in Petite Anse is het tijd om te gaan. We gaan nog een keer eten in het restaurantje (‘la même poisson, la même dessert, la même vin blanc, la même femme?’ grapt de gastheer/ober/kok) en we gaan de volgende dag ankerop. Dag Petite Anse, hallo Deshaine.
In dit leuke stadje hangen we een paar dagen rond, bezoeken de markt en de lokale loodgieter die ons hopelijk aan wat onderdeeltjes voor de lekkende douchekraan kan helpen. ‘Non’ luidt zijn antwoord op elke vraag die ik stel. Heeft u een koppelstukje? Een doucheslang? Een andere oplossing? Een suggestie wellicht? ‘Non’. Ik geef het op, niet iedereen is aardig en behulpzaam, en zit even later met Karin aan een koud biertje. De dag erop wandelen we naar de heuveltop en dalen aan de andere kant af naar een vrijwel verlaten strand. Dan trekken we de conclusie dat het tijd is om verder te zeilen.
De kalender is onverbiddelijk, het orkaanseizoen komt eraan en we willen nog veel meer noordelijke eilanden bezoeken voordat we in juli naar het orkaanveilige Curaçao afdalen.
In 1997 zat ik naar het NOS Journaal kijken, toen de beelden van een allesverwoestende vulkaanuitbarsting de huiskamer bereikten. Wat een natuurgeweld! Deze vulkaan Soufrière – er zijn meerdere Soufrières in de Cariben – op Montserrat werd in 1995 opeens actief. Iedereen werd door de eerste uitbarsting verrast. Na een volgende klap in 1996 volgde in
Nu hebben Karin en ik vanaf Catherine Montserrat in het vizier, terwijl een stevige 6 Beaufort ons gereefde zeilbootje naar de zuidwestpunt blaast. Van verre zien we al de glooiende helling die is gevormd door de lavastromen. We zien ook de ruïnes van het verwoeste Plymouth. Die middag gaan we voor anker in Rendezvous Bay en klaren in. Het lukt ons om met onze buren, een stel dat vanuit de Falklands hierheen is gezeild, mee te gaan op excursie. 
Spoorslags worden de permits geregeld door onze gids Sun, die opgroeide in Plymouth en ons de plekken uit zijn jeugd laat zien. Daar, de bibliotheek. Kijk, hier woonde ik. Daar, de stadsklok waar alle jongeren ’s avonds elkaar ontmoetten. ‘Ik heb er zulke fijne herinneringen aan. Er is niets meer van over’, zegt Sun. Hij heeft honderden keren bezoekers rondgeleid, maar we zien dat de verwoesting hem nog steeds emotioneert.
Daar, zegt hij, zie je de bovenste van zes etages van een hotel. De onderste vijf lagen zijn verdwenen onder as. Tweederde van Montserrat is verwoest en verboden gebied. De vulkaan slaapt, kan weer actief worden en houdt het eiland in de houdgreep. Hoe moet het nu verder met Montserrat? ‘We are living in limbo’, zegt Sun.
Op het leefbare deel van Montserrat bruist het eiland. De ontzettend vriendelijke bewoners laten zich niet kisten. Velen hebben jaren doorgebracht op andere eilanden of zijn naar Groot-Brittannië geweest en weer teruggekeerd. Niet iedereen kwam terug, de eilandbevolking is na 1997 gehalveerd, maar de mensen die wij ontmoeten hebben de draad opgepakt. Voor jongeren is het natuurdrama iets uit het verleden. Ze weten niet beter.
Het toeval wil dat precies op de avond van ons bezoek aan Plymouth een BBC-documentaire in première gaat, die vrijwel gelijktijdig op de BBC-tv en in het culturele centrum op Montserrat wordt vertoond. Keurige dames en heren en netjes geklede kinderen bezoeken de voorstelling in het gebouw dat is gedoneerd door George Martin. Kent u die nog? Hij was de producer van de Beatles. Hij had in de jaren tachtig een muziekstudio op Montserrat.
Talloze sterren hebben hier muziek opgenomen: Paul McCartney, Dire Straits (Brothers in Arms), The Police (Synchronicity) en nog vele, vele anderen. Er is een documentaire over gemaakt:
We verlaten Montserrat. Want wij zijn reizigers, we moeten verder, hoewel we soms het gevoel hebben dat we liever willen blijven waar we zijn. Maar ja. Volgende eiland dat we aandoen na een dagdeel zeilen: Antigua. Een Saint Tropez voor rijke zeilers, dat heeft voor ons het voordeel dat er van alles te koop is voor de boot.
We hebben dringend een nieuwe accu nodig. En installatiespulletjes voor die douchekraan. We vinden de spullen direct, vullen vervolgens de watertanks terwijl een protserige Amerikaan met zijn werkelijk enorme catamaran – met de stars and stripes die nog groter is dan hemzelf schreeuwerig wapperend opdat iedereen het moet zien dat hij Amerikaan is, hijzelf staat op zijn apenrots achter het stuur op wel vijf meter hoogte – ons nog even in de weg zit. Wij varen de haven uit, gaan gelijk het hoekje om, naar een stille baai, wat een rust hier weg van de poeha, om vandaaruit de volgende ochtend ankerop te gaan en koers zetten naar Barbuda. Een uur of vijf zeilen.
Barbuda? Nee, niet Barbados, Barbuda. Een stipje op de kaart, het eilandje hoort bij Antigua. Het contrast met het moedereiland kan niet groter. Het is plat, met prachtige kilometerslange witte stranden, in het midden een grote lagune met ongerepte mangrovebossen en een vogelreservaat waar de fregatvogel zich massaal voorplant. Het is oppassen hier in de kustwateren, het gebied is matig in kaart gebracht, de Navionics-kaart waarschuwt om goed uit te kijken voor ondieptes met rotsen en riffen. Karin staat op de punt en ja hoor, recht voor ons doemt een flink rif op, dat we herkennen aan de afwijkende, groenige kleur en waar golven soms op breken. We gaan er met een boog omheen en gooien het anker uit in zandgrond. Het is vrij open, maar we liggen redelijk. We zien de eerste twee dagen helemaal niemand, niet op het strand of het onontgonnen gebiedje erachter.
Daar struikelen we bijna over het kadaver van een paardje of ezel. We snorkelen bij het koraalrif waar we omheen voeren: het is het mooiste en gezondste dat we tot nu toe in de Cariben hebben gezien. Dan gaan we iets verder kijken, twee uurtjes zeilen om het westhoekje, in de hoop er iets meer beschutting te vinden.
We varen vlak langs het witte strand, dan passeren we de doorgang naar de lagune. Golven breken, witte koppen, blauw zeewater ontmoet donkerder binnenwater. De diepte neemt wat af maar blijft minimaal drie meter. Dat is genoeg. Verderop zien we daken, volgens de kaart moet daar ergens onze ankerplek zijn. Als we dichterbij komen zien we dat het de resten zijn van een luxe hotel. Het is in zee gezakt toen orkaan
Na drie dagen Barbuda hebben we nog steeds geen mens gezien. Catherine ligt inmiddels onrustig maar vast achter het anker. We maken bijboot Billy klaar, want we gaan alvast uitklaren in het hoofdstadje Codrington. Na een paar honderd meter begint de motor te pruttelen en houdt ermee op. We roeien terug naar Catherine. Ik pruts wat aan de motor, vermoed wat water in de carburateur, die ik aftap, en we gaan weer. Even later klotsen we door de opening en varen de lagune binnen. Het lijkt een tropisch Tjeukemeer, groter maar net zo ondiep. Na een half uur knopen we Billy vast aan de kade en zien eindelijk de eerste bewoners. Douane en immigratie zijn in het dorp. Twee stoere jongemannen wijzen ons vriendelijk de weg. Rechtdoor tot de kerk. Yeah man!
Als we erheen lopen zien we een troosteloze leefomgeving. Irma heeft hier werkelijk alles weggevaagd. De ene bouwval na de andere, een paar huisjes zijn hersteld, enkele nieuwe zijn gebouwd, de meeste huizen zijn provisorisch bewoonbaar gemaakt. Mannen werken aan de telecommast. Codrington is stoffig, heet, vervuild, maar de mensen vriendelijk. Nadat Irma Barbuda letterlijk met de grond heeft gelijk gemaakt, zijn alle mensen geëvacueerd. Twee jaar lang is Barbuda onbewoond geweest.
Dieren bleven achter, zoals die verwilderde honden op het strand, en de ezels en paardjes die nu hun kostje bij elkaar scharrelen in het stadje. Een man jaagt een vermagerd paardje weg: de dieren zijn overbodig en proberen zoals de mensen hier te overleven. Het contrast met de prachtige stranden is enorm. Zal Barbuda er weer bovenop komen? Enkele zeilers bezoeken het eiland weer, maar de paar resorts en hotels die er waren zijn vrijwel allemaal beschadigd en gesloten. Ook nu weer zien we, na Montserrat, dat de natuur niet met zich laat fukken.
Dit gebied, noordoost Cariben, de bovenwindse eilanden, is een toeristische trekpleister. Het is de plaats voor resorts, luxe hotels en afgesloten privé-domeinen voor de beroemden op aarde. Een aantal Caribische eilanden wordt dagelijks platgewalst door de duizenden passagiers van grote cruiseschepen, die als een zwerm muggen bezit nemen van een stadje en dan als een speer weer vertrekken. Antigua, Sint Maarten, Anguilla, Sint Baths bieden de ultieme
We zijn onder de indruk van wat het natuurgeweld kan aanrichten, maar misschien nog wel meer door de ongelofelijke gastvrijheid en vriendelijkheid van al die bewoners die er op hun eiland het beste van maken.
We ankeren linksaf om de hoek bij het hoofdstadje van Nevis, Charleston, aan de voet de vulkaan. Daar klaren we in. Na de verwoesting van Barbuda is duidelijk dat dit eilandje geluk heeft gehad. De huisjes spik en span, fleurig geschilderd, op straat is het een vrolijk gebeuren.
We zitten op het bankje in het centraal gelegen miniparkje, en zien iedereen voorbij trekken: moeders met kindjes, mannen in uniform, de dorpsgek zit naast ons en groet vrijwel iedereen, twee meiden lopen achter hun mobieltje aan, stoere jongens kijken hen na, oma ploft ook even naast ons neer, een passerende suv met boem-boem-speakers probeert indruk te maken, de minibusjes kondigen toeterend hun aanstaande vertrek aan, want we zitten blijkbaar naast de busstop. Hier op Nevis gaat het leven z’n dagelijkse gangetje. Na drie nachtjes koersen we naar Sint Kitts, een uurtje varen tot Shitten Bay.
Het is de uithoek van het eiland, hier is geen bebouwing, we horen alleen de geiten op de hellingen. Wij liggen er als enigen, enkele tientallen meters verder ligt een verroest scheepswrak, op de rotsen gekwakt tijdens een of andere storm. Dan komen de dagjesmensen, opeengepakt op felgele catamarans, ze snorkelen een uurtje bij het wrak en zijn weer weg. De volgende dag, als we gesnorkeld hebben bij het wrak, krijgen we bezoek. Een paar bijen houden zich op bij de buitendouche. Dan zie ik een bij terugvliegen naar het land, hij haalt zijn vrienden, en komen er later hele zwermen zich laven aan ons zoete water. Blijkbaar hebben ze dorst in deze droge tijd. Helaas worden het er meer en meer, ze vliegen ook naar binnen, hangen aan de keukenkraan. We raken niet in paniek, maar het voelt onaangenaam, het zijn er te veel. Dan ontdekken we dat we ze met emmers zout water kunnen verjagen. Na een uurtje oorlog tegen de bijen (sorry!) zitten we met een biertje opgelucht in de kuip. Als we de volgende ochtend wakker worden van het gezoem van nieuwe bijenzwermen gaan we ankerop.
We varen de jachthaven van de hoofdstad in. Na Antigua hebben we elke nacht matig geslapen door het gerol van Catherine op de deining. Wat is het heerlijk om na twee maanden weer eens aan een steiger te liggen! We doen wat boodschapjes, kijken rond in het sfeerloze stadje Basse-Terre. We hebben moeite ons open te stellen, we hebben zoveel indrukken opgedaan de laatste weken dat we behoefte hebben aan rust. En vooral: Sint Eustatius, Statia, het eiland waar we tien jaar terug een half jaartje hebben gewoond, een zeer bewogen periode, ligt vlakbij op ons te wachten. Morgen zeilen we er heen.
De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, vaak pijnlijk, nu aangenaam. Karin nipt aan haar Chardonney nummer twee, terwijl we terugblikken op de laatste maand hier in de Cariben. Hoe zijn we hier beland, nadat Catherine in Trinidad op 4 april na een flinke klusbeurt te water werd gelaten, terwijl we nooit eerder van Marie Galante hadden gehoord? Of van Les Saintes, waar we morgen heen zeilen?
Het is 14 april, 33 jaar plus één dag nadat Karin en ik elkaar de eerste kus gaven, als we het haventje van Peake uitvaren en we een fase van onze reis afsluiten: in 2020 zijn we door covid in Trinidad beland en werd Peake onze tijdelijke thuishaven. Vandaag begint een nieuw avontuur. Het is middag, na een half uurtje is ons tochtje alweer klaar als we ankeren in Scotland Bay. Morgenochtend vertrekken we vanaf hier, uitgerust na een nacht tussen brulapen die wonen op de steile beboste hellingen waar geen mens zich waagt. ’s Ochtends check ik alles drie keer; het blijft altijd spannend om na langere tijd weer een overtocht te doen met een nacht op zee. Rond 11 uur starten we de motor, het geknor van het dieseltje klinkt na een grote onderhoudsbeurt geruststellend. Hup, ankerop, we hijsen het gereefde grootzeil, motoren nog even door de Bocas del Dragon en als we deze slangenmuil – door Columbus zo genoemd – verlaten komen de korte steile golven, aanrollend vanaf de Atlantische oceaan, ons tegemoet. Vorig jaar werden we erdoor verrast, maar deze keer zijn we voorbereid. We rollen de genua voor driekwart uit, de motor gaat uit, Arie de windvaan staat ook paraat en voordat we het goed en wel doorhebben, zeilt Catherine zichzelf. Makkelijk gaat het niet: Catherine maakt harde klappen als zij voor de zoveelste keer in het golfdal stort. De hele boot trilt en schudt.
We zijn weer alleen en op onszelf aangewezen, op zee, met z’n tweeën op ons bootje van 11 meter. Het blijft een bijzonder gevoel dat dit zomaar kan. Een zeiltje hijsen en ver, ver weg zeilen. We weten nog steeds niet wat de eindbestemming van ons meerjarige zeilavontuur wordt, wel dat we deze keer koers zetten naar tussenstop Carriacou, zo’n 120 zeemijl verderop. En daarna Guadeloupe.
We varen over de onderwatervulkaan Kick ‘m Jenny, maar gelukkig is er geen geologische activiteit te bespeuren. Geen gasbellen of gerommel. Twee uurtjes later varen we de baai van het onbewoonde Ronde Island binnen, gooien het anker uit en doen een dutje. Rond het middaguur gaan we weer ankerop en worden we met een stevige Caribische bries naar Carriacou geblazen. Dan zit ons eerste oversteekje erop.
Carriacou voelt als thuiskomen na een lange vakantie. We lopen een aantal bekenden tegen het lijf, collega-zeilers en nemen plaats in bekende restaurantjes. We worden hartelijk verwelkomd, onder andere bij Hard Wood. Een suggestieve naam, met expliciet logo op de gelijknamige boot. Het suggereert een machosfeertje maar drie generaties vrouwen in het bescheiden onderkomen zorgen voor een warm, knus sfeertje.
Drie Engelse dames op leeftijd zuipen zich klem, lokale bejaarde mannen bespreken luidkeels de actualiteit van het eiland, twee zeilers uit Rotterdam mengen zich moeiteloos in het gezelschap. ‘Welcome back!’, zegt mevrouw Hard Wood. Haar kleinkind, die we vorig jaar nog als zuigeling een aai over de bol gaven, is nu een goedlachse dreumes en gaat van hand tot hand. Ook Karin geeft het kindje een warme knuffel. Dit is een café, restaurant, buurthuis en huiskamer ineen, zeg ik tegen oma Hard Wood. ‘Yes!’ lacht ze instemmend.
Na enkele nachten in Tyrell Bay en bij Sandy Island ankeren we om de hoek bij Saline Island, waar we zeeschuimer Addy en zijn Annie nog even gedag zeggen. Geweldig dat onze koelkast op zonne-energie zoveel benodigde biertjes kan koelen! Addy heeft er acht rondjes Atlantische Oceaan opzitten, we kwamen hem in 2019 tegen op Porto Santo. De volgende dag is het tijd om te gaan, we zeilen door. Nu gaan we twee nachten de zee op. Bestemming Marie Galante bij Guadeloupe.
Daar vinden we in de supermarkt alles waar we zo’n trek in hebben. We verplaatsen de boot naar Anse Canot, een prachtige baai met witte krijtrotsen á la Dover. Erachter ligt een rivier. We lopen erheen met de opblaaskano op mijn rug en ervaren weer eens de bijzondere weldaad van zoet water.
Zo anders dan het slaperige Marie Galante, Carriacou en de andere Grenadines! We ontvluchten de drukke strandjes en de toeristenwinkels en lopen de berg op. Opmerkelijk: op deze prachtige wandelroute komen we vrijwel niemand tegen. Het is even afzien, steil, warm, maar op de top is het uitzicht geweldig.
De volgende dag bezoeken we Fort Napoleon, want ook hier heeft het Verdrag van Parijs zijn effect gehad. Napoleon werd verbannen en was in Europa persona non grata. Maar hier, op Terre de Haut van Les Saintes, besloten de Fransen een fort te bouwen en hun voormalig leider te eren die Europa in een poel van oorlogsellende heeft gestort.
De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, realiseren we ons die avond wederom, als we de Bordeaux en Chardonney ontkurken.
Rotterdam, december 2022
We hebben het heel fijn in Nederland, met alles wat we doen, vrienden, familie, ons gezin. Maar. Het kriebelt en knaagt. De reiziger heeft nooit rust. Dus gaan we weer. Begin 2023 hervatten we onze zeilreis om te gaan zwerven langs de Caribische eilanden.
Het is half juni, als we in de kuip zitten, Catherine voor anker in de monding van Marigot Bay, Saint Lucia, na een drukke dag op stap met onze gehuurde terreinwagen. “Over twee weken gaat onze vlucht naar Nederland,” zegt Karin. Ze kijkt er een beetje mistroostig bij. We zeilen zuidwaarts, richting Trinidad. Het orkaanseizoen is aangebroken en in Trinidad is de kans heel klein dat een tropische storm of een heuse orkaan je bootje aan diggelen blaast. “We moeten vertrekken, richting Trinidad, om haasten te voorkomen.” Verstandige opmerking. In tijdnood maken zeilers vaker verkeerde keuzes. Ofwel: een zeiler zonder haast heeft altijd wind mee. Nu hebben we nog marges om slecht weer te vermijden. Karin voegt eraan toe: “Ik wil wel graag een tussenstopje maken in Carriacou. We hebben het daar zo fijn gehad.” De volgende dag gaan we ankerop. We zeilen langs de Pitons, de twee pieken die als een soort Euromast symbool staan voor het land: zelfs het lokale bier is ernaar vernoemd.
Dan zeilen we langs Saint Vincent en alle Grenadines, de dag wordt nacht en weer dag, de eilanden trekken aan bakboord als een film voorbij, terwijl we met een heerlijk stabiele halve wind op z’n boerenfluitjes voort gaan. Gek, maar nu we weten dat we binnenkort weer in Nederland zullen zijn genieten we extra van het zeezeilen.
Eenmaal in Carriacou, voor anker bij Sandy Island, lezen we op Facebook een bericht van een zeiler in de buurt: “Am I the only one who is freaking out?” Bij het bericht staat een screenshot van Windy. Donkerrood overheerst. Verwachte winden tot wel 60 knopen. Geen verwoestende orkaan, maar pakweg 110 km/u wind, windkracht 11, is een gevaar voor schip en bemanning. Veel is nog onzeker, de storm komt over vijf dagen, maar juist daarom besluiten we niet af te wachten. De komende dagen is het weer gunstig voor de oversteek naar Trinidad. In Tyrell Bay van Carriacou, waar we uitklaren en de watertanks van Catherine aftoppen met drinkwater, is de storm hét gespreksonderwerp: “Wat doen jullie?” Wij twijfelen niet: we gaan.
Eerst sturen we Catherine tussen Carriacou en Ronde Island door, om oostelijk langs Grenada, de kant van de oceaan, te zeilen. De oversteek naar Trinidad wordt de laatste van dit seizoen. En misschien wel de mooiste. Niet eerder tijdens onze reis is de halve wind zo stabiel als nu: constant 18-20 knopen, geen vlagen, geen gedoe. `s Nachts passeren we het lichtjesfestival van Hibiscus, het grote olieplatform, en in de vroege ochtend is daar de ruige kustlijn van Trinidad. Al urenlang horen we op de marifoon oproepen voor Tiger Lily, de boot die enkele uren voor ons vertrok vanuit Carriacou. We horen geen antwoord. Er zou toch niets aan de hand zijn? Het laatste uur gaat de motor aan, Venezolaanse vissers varen voorbij, zwaaiend, de snelle veerboot naar Tobago scheurt langs.
We sturen door de Boca del Dragon, de Slangenmuil, de smalle opening tussen Trinidad en het eilandje Monos. Stevige getijdestroom tegen, de motor, hard toe aan een onderhoudsbeurt, moet er nog even aan trekken, en dan zijn we een half uur later in de Golf van Paria, de deining is weg, het voelt als binnenwater. Nog een zeemijl en dan pakken we een ankerbol in Chaguaramas. Het voelt vertrouwd, als thuiskomen: home is where the heart is. We zien Tiger Lily voor anker liggen: alles is oké.
De weersvoorspelling is er niet beter op geworden, de storm trekt zuidelijker dan eerder verwacht en zou zelfs Trinidad kunnen raken. We willen naar de veilige ankerbaai Scotland Bay, maar moeten eerst inklaren. Daarvoor hebben we een Health Clearance nodig. Een ambtelijke formaliteit, we zijn gevaccineerd dus het is geen probleem, maar we hebben die verklaring nodig van het ministerie van gezondheid. Die laat op zich wachten, ondanks aandringen van de geweldig behulpzame Yvanna van Peake, waar we komende week Catherine op de kant zetten. Pas op de ochtend van de storm gaat het licht op groen. Met onze gezondheidsverklaring tuffen we met Billy de bijboot naar de customs en immigration. Nadat de carbonpapiertjes, nodig om alle formulieren in viervoud te kopiëren, hun werk hebben gedaan en alle stempels zijn gezet, varen we eindelijk naar Scotland Bay.
Gelukkig is er genoeg plek: een handjevol boten zijn vastgeknoopt aan de mangroven. Wij liggen midden in het baaitje, met net genoeg ruimte om te zwieren. Het is inmiddels aan het schemeren en het regent als ik vanuit Billy het tweede anker uitbreng. Dan is het wachten op wat komen gaat. Maar er komt niets! Het blijft heel de nacht windstil en stil, afgezien van de brulapen en de regen op het dek van Catherine. Vanaf Carriacou horen we de volgende dag van vrienden dat de wind daar aantrok tot 40 knopen, minder dan voorspeld, enkele jachten hadden krabbende ankers, maar er zijn geen ongelukken gebeurd. En in Trinidad heeft het flink geregend, met overstromingen tot gevolg. Maar de wind bleef gelukkig weg. De dagen erna, westwaarts, zou de storm aanzwellen, kreeg de naam
De volgende dag in Chaguaramas zitten we aan het bier met onze nieuwe vrienden van Tiger Lily, een liefdevol Braziliaans gezinnetje. We hebben nog een week voor onze vlucht naar huis en besluiten tot een tochtje naar Chacachacara en Tiger Lily reist de dag erop ons achterna. Het is twee uurtjes zeilen over de Golf van Paria. Het kleine, hoefvormige Chacachacara, onbewoond, omcirkelt ons als het ware.
We zijn de enigen hier, waarschijnlijk omdat het zo dicht bij Venezuela ligt, dat een bedenkelijke reputatie heeft voor piraterij. Preventief heb ik de ais uitgezet en het ankerlicht brandt ’s nachts niet. We zijn onzichtbaar. De patrouillerende Coast Guard komt even om het hoekje en stelt ons gerust. Met enige fantasie zie ik de Santa Maria van Columbus liggen, die hier in augustus 1498 voor anker lag. Chacachacara was tijdens de oorlog een Amerikaanse marinebasis en een leprakolonie tot 1984. We stappen op het steigertje en gaan aan land. Het is een spookachtig eiland, de roofvogels cirkelen boven de klapperende golfplaten daken van het verlaten ziekenhuis en de barakken. De stapelbedden staan er nog.
Een begraafplaats. Een overwoekerde toegangsweg. Verder is er niets. Een groter contrast met het stereotiepe beeld van de Cariben – parasollen, beach bars, de dreadlock holiday, barbeques op het strand – is nauwelijks denkbaar. Na Chacachacara, terug bij Peake, met Catherine opgebokt tussen andere vertrekkersboten, beleven we nog één keer een gezellig avondje met andere cruisers.
De flesjes Carib in de bak met ijs, de barbecue rookt, de gesprekken gaan over en weer. Zeilen in de Cariben: zoveel afwisseling, we zijn er nog lang niet op uitgekeken.
De KLM vliegt ons naar Schiphol. Joris haalt ons op en opeens zijn we thuis. Vreemd en vertrouwd tegelijk. Vertrouwd vanwege Joris, Liselot, poes Pippie, ons huis, de buurt, de buren, vrienden, Rotterdam, de terrasjes. We kennen hier elke straathoek. Twee dagen later sta ik al met mijn muziekvrienden in de oefenruimte. De plannen voor een optredentje zijn snel gesmeed. Dezelfde week bekijken we een campertje, een pittig busje met hefdak. Alsof die op ons staat te wachten! We rekenen af en rijden een paar dagen later de showroom uit. Liselot is dan al verhuisd naar ons vorige appartement. We rijden ons campertje naar het charmante jachthaventje De Hitsert, waar Liselot met vriendinnen Irene en Maud een bejaarde Victoire 25 in de vaart houdt.
We zeilen een dagje mee op het Haringvliet, Joris en Maud komen langs en tijdens het nuttigen van wat versnaperingen wordt ons blauwe busje gedoopt tot Bes.
We rijden de week erop via de Vogezen naar Zwitserland, wandelen door bossen en bergen, rijden door naar de Auvergne, waar we een weekje bij
Terug in Nederland ontvoeren Joris, Liselot en Maud ons de dag erop naar Schiermonnikoog. Het wordt een heerlijk verrassingsweekend, een verlate viering van onze verjaardagen. In Hotel Van der Werff drinken we biertjes met de bemanning van
We helpen Joris met zijn nieuwe motor in zijn zeiljacht Jonathan. Hij en Maud kopen een huis in de buurt. Liselot heeft inmiddels gesolliciteerd in het ziekenhuis op Curaçao: daar begint ze in januari bij de interne geneeskunde. Ik ga verder met muziek opnemen met muziekvrienden Pim, Eva en ook Joris speelt mee.
Eigen composities die, gerealiseerd tussen het wereldzeilen door, moeten resulteren in een mooie cd: ‘Sail away, the wind tells me where to go. Sail away, I don’t know where I’ll be. Sail away, and drop the anchor in some shallow sea”. Weinig dingen zijn mooier dan muziek maken, creëren, uitvoeren en luisteren. Nou ja, misschien is zeezeilen nog mooier. Misschien.
Dan zijn we in mineur: onze allerliefste kat Pippie is ziek. Hoe lang heeft ze nog te leven? We genieten van haar aanwezigheid zo lang het kan en knuffelen zoveel we kunnen. Als ik in november twee weekjes naar Trinidad vlieg om te klussen aan Catherine krijg ik al snel het voorziene bericht: het gaat niet langer. De volgende dag laten Karin, Joris en Lies haar vreedzaam inslapen. Ik huil mee op afstand, alleen in de kuip van Catherine.
Mijn verhaal over de Cariben ligt dan al bij de eindredactie van Zeilen magazine. Ik heb maar liefst twaalf pagina’s ruimte gekregen om een mooi verhaal te maken! Als de Zeilen van december dan op de mat valt is het spannend, maar gelukkig ziet het er geweldig mooi uit, de eindredactie heeft het werk goed gedaan, er zijn fraaie zeekaarten bij getekend met suggesties voor routes en ankerplaatsen die zijn gebaseerd op onze eigen ervaringen en waarnemingen.
Een voorproefje vind je 
Dan zeilen wij noordwaarts, naar Sint Maarten en de eilanden daar in de buurt, en vlak voor het orkaanseizoen naar Curaçao, naar Liselot. Dan zien we wel weer verder. Hoe dan ook, langzaamaan gaan we westwaarts… En wat daar achter de horizon ligt…