Martinique, Cariben of Frankrijk?

                                                                31 mei 2022

‘Eric, weet je zeker dat je hier ankert? Liggen we niet te dicht bij dat bolletje?’, roept Karin terwijl ze wijst naar een kleine rode bal in het water. Een vissersboeitje, misschien navigatiebol, denk ik. In een flits maak ik een inschatting en afweging: afstand, windrichting, lengte ankerketting. ‘Zit wel goed!’, roep ik vanaf de boeg van Catherine terwijl ik het anker laat zakken en mijn onderbewustzijn zegt dat dat bolletje ons nog problemen kan bezorgen. Karin zet de motor in de achteruit, Catherine blijft waar ze is: het anker houdt. Na vier uur motoren langs de zuidkust van Martinique tegen stroom en wind in gaat eindelijk de motor uit. Wat een rust! Verderop liggen honderden, zo niet enkele duizenden jachten, voor anker, aan ankerbollen, of aan lange steigers in de marina. Blijkbaar hebben al die luxe huur-catamarans die ons in de Grenadines nautisch voor de voeten liepen, hier hun thuishaven. Hier zijn vele mensen op zoek naar hetzelfde: een unieke zeilvakantie. Dream Yachts! Wij liggen in deze kilometers brede baai, aan de andere kant, naast de mangroven, beschut tussen ondieptes van koraalsteen. Een paar jachten om ons heen, waaronder enkele verlaten en verwaarloosde boten die wonderlijk genoeg nog drijven, voor de rest is het groen van de palmbomen en mangroven. Mooie plek! Prima uitvalsbasis om uitstapjes te maken. Om te beginnen gaan we direct naar de supermarkt, want die rode wijn met camembert moet direct worden gescoord. Ook nu maak ik een inschatting: afstand naar de steiger en daarna een stukje lopen. Moet kunnen, ook al zijn we behoorlijk vermoeid na een etmaal zeilen met weinig slaap en begint het al te schemeren.

We varen met bijboot Billy naar de steiger, dat blijkt met ons 2,5 pk-tje verder weg dan gedacht, halverwege varen we op een ondiepte, tuffen verder en knopen vast aan de bolder. Terwijl we door het stadje lopen, geen 5, geen 10, geen 20 minuten maar inmiddels een half uur, denken we hetzelfde. Karin spreekt het uit: ‘We lijken wel junks! We hadden gewoon op de boot moeten blijven.’ Uiteindelijk lopen we door de air conditioned supermarché en vergapen ons aan de overdaad, die na de betrekkelijke schaarste in de Grenadines, op ons af komt. Tig merken chips. Honderd soorten kaas. Duizend soorten wijn, of moeten we zeggen chateaus en appelations. We plukken uit de schappen waar we voor kwamen, lopen terug, stappen in Billy, varen terug naar de boot die we in het donker met moeite kunnen vinden en dan zitten we in de kuip, te moe om te genieten van de lekkernijen. Tijd om ter kooi te gaan.

We keken uit naar Martinique, hadden er zoveel over gehoord. Geen zeiler slaat tijdens een Caribisch rondreisje het eiland, deel van de Europese Unie, over. Alle bootonderdelen en klusspullen zijn er te krijgen en Europa is nu eenmaal lekker geordend en duidelijk. Karin en ik besluiten het eiland te leren kennen met de auto, maar eerst maken we een wandeling langs de zuidkust. Een prachtig wandelpad kronkelt via bos van baai naar baai. Alles perfect aangegeven en… schoon, geen plastic! Als die viezigheid er niet is, realiseer je je pas hoe gewoon het is geworden, al die troep en vervuiling. We nemen een duik in de vierde baai en keren om, want de avond komt eraan.

Martinique laat zich tijdens onze autotochtjes van zijn beste kant zien. We vinden de ene na de andere wandelroute via Maps.me, het wandelequivalent van Google maps. Allerlei ecosystemen doen we aan tijdens urenlange wandelingen waarbij we niemand tegenkomen. Waar zijn al die wereldzeilers en andere toeristen? Of wandelende Martinicanen? Aan de Atlantische kant dalen we af door tropisch bos met eeuwenoude woudreuzen, het bos gaat over in mangrove, een verdwaalde palmboom ertussen, dan opeens wit strand met op het halfdroge deel stoere plantjes, ware pioniers, die zich niet laten afschrikken door het zeezout en zo de boel koloniseren, met hun inspanningen houden ze het zand vast zoals helmgras in Hollandse duinen. In zee de volgende ecologische zone met dikke plakken zeewier, dat we tijdens onze Atlantische oversteek zo vaak tegenkwamen. De bruine drijfplant wordt naar Caribische westkusten geblazen, hoopt zich op, gaat daar rotten en stinken, tot onvrede van velen, met opruimacties als gevolg. Hier, tijdens onze wandeling, is het wier nog fris, niks aan de hand, en verbazen we ons erover dan we over een breedte van pakweg twintig meter vijf ecologische zones waarnemen. Een tropenboom met metersdikke stam staat pal achter het strand. Prachtig!

Een week lang brengt de auto ons naar de mooiste plekjes. We lopen ons suf, op een glibberig modderpad glijden we uit, het is af en toe zuchten en puffen van inspanning, maar wat is het hier mooi! Na een uur glibberen en glijden leidt het modderpad ons naar een loopbrug over een riviertje. Dan begint het te regen. Eerst proberen we te schuilen onder een geplukt bananenblad. Als kind las ik Suske en Wiske, die deden dat ook. Ik dacht: dat ga ik ook een keer doen. Verderop zien we een poeltje, helder water, visjes zwemmen in het natuurlijke aquarium, er is niemand in de buurt, wat kan ons het schelen, kleren uit en plons! Als de regen ophoudt drogen we ons af en vervolgen de wandeling. Onderweg laat Karins zool bij de neus van de schoen los. Het elastiekje van een mondkapje biedt soelaas. Dan begint de zool ook achter los te laten. Het tweede elastiekje eromheen. Ook de andere schoen, van een gerenommeerd merk, krijgt hetzelfde euvel. We offeren nog een mondkapje op. Gemankeerd weten we de auto te bereiken, spoelen de modder van ons af en rijden terug naar de baai van Le Marin.

De mangrove naast onze ankerplaats is een magische plek. Een beschutte baai in een baai, met schoon zwemwater, geen zuchtje wind, tenzij er weer een bui overkomt. Tijdens zware stormen knopen zeilers hier hun boten vast aan de mangrovewortels. Vooral tijdens orkanen is het op hoop van zegen en een schietgebedje houden, meer kun je dan niet doen. Sommige boten doorstaan het, andere zijn gezonken en liggen er nog steeds. We schrikken ons een hoedje als we bijna op zo’n gezonken jachtje varen tijdens een tuftochtje met Billy. De boot, ooit een oceaanzeiler, is gestript, alles van waarde of nut is eraf gesloopt, wat rest is de kale romp onder water. Een beetje onheilspellend!

We hebben wel weer eens zin in een echte Sailor’s Bar, zo’n tent waar mannen met baarden en slecht verzorgde gebitten te vroeg aan het bier zitten en wereldzeilers stoere zeilverhalen vertellen. Helaas, die bar hebben we op Martinique niet kunnen vinden. Wel horeca waar goed gevulde portemonnee’s worden geleegd voor meergangen diners, wijn en bier tegen stevig tarief, vakantiegangers van dikke catamarans laten zich verwennen langs menukaarten op Europese standaard. Veel uitgeven in korte tijd, want aanstaande maandag wacht de baas je op in het kantoor.

Na twee weken begint het bij ons te jeuken. Waar zijn we? In de Cariben? Of in Frankrijk? Zijn we, zeilend in het kielzog van de ontdekkingsreizigers van weleer, zoals we onze reis een tikje pretentieus hebben aangekondigd in maandblad Zeilen, bezig aan een avontuurlijke reis langs Caribische eilanden? Of lummelen we wat rond, zoals de gemiddelde vakantieganger in augustus in Frankrijk? De Creoolse cultuur lijkt verstopt achter borden van de Europese Unie, hier delft de reggae het onderspit tegen de verleidingen van westerse welvaart. Zo langzamerhand is het tijd om door te zeilen naar de volgende bestemming.

Eerst varen we nog een keer met Billy de hoek om, naar ankerplek Saint Anne. Een paar honderd boten liggen hier voor anker bij dit stadje. Ook Thomas, de Nederlands sprekende Duitse welzijnswerker die we in Trinidad hebben leren kennen, ligt hier. We hebben al aan aantal keren afgesproken en ook nu drinken we een paar biertjes op het dorpspleintje. Terwijl we de afhaalpizza’s verorberen, spelen zeilerskinderen met lokale leeftijdsgenootjes, ze scheuren op skateboards en fietsjes over het pleintje, zigzaggen tussen nietsvermoedend publiek, botsen af en toe tegen iemand op, de dorpszwervers drinken hun sterke drank op het laatste bankje, een stelletje ernaast, een bejaard echtpaar op de volgende, het is van alles wat door elkaar. Het is een uiterst charmant plaatsje en met het katholieke kerkje – Franse stijl – in onze rug bespreken we van alles. Thomas heeft geen huis, alleen zijn boot. Wat is thuis? Een huis of een gevoel? Wat is rijkdom, materieel bezit of vrijheid? Het is een fijne avond die eindigt met de voorspelling dat onze koersen wel weer zullen kruisen en dat ook dan het bier weer koud staat.

Het waait die ochtend harder dan voorspeld. Komt vaker voor in deze regio, een tijdelijk verschijnsel, die wind gaat wel weer liggen. We gaan ankerop, Karin aan het roer, ik haal de ankerketting binnen. Dan wordt de boeg gegrepen door de wind, het lukt Karin niet de boot in de wind te houden en we liggen dwars op de wind. Ik haast me terug naar het roer, geef een dot gas, stuur in de wind. ‘Waar is het bolletje?’, roept Karin. Dat boeitje zit ergens onder de boot. Verdomme. Dat ellendeding, ik had niet zo dicht erbij moeten ankeren. Ik had tijdens het ankeren niet zo gemakzuchtig moeten zijn! Dan floept de rode bal onder de boot vandaan, maar het kwaad is geschied: het ding zit vast aan ons anker en de ankerketting. Vloek. Vloek! Op mezelf. Wat nu? Ik probeer het anker en de rode bol omhoog te krijgen, maar het is te zwaar voor de ankerlier. De wind sleurt ons naar een ondiepte en we sleuren het rode onding mee. Ik haast me terug naar het roer, geef extra gas, ten koste van alles moeten we voorkomen dat we op de grond lopen. Als ik probeer een plannetje te maken, ik overweeg al het anker op te geven en los te maken, terwijl Karin oppert om de rode bol met de pikhaak omhoog te trekken, dan komt de buurman met zijn bijboot aangescheurd. Hij kijkt een beetje nors, ‘No English’, ‘Pas de problème’, en haalt vanuit zijn bootje het boeitje uit het water, gelukkig zit er geen betonblok onder maar een ankertje dat hij los weet te krijgen van onze ankerketting. Dit loopt met een sisser af. ‘Merci beaucoup monsieur’,  roep ik hem na als hij weer wegscheurt. Nors, maar zeer behulpzaam!

We motoren naar de bunkersteiger, waar we de watertanks vullen, en gaan dan op weg. Ik neem me voor op de volgende ankerplek voorzichtiger te zijn, doordachter te werk te gaan. We laten de baai van Le Marin achter ons, gevolgd door een houten tweemaster met een donkere rookpluim van slecht verbrande diesel achter zich. Ik herinnerde me het verhaal van zo’n schip dat hier gezonken was tijdens de vorige zware storm, weer is gelicht en opgeknapt. Zou dat dit schip zijn? Zo veel zeilschepen, zo veel verhalen en kleine en grote drama’s; ons gehannes met het rode bolletje steekt er gelukkig magertjes bij af.

De zuidkust van Martinique is rommelig vaarwater. Met de wind in de rug en geen zijwaartse druk op het zeil, maar met golven die van alle kanten komen, worden we door elkaar gehusseld. De tweemaster kruist af: zigzaggend met de wind mee. Zo waggelt het minder. Ik volg dat voorbeeld. We ronden de zuidkaap en een uurtje later varen we het piepkleine baaitje van Anse Noir binnen. Er liggen maar vier boten, we passen erbij. Anker uit, voldoende afstand van de rotswand en andere boten. Motor uit. Rust. En wat een prachtige omgeving rondom dit baaitje met zwart vulkaanzand! We wilden hier een nachtje rusten, maar blijven drie dagen. We snorkelen boven een gezond koraalrif en maken een wandelingetje in de buurt. Dan is het tijd om verder te gaan, naar de meest noordelijke ankerplek van Martinique, Saint Pierre, springplank naar het volgende eiland Dominica.

Anse Noir was goed beschut. Als we op zee zijn merken we pas hoe hard het waait. Uit voorzorg waren we met een dubbel rif vertrokken, maar met de 25-30 knopen had een derde rif in het grootzeil het zeilcomfort verhoogd. We gaan wel als een speer, Catherine klokt 8 knopen, razendsnel voor deze gezette dame op leeftijd. Dan zijn we bij Saint Pierre, we gooien een kilometer van het plaatsje – lekker rustig – het anker uit in 7 meter diepte, en schommelen vredig met een rood wijntje en olijven in de aanslag in de avondzon.

De wereld is een wonderlijke plek. Dat laat Saint Pierre zien. Het was de hoofdplaats van de Fransen op Martinique, een bestuurlijk centrum en levendig handelsplaatsje met zo’n 20.000 inwoners. In 1902 begint vulkaan Mont Pelée zich te roeren. Eerst wat gerommel, er zijn wat overstromingen, modderstromen, maar ach, dat gebeurt wel vaker. En dan, in een keer, een enorme explosie: de vulkaan barst uit, ontploft, en het hele plaatsje is in een oogwenk verwoest. Vrijwel iedereen komt om het leven, behalve een veroordeelde die is beschermd door zijn gevangenis. Saint Pierre is weggevaagd, de bewoners verhuisd naar het hiernamaals. Wij lopen door het stadje, achter de boulevard liggen de ruïnes; er is geen mens, tropische bomen overwoekeren de vernielde bouwsels uit de koloniale tijd. Saint Pierre is een soort museum, een vergeten spookstadje, een stille getuige van de kracht van Moeder Natuur. Voor het strand liggen over een strook van meer dan een kilometer tientallen wrakken, bijna allemaal schepen die zijn gezonken door de uitbarsting. Een zo’n schip ligt op zwemafstand van onze ankerplek. We drijven erboven met onze snorkelsets. Al snorkelend lopen de kriebels over mijn rug bij het zien van het dek en de spanten. Een scheepswrak boezemt ontzag in. Ik neem me voor bij onze volgende oversteek, naar Dominica, extra voorzichtig te zijn.

Eric

 

 

 

 

 

 

2 thoughts on “Martinique, Cariben of Frankrijk?”

  1. Leuke blog hoor! Dat met dat bolletje was wel een spannend verhaal geweest tijdens onze rum punches ! Hopelijk tot snel ziens in Martinique !

  2. Heerlijk te lezen, alle mooie en stoere verhalen. Ik ben weer opgeknapt en mag morgen uit quarantaine . Wat een wereld van verschil zo. Geniet nog even, tot snel ziens!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *