Trinidad – Grenada: komen en gaan

 

Carriacou, Grenada, 24 maart 2022

‘Eriek!’ Ik lig ondersteboven in de motorruimte, in een onmogelijke houding, onderzoek een langzaam druppelende diesellekkage, en herken het Franse accent van Laurent. Hij vraagt zich af wanneer we nou echt klaar zijn om het water in te gaan, of de belangrijkste klussen nu toch echt gedaan zijn. Ik vraag me hetzelfde af bij zijn boot. Wanneer is hij vaarklaar? ‘Eriek, can you help me with my engien?’ Tuurlijk, ik ben nooit te beroerd een helpende hand uit te steken, maar ik moet zelf nog flinke stappen zetten om de kluslijst te verkorten tot aanvaardbare omvang. De lijst is lang. Nieuwe oven installeren. Motorsteunen verstevigen. Motor kleine beurt geven. Bilgepomp aan de praat krijgen. Verstaging nalopen en afstellen. Nieuw anker vastmaken en een plek vinden voor het oude, dat dienst gaat doen als reserveanker. Autopilot repareren. Accu’s vervangen. Andere klussen zijn geklaard: antifouling zit erop, 200 meter beschimmelde lijnen gewassen, nieuwe pakking in de schroefaslager. De nieuwe putting van de voorstag zit er ook op. De oude was midden op de oceaan afgebroken, een pittig stressmoment, het had zomaar onze mast kunnen kosten, lees een eerder blog daarover en ons artikel in Zeilen magazine. Omdat dit blog beperkt is qua lengte, hou ik het hierbij, maar de kluslijst is veel langer met kleine en grotere klussen. Daar ga ik dan de rest van de week mee verder om de week erop zeilklaar te zijn. Een beetje druk staat er wel op de planning, want Liselot staat te popelen om te vertrekken. Zij heeft vijf weken voordat ze aan haar nieuwe baan begint.

Einde middag kijk ik met Laurent naar zijn proefdraaiende diesel. Het ding loopt na wat aanvangsproblemen prima. Ook een Westerbeke, net als de mijne, verguisd in Nederland, waar Yanmar en Volvo Penta de voorkeur krijgen, maar erbuiten hoor ik er vaak goede verhalen over. De mijne pruttelt na een revisie al een paarhonderd uur goed door. De Amerikaanse marine schijnt grootafnemer te zijn van ‘Westerbiek’. Dat zal toch iets zeggen? Als de proefdraai klaar is, zegt Laurent: ‘Eriek, tonight barbeque?’ Goed idee. En zo wisselt het harde werken zich af met aangename momenten van ontspanning. ’s Avonds wisselt ons groepje zeilers onder de mangoboom hun ervaringen uit, veel details over klusproblemen, ook inspirerende verhalen over mooie zeilbestemmingen en ankerplekjes. Laurent vertelt nogmaals zijn verhaal: in Guyana is hij ’s nachts aangevaren op de rivier door een flink schip, met forse averij tot gevolg. Voor zijn vrouw was deze ervaring zo traumatiserend dat ze niet meer verder wil zeilen. Elke zeiler vertelt zijn of haar verhaal, het bier staat in een emmer met ijs, de barbecue gaart grote lappen vlees waar onze vegaburgers en aubergine schril bij afsteken. Ik speel ‘Blue Sunday’ op m’n gitaar, Braziliaanse Gui trommelt mee op z’n bongo’s, de Pool van de catamaran rammelt mee met een muziek-ei, men eet, men zingt, men drinkt, ouwehoert, neemt een haaltje van een rondgaande joint, een scheutje rum, de honden van de werf komen ook even buurten, het is een mooie avond.

Op een ochtend schrikken we van het nieuws over Oekraïne. Oorlog, vooral in de vorm van ordinair Europees landjepik, was toch iets van de vorige eeuw? Hier in de Cariben lijkt het allemaal zo ver weg, maar het is dichtbij. Wat gaat dit brengen? Een bevriend Russisch zeilersstel loopt verslagen rond, ze vinden het vreselijk. Ze maken zich zorgen over hun zoon in Moskou: straks wordt hij opgeroepen voor het leger.

De dagen gaan voorbij op de werf van Peake. Dan breekt de dag aan dat Catherine te water gaat. Nog een paar dagen later, een afscheidsbarbeque en dan is het zover. De dag van vertrek is aangebroken. We kienen ons vertrek zo uit dan we de stroom van een paar knopen mee hebben in de Boca del Monos, de smalle doorgang tussen het eilandje Monos en Trinidad. Eerst maar eens het krappe haventje van Peake uit zien te komen. Onze nieuwe vrienden lopen spontaan uit om een handje te helpen met de lijnen: meer hulp dan lijnen. Thomas, de goedmoedige Duitser, hij heeft me gitaar zien spelen zonder plectrum en geeft me er een mee (‘you may need this’), De Portugese Tini met haar schattige zoontje van anderhalf Cairi, natuurlijk is daar Laurent, een omhelzing, een foto, wees voorzichtig, de havenmeester, de buurboten, iedereen zwaait en roept. Bye! Take care! Fair winds!

We varen de kom uit, varen nog even langs Gui, vader van Cairi, dan is het afscheid gedaan en zetten we de knop om. Reddingsvesten aan. Naar het dek, zeilbandjes eraf, zeilen hijsen, stootwillen naar binnen, Catherine gaat na bijna twee jaar weer de zee op. De motor blijft aan als we door de Bocas sturen. We zetten ons schrap, om de hoek is de Caribische Zee, daar wacht de wind op ons, is stroming, kan het opeens tekeer gaan. En dat doet het ook. De golven komen aanrollen vanaf de oceaan, ze zijn kort met witte koppen, dit is geen zondagmiddagtochtje op de Grevelingen, dit is aanpoten. Catherine wordt opgetild, krijgt niet de tijd om van de steile golven af te glijden, de boeg komt geheel uit het water en we knallen op het golfdal. Boem! En nog een keer, en nog een keer. Catherine krijgt het na twee jaar rust gelijk flink te verduren. Kaboem! Liselot houdt de boot op koers, terwijl ik de windvaan aan de praat probeer te krijgen. Hoe werkt dat ding ook al weer? Ik had alles klaargemaakt, maar blijkbaar heb ik iets verkeerd gedaan. Catherine draait op de vaan als een dronken banaan alle kanten op. Pas na een half uur, of nog langer, kom ik erachter: we hebben een jaar lang wind mee gehad, nu komt de wind van voren, het kwadrant staat 180 graden gedraaid. Links wordt rechts, stuurboord wordt bakboord. Ik herstel mijn denkfout en Arie stuurt Catherine als vanouds rechtsdoor. Pfff… nu hebben we tijd om de zeilen te trimmen, te navigeren, allerlei dingen en lijntjes te controleren of af te stellen. Om eerlijk te zijn: het is pittig. Boem, we knallen voor de zoveelste keer in een golfdal. Als schipper moet ik positiviteit en controle uitstralen, ik denk dat ik dat doe, maar van binnen hoor ik mezelf zeggen: het wordt een vermoeiend ritje. Terwijl ik doodmoe van klussen, regelen en te korte nachten van een lichte spanning aan deze tocht ben begonnen. Ons vertrek een dag uitstellen was geen optie, want de wind trekt de komende dagen verder aan. Even doorbijten dus. Karin heeft het moeilijk, het pilletje helpt niet, ze is katterig, trekt zich terug. Liselot is een kei, samen krijgen we Catherine op een aangenamere manier op koers. Het gaat steeds beter, naarmate de zeebodem dieper ligt, worden de golven iets minder steil en kort, Catherine krijgt er ook meer plezier in, de ware wind is van een vlagerige 25 tot 30 knopen (6 a 7 Beaufort), afgezwakt tot een gelijkmatigere 20 knopen. We zeilen hoog aan de wind, Grenada lijkt net bezeild, het gaat erom spannen of we onze bestemming halen zonder laveren. Dan zeilen we de nacht in. Liselot gaat slapen. Ik ben alleen in de donkere nacht.

Aan de horizon doemt een rood licht op: olieplatform. De komende uren zal die langzaam voorbij glijden, terwijl wij met een vaartje van vijf knopen richting Grenada gaan. Het is twee jaar geleden, maar de nachtwacht voelt vertrouwd en aangenaam. De wind zwakt verder af. Windvaan Arie doet z’n werk, ik zet de wekker die me elk half uur wakker maakt, ik sta op, kijk rond, kijk op de AIS of er schepen in de buurt zijn. Dan zoek ik weer de beschutting onder de buiskap en dommel weer in. Dit ritme van de nacht voelt prettig en kan ik lang volhouden. Dan neemt de wind verder af tot 10 a 15 knopen. We zijn met de werkfok ondertuigd. De stroom zet ons weg, zo is Grenada niet bezeild. Ik zie het nog een uurtje aan, als ik Liselot aan dek roep, want ik ga liever niet in mijn eentje in het donker naar voren, ook al ben ik aangelijnd. Even later is de grotere genua gebold, neemt de vaart toe en gaan we weer lekker.

De laatste paar uur wordt duidelijk dat we moeten gaan kruisen. Helaas. De stroming, in deze regio heel matig gedocumenteerd, is sterker westelijk dan verwacht en gehoopt. Het wordt een ploeteren tegen wind en stroming in, maar dan naderen we vroeg in de middag toch echt de hoofdstad van Grenada: St. George. We ankeren niet maar grijpen een bolletje, maken onze lijn eraan vast en besluiten lekker te gaan rusten. Klotsend op de milde deining zien we een zonsondergang uit duizenden. Onze eerste oversteek zit erop.

De dag erna lopen we door het vriendelijke en oud-koloniale stadje, klaren in, kopen lokale simkaarten, doen boodschappen en zetten koers naar de drukste ankerbaai van Grenada: Prickley Bay, want hier kan Liselot eindelijk haar surfboard gebruiken. In Prickley Bay is het zeilleven eigenlijk een beetje saai. Veel zeilers hangen hier langere tijd rond, of komen zelfs de baai niet meer uit. Het brengt een wat saai ons-kent-ons sfeertje met zich mee, we voelen ons niet uitgenodigd om ons te mengen. Wel maken we een wandeling naar de volgende twee baaien en Hog Island. Hier liggen ook tientallen zeilboten, maar hangt een totaal andere sfeer! Hier hadden we liever geankerd, achteraf bezien. Geen luxe restaurants, maar twee of drie geïmproviseerde stalletjes waar je op een boomstronk je biertje drinkt. Jongeren dansen op muziek, lachen als het begint te regenen, een groepje mannen leegt een stapel zeeappels, waarvan de binnenkant blijkbaar eetbaar is. Nooit geweten! We babbelen met een Duitse dame van middelbare leeftijd, ze is hier al vijftien jaar, trots wijst ze op een bescheiden bootje: ze is sinds vorige week de eigenaar.

Het is tijd om het binnenland in te gaan. We pakken een minibusje, de chauffeur rijdt als een dolle over de slingerwegen en zet ons af bij Grand Etang National Park. Daar lopen we een modderpad op en beklimmen de Mount Qua Qua, de een na hoogste berg van het eiland. Bovenop zien we aan de ene kant de oceaan, aan de andere kant de Caribische Zee. Indrukwekkend! Het is een glij- en modderpartij van jewelste, we komen bruin en gebutst terug bij het bezoekerscentrum, waar de waterkraan en zelfs een douche ons toonbaar maken voor de busrit naar beneden.

We zeilen verder, houden de vaart erin want Liselot heeft dan nog maar een dag of tien. We stoppen bij het onderwaterpark, een beeldentuin op de zeebodem. Die avond ankeren we in de prachtige Halifax Bay. Het is geen kleine baai, maar aan twee kanten hangen leidingen over het water, liggen enkele scheepswrakken en in het midden is het nogal diep. We zoeken de zijkant op. Het is de eerste keer dat ons anker serieus op de proef wordt gesteld, met een rotswand en -bodem op dertig meter afstand. Spannend. Gelukkig graaft de Kobra zich goed in en Catherine ligt vast.

Na een eerste duik vaart een catamaran de baai binnen. Het is de ‘Amazing’, met Nieuw Zeelandse/Australische bemanning, die dezelfde route volgt als wij. We hebben ze ontmoet in Trinidad, in Prickley Bay en nu Halifax. Zo is het zeilen in de Cariben: een komen en gaan van bekende boten. In Trinidad en Prickley Bay troffen we Shady Lady, kompanen in Charlotteville, Tobago, tijdens de eerste, chaotische maanden van de coronapandemie.

We  maken ons klaar voor de korte oversteek naar Ronde Island, niet veel meer dan een flink rotsblok. Het basalt is opgestuwd door de ernaast gelegen onderwatervulkaan Kick ‘em Jenny. We mogen niet te dicht bij de krater varen, maar zeilen wel over de hellingen. Boven de krater kunnen gasbellen naar boven borrelen, als je daar vaart met je bootje, dan zak je naar beneden en is het afgelopen. Rondom het eiland is flinke stroming, we zetten de motor bij, het is even vervelend hotseklotsen, maar dan laten we het anker vallen in de beschutting van het eiland. We nemen een duik, koken een heerlijk maaltje, trekken een biertje open bij zonsondergang. De dag erop varen we bijboot Billy II (Billy I is niet meer) het strandje op, we banen ons een weg tussen het struikgewas, cactussen en lianen omhoog. Dan staan we op de berg, kijken over de baai. De enige andere boot vaart net weg, dan zijn we alleen op dit eiland. Aan de horizon vaart Amazing voorbij, die treffen we later wel weer.

 

Die middag gaan we door naar Carriacou, ter grootte van Schiermonnikoog, tien zeemijl verder. Het wordt een mooie zeildag. Zo kan het dus ook, geen gebeuk en geram op de brekende golven, maar een vriendelijk vaartje over een blauwe, niet te hobbelige zee. We moeten wel opkruisen, zo worden de tien mijlen er twintig, als we in de namiddag Tyrell Bay binnenvaren. Na een dagje rondkijken en borrelen met Amazing varen we in een uurtje tijd naar het onbewoonde, piepkleine Sandy Island. Daar hangen we een paar dagen rond, snorkelen, hangmatteren, een stukje rennen op het witte strand en met Amazing een avond een vreugdevuur van palmtakken, gepofte vis en aardappelen, we spelen gitaar, de rumpunch is heerlijk, en dan varen we met Billy rond middernacht, de halve maan is inmiddels opgekomen, terug naar Catherine. De volgende dag, een beetje brak, wandel ik over het strand als een viertal vrolijke lokale dames in bikini me aanspreken. ‘Taking a stroll? Could you take a picture of us?’ De vier gaan er goed voor staan, ze genieten zichtbaar van dit dagje uit. ‘I will take another photo form a different angle’, zeg ik, als me een paar meter verplaats. De ondeugendste van het stel heeft er zin in: ‘Different angle? I will show you a different angle!’ Ze draait haar volle achterste naar de camera en bukt voorover. ‘Is this the right angle?’ De dames gieren het uit en bedanken me voor de foto.

Dan wordt het tijd om te bunkeren in Tyrell Bay. We nemen afscheid van Amazing, varen weg van Sandy Island, rollen de genua uit, zeilen de hoek om, als een jacht ons nadert. Opmerkelijk: een zeilboot zonder mast. We besteden er verder geen aandacht aan. Een paar uur later, als we dobberen in de baai, vaart een bebaarde man in een bijbootje langs. Ik herken de houding en het postuur. ‘Laurent!’ Wat doet hij hier? Hij draait zich om, stuurt zijn dinghy naar ons. Ik steek twee duimen op. Hij antwoordt met één duim naar beneden. Laurent, normaal gesproken de vrolijkheid zelve, kijkt bedrukt. Als hij in de kuip zit, voorovergebogen, doet hij zijn verhaal. Onderweg van Trinidad naar Martinique sloeg het noodlot toe. Vier uur ’s nachts hoorde hij een knal. Hij stond op en was verbijsterd toen zijn mast was omgevallen en in het water lag. Afgebroken als een luciferhoutje. Hij inspecteerde zijn boot: geen lekkage of verdere schade. Dan is hij uren bezig de stagen los te maken om de mast in zee te laten zakken. Vervolgens motort hij verder en belandt in Carriacou. Hij heeft geluk gehad, de mast had op hem kunnen vallen, dan had hij dit niet kunnen navertellen.

Zeilen lijkt soms makkelijk, in harmonie met de elementen. Soms is het uitdagend, met harde wind en hoge golven. Soms is het gevaarlijk, als het materiaal het begeeft. Dan heb je geluk nodig. Zoals Laurent, en zoals wij, toen onze voorstag los schoot midden op de oceaan. Laten we hier maar niet te lang bij stilstaan. We nemen vandaag afscheid van Liselot en ons avontuur gaat dan verder. Dag lieve schat, het was heerlijk je een maand aan boord te hebben. Liefs!

Eric