Eilandhoppen in de noordelijke Cariben

Statia, 10 juni 2023

Met een straf windje in de rug kruisen we de zeestraat tussen Les Saintes en Guadeloupe af. Met Catherine’s zeilen eerst over bakboord, daarna langs de zuidkust over stuurboord. Na een uurtje glijden we langs de westkust van het Franse overzeese departement. We zijn een tikje teleurgesteld: geen mooie ankerbaaien, stranden of beschutte plekjes. De jachthaven ziet er ook niet uitnodigend uit, waren we sowieso niet van plan, dus we zeilen door. We hebben onze hoop gevestigd op Petite Anse, op de kaart een kleine, beschutte baai. We varen naar binnen, zien een wit strandje, er ligt een handjevol zeilboten, hier gaan we ankeren. Hopelijk kunnen we ergens water vinden om onze vrijwel lege tanks te vullen. Ik vraag het aan een voorbijvarende man in een padvinderskostuum in z’n bijbootje. Er is een kraan op de kant. De man stelt zich voor als Thomas en is een hulpvaardige Duitser. Hij past op een catamaran in de baai, woont op een berghelling in een hutje, verzorgt daar wat zwerfhonden en katten en leeft van een klusje hier en daar. Onze versvoorraad is op en Thomas rijdt Karin met z’n autootje naar de super. Hoe aardig! Kom daar maar eens om in Rotterdam. Natuurlijk geven we Thomas een mooie fooi voor zijn spontane aanbod.

De volgende ochtend roept de man van de duikschool vanuit zijn rubberboot naar iedereen die het wil horen: ‘Dolphins!’ Twee dolfijnen zwemmen de baai in, een grote en een kleine, moeder en haar jong. Als ze twee rondjes hebben gezwommen spring ik met de actiecamera het water in, wie weet blijven ze nog even. En dan gebeurt het wonderlijke:  de dolfijnen blijven in de buurt, ik kom heel dichtbij, ze zwemmen langs en onder me door, Karin is er inmiddels ook en zij ziet de dieren op twee meter afstand. Ze schrikt zelfs opzij omdat ze zo dichtbij zwemmen! Het is een prachtige, indrukwekkende ervaring. De meterslange moeder kijkt ons in de ogen, het jong drinkt af en toe bij haar, het is een schitterend schouwspel.

We zijn gelijk verliefd op de baai. De aardige Thomas, de dolfijnen, en het krakkemikkige restaurantje (‘bonsoir mes enfants’ zegt de bejaarde uitbater als we op mijn 61e verjaardag aanschuiven op de houten bank), het is zo gastvrij en lekker ongedwongen. Petite Anse is onze uitvalsbasis. We huren een auto en trekken de bergen in. In dit zuidelijke deel van Guadeloupe, Basse Terre, domineert de vulkaan Soufrière het landschap. Wij rijden erheen en beginnen aan een wandeling (‘difficile’) naar de watervallen die van de steile hellingen naar beneden storten, de Chutes du Carbet. Net als op Martinique zijn de wandelingen keurig gemarkeerd, dankjewel Europese Unie, maar dat maakt de tocht er niet minder zwaar op. Het begin is vlak en met vlonders toegankelijk gemaakt, het laatste stuk is klauteren op handen en voeten over de rotsblokken, soms hangend aan de hulptouwen. Vooral Karin heeft het zwaar als ze last krijgt van haar kniebanden, een oude sportblessure. Maar ze bijt door de pijn heen en krijgt de beloning van een waterval van meer dan 100 meter hoog. De natuur is overweldigend en indrukwekkend, gister met de dolfijnen, nu bij de Chutes.

Maar de geschiedenis die we de volgende dag opzoeken maakt mogelijk nog meer indruk. Het slavenmuseum in hoofdstad Pointe-à-Pitre is beroemd en geprezen, het werd in 2017 verkozen tot Europees museum van het jaar. Het verhaal van slavernij wordt van A tot Z verteld, heden en verleden, op verschillende continenten en bij meerdere culturen. Misbruik en slavernij is van overal en alle tijden, maar de industrieel opgezette slavenhandel door de West-Europese landen krijgt in dit Memorial ACTe logischerwijs de meeste aandacht. De verschrikkingen van toen staan in schril contrast met de gastvrijheid die wij hier in de Cariben dagelijks ervaren van de nazaten van al die mensen die dit onrecht generaties lang hebben moeten ondergaan. Tegen onze regering zouden we willen zeggen: bied nou eindelijk eens die excuses aan. We rijden terug naar onze Catherine door Pointe-à-Pitre, een spookstad op zaterdag. In de uitgestorven straten zien we de fraaie Creoolse straatkunst, die we na vandaag niet los kunnen zien van het verleden.

Karins knie hindert haar te erg om de dag erop mee te lopen naar de top van de Soufrière. Bij het beeldje van de Maagd van Guadeloupe, de beschermheilige van Latijns Amerika, keert ze om. Ik loop in mijn eentje naar de top en merk dat het een heel andere ervaring is om alleen te lopen. Het loopritme gaat bijna over in trance, gedachtes gaan de vrije loop en er komt voor het eerst deze reis weer eens een ideetje op voor een nieuw liedje. Ik pak mijn phone en maak snel wat notities, hopelijk genoeg om later de muziek opnieuw te kunnen oproepen, want die cd waar we in Nederland aan werken als ik terug ben moet ook eens af! Ideeën zijn vluchtig, je moet ze pakken voor ze weg zijn. Op de top van de Soufrière is niet veel te zien, flarden koude mist bezorgen een prettige sensatie na maanden tropenhitte, maar hinderen het uitzicht op de krater van deze actieve vulkaan.  In 2017 trokken orkanen Irma en Maria over het gebied, enkele wandelroutes werden toen onbegaanbaar, maar mijn route is goed aangegeven en begaanbaar. Eenmaal terug aan de voet van de berg tref ik Karin. We nemen het ervan in het thermische bad, verwarmd door de vulkaan, en rijden daarna het steile, kronkelende bergweggetje af, terug naar Catherine in de baai.

Na een weekje in Petite Anse is het tijd om te gaan. We gaan nog een keer eten in het restaurantje (‘la même poisson, la même dessert, la même vin blanc, la même femme?’ grapt de gastheer/ober/kok) en we gaan de volgende dag ankerop. Dag Petite Anse, hallo Deshaine. In dit leuke stadje hangen we een paar dagen rond, bezoeken de markt en de lokale loodgieter die ons hopelijk aan wat onderdeeltjes voor de lekkende douchekraan kan helpen. ‘Non’ luidt zijn antwoord op elke vraag die ik stel. Heeft u een koppelstukje? Een doucheslang? Een andere oplossing? Een suggestie wellicht? ‘Non’. Ik geef het op, niet iedereen is aardig en behulpzaam, en zit even later met Karin aan een koud biertje. De dag erop wandelen we naar de heuveltop en dalen aan de andere kant af naar een vrijwel verlaten strand. Dan trekken we de conclusie dat het tijd is om verder te zeilen. De kalender is onverbiddelijk, het orkaanseizoen komt eraan en we willen nog veel meer noordelijke eilanden bezoeken voordat we in juli naar het orkaanveilige Curaçao afdalen.

In 1997 zat ik naar het NOS Journaal kijken, toen de beelden van een allesverwoestende vulkaanuitbarsting de huiskamer bereikten. Wat een natuurgeweld! Deze vulkaan Soufrière – er zijn meerdere Soufrières in de Cariben –  op Montserrat werd in 1995 opeens actief. Iedereen werd door de eerste uitbarsting verrast. Na een volgende klap in 1996 volgde in 1997 een enorme explosie. De bergtop spatte uit elkaar. Alle bewoners van het hoofdstadje Plymouth waren geëvacueerd, toch is het een wonder dat er niet meer dan 19 doden vielen. Die tv-uitzending voedde mijn ontzag voor natuurkrachten en -geweld en Montserrat staat er symbool voor. Nu hebben Karin en ik vanaf Catherine Montserrat in het vizier, terwijl een stevige 6 Beaufort ons gereefde zeilbootje naar de zuidwestpunt blaast. Van verre zien we al de glooiende helling die is gevormd door de lavastromen. We zien ook de ruïnes van het verwoeste Plymouth. Die middag gaan we voor anker in Rendezvous Bay en klaren in. Het lukt ons om met onze buren, een stel dat vanuit de Falklands hierheen is gezeild, mee te gaan op excursie. Spoorslags worden de permits geregeld door onze gids Sun, die opgroeide in Plymouth en ons de plekken uit zijn jeugd laat zien. Daar, de bibliotheek. Kijk, hier woonde ik. Daar, de stadsklok waar alle jongeren ’s avonds elkaar ontmoetten. ‘Ik heb er zulke fijne herinneringen aan. Er is niets meer van over’, zegt Sun. Hij heeft honderden keren bezoekers rondgeleid, maar we zien dat de verwoesting hem nog steeds emotioneert. Daar, zegt hij, zie je de bovenste van zes etages van een hotel. De onderste vijf lagen zijn verdwenen onder as. Tweederde van Montserrat is verwoest en verboden gebied. De vulkaan slaapt, kan weer actief worden en houdt het eiland in de houdgreep. Hoe moet het nu verder met Montserrat? ‘We are living in limbo’, zegt Sun.

Op het leefbare deel van Montserrat bruist het eiland. De ontzettend vriendelijke bewoners laten zich niet kisten. Velen hebben jaren doorgebracht op andere eilanden of zijn naar Groot-Brittannië geweest en weer teruggekeerd. Niet iedereen kwam terug, de eilandbevolking is na 1997 gehalveerd, maar de mensen die wij ontmoeten hebben de draad opgepakt. Voor jongeren is het natuurdrama iets uit het verleden. Ze weten niet beter. Het toeval wil dat precies op de avond van ons bezoek aan Plymouth een BBC-documentaire in première gaat, die vrijwel  gelijktijdig op de BBC-tv en in het culturele centrum op Montserrat wordt vertoond. Keurige dames en heren en netjes geklede kinderen bezoeken de voorstelling in het gebouw dat is gedoneerd door George Martin. Kent u die nog? Hij was de producer van de Beatles. Hij had in de jaren tachtig een muziekstudio op Montserrat. Talloze sterren hebben hier muziek opgenomen: Paul McCartney, Dire Straits (Brothers in Arms), The Police (Synchronicity) en nog vele, vele anderen. Er is een documentaire over gemaakt: Under the volcano. Na het vulkaangeweld organiseerde George Martin een benefietconcert en van de opbrengst is onder andere dit culturele centrum gebouwd. Aan de wand hangen afdrukken van handen van al die beroemdheden. Opvallend is dat de handen van gitaarhelden veel kleiner zijn dan de mijne!

We verlaten Montserrat. Want wij zijn reizigers, we moeten verder, hoewel we soms het gevoel hebben dat we liever willen blijven waar we zijn. Maar ja. Volgende eiland dat we aandoen na een dagdeel zeilen: Antigua. Een Saint Tropez voor rijke zeilers, dat heeft voor ons het voordeel dat er van alles te koop is voor de boot. We hebben dringend een nieuwe accu nodig. En installatiespulletjes voor die douchekraan. We vinden de spullen direct, vullen vervolgens de watertanks terwijl een protserige Amerikaan met zijn werkelijk enorme catamaran – met de stars and stripes die nog groter is dan hemzelf schreeuwerig wapperend opdat iedereen het moet zien dat hij Amerikaan is, hijzelf staat op zijn apenrots achter het stuur op wel vijf meter hoogte – ons nog even in de weg zit. Wij varen de haven uit, gaan gelijk het hoekje om, naar een stille baai, wat een rust hier weg van de poeha, om vandaaruit de volgende ochtend ankerop te gaan en koers zetten naar Barbuda. Een uur of vijf zeilen.

Barbuda? Nee, niet Barbados, Barbuda. Een stipje op de kaart, het eilandje hoort bij Antigua. Het contrast met het moedereiland kan niet groter. Het is plat, met prachtige kilometerslange witte stranden, in het midden een grote lagune met ongerepte mangrovebossen en een vogelreservaat waar de fregatvogel zich massaal voorplant. Het is oppassen hier in de kustwateren, het gebied is matig in kaart gebracht, de Navionics-kaart waarschuwt om goed uit te kijken voor ondieptes met rotsen en riffen. Karin staat op de punt en ja hoor, recht voor ons doemt een flink rif op, dat we herkennen aan de afwijkende, groenige kleur en waar golven soms op breken. We gaan er met een boog omheen en gooien het anker uit in zandgrond. Het is vrij open, maar we liggen redelijk. We zien de eerste twee dagen helemaal niemand, niet op het strand of het onontgonnen gebiedje erachter. Daar struikelen we bijna over het kadaver van een paardje of ezel. We snorkelen bij het koraalrif waar we omheen voeren: het is het mooiste en gezondste dat we tot nu toe in de Cariben hebben gezien. Dan gaan we iets verder kijken, twee uurtjes zeilen om het westhoekje, in de hoop er iets meer beschutting te vinden.

We varen vlak langs het witte strand, dan passeren we de doorgang naar de lagune. Golven breken, witte koppen, blauw zeewater ontmoet donkerder binnenwater.  De diepte neemt wat af maar blijft minimaal drie meter. Dat is genoeg. Verderop zien we daken, volgens de kaart moet daar ergens onze ankerplek zijn. Als we dichterbij komen zien we dat het de resten zijn van een luxe hotel. Het is in zee gezakt toen orkaan Irma hier in 2017 overheen raasde. Een heel stuk strand is verzwolgen door de zee en heeft het hotel meegenomen, de doorgang naar de lagune is een stuk verbreed. Een groep zwerfhonden blaft ons vanaf het strand tegemoet. Na drie dagen Barbuda hebben we nog steeds geen mens gezien. Catherine ligt inmiddels onrustig maar vast achter het anker. We maken bijboot Billy klaar, want we gaan alvast uitklaren in het hoofdstadje Codrington. Na een paar honderd meter begint de motor te pruttelen en houdt ermee op. We roeien terug naar Catherine. Ik pruts wat aan de motor, vermoed wat water in de carburateur, die ik aftap, en we gaan weer. Even later klotsen we door de opening en varen de lagune binnen. Het lijkt een tropisch Tjeukemeer, groter maar net zo ondiep. Na een half uur knopen we Billy vast aan de kade en zien eindelijk de eerste bewoners. Douane en immigratie zijn in het dorp. Twee stoere jongemannen wijzen ons vriendelijk de weg. Rechtdoor tot de kerk. Yeah man! Als we erheen lopen zien we een troosteloze leefomgeving. Irma heeft hier werkelijk alles weggevaagd. De ene bouwval na de andere, een paar huisjes zijn hersteld, enkele nieuwe zijn gebouwd, de meeste huizen zijn provisorisch bewoonbaar gemaakt. Mannen werken aan de telecommast. Codrington is stoffig, heet, vervuild, maar de mensen vriendelijk. Nadat Irma Barbuda letterlijk met de grond heeft gelijk gemaakt, zijn alle mensen geëvacueerd. Twee jaar lang is Barbuda onbewoond geweest. Dieren bleven achter, zoals die verwilderde honden op het strand, en de ezels en paardjes die nu hun kostje bij elkaar scharrelen in het stadje. Een man jaagt een vermagerd paardje weg: de dieren zijn overbodig en proberen zoals de mensen hier te overleven. Het contrast met de prachtige stranden is enorm. Zal Barbuda er weer bovenop komen? Enkele zeilers bezoeken het eiland weer, maar de paar resorts en hotels die er waren zijn vrijwel allemaal beschadigd en gesloten. Ook nu weer zien we, na Montserrat, dat de natuur niet met zich laat fukken.

Dit gebied, noordoost Cariben, de bovenwindse eilanden, is een toeristische trekpleister. Het is de plaats voor resorts, luxe hotels en afgesloten privé-domeinen voor de beroemden op aarde. Een aantal Caribische eilanden wordt dagelijks platgewalst door de duizenden passagiers van grote cruiseschepen, die als een zwerm muggen bezit nemen van een stadje en dan als een speer weer vertrekken. Antigua, Sint Maarten, Anguilla, Sint Baths bieden de ultieme dreadlock holidays, onder parasols met cocktails en zwembaden. Wij ervaren dit gebied totaal anders. We liggen meestal als enigen in een vergeten baai of aan het strand. Als we wandelen in de heuvels komen we niemand tegen. Er is nog zoveel te ontdekken, meer dan wij in de paar maanden dat we hier zijn kunnen doen. We zijn onder de indruk van wat het natuurgeweld kan aanrichten, maar misschien nog wel meer door de ongelofelijke gastvrijheid en vriendelijkheid van al die bewoners die er op hun eiland het beste van maken.

Dan is er nog één landje dat we aandoen, voordat we  koers zetten naar Sint Eustatius: Sint Kitts and Nevis. Een dag zeilen volgt, halve wind 20-25 knopen, een echte pittige zee. Waar komen opeens die hoge golven vandaan? Heeft het gestormd op de oceaan? We zeilen prima, maar het is behoorlijk hotseklotsen. Einde middag varen we door The Narrows, dat Nevis van hoofdeiland Sint Kitts scheidt. Ook hier weer oppassen voor ondieptes, aldus de vaarwijzer. We ankeren linksaf om de hoek bij het hoofdstadje van Nevis, Charleston, aan de voet de vulkaan. Daar klaren we in. Na de verwoesting van Barbuda is duidelijk dat dit eilandje geluk heeft gehad. De huisjes spik en span, fleurig geschilderd, op straat is het een vrolijk gebeuren. We zitten op het bankje in het centraal gelegen miniparkje, en zien iedereen voorbij trekken: moeders met kindjes, mannen in uniform, de dorpsgek zit naast ons en groet vrijwel iedereen, twee meiden lopen achter hun mobieltje aan, stoere jongens kijken hen na, oma ploft ook even naast ons neer, een passerende suv met boem-boem-speakers probeert indruk te maken, de minibusjes kondigen toeterend hun aanstaande vertrek aan, want we zitten blijkbaar naast de busstop. Hier op Nevis gaat het leven z’n dagelijkse gangetje. Na drie nachtjes koersen we naar Sint Kitts, een uurtje varen tot Shitten Bay. Het is de uithoek van het eiland, hier is geen bebouwing, we horen alleen de geiten op de hellingen. Wij liggen er als enigen, enkele tientallen meters verder ligt een verroest scheepswrak, op de rotsen gekwakt tijdens een of andere storm. Dan komen de dagjesmensen, opeengepakt op felgele catamarans, ze snorkelen een uurtje bij het wrak en zijn weer weg. De volgende dag, als we gesnorkeld hebben bij het wrak, krijgen we bezoek. Een paar bijen houden zich op bij de buitendouche. Dan zie ik een bij terugvliegen naar het land, hij haalt zijn vrienden, en komen er later hele zwermen zich laven aan ons zoete water. Blijkbaar hebben ze dorst in deze droge tijd. Helaas worden het er meer en meer, ze vliegen ook naar binnen, hangen aan de keukenkraan. We raken niet in paniek, maar het voelt onaangenaam, het zijn er te veel. Dan ontdekken we dat we ze met emmers zout water kunnen verjagen. Na een uurtje oorlog tegen de bijen (sorry!) zitten we met een biertje opgelucht in de kuip. Als we de volgende ochtend wakker worden van het gezoem van nieuwe bijenzwermen gaan we ankerop.

We varen de jachthaven van de hoofdstad in. Na Antigua hebben we elke nacht matig geslapen door het gerol van Catherine op de deining. Wat is het heerlijk om na twee maanden weer eens aan een steiger te liggen! We doen wat boodschapjes, kijken rond in het sfeerloze stadje Basse-Terre. We hebben moeite ons open te stellen, we hebben zoveel indrukken opgedaan de laatste weken dat we behoefte hebben aan rust. En vooral: Sint Eustatius, Statia, het eiland waar we tien jaar terug een half jaartje hebben gewoond, een zeer bewogen periode, ligt vlakbij op ons te wachten. Morgen zeilen we er heen.

 

Eindelijk weer zwervend over zee

Het Verdrag van Parijs, in 1815 overeengekomen na Napoleons definitieve nederlaag bij Waterloo, had een aantal verrassende bijeffecten. Eén ervan is dat ik nu aan een ronde, rode Bordeaux, appelation contrôlée, nip, bijgestaan door sneetjes baguette met Blue d’Auvergne en een rijpe, inzakkende camembert. Dit alles aangeschaft in een supermarché op Marie Galante, het Schiermonnikoog van Guadeloupe, het Caribische departement van Frankrijk, dat in 1815 gek genoeg aan Frankrijk werd geschonken, terwijl het land de wonden likte na Napoleons vernederende nederlaag. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, vaak pijnlijk, nu aangenaam. Karin nipt aan haar Chardonney nummer twee, terwijl we terugblikken op de laatste maand hier in de Cariben. Hoe zijn we hier beland, nadat Catherine in Trinidad op 4 april na een flinke klusbeurt te water werd gelaten, terwijl we nooit eerder van Marie Galante hadden gehoord? Of van Les Saintes, waar we morgen heen zeilen?

Het is 14 april, 33 jaar plus één dag nadat Karin en ik elkaar de eerste kus gaven, als we het haventje van Peake uitvaren en we een fase van onze reis afsluiten: in 2020 zijn we door covid in Trinidad beland en werd Peake onze tijdelijke thuishaven. Vandaag begint een nieuw avontuur.  Het is middag, na een half uurtje is ons tochtje alweer klaar als we ankeren in Scotland Bay. Morgenochtend vertrekken we vanaf hier, uitgerust na een nacht tussen brulapen die wonen op de steile beboste hellingen waar geen mens zich waagt. ’s Ochtends check ik alles drie keer; het blijft altijd spannend om na langere tijd weer een overtocht te doen met een nacht op zee. Rond 11 uur starten we de motor, het geknor van het dieseltje klinkt na een grote onderhoudsbeurt geruststellend. Hup, ankerop, we hijsen het gereefde grootzeil, motoren nog even door de Bocas del Dragon en als we deze slangenmuil – door Columbus zo genoemd – verlaten komen de korte steile golven, aanrollend vanaf de Atlantische oceaan, ons tegemoet. Vorig jaar werden we erdoor verrast, maar deze keer zijn we voorbereid. We rollen de genua voor driekwart uit, de motor gaat uit, Arie de windvaan staat ook paraat en voordat we het goed en wel doorhebben, zeilt Catherine zichzelf. Makkelijk gaat het niet: Catherine maakt harde klappen als zij voor de zoveelste keer in het golfdal stort. De hele boot trilt en schudt.

We zijn weer alleen en op onszelf aangewezen, op zee, met z’n tweeën op ons bootje van 11 meter. Het blijft een bijzonder gevoel dat dit zomaar kan. Een zeiltje hijsen en ver, ver weg zeilen. We weten nog steeds niet wat de eindbestemming van ons meerjarige zeilavontuur wordt, wel dat we deze keer koers zetten naar tussenstop Carriacou, zo’n 120 zeemijl verderop. En daarna Guadeloupe.

Ik kijk omhoog, zijn de zeilen goed getrimd? Ook als ik weet dat ze prima staan, kijk ik er duizend keer naar. Had ik deze keer beter niet kunnen doen, want de klep van mijn petje wordt gevangen door de wind en ligt in zee. In een flits denk ik: goeie man-over-boord oefening, snel gevolgd door de laat-maar beslissing. De pet zit vol gaten, met een verroest logo erop en verfvlekken. Ik neem afscheid van de pet die ik al draag sinds ons vertrek uit Nederland in 2019.

Aan de horizon doemt Hibiscus, een groot boorplatform, op. We zijn op onze hoede, want vorige week liep hier een zeiljacht op een onbestemd ding. Boem! In een klap lag de boot stil. Was het een walvis? Of, zoals de schipper vermoedde, een of andere pijpleiding? De boot kwam met een deuk in de kiel maar zonder ernstige averij aan in Chaguaramas. De schrik zat erin, de zeilersgemeenschap raakte er niet over uitgepraat. Wij houden gepaste afstand van Hibiscus.

Het fel verlichte booreiland verdwijnt achter de horizon als de lichtgloed van Grenada dichterbij komt. Rond middernacht zeilen we langs de zuidkust en ronden de zuidwestkaap. Het gebiedje staat bekend als de ‘washing machine’ vanwege de rommelige, ondiepe zee waar stroming en wind een ingewikkelde dans met elkaar aangaan. Vannacht valt het mee, en als we de kaap hebben gerond valt de wind weg. Zoals verwacht, achter elk eiland is de wind geluwd. Motorend gaan we de nacht in en op de motor varen we de nacht ook weer uit. Als de zon opkomt zijn we Grenada gepasseerd, de wind trekt aan, motor uit, zeilen gaan omhoog. We varen over de onderwatervulkaan Kick ‘m Jenny, maar gelukkig is er geen geologische activiteit te bespeuren. Geen gasbellen of gerommel. Twee uurtjes later varen we de baai van het onbewoonde Ronde Island binnen, gooien het anker uit en doen een dutje. Rond het middaguur gaan we weer ankerop en worden we met een stevige Caribische bries naar Carriacou geblazen. Dan zit ons eerste oversteekje erop.

Carriacou voelt als thuiskomen na een lange vakantie. We lopen een aantal bekenden tegen het lijf, collega-zeilers en nemen plaats in bekende restaurantjes. We worden hartelijk verwelkomd, onder andere bij Hard Wood. Een suggestieve naam, met expliciet logo op de gelijknamige boot. Het suggereert een machosfeertje maar drie generaties vrouwen in het bescheiden onderkomen zorgen voor een warm, knus sfeertje. Drie Engelse dames op leeftijd zuipen zich klem, lokale bejaarde mannen bespreken luidkeels de actualiteit van het eiland, twee zeilers uit Rotterdam mengen zich moeiteloos in het gezelschap. ‘Welcome back!’, zegt mevrouw Hard Wood. Haar kleinkind, die we vorig jaar nog als zuigeling een aai over de bol gaven, is nu een goedlachse dreumes en gaat van hand tot hand. Ook Karin geeft het kindje een warme knuffel. Dit is een café, restaurant, buurthuis en huiskamer ineen, zeg ik tegen oma Hard Wood. ‘Yes!’ lacht ze instemmend.

Na enkele nachten in Tyrell Bay en bij Sandy Island ankeren we om de hoek bij Saline Island, waar we zeeschuimer Addy en zijn Annie nog even gedag zeggen. Geweldig dat onze koelkast op zonne-energie zoveel benodigde biertjes kan koelen! Addy heeft er acht rondjes Atlantische Oceaan opzitten, we kwamen hem in 2019 tegen op Porto Santo. De volgende dag is het tijd om te gaan, we zeilen door. Nu gaan we twee nachten de zee op. Bestemming Marie Galante bij Guadeloupe.

Het wordt een voorbeeldig tochtje. 15 knoopjes wind, rustige zee, tijd voor goede gesprekken, gelanterfant en ook koken is nu geen probleem. De equatoriale zeestroming duwt ons in de rug, we gaan harder dan verwacht. Omdat we niet in de nacht willen aankomen op Marie Galante, halen we de vaart uit Catherine. De tweede nacht is magisch: vrijwel windstil, maar nèt genoeg wind om de zeilen te bollen, de zee is volkomen vlak onder een uitbundige sterrenhemel. Catherine glijdt met een slakkengangetje geruisloos over het water dat Dominica en Guadeloupe scheidt. Als de zon opkomt trekt de wind aan, we vinden bij Saint Louis een beschutte ankerplaats. Daar vinden we in de supermarkt alles waar we zo’n trek in hebben. We verplaatsen de boot naar Anse Canot, een prachtige baai met witte krijtrotsen á la Dover. Erachter ligt een rivier. We lopen erheen met de opblaaskano op mijn rug en ervaren weer eens de bijzondere weldaad van zoet water.

Marie Galante is plat en dat is bijzonder in deze door vulkanisch geweld gevormde eilanden. Aan de horizon zien we de bergen van Les Saintes, de volgende bestemming, een groepje kleine eilandjes, bejubeld in de gidsen, populair bij zeilers. Eenmaal daar blijkt het een toeristisch bolwerk van jewelste. Zo anders dan het slaperige Marie Galante, Carriacou en de andere Grenadines! We ontvluchten de drukke strandjes en de toeristenwinkels en lopen de berg op. Opmerkelijk: op deze prachtige wandelroute komen we vrijwel niemand tegen. Het is even afzien, steil, warm, maar op de top is het uitzicht geweldig.

De volgende dag bezoeken we Fort Napoleon, want ook hier heeft het Verdrag van Parijs zijn effect gehad. Napoleon werd verbannen en was in Europa persona non grata. Maar hier, op Terre de Haut van Les Saintes, besloten de Fransen een fort te bouwen en hun voormalig leider te eren die Europa in een poel van oorlogsellende heeft gestort. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, realiseren we ons die avond wederom, als we de Bordeaux en Chardonney ontkurken.