Tobago, Charlotteville 26-03-2020

We gaan even terug in de tijd, een week geleden. Ochtend. We zitten in de kuip, bakje koffie in de hand. ‘Wat zijn onze opties?’ vraagt Karin. De ernst van de Coronacrisis is tot overal in de wereld doorgedrongen. Ook hier, in de Cariben. Voorlopig liggen wij met onze Catherine nog aangenaam in de baai van Charlotteville, Tobago. Een prachtige omgeving, groene heuvels, schilderachtig dorpje, helder en warm water om heerlijk in te zwemmen en snorkelen, honderden visjes krioelen om onze boot, een feestmaal voor tonijnen en dorades, die hier uit pure vreugde een sprongetje maken als ze hun buik hebben volgegeten. Vissers komen elke dag langs met hun vangst: ‘Beautiful tuna today! Lobster Mahi! mahi!’ Nee dank je, vandaag niet, morgen ook niet, nog steeds boert de tonijn op die we op de Atlantische oceaan hebben gevangen. Het is hier prettig, maar als we weg willen of moeten, waarheen?

Ik waag een poging ons overlegje te structureren. ‘Oké, we kunnen vanuit Tobago vier kanten uit: noord-, oost-, zuid- en westwaarts, laten we elke mogelijkheid bekijken’, begin ik. Karin zegt direct: ‘oostwaarts valt af, terug naar Suriname, echt niet. Tegen de stroom en wind in, nee dank je.’ Mee eens. ‘Noordwaarts’,  vervolg ik. ‘Als we noordwaarts gaan, varen we langs al die mooie eilanden die eigenlijk het doel van onze zeilreis waren.’ Elke zeiler droomt ervan: van zuid naar noord langs de Grenadinen met de Tobago Keys, droomeilandjes voor elke ankerende wereldzeiler. Dan omhoog via Sint Vincent, Sint Lucia, het Franse Martinique, Dominica, Guadeloupe, om vervolgens via een boel andere eilandparadijsjes bij Sint Maarten aan te komen. Tegen die tijd begint het orkaanseizoen, en waren we van plan om zuidwaarts te koersen richting Bonaire of Curaçao.

Ik noem noordwaarts tegen beter weten in, want steeds meer eilanden weren buitenlandse boten. De één na de andere reisbeperking gaat van kracht. Karin: ‘Zojuist lees ik dat ook Grenada en Sint Vincent, een van de laatste eilanden waar je als zeiler nog kon inklaren, dicht zijn. Martinique en andere eilanden zijn in lockdown. Hoe verstandig is het om nu die reis noordwaarts te beginnen?’ We weten allebei het antwoord. Niet slim. Als je al wordt toegelaten tot een eiland zal de ontvangst uiterst koeltjes zijn. Twee weken quarantaine, of nog langer. Beperkte toegang tot winkels en voorzieningen. Als die al open zijn. ‘Ik heb er geen goed gevoel bij’, zegt Karin. Ze noemt een paar bevriende zeilers die nu op verschillende eilanden vast zitten. De een ligt beter dan de ander, maar allemaal raden ze ons aan: blijf lekker op Tobago. Hier is nog geen corona gemeld, we kunnen aan land, de winkels zijn vol en de mensen aardig. Alles koek en ei. Maar we kunnen hier niet voor altijd blijven liggen. Er is werk aan de winkel met de boot. De schroefas hou ik de laatste maanden in de gaten. Wellicht moeten de waterkeerringen worden vervangen. Niet acuut, het gaat nog goed. Maar we moeten wel het water uit. Dus gaan we door met de overige opties: zuid- en westwaarts.

Ten zuiden van Tobago ligt Trinidad. Samen vormen ze een land. Trinidad is de geboortegrond van mijn favoriete schrijver V.S. Naipaul, nobelprijswinnaar, een soort Engelstalige Geert Mak die naast knappe non-fictieboeken ook geweldige romans heeft geschreven. Trinidad heeft dankzij Naipaul voor mij altijd een magische klank gehad. Zo gaat hij in ‘A Way in the World’, boek over Trinidad, terug naar de tijd van Eldorado, goudkoorts, Sir Walter Raleigh (hij kreeg Engeland aan de tabak) en zijn eigen jeugd op Trinidad. In het kielzog van Naipaul naar Trinidad, dat lijkt me wel wat. ‘Trinidad?’ opper ik. Het lijkt een mooie oplossing, want Trinidad heeft veel voorzieningen voor zeiljachten, we kunnen de boot op de kant zetten en tijdelijk achterlaten als we naar Nederland gaan. Toch voelt het ook ongemakkelijk. Karin: ‘Er zijn best veel berichten over criminaliteit.’ Ik maak me ook zorgen over Venezuela, dat op enkele mijlen afstand ligt. Toen we vertrokken uit Nederland zei ik: ‘We weten niet waar onze reis ons brengt, ik weet wel waar we met een grote boog omheen varen: Venezuela.’ Toch houden we Trinidad als optie. We bellen met de autoriteiten. Mogen we erheen varen? Dat mag. We bellen met de jachthaven – vol, maar we kunnen op de kant.

Het is inmiddels middag. We nemen een duik, lunchen met mango’s, gisteren gekocht  van de vriendelijke Mr. Dean, een van de zichtbaar arme dorpsbewoners die met verkoop van vruchten uit eigen tuin het hoofd boven water probeert te houden. Vooral verkoop aan toeristen levert wat op. Want andere dorpsbewoners hebben dezelfde fruitbomen in de tuin staan. De laatste toeristen vertrekken met de laatste vliegtuigen, achterblijvers zoals wij – er is maar één andere boot – brengen nog wat geld in het laatje. Die andere boot, de Shady Lady uit Scheveningen, zeilt al meer dan twintig jaar over de wereldzeeën. Menig avond drinken we bier met de bemanning. Hoe lang duurt het voordat bevoorrading van bier en andere levensmiddelen in de knel komt? We zijn een beetje bevreesd dat de sfeer in dit gemoedelijke plaatsje dan wel eens radicaal kan omslaan. Ook daarom willen we een bestemming hebben, waar we heen kunnen als het nodig is en waar we veilig zijn tijdens het orkaanseizoen. Dat staat voor de deur: vanaf juni moeten we ergens in de orkaanvrije zuidelijke Cariben zijn. Of terug zijn in Nederland. Maar dat willen we niet. Andere zeilers overwegen wel die route naar huis. Hun probleem is: de Azoren zijn ook gesloten voor jachten. En zo blijven er steeds minder opties over voor de inmiddels tientallen Nederlandse en andere zeiljachten waar we contact mee hebben of goed bevriend mee zijn. Trinidad blijft daarom plan B.

Na de mango’s van Mr. Dean bekijken we de laatste windrichting: westwaarts. ‘Bonaire! Dat zou ik het liefst willen’, zegt Karin. Het eiland is een bijzondere gemeente van Nederland, evenals de bovenwindse eilanden Saba en Sint Eustatius, ofwel de BES-eilanden. Je zou verwachten dat Nederlandse jachten daar toch welkom zouden zijn? ‘Je weet dat Bonaire dicht is, ook voor ons. We kunnen ons er boos over maken, maar dat helpt niet. Bonaire is gesloten’, zeg ik resoluut. Ons gesprekje over de opties loopt vast, onze stemming wordt sombertjes als we ons realiseren dat ook Aruba en Curaçao dicht zijn. Zelfs voor Nederlandse jachten. Hier, in Trinidad en Tobago, zou onze rondreis door de Cariben beginnen. Maar het lijkt er meer op dat dit het eindpunt wordt.

‘Ik voel me kwetsbaar’, verzucht Karin. Ik ook, maar probeer mijn ongemak voor haar verborgen te houden. Dat gevoel is versterkt door een incidentje enkele dagen terug. Op de terugweg van een bezoekje aan het strand met onze trouwe, maar piepkleine bijboot ‘Billy’, ging het mis. Billy sloeg lek. Een van de twee luchtkamers was geheel leeggelopen, op 50 meter van Catherine sloegen we om. Allebei kopje onder. We kwamen weer boven, Karin was oké, daarna had ik gelukkig de tegenwoordigheid van geest om de kraantjes van de buitenboordmotor, vrijwel geheel onder water, dicht te draaien. Twee Franse buren zagen het, stapten in hun bijbootje en schoten ons te hulp. De twee dagen erna was ik bezig met het oplappen van Billy en de buitenboordmotor. Dat is gelukt, maar we voelen ons sindsdien extra kwetsbaar: we waren afhankelijk van anderen die ons af en toe een lift gaven. Het is niet ondenkbaar dat Billy binnenkort definitief de geest geeft. De laatste druppel lijm is verbruikt. Tuurlijk, er is altijd wel een visser of de fijne mensen van de Shady Lady die ons willen helpen. Maar toch. Als zeiler wil je zelfstandig blijven. De twee Franse boten zijn inmiddels vertrokken naar Trinidad. Hun backup is er niet meer. Shady Lady en wij staan er in Charlotteville nu alleen voor.

Dan peppen Karin en ik elkaar op. We maken ons boos dat landen en eilanden binnen het Nederlandse koninkrijk doodleuk Nederlandse paspoorthouders kunnen weigeren. ‘We moeten iets doen’, zegt Karin. Er borrelt iets. ‘Weet je wat’, zeg ik, ‘we schrijven een open brief, die richten we aan de regering van Curaçao én aan de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, waarin we aandacht vragen voor ons en andere Nederlandse zeilers die in een vergelijkbare situatie zitten. En mocht die brief in een anonieme mailbox verdwijnen: we sturen hem ook door naar de grootste krant van Nederland.’ Karin is duidelijk: ‘Doen we!’ Somberheid en passiviteit slaan om in energie. Ik rammel in no-time die brief in elkaar, zoek op internet wat officiële mailadressen op. Via een bevriende zeiler krijg ik het mailadres van een redacteur van de krant. Hij reageert direct, de volgende dag heeft hij stukken uit onze brief en ons blog tot een artikel gesmeed. Tot onze verbazing, nog voor dat is geplaatst, belt de plaatsvervangend Nederlandse vertegenwoordiger op Curaçao. Een hartelijke, maar krachtdadige stem. ‘We hebben uw brief ontvangen. Ja, we gaan ermee aan de slag. Om hoeveel zeilers gaat het?’ Er ontstaat een hotline met deze fantastische vertegenwoordiging van Nederland. We schatten hoeveel zeilers er in het gebied zijn. 100. Hoeveel er naar Curaçao willen. 40, pakweg. Want daar willen we heen, beter dan Bonaire, op Curaçao zijn meer voorzieningen, ook tijdens het orkaanseizoen. Daar zijn we veilig. ‘U zult twee weken in quarantaine moeten.’ Geen probleem. Al snel komt de voorlopige toezegging: ‘Goed nieuws. U bent welkom op Curaçao.’ Via de facebookgroep voor Nederlandse zeilers in de Cariben maken we het bekend. We zeggen: ‘het ziet er goed uit’. Want veel is nog onduidelijk. Wat is de procedure? En vooral: wat is een ‘Nederlands’ jacht? Nederlandse vlag én Nederlandse opvarenden is duidelijk. Maar een Franse boot met Nederlanders, of een gemengde bemanning op een Nederlandse boot? Zijn onze lieve vrienden van de Nederlands-Belgische Giramondo welkom? Dat moet nog worden uitgezocht. Tot daar duidelijkheid over is lijkt het ons, in overleg met de vertegenwoordiger, beter nog even een voorbehoud te maken. Wel inventariseren we op facebook welke boten naar Curaçao willen. Een dag na de oproep zijn er al bijna 40 aanmeldingen. Dat hadden we aardig ingeschat!

We zijn nu bijna een week verder. Alles wijst erop dat we binnenkort naar Curaçao kunnen zeilen. Zijn we opgelucht? Tuurlijk. Onze boot kan daar tijdens het orkaanseizoen op de kant. En vanaf daar zullen na enige tijd wel weer vliegtuigen naar Nederland vertrekken. Bovendien kunnen we ons nuttig maken, met de door ons ontwikkelde en uitgegeven taalmethode voor de Cariben ‘Nederlands onder de zon’. Maar we hebben ook dubbele gevoelens. Want niet al onze zeilvrienden zullen welkom zijn in Curaçao. Onze Duitse vrienden, drie boten, die we in Porto Santo hebben leren kennen bijvoorbeeld. En hoe zit het met Belgische boten? Waar kunnen die heen? Wellicht dat in een later stadium ook voor hun de regels door Curaçao kunnen worden versoepeld. We hopen het. En wat doen de Fransen? Hun eilanden zijn niet veilig tijdens het orkaanseizoen, hoewel best veel zeilers een gokje wagen en hun boot daar laten. Veel is nog onduidelijk voor de meeste zeilers. Wij hebben voor de Nederlanders een oplossing gevonden, hopelijk loopt het voor iedereen goed af. Omdat we de Curaçao-actie zijn begonnen krijgen we ook veel vragen van zeilers die misschien niet naar Curaçao mogen. Ons advies: neem contact op met je eigen ambassade of vertegenwoordiging op het eiland waar je naartoe wilt. Daar kunnen dingen in beweging worden gezet, daar kunnen mensen met elkaar in overleg. Boos worden op een weigerachtige douanebeambte of de kustwacht die boten wegstuurt, zoals ook op Curaçao is gebeurd, heeft geen zin. Die mensen doen gewoon het werk dat hen is opgedragen. De coronacrisis raakt ons, zeilers, maar vooral ook de plaatselijke bevolking, die ons hier gastvrij ontvangt. We duimen dat hier geen pandemie uitbreekt. Dat kunnen de eilanden in de Cariben niet aan. De gezondheidszorg is er niet op berekend. We wensen iedereen het beste, zeilers, maar vooral de bevolking hier, op andere eilanden in de Cariben en in Nederland. Aan iedereen: hou je haaks, zet ’m op, wees aardig en help elkaar.

Liefs, ook van Karin,

Eric

Een dag nadat we bovenstaand blog hebben gepost krijgen we een enorme domper te verwerken. Eigenlijk twee dompers. 1. We zijn niet meer welkom op Trinidad. Plan B vervalt dus. 2. We kregen een belletje. Er is een kink in de kabel bij Curaçao: de regering daar is nóg strenger, we zijn (nog) niet welkom. De Nederlandse vertegenwoordiging doet er samen met Buitenlandse Zaken alles aan om het voor de groep zeilers toch nog voor elkaar te krijgen. Maar voor nu moeten we hier blijven. We hebben intensief contact, ze houden ons op de hoogte. O ja, Trinidad en Tobago gaan morgen ook in lockdown. Van dat woord had ik tot twee weken geleden nooit gehoord. Hoe snel kan de wereld veranderen…

Charlotteville, Tobago 10-3-2020

Tijdens de laatste dagen van ons verblijf in Suriname was Marina Waterland,  de enige fatsoenlijke steiger in Suriname waar zeiljachten kunnen afmeren,  behoorlijk leeggelopen. Dat begon met het vertrek van Liselot en Joris. We brachten ze naar vliegveld Zanderij, een uur rijden. Dag pa, dag ma, wees voorzichtig, maar geniet vooral van jullie zeilreis! Dag Joris, succes met je stage bij de Volkskrant. Dag Liselot, geniet van de paar weekjes in Rotterdam voordat je voor je coschap naar Perth in Australië vertrekt. Ik gaf ze beide een zoen op hun slaap, het meest tedere plekje waar je je meest dierbaren een liefdevolle kus geeft. Een laatste omhelzing, ze draaiden zich om, gingen op weg naar de paspoortcontrole. Een zwaai, een handkus, en weg waren ze. Karin en ik bleven verdoofd achter. We besloten even te gaan zitten op een eenvoudig terrasje, op plastic stoeltjes, met een koude frisdrank uit een pakje en een rietje. Zwijgend dronken we het suikergoedje op, sloften naar de auto en reden terug naar de boot. We zwegen, maar dachten hetzelfde: wat gaan we die twee missen.

Tijdens de rit kwamen we weer langzaam tot onszelf. Halverwege passeerden we de gesloten bauxietmijn van Suralco, ooit de economische levensader van het land. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam zestig procent van het aluminium voor de Mustangs en Vliegende Forten van de Amerikanen uit deze mijn. Nu ligt het er verlaten bij, alsof het van de ene op de andere dag achtergelaten is, een neefje van Tjernobyl. Roestige graafmachines, met de scheppen de lucht in alsof ze willen zeggen: laat ons werken, we kunnen het nog, we willen zo graag. Verlaten fabriekshallen, enorm, losse golfplaten, je kijkt zo door de bouwwerken heen. Een gigantisch door prikkeldraad omringd spookgebied, bij uitstek geschikt voor een spannende Hollywoodproductie. Maar Hollywood heeft waarschijnlijk nooit van Suriname gehoord.

Aangekomen bij de marina begroet onze olijke gastheer Runo ons: ‘ja man!’. We ploffen neer in de kuip van onze gastvrije Catherine. Met een koud biertje in de hand zijn we weer terug in de werkelijkheid: het mooie Suriname, de fraaie marina aan de groene Surinamerivier, met de gezellig buren waar we in de loop van de tijd een fijne band mee hebben gekregen. Dirk en Paula, zij stapt op en af terwijl Dirk met vrienden zijn boot Delizia naar en door de Cariben zeilt. Waarschijnlijk liggen we rond de zomer in dezelfde jachthaven op Bonaire. Schipper Rienk van Jive met opstappers Senna en Marek, een bijzonder trio; de één spraakzaam, de ander gereserveerd, de ander altijd vrolijk. Elke avond zegt wel iemand: zullen we een biertje doen? En dan zijn er Rosan, Arnout en hun peuter Berend, zeilend op hun Doejong, die dan weer met meloen, dan weer met een koud biertje of zelfgemaakte cocktail op de steiger staan, opgewekt en gretig in de startblokken voor weer een boeiend gesprek en gezellig avond.

De Jive is inmiddels vertrokken naar Tobago, Paula is al terug in Nederland, als wij de trossen losgooien. Runo en Dirk helpen wat met de lijnen, Dirk handiger dan Runo, ze staan ons op de steiger uit te zwaaien. Ik zet koers naar de riviermonding, vijf uur motoren in het vooruitzicht, en kijk Karin aan. Waterige ogen, nee, zelfs tranen. Wat is er nou? ‘Ik ben gehecht geraakt aan dit land’, zegt ze. ‘Suriname is mooi, de mensen zo aardig en gastvrij. Maar het land is kwetsbaar, ik hoop zo dat het beter zal gaan.’ Karin doelt op de verkiezingen, 25 mei. ‘Die Bouterse brengt het land naar de afgrond, Suriname verdient een betere president.’ Ik kan het alleen maar met haar eens zijn. De corruptie, vriendjespolitiek, politici met kleverige handen van de drugs, hoge ambtenaren die zichzelf verrijken met publiek geld. Het is verschrikkelijk. Tijdens ons verblijf kelderde de munt en trok de Amerikaanse FED de handen af van de Surinaamse dollar. Het laatste nieuws:  de Surinaamse bank heeft 100 miljoen (!!) Amerikaanse dollar, volgens andere berichten zelfs 250 miljoen dollar, verduisterd. Iedereen heeft het erover, schande, maar ja, verzucht men, zo gaat dat in Suriname. Ik heb een keer gelezen dat een volk de leider krijgt die het verdient. Ik hoop dat dat ook voor Suriname geldt.

Ik heb me serieus voorgenomen van dit verhaal een zeilblog te maken, over zeeën,  stroming, koersen, zeilvoering en andere nautische onderwerpen, we zeilen tenslotte in het kielzog van de grote ontdekkingsreizigers, maar sta mezelf toe nog iets meer over Suriname te zeggen.  Want we zeilen, maar zijn in de eerste plaats reizigers, willen meer weten over de landen waar we zijn. In het binnenland is het een en ander gaande. Je ziet het al op de wegen vol kuilen richting die verwaarloosde hoofdstad Paramaribo, een beschermde Unesco-plek, maar  ook een vervallen zooitje met hooguit hier en daar een mooi gerestaureerd gebouw. Helaas gaat het verval in de tropen sneller dan restauratie, dus de toekomst van Paramaribo ziet er somber uit. Het verkeer staat vast, al jaren is er geen investering gedaan in het wegennetwerk. Op de wegen naar de havens bij Paramaribo rijden de vrachtwagens met gigantische boomstammen af en aan: het bos wordt gesloopt. Verder weg, op de grens met Brazilië, is een ander drama gaande. Tienduizenden illegalen uit Brazilië drommen er samen, op zoek naar goud. Al sinds de zestiende eeuw, toen Eldorado nog achter de horizon zou liggen, trekken gelukszoekers hier het woud in. Nu zijn het de Brazilianen, ze zoeken naar hetzelfde goud als die allereerste sloebers, die vlak na Columbus in het regenwoud hun geluk zochten, maar bijna allemaal verkommerden en als sloebers stierven. De huidige gouddelvers leven in zelfgestichte stadjes, waar wetteloosheid en hoererij heersen, zo hoorden wij van een Nederlands-Surinaamse kennis uit het Rotterdamse, die tegenwoordig vlak achter de marina woont. Nog erger: de goudzoekers gebruiken kwik, dat in de rivieren terechtkomt en zich ophoopt in de voedselketen. Benedenstrooms worden hierdoor mismaakte kinderen geboren. Suriname: land van ongekende schoonheid en vreselijke tragiek. Dat roept bij Karin dat gevoel op waardoor ze een traantje moet laten. Maar: we blijven optimistisch, op weg naar 25 mei, de stem van het volk, op weg naar exit Bouterse. Zoals Runo zou zeggen: ‘ja man!’

We stuiven de rivier af, het tij is gekenterd, stroom mee, na vijf uur is de uiterton in zicht. Vóór ons ligt een Chinese boot: een baggeraar. De riviermonding van Paramaribo is bij eb maar vier meter diep. Dichtslibben van de vaargeul dreigt. Al baggerend vergroot China zijn invloed in dit deel van de wereld, zoals je ook elders in Suriname steeds meer Chinese invloeden ziet. Bedrijven, supermarkten, grote borden met Chinese opschriften. China is één van de weinige landen waar decembermoordenaar Bouterse zich nog kan vertonen. We laten de baggeraar aan stuurboord en koersen richting Tobago. Elk uur komt er een metertje diepte bij. Gelukkig, want vier meter diepte voelt onveilig, onprettig, ook omdat de zeekaarten hier minder betrouwbaar zijn. Tobago is 450 mijl verderop, we hebben een stevige stroming mee, we verwachten drie á vier dagen onderweg te zijn. De wind blaast vrij constant. Vijftien knopen, dan weer wat meer, maximaal vijfentwintig. Ideaal. We zeilen behoudend: onze voorstag is provisorisch gerepareerd en die ontzien we. De kotterstag met werkfok doen het prima. Nou vooruit, als de wind aantrekt, nog maar een rifje. We gaan toch als een speer met die stroom. Het zeilt superrelaxed. Toch, ergens in de onderbuik, knaagt een onbehaaglijk gevoel. We zeilen langs de kust van Brits-Guyana en naderen Venezuela, waar af en toe gevallen van piraterij worden gemeld. Wij maken gelukkig niets mee, er gebeurt niets verdachts.

We worden opgeroepen door één van twee langzame schepen die met elkaar opvaren en onze koers kruisen: kabeltrekkers, op weg naar Suriname of Brits Guyana. Of we afstand willen houden. Dat waren we al van plan ja, maar toch goed dat hierover gecommuniceerd wordt om misverstanden en gevaarlijke situaties te voorkomen.

En daar komen ze: dolfijnenvrienden! Enthousiast sprinten ze op ons af, hupladié, de lucht in, joepie, spring, spring, het zijn er maar tien of zo, maar wat een plezier maken ze met elkaar, ze spelen tikkertje, zwemmen achter elkaar aan, zoef, razendsnel. Dan zijn ze weer weg. Zo gaat de tweede dag voorbij. De zon gaat onder. Wat een mooi rood vlekje daar aan de horizon! Maar naarmate de zon verder zakt, wordt het vlekje steeds feller. Vreemd. Wat is dat? Op de kaart, via de AIS, zien we een drukke activiteit. Wel tien boten op dezelfde plek. Moeilijk manoeuvreerbaar, staat erbij. Het duurt ruim een uur voordat we een beetje kunnen zien wat er gaande is. Oliewinning, op grote schaal. Supertankers liggen klaar om bij een van de boorplatforms – we tellen er zes – zich vol te laten lopen. Hier is de wereldeconomie in volle gang. Schepen uit Singapore, de Verenigde Staten, Panama, noem maar op, allemaal komen ze hierheen want hier is het vloeibare goud, dit is het huidige Eldorado: olie. We varen er langs in de nacht, de enorme vuurbal verblindt ons en domineert de nachtelijke hemel gedurende een uur of zes. Hoeveel energie wordt verspild, hoeveel CO2 gaat hier de lucht in, alleen al door dit affakkelen? Vergelijkbaar met het dagelijks energieverbruik van Rotterdam?

Dag drie sukkelt voort. De stroomt zuigt ons als het ware naar Tobago. Waar we aan het begin van onze reis nog gespannen toeleefden naar de driedaagse oversteek van de Golf van Biskaje, beleven we deze driedaagse tocht als een gezapig uitje. De verveling dreigt toe te slaan als land in zicht komt: Tobago! Op 31 juli 1498, tijdens zijn derde grote reis, zeilde Columbus in dezelfde buurt, maar iets zuidelijker. Hij zag niet Tobago, maar drie heuvels, hij had een nieuw eiland ontdekt, en met de Heilige Drievuldigheid in gedachte noemde de vrome Columbus het eiland ‘Trinidad’, dat tegenwoordig met Tobago een land vormt. Wij, bescheiden plezierzeilers van de Catherine, varen niet in zijn kielzog mee naar de zuidkant van Trinidad. We zouden wel willen, maar Venezuela ligt te dichtbij, we vrezen de piraten. Tussen Venezuela en Trinidad ligt de Golf van Paria, waar de bekende Orinoco-rivier in uitmondt. Daar beleefde één van de grootste natuuronderzoekers ooit, Alexander von Humboldt, zijn grootste avonturen. Humboldt was een grote inspirator voor Charles Darwin. En Charles Darwin, op zijn beurt, slaagde erin antwoorden te vinden op alle levensvragen. Ook op vragen die nog niet eerder gesteld waren en pas anno 2020 actueel zijn. Bijvoorbeeld hoe het kan dat de mens en virussen als het Corona zich evolueren tot wat ze zijn. De lijntjes tussen Catherine, Karin, mij, Trinidad, Tobago, Columbus, Humboldt en Darwin zijn flinterdun, maar ja, dit soort gedachtes krijgt een kans als je drie dagen op een bootje zeilt richting de Cariben.

Nog een piepklein stukje varen. We ronden de noordkaap van Tobago, laten de zeilen zakken, varen langs Mable Rock en de London Bridge Rock, varen dan de prachtige baai van het plaatsje Charlotteville binnen. We zwaaien naar de bemanning van de Jive, maken kennis met Ype van de Free. In vijftien meter diepte ligt ons anker op een zandbodem, Catherine ligt kabbelend in de Caribische Zee, terwijl wij ons ankerbiertje opentrekken. We zijn in de Cariben!

Eric