Rotterdam, 31 juli 2025
‘Ah, Catherine!’ Op zijn Frans uitgesproken door Sylvie, met haar man eigenaar van de werf Panamarina, klinkt onze bootnaam het mooist. Luchtig, vrolijk, melodieus. Uit de mond van Engelse zeilers doet Catherine eerder denken aan een adellijke dochter of figuur uit plechtige literatuur.
Ook dat klinkt gracieus, respectvol. Nederlandse sluiswachters verbasterden Catherine meestal tot ‘Katrien! Schiet eens op in de sluis!’ Gezellig, een beetje volks. Hier in Panamarina lijkt het of de scheepsnaam mensen doet glimlachen bij het zien van ons bescheiden zeiljacht, een van de kleinste op de werf en aan de bolletjes waar vooral grote en dure catamarans zijn afgemeerd. We maken hier een tussenstop, op weg naar San Blas. Bevriende zeilers Akko en Liza hebben bij Sylvie voor ons een windmeter achtergelaten, die pikken we op. Ook maken we een reservering om hier in juni op de kant te gaan als we naar huis vliegen. En de voorraden moeten worden aangevuld. Na drie dagen bunkeren is Catherine afgeladen met houdbare proviand voor twee maanden en in tanks en jerrycans zit vierhonderd liter drinkwater. We gooien los in de vroege morgen, de zon verschijnt net boven de kim als we tussen de andere boten door naar de uitgang varen. Daar liggen aan weerszijden riffen dichtbij, maar we zijn hier inmiddels een aantal keren tussendoor gevaren, dus van zenuwen is geen sprake. De Caribische golven slaan stuk op het koraal en eenmaal buitengaats schommelt Catherine onregelmatig op de rommelige zee. Verder buitengaats, in dieper water, wordt de deining langer en overzichtelijker. Er is wat wind, niet veel, we hijsen de zeilen en maken wat vaart, 4 knopen. Ik vind het prima, zo komen we voor donker aan bij de San Blas-eilanden.
Een uur later valt de wind stil en gaat de motor aan. Het monotone geknor van het dieseltje werkt als een slaappil voor Karin.
Ze trekt zich terug, oogjes dicht, en ik zit alleen in de kuip terwijl de kust voorbij schuift. Tevreden luister ik naar de inmiddels 33 jaar oude diesel. Voordat we vorige week in dat verschrikkelijke onweer terecht kwamen, zie het vorige blog, maakte de V-snaar de karakteristieke piepgeluiden. Een probleem dat steeds terugkeert. In plaats van de snaar weer op te spannen, besluit ik de gebruikte reserve snaar erop te zetten. Geen pretje om midden op zee aan de motor te sleutelen, maar het loont, met de oude V-snaar was het probleem opgelost. Blijkbaar had ik bij de dieseldokter.nl een verkeerde snaar besteld. Nu draait de motor en dynamo probleemloos.
Als de wind toch weer wat aantrekt zeilt Catherine onder vol tuig rustig en aangenaam.
Zo naderen we in de namiddag de beoogde bestemming: het eiland Waisadelup. Bij de doorgaans oostelijke wind is dit een mooie beschutte ankerplek achter het eiland, de meest westelijke van de Cays Holandeses. Na twee pogingen houdt het anker goed. Dat moeten we zeker weten want de strook waar het niet te diep is en niet te dichtbij bij het prachtige, maar gevaarlijke rif, is smal. Als we eenmaal liggen draait de wind naar het westen, neemt toe en is het rif opeens lagerwal. Catherine ligt onrustig en trekt aan de ankerketting. We balen als een stekker, het begint al vroeg te schemeren door de bewolking, maar we hebben geen keus: we moeten verkassen. Ook de twee andere zeilboten gaan ankerop. In deze tijd van het jaar moeten we bedacht zijn op snelle lokale weersveranderingen. Uit het niets draait de wind, neemt in korte tijd toe tot 40 knopen, soms wel 60 of 70. Ofwel 130 km/uur, orkaankracht. De lokale benaming is Cullo de Pollo, de kip die zijn kont in de wind draait bij harde wind. Als die wind eenmaal waait als een malle, begint het vervolgens zo hard te regenen dat je geen hand voor ogen ziet en je als stuurman je duikbril moet opzetten. Wij nemen de enige juiste beslissing, gaan ankerop en ik laat de motor flink toeren maken om binnen het uur, hopelijk voor donker, bij Banedup te zijn. Dit is het oostelijke eiland van de Holandeses waar we vorig jaar aankwamen toen we vanaf Curaçao waren overgestoken.
Gelukkig hoeft de kip haar kont niet in de wind te draaien, de wind zet niet door en houdt het bij zo’n knoop of 25. In het bijna-donker laten we het anker zakken in de luwte achter Banedup, vrijwel op dezelfde plek waar we vorig jaar ook lagen. We ervaren een thuiskom-gevoel. Precies waar we op hadden gehoopt.
We lopen de volgende dag naar Ibin, de Guna die op dit eiland van zijn schoonfamilie een restaurant is begonnen. Guna’s houden hun cultuur zelfbewust in stand. Daarbij hoort ook de matriarchale overerving van bezittingen, zoals het eiland Banedup.
Was ‘Ibin’s Restaurant – Welcome to our friends from all over the world’ vorig jaar een klein optrekje met een paar tafels, nu heeft hij een soort loopbrug gemaakt over het kraakheldere water en boven de zee een fors plateau gebouwd waar tientallen gasten een plek kunnen vinden. Ibin herkent ons direct als we over de loopbrug aankomen: ‘Welcome back! You haven’t changed at all!’ Zijn boodschap is nadrukkelijk gericht tot Karin. Ibin is oprecht een ontzettend aardige, behulpzame kerel en hij weet van aanpakken.
Hij was chefkok in een groot hotel in de hoofdstad en tovert nu heerlijke gerechten uit zijn kleine keukentje onder het palmbladeren dak. De volgende dag zitten Karin en ik met z’n tweetjes aan een tafeltje op het plateau, zien de ondergaande zon, we bestellen een flesje wit en een driegangen menu. Tegen de achtergrond van de rode hemel vieren we zo mijn 63e verjaardag. Als ik dat zo opschrijf, ziet dat er oud uit, maar ik voel me goed en kan hopelijk nog jaren vooruit.
Na een paar dagen verplaatsen we Catherine naar de andere kant van het eiland. Ook daar is het water beschut door omringende eilandjes en het buitenrif dat de golven breekt. Het water is zo rustig, helder als kraanwater en vlak dat deze ankerplaats door zeilers tot ‘Swimming Pool’ is gedoopt.
Als het anker in vier meter water op de bodem ligt, duik ik erin om te controleren of het goed is ingegraven. Dat zit wel snor, denk ik tevreden als ik me omdraai om terug te zwemmen naar Catherine. Dan lig ik oog in oog met een haai. Een haai! Op nog geen twee meter afstand! We kijken elkaar in de ogen, ik schrik me te pletter, slaak een harde kreet door mijn snorkel en doe wat ik niet moet doen: hard wegzwemmen met m’n flippers. Dat schijnt een trigger te zijn voor haaien, maar deze laat me gelukkig verder met rust en zwemt de andere kant op.
Al zwemmend herken ik de haai met kleine bek: een ongevaarlijke verpleegsterhaai. Maar wel een forse, groter dan ikzelf, ik schat drie meter. Karin wacht me op bij de reling, ik klim aan boord met het kippenvel nog op mijn huid en doe mijn verhaal. Terwijl ik amper van de schrik ben bekomen zwemt een flinke rog onder de boot door. Welkom in San Blas, zeldzaam aards paradijs! Alleen te bereiken en ervaren met een (zeil)boot.
De Swimming Pool is een drijvend dorp van wereldzeilers. Zoals bij een landdorp is de sociale cohesie sterk. Bewoners kennen en helpen elkaar en organiseren gezamenlijke activiteiten. Binnen enkele dagen kennen we vrijwel iedereen op de zo’n twintig boten. Onze buren van de Sea Dragon zagen we al in Linton Bay, ze leven van de wind en de zee, vangen en verkopen verse vis. Twee boten verder ligt Debby met haar boot.

Een Australische weduwe die, nadat ze met haar man de wereld waren rond gezeild, hier 25 jaar geleden in de Swimming Pool aankwamen en nooit meer zijn weggegaan. Haar man is twee jaar terug overleden, ze is alleen op haar boot, maar heeft besloten hier te blijven, terwijl ze toch al dik 79 is. Een prachtmens. Haar gulle lach schalt geregeld over de ankerplaats en wanneer ja haar ook ziet, ze is altijd keurig opgemaakt en netjes in een fraaie jurk. Verderop een gezin met opgroeiende kinderen. Die hadden het moeilijk op school, konden niet aarden. Hun ouders kochten een grote catamaran en zeilden naar San Blas om hier de rust te vinden om te overdenken wat de volgende stap is.
Naast ons ligt een andere catamaran met een jong gezin, hun anker krabt. Ze willen ankerop, maar dat lukt niet. Ik ga erheen om te helpen, de ankerketting zit in de knoop.
Als het probleem is verholpen blijkt dat de schipper docent is geweest op het Centrum voor Milieukunde in Leiden, waar ik in de jaren negentig mijn specialisatie Milieukunde heb gedaan. Kleine wereld. We trekken het meest op met een groep Duitse zeilers. Norbert en Sabrina hadden we zes jaar terug op Porto Santo ontmoet. Het duurde even voordat we elkaar herkenden, maar daarna was de klik er weer. We zijn dikke maatjes geworden. Ik hielp hen met een nieuwe windmeter, Norbert hielp mij met de onze. Zo heb ik in een week twee windmeters boven in de mast gerepareerd!

Overdag, voor de lunch, schrijf ik aan mijn boek dat volgend jaar uitkomt. Karin stapt dan in de kano, peddelt naar Banedup en doet daar haar duizenden stappen. Vaak loopt de Duitse Moni mee, die met haar man Olaf aan de andere kant van het eiland zijn geankerd. Karin begint plastic flessen, slippers, zakken en andere aangespoelde troep te rapen, maakt stapeltjes, die we om de paar dagen verbranden.

Karin weet andere zeilers te enthousiasmeren met haar Beach Clean Up actie. Eerst ik, dan ook Moni en Olaf. Op een dag verzamelen en verbranden we met een groep zoveel plastic dat het vuur metershoog oplaait en de hele avond na smeult. Twee leuke jonge Duitse stellen helpen ook mee, Till en Fanny en hun kleuters met au pair Denise, en Lotti en Oskar.

Al die aardige hartelijke mensen zien we dagelijks vanaf vier uur bij Ibin’s restaurant, dat deze weken als een soort buurthuis fungeert. Bij Ibin hangt een net en elke dag staan we te volleyballen. Na de eerste set wordt het eerste blikje Balboa-bier opengetrokken.
Elke dag is het supergezellig, iedereen mag meedoen met ‘Volleybeer’. Voor mij, maar ook voor Olaf, was het een jaar of dertig geleden dat we hadden gevolleyd. Het is zo leuk dat ik overweeg om terug in Rotterdam maar weer eens een volleyballvereniging op te zoeken. Gewoon, omdat het nog kan en de prestatiedruk van vroeger eraf is.
Dan is het Karins verjaardag. We nodigen wat mensen uit voor een ‘potluck’ op het naast Banedup gelegen, piepkleine ‘Barbecue-eiland’.
Als je komt, neem dan wat eet- en drinkbaars mee om te delen. We verwachten onze Duitse vrienden, maar wie zouden er nog meer komen op Karins 65e? We tuffen met salades en hummus naar het eilandje.
Daar staan we versteld van de opkomst. Het hele strandje is bezaaid met bijbootjes, het hele dorp is er, tientallen mensen zetten een ‘happy birthday’ in, tieners, twintigers, dertigers, veertiger, vijftigers, zestigers, zeventigers.
Karin krijgt een mooie zelfgemaakte verjaardagskaart met allemaal lieve gelukswensen. De tafels puilen uit van de gerechten, er is rumpunch en wijn, bier halen we van een barretje – feitelijk een koelkast onder palmbladeren – op het eilandje. Wat een feest! Tot in de schemering wordt ook hier gevolleybald, daarna gaat het tot laat door. Karin heeft misschien wel de leukste verjaardag ooit.
Cullo de Pollo is een veelvuldig besproken onderwerp. Allerlei tips worden gedeeld, zodat we op tijd kunnen zijn mocht het zover zijn. Eén: zet veel ketting uit. Twee: de wind draait naar west. Drie: eerst wind dan regen. Vier: hou de motor stand-by, mocht het anker gaan krabben, want 60-tot 70 knopen is geen uitzondering. Vijf: het duurt niet heel lang, een uur ofzo. Als op een dag de wind draait ben ik alert, gaat het gebeuren?
Onze windmeter doet het dan nog niet, maar anderen nemen maximaal 40 knopen waar. Dat valt dus reuze mee, ook omdat er nauwelijks golfslag is. Ander mogelijk gevaar is de bliksem, die in deze tijd van het jaar bijna elke dag te zien is. Meestal boven de bergen op het vasteland, aan de horizon.
Karin is ondertussen op het eiland en ziet haar gele kano metershoog door de lucht vliegen. Samen met Levi redt ze de kano en legt hem in de hut van Ibins zus.

Maar als op een namiddag boven ons de wolken samentrekken, de donderklappen enkele tellen na de flitsen klinken, is het spannend. Stroom uit, laptop en andere elektronica in de oven, dat als een isolerende Kooi van Faraday fungeert. Het is een uur spannend, het onweer is recht boven ons, maar niemand in de Swimming Pool is geraakt. Dit keer dan, want Olaf en Moni waren een vorige keer de klos. De bliksem sloeg in de mast en al hun navigatie-electronica was doorgebrand. Zo zijn er meer zeilers die dit hebben meegemaakt. Wat hebben wij een geluk gehad, midden op zee, een paar weken terug! Het onweer gaat gepaard met een stevige plensbui, waarmee we onze watervoorraad aanvullen.
Zo’n twee keer per week komt de veggie-boat langs. Er zijn er twee die van eiland naar eiland varen en bewoners van groente, fruit en soms wat eieren of andere levensmiddelen voorzien.
Ibin’s restaurant wordt zo bevoorraad, waarna de veggie-boat langs de zeilers vaart, van boot naar boot. Het is zelfs mogelijk bestellingen te doen. De spullen worden dan helemaal uit Panama City gehaald en vervolgens gedistrubueerd in de San Blas-eilanden. Zo is er in deze afgelegen regio, door Guna’s in autonomie bestuurd, een oplossing voor schaarste en logistieke belemmeringen. Een vervoersbedrijfje, bestaande uit een panga met enorme buitenboordmotor, haalt je op, brengt je naar het vasteland waar een busje je naar de bestemming rijdt. Lokale mensen leven simpel, vangen vis en verkopen die. Op veel eilanden staat een op zonne-energie aangedreven koelkast waarin koud Balboa-bier staat, die de zeilers gretig afnemen. Bijvoorbeeld na een potje volleyball, de sport die de Guna’s zelf ook graag beoefenen. Ze organiseren toernooien. Teams van verschillende eilanden komen dan samen op de grootste eilanden, dichtbij het vasteland, en het hele dorp loopt uit en moedigt de sporters aan. Maar hier op Banedup is er maar één lokale volleyballer, de neef van Ibin, Levi, die graag met ons meespeelt als het rustig is in het restaurant.
Onze tijd zit erop. Als de wind tijdelijk in de goede richting blaast maken we Catherine klaar voor de etappe terug naar Panamarina.
Drie andere boten maken dezelfde trip. De matige, ruime wind bezorgt ons een voorbeeldige zeildag. De volgende avond zitten we met het gezelschap pizza te eten in een eenvoudig wegrestaurantje bij Linton Bay. Twee boten zeilen de volgende dag door naar Shelter Bay Marina, aan de monding van het Panama Kanaal. We blijven over met Lotti en Oskar. We spreken af om met z’n vieren in hun huurauto naar Panama City te rijden en daar een paar dagen door te brengen. Eerst gaat Catherine op de kant. De mannen van Panamarina komen aan boord, trossen los, ze geven me aanwijzingen als ik Catherine naar de scheepshelling stuur. Daar wordt ons drijvend huisje op het droge getild en naar haar plek gereden. Een week lang bereiden we Catherine voor op een lang verblijf op de kant, want waarschijnlijk blijven we een jaar in Nederland en staat Catherine veilig maar verweesd tussen de tropische bomen.
Daar komen Oskar en Lotti aangereden. We leggen onze bagage in de achterbak en in de stromende regen rijden we naar de grote stad, die Panamezen simpelweg ‘Panama’ noemen. We nemen onze intrek in een klein hotel in het oude stadsdeel, onze vrienden verblijven elders.

Dit deel van de stad is prachtig gerestaureerd en de sfeer op straat is ontspannen. We maken hier en daar een praatje met Panamezen, dwalen door de wijk, kijken uit over de Stille Oceaan die we wellicht nog een keer gaan bezeilen. Wanneer en wat we gaan doen in de toekomst gaan we het komend jaar met elkaar bespreken.
Ons rest nu nog één keer een gezellig avondje met Lotti en Oskar. We eten en drinken met elkaar, lachen de avond door, de ene anekdote na de andere, afgewisseld met een serieuzer onderwerp. We zakken af op een trendy dakterras en voordat we het weten is het middernacht, nemen we afscheid en lopen naar ons hotel. Zoals met Lotti en Oskar ervaren we vaker tijdens onze zeilreizen dat we vriendschappen maken, wetend dat die gebonden zijn aan tijd en plaats. Veel van die nieuwe vrienden zullen we niet meer zien, anderen komen we op onvermoede momenten weer tegen, of we zoeken elkaar op. Of we blijven ze volgen op sociale media.

Hoe het ook loopt, die vriendschappen ontstaan in openheid en vrijheid, waardoor het contact kortstondig is, maar ook met oprechte wederzijdse belangstelling en intensief. Zo anders dan de langdurige vriendschappen thuis, bedenk ik me als we de volgende dag in het vliegtuig stappen. Maar thuiskomen is ook fijn en daar verheugen we ons enorm op. Inmiddels zijn we thuis in onze oude vertrouwde pand in Rotterdam Delfshaven en voelen we ons weer helemaal thuis bij onze vrienden en familie.
We zijn herenigd met Liselot.
Joris en Maud zijn inmiddels terug van hun zeiltocht over de Atlantische Oceaan. En we hebben gezinsuitbreiding van de kleine Kiwi. Wordt vervolgd!
Eric


De marina is van de Amerikaanse, praatgrage Mary. Ze woont in het huis aan het einde van de steiger boven het toiletgebouw. Ze komt haar huis niet meer uit vanwege haar slechte gezondheid en regelt alles via haar werknemers en whatsapp. Als je haar nodig hebt, ga je de trap op en bezoekt haar in haar huis. Trek gerust een uurtje uit, want je bent niet een, twee, drie weg.
Ze vertelt allerlei anekdotes en buldert daarbij van het lachen. Alleen op zondag kun je niet terecht, dan klinken er vals gezongen, religieuze liederen vanuit het huis en hoor je preken.
De meeste boten op de steiger zijn van oudere Amerikanen die hier al vele jaren liggen. Op een dag worden we uitgenodigd op een feestje op de boot Maizuru van Char en Pedr. Ze zijn vissers uit Alaska met hun eigen vissersschip waarmee ze in het juiste seizoen gaan vissen in Alaska. De rest van de tijd brengen ze door op hun zeilboot Maizuru. Het is een gigantisch schip van zeventien meter en ze hebben er, sinds ze het vijftien jaar geleden kochten en overzeilden vanuit Florida, nooit meer mee gevaren. Ooit willen ze er weer mee gaan zeilen, maar wanneer weten ze nog niet. Benieuwd of dat gaat gebeuren, want ze zijn beide boven de vijfenzeventig. De boot is omgetoverd tot een woonboot met overal planten en op de steiger is een tuintje aangelegd.
Nu in het laagseizoen tref je voornamelijk oudere hippies, mannen met een vlechtje en een kraal in hun lange grijze baard en vrouwen in kleurige rokken. In de gezellige bar Tequilla Republic wordt regelmatig opgetreden door Amerikanen op leeftijd, die jaren zestig songs ten gehore brengen.
Daar lig je ontzettend rustig en beschut, het blauwe water is spiegelglad en wordt omringd door de felgroene mangrove bomen. Af en toe zwemmen er dolfijnen langs. Het is erg relaxt, naast zwemmen, kanoën en ’s avonds samen eten en gitaarspelen, werken we een paar uurtjes per dag. Ik geef online-les en Eric schrijft aan zijn boek dat volgend voorjaar uitkomt. Het leven is goed, maar we willen nog één bestemming aandoen deze reis, de prachtige, sprookjesachtige eilanden van de Guna’s; de San Blas. We gaan terug naar Bocas, ankeren in de baai, doen inkopen, halen water voor zes weken en gaan voor de laatste keer op zondag naar strandbar Coquitos met livemuziek, op Carenero. Elke zondag wordt hier muziek gemaakt in verschillende bezettingen. Drijvende kracht achter de optredens is de jonge Amerikaan Aaron van de marina, die allerlei muzikanten om zich heen verzameld heeft. De een zingt salsa, dan horen we blues of een popsong.
In het begin kunnen we nog een beetje zeilen, maar na een uurtje valt de wind weg en varen we een lange tijd op de motor. We blijven een nachtje op het afgelegen eilandje en krijgen een grote zak heerlijke visfilet van de enige andere zeiler in de baai. Hij komt het ons speciaal brengen met zijn dinghy, en vertelt dat zijn koelkast kapot is en de filet niet langer kan bewaren. Zo aardig! Wat is het internationale cruiser wereldje toch vaak hartelijk.
Dankzij de tegenwind en het voortdurend varen op de motor voel ik me een beetje katterig en lig ik veel te doezelen. Gek genoeg zijn op zulke momenten mijn gedachten enorm helder en intens en haal ik fijne en minder fijne herinneringen op. Ik maak plannen en overzie mijn leven. Je hebt zeeën van tijd om vrijuit te denken en te filosoferen. Hoe vaak heb je zo’n kans om alles eens rustig en diepgaand te overzien? Het is prettig en soms ook confronterend.
De boot zwiept alle kanten op en ik heb moeite mijn evenwicht te bewaren. Het is lang geleden dat we het ruime sop kozen, het is even wennen. Het wordt een kort tochtje van Panamarina naar Portobelo en Eric manoeuvreert Catherine behoedzaam tussen de rotsen en ondiepten door. Na een tijdje zeilen, zijn onze zeebenen weer terug en voelt het als vanouds. Alles werkt weer als een tierelier en we gaan als de brandweer. Het is een heerlijk gevoel om weer op zee te zijn, de wind te voelen en het water te horen klotsen tegen de romp van de boot.
Het kleine stadje Portobelo was ooit een belangrijk handelsknoopppunt en werd beschermd door forten met meerdere zware kanonnen. Ronddwalend door de forten kun je je goed voorstellen hoe dat ging in de tijd van de Spaanse overheerser. Ze hadden zich dit land toegeëigend en indringers werden verwelkomd met kanonnenvuur. Wij niet, wij zijn in deze tijd van harte welkom in de prachtig baai.
Laiba, een meisje uit Londen, werkte als vrijwilliger voor deze Francesco, maar hij was erg onaardig tegen haar. Ze wilde graag weg en we boden haar aan mee te varen naar Bocas, maar dat vond hij niet zo leuk. Hij was erg boos en deed ons tierend uitgeleide op de steiger. Er ontstond een filmische scene op de steiger waar de gasten eens even goed voor gingen zitten. (
We delen onze tafel met een groep mannen van middelbare leeftijd uit Rotterdam Zuid, die elkaar kennen van de hockey. Ze gaan met kapitein Eric, die we kennen uit Linton Bay, als crew mee door het Panama kanaal. Aan tafel ontstaat een herkenbaar Rotterdam Zuid sfeertje, de manier van praten, de accenten, de plekken waar we uitgingen, de scholen die we bezochten. Kleine wereld: eten bij een Italiaan in tropisch Panama met een gezelschap uit Rotterdam Zuid. Ech wel tof!
inkopen doen,
de kerk met de zwarte Jezus bezoeken, de forten bekijken en een kanotocht maken, trekken we verder naar de rivier de Chagres.
Als we de mammoettankers en reuze containerschepen achter ons hebben gelaten gaan we op zoek naar de monding van de rivier de Chagres. Het is een smalle doorgang, nog smaller dankzij de ondiepten aan weerskanten. Eric staat achter het stuurwiel en vaart op de kaart. Ik sta als extra hulp op de boeg, kijk links, rechts en vooruit in het heldere water om de smalle doorgang te vinden. Dan ineens belanden we in de totale serene rust van de rivier. Wat is dit een mooie plek!
De rivier baant zich een weg door het regenwoud, met gigantische bomen aan weerszijden. We horen en zien de brulapen in de bomen, gekleurde vogels vliegen af en aan. ’s Avonds als we met een zaklamp naar de oevers schijnen zien we meerdere paren ogen van krokodillen oplichten. Als je lang kijkt zie je ze knipogen.
Krokodillen en slangen jagen mij het meeste angst aan. Dan op de dag van vertrek worden wij verrast. Eric is de vloer aan het vegen en denkt een stuk touw te zien liggen, het touw kronkelt en blijkt een slang. Het is een mooi gekleurde, dunne slang van ongeveer een meter. Geen idee hoe dit dier aan boord is gekomen. Eric weet hem te vangen, kiepert hem overboord en hij zwemt snel en kronkelend richting oever.
Het is een prachtig eiland met een grillige kustlijn. We maken een tochtje met Billy de bijboot. Overal zijn inhammetjes en piepkleine rotseilandjes met soms maar één boom erop. Je kan er heerlijk snorkelen. We zien een paar hutjes aan de andere kant van het eiland.
In de baai liggen we helemaal alleen en krijgen we een paar keer bezoek van twee jongens van een jaar of 13,14. We kopen kreeft, vis en conch of zeeslakken van ze. Ze zijn een beetje verlegen, maar ook erg nieuwsgierig naar ons en naar de boot.
De enorme zeeslakken zien er niet appetijtelijk uit, maar ik zoek een recept op en we maken er een lekker stoofpotje van.
Hij is opgegroeid in Jamaica uit Chinese ouders. Zij en haar familie waren Vietnamese bootvluchtelingen. Ze was twaalf jaar toen ze in Canada aankwam. Ze vertellen over hun achtergrond en hoe fijn het is om in Canada te leven en ook hoe dankbaar ze daarvoor zijn. Wat een bijzondere ontmoeting toch weer en we constateren dat er op de wereld toch genoeg, fijne, positieve mensen zijn.
Er is verder niemand en een onheilspellend gevoel bekruipt me. Ik voel me vreemd en angstig, alsof iemand me observeert. De rillingen lopen over mijn rug en ik loop snel terug naar het strand en ga op een houten bankje met mijn gezicht richting zee, de laatste bladzijden van mijn spannende boek uitlezen. Plotseling grijpt een man gekleed in een hoodie, mijn rugzakje, die naast mij staat en verdwijnt vliegensvlug in de jungle. Het heeft geen zin om hem achterna te rennen en het enige wat ik kan doen is schreeuwen. En dat doe ik, zo hard heb ik nooit geschreeuwd; mijn longen uit mijn lijf. Een paar honderd meter verderop zie ik twee meisjes verschrikt opkijken en ik loop naar ze toe. Het zijn Duitse meisjes en ze horen mijn verhaal aan. Ze zijn heel lief en meelevend en bieden aan met me mee terug te lopen naar de andere kant van het eiland.
Ze gaan met een watertaxi naar een ander eiland en zetten mij af op onze boot. Eric schrikt van mijn verhaal en we gaan die middag aangifte doen bij de politie. Het belangrijkste dat in de tas zat, was mijn mobiel, daarnaast wat geld, kleding en strandspullen. Wat een gemis, geen mobiel, dan realiseer je je hoe afhankelijk je bent van zo’n ding. Het kost me weken om alles weer terug te vinden met wachtwoorden, inlogcodes etc. etc. De dief krijgt hooguit een tientje voor de gejatte mobiel, maar wat een verzoeking is het om alles terug op mijn mobiel te krijgen. Ik neem me voor simpeler te gaan leven wat betreft mobiel gebruik.
Op de terugweg vliegen we zelfs vlak boven de haven van Carinero en zien we Catherine vanuit de lucht.
We bezoeken het museum van Botero, de meest populaire kunstenaar van Zuid Amerika. Ik vind zijn kunstwerken heel leuk, beelden en schilderijen van dieren en mensen met merkwaardige verhoudingen: een groot dik lichaam met kleine voeten en handen en een rond hoofd met een piepklein gezichtje.
Op het plein voor het museum staan Botero’s beelden, die je kunt bekijken. Op en rond dit plein zie je een bonte verzameling aan mensen: prostitués, traverstieten, zwervers en andere mensen die aan de zelfkant leven.
We zijn ook met een kabelbaan de bergen ingegaan, waar je de stad achter je laat en plotseling wandelt in de jungle. We vinden Medellin erg bijzonder. Overal zijn aandenkens aan het verleden: indrukwekkende monumenten voor mensen die omgekomen zijn door het geweld, musea die de geschiedenis vertellen. Mensen gaan vooruit, zijn veerkrachtig en hebben deze stad opgebouwd tot een interessante, kleurrijke stad. Een bezoek aan het Escobar museum slaan we af als de gastvrouw van het museum vertelt dat een neef van Escobar zijn in beslaggenomen bezittingen op veilingen opkoopt en in het museum tentoonstelt. Je kunt er de auto’s zien waarin hij rondreed, zijn meubels, kleding en andere bezittingen. De cultus rondom Escobar is nog niet verdwenen. Er zijn nog altijd Colombianen die hem vereren. Het museum wordt niet gesubsidieerd door de overheid en is dus particulier bezit.
We hebben nog tien dagen. We huren een auto en maken een rondtrip in het gebied tussen de steden, Medellin, Cali en Bogota. Ik kan niet anders zeggen dan dat het landschap adembenemend is. We maken lange wandeltochten en bezoeken kleurige stadjes.
Het is prettig vertoeven hier, de mensen zijn aardig en het eten is heerlijk. Kennis van Spaans is zeker handig, want de mensen spreken geen Engels. Ook hier komen we herinneringen aan Escobar tegen. In een hotel staat op een altaartje naast Maria en de bijbel, een beeldje van Escobar.
We begrijpen dat de meningen over Escobar zoveel jaar later nog steeds zijn verdeeld.

Vandaag is de grote dag, we gaan eindelijk na vijf weken op de kant, het water in. Snel werken we ons ontbijt naar binnen en gaan de trap af. Er moet nog antifouling op de plekken waar de stutten stonden. Hier in Panamarina werken ze met een tractor die een grote oplegger voortduwt die de boot het water inrijdt. Dat werkt prima, maar zwaardere boten kunnen hier niet terecht, die moeten uitwijken naar de marina van Linton een stukje verderop. Het is altijd weer spannend, de tewaterlating van je boot. Catherine glimt als een spiegeltje, dat wel! Maar zijn alle klussen goed gedaan? Zal de motor starten? Komt er geen water binnen?
Eric klimt op de boot voordat ze het water in glijdt. De boot ligt in het water, maar er zit nog geen beweging in. ‘Problemas?’, vraag ik aan de chauffeur van de tractor. ‘Un poco aqua’, antwoordt deze. ‘Oei bij de schroefas?’, vraag ik gebarend. ‘Si’ zegt hij. Ik zie Jean Paul, de baas van de werf, terugkomen van Cath met een dinghy waarna hij op zijn vouwfietsje naar de werkplaats snelt en terugkomt met een paar grote tangen. Het probleem is gelukkig snel opgelost. Na een minuut of tien vaart Catherine weg.
Ik ga naar de dinghysteiger, start Billy en vaar naar Catherine. De mannen van de werf hebben Catherine al vastgeknoopt aan vier bolletjes en ze gaan er weer vandoor.
Het schroefaslager was versleten en moest worden vervangen. Een interessante en pittige klus waar Eric twee weken mee bezig is geweest en zelfs een artikel in Zeilen magazine aan gaat wijden. Er moesten nieuwe accu’s worden geïnstalleerd, nieuwe zonnepanelen gemonteerd en aangesloten en het elektrische systeem moest worden aangepast en vernieuwd. Eric, die bijna alles zelf doet, heeft voor de aansluitingen een elektricien ingehuurd om er zeker van te zijn dat alles goed en veilig gebeurt. Verder moest er een eindeloze lijst met kleinere zaken worden afgewerkt waarbij Eric zich vaak in de meest bizarre bochten moest wringen om ergens bij te kunnen.
We showen onze achtertuin en zwemmen de stroomversnelling af. Melissa en Erin kennen dit prachtige landschap vanuit de VS, ze zijn ermee opgegroeid in de Florida Keys. Toch vinden ze het fantastisch en zijn enorm blij weg te zijn uit de VS. Ze verafschuwen Trump en zijn zeer teleurgesteld in hun landgenoten die deze malloot in het zadel hebben gehesen.
Het zijn de begindagen van Trump als president en we vallen van de ene verbazing in de andere. Panama is ook onderdeel van Trump’s plannen. Hij wil het Panama kanaal terug! We vinden het eng en verontrustend.
Ze kennen naast ons ook nog een ander stel hier: de Franse Sandrine en Luc. Het is erg gezellig met al die Fransen. De marina is ook in Franse handen en we kunnen hier meer Frans dan Spaans oefenen. Het restaurant van de marina serveert heel goed eten.
We ontmoeten ook meerdere keren Akko en Liza van Chocktow en Caroline en Henk van Pandion.
Ze zoeken ons op in Panamarina of wij gaan langs bij hen in de marina van Linton bay. We kennen ze van vorige reizen en hebben elkaar op meerdere eilanden in de Caraïben ontmoet. Na afloop van een klusdag is het goed borrelen en altijd zijn er wel mensen in de stemming voor één of meerdere biertjes.
Het was een hele toer om die spullen hier te krijgen, de verzending heeft meer dan drie maanden geduurd. Maar eindelijk is het dan zover. Lekker eilandhoppen in Bocas del Toro. We hebben er zin in!







Morgen zien we wel verder. Ik stort in een diepe slaap en word de volgende dag gewekt door het gebrul van de apen. We nemen de schade op aan de boot en constateren dat het meevalt. Flink poetsen en organiseren is wat ons te wachten staat. We gaan gewoon door met klussen alsof we niet net een afstand van 9000 kilometer hebben afgelegd.
Na een probleemloze reis betrekken we ons onderkomen in Costa Rica. We hebben een lieflijk huisje in het bos nabij Cahuite gehuurd. Prachtig, midden in tropisch woud en tussen brulapen, maar afgelegen aan een onverharde weg zonder vervoer. Dat was misschien toch niet zo’n handige boeking van me, maar als zeilers zijn we gewend om met alle privacy in een baai ons eigen leventje te leiden, dus een lawaaierig kamertje in een drukke guesthouse zagen we niet zitten. De wandeling naar de ingang van het nationale park duurt al een uur en dan begint de route pas. Maar we zijn fitgetraind door de yogaklas in Turtle Cay en de talloze eerdere wandelingen, dus we zijn er klaar voor! We ronden het park, een kleine kaap in de Caribische Zee. De wandeling gaat eerst over een steiger door bos boven drassig land, dan langs de waterlijn. Rond het middaguur ploffen we neer op wit zand en zakken na de meegenomen lunch vredig weg in de droomwereld van een kort dutje.
Als we weer wandelen komen we er meer tegen en zien we ook talloze aapjes die ook duidelijk gewend zijn aan de frequente bezoekers van dit park. Tientallen toeristen, die allemaal een ‘unieke’ natuurvakantie in ecologisch paradijs Costa Rica willen ervaren. We realiseren ons dat we twee van de velen zijn.
Begrijpelijk en onontkoombaar, maar na een paar dagen Costa Rica missen we een avontuurlijk gevoel. Bovendien missen we onze knusse Catherine. Eerdere plannen om het binnenland in te trekken laten we varen. We boeken de terugreis naar Panama en zitten na vier dagen met een fris visum weer gezellig in de kuip van Catherine.
Pling! Een appje van Sylvie en Patrick, onze vrienden uit Turtle Cay. ‘We zijn over een half uurtje bij jullie!’ Hun fraaie catamaran Croix du Sud knopen we vast aan de steiger, we praten bij, ze moeten wat praktische dingetjes doen en daarna maken we een wandeling op het eiland Carenero. Dit is zo’n fijn stel! Deze korte wandeling vinden ze al prachtig en dankbaar dat ze zijn dat we ze het eiland laten zien! Ze zijn al tig jaar samen en nog steeds gaan ze met elkaar alsof ze twintigers zijn.
Het ‘Mon cheri!’ werkt aanstekelijk en Karin en ik kijken elkaar opnieuw in de ogen. Reizen, mensen ontmoeten, het houdt ons een spiegel voor. Die avond lopen we met zijn vieren door de straten van Bocas Town, na enkele cocktails tijdens Happy Hour. Het is gezellig hier!
We hebben het anker amper gezet of daar komt een bootje met heel veel pk’s aangesjeesd. In ons vorige blog schreven we over Jeroen en Danielle, een Nederlands stel dat op Isla Solarte een resort bouwt. Danielle is jarig, ze komen ons ophalen voor een beach party. We checken of het anker goed is ingegraven en dan stappen we aan boord bij het hippe gezelschap. Ongelofelijk leuke frisse aardige slimme vrolijke kleurrijke jonge mensen uit allerlei landen, waar we als oudjes opeens helemaal bij horen, want met een zeilboot de oceaan oversteken is natuurlijk supercool! De Red Frog Beach Club aan het prachtige Red Frog strand is de perfecte loungeplek voor een landerige middag. De rustigste vrouw van het clubje pakt haar ukelele, zingt, ik trommel en tweede-stem wat mee, de muziek verbroedert, we zingen, lachen en hebben kletspraatjes en diepere gesprekken. Het wordt een heerlijke middag met mensen die we een paar uur terug nog niet kenden. Het verbaast ons keer op keer hoe snel je vrienden maakt en ergens thuis kunt voelen!
We gaan ankerop, een half uur varen naar het volgende kommetje: Bahia Honda, hier loopt Hospital Bight dood. Lagen er in de vorige kom drie zeilboten, hier is niemand. Nog meer mangroven met daarachter tropisch woud. Als ik het anker laat zakken roept Karin: ‘dolfijnen!’ Terwijl ik bezig ben met de ankerketting, zwemmen de dolfijnen rond de boot! Prachtig.
We liggen er een dag voor anker als we besluiten aan te meren bij het piepkleine Agua Dulce Marina. Maar dan: ‘pling!’ Sylvie en Patrick appen dat ze onderweg zijn. Daar zien we hun mast al boven het gebladerte naderen. Ze ankeren naast ons en na een uitleg van onze plannen gaan ze mee naar Agua Dulce, een paar honderd meter verderop, om vandaaruit met de rugzak af te reizen naar Boquete in de bergen van Panama. Leuk!
Eerst maar eens inchecken bij de marina, niet meer dan een steigertje met plek voor hooguit zes boten. We maken een praatje met de eigenaar, hij stopt ons een bier in de handen, nog een biertje, heel gezellig, zijn vrouw komt erbij, bijzonder vriendelijk allemaal. Totdat het opeens gaat over de volksaard van volkeren buiten Europa en de man met nadruk zegt: ‘I am a racist’. Waarna hij in een monoloog vol racistische clichés zijn overtuiging opdringt. Karin valt stil. Ik waag een poging de tegenstrijdigheden in zijn verhaal duidelijk te maken, maar hij herhaalt: ‘I am a racist’. Zijn vrouw kijkt beduusd. Het was even gezellig, ze zit hier vrij eenzaam tussen de mangroven, ze is blij dat er weer eens leuke gasten zijn – er was verder niemand – waarmee ze fijn kan praten en dan verpest hij de sfeer met z’n verwerpelijke opvattingen. We laten het erbij.
De volgende dag zitten we weer in dezelfde raketboot naar Almirantes en pakken vandaaruit de minibus naar Boquete. We kronkelen de bergen in, het klimaat verandert, veel regen, de temperatuur daalt. ‘It’s so beautiful over there!’ had onze opstapper Laiba (vorige blog) ons beloofd, en ze heeft gelijk. Als we uitstappen in Boquete ruiken we de gezonde berg- en boslucht, de latino’s zien er anders uit, provinciaals, en we zien ruiters op paarden.
De inheemse mensen zijn kleurrijk, maar het is een ander volk dan de Guna’s van San Blas. We betrekken het door Jeroen en Danielle aanbevolen hotel en ’s avonds zitten we gezellig te eten met Sylvie en Patrick.
We maken een plan voor de komende dagen: wandelingen door het bos naar watervallen en ’s avonds relaxen met een wijntje en gezellig ouwehoeren.
Na vier dagen in de bergen zijn we terug op onze boten. Het verblijf bij de racist voelt ongemakkelijk dus we vertrekken de volgende dag. Op de kaart, vlakbij, hebben we een smalle en ondiepe doorgang ontdekt tussen Isla Bastimentos, het grootste eiland van de Bocas, en Isla Solarte, waar Jeroen en Danielle hun resort bouwen. We tuffen er eerst met de bijboot van Croix du Sud doorheen, doen op de ondiepste plekken peilingen en concluderen dan dat het wel goed zit: ondiepste plek is drie meter, terwijl wij anderhalf steken.
We zijn voorzichtig en ook beetje nerveus, bekennen we aan Sylvie en Patrick, gezien onze ervaring bij Sint Maarten. Daarover pratend komen ook zij met minder leuke ervaringen tijdens de reis. Ze hebben behoorlijk wat pech en schade gehad, maar ook geluk, want alles is steeds goed afgelopen: rompschade in een jachthaven, verkeerd uitgevoerde reparaties, gebroken tuigage (net als wij op onze oceaanoversteek). Ze hebben twee keer problemen gehad met orca’s. Dat liep maar net goed af: de eerste keer werden ze door schade aan de roeren onbestuurbaar en kwam de kustwacht te hulp. Een paar maanden later werden ze opnieuw aangevallen. Toen startte Patrick de motor en tegen alle gangbare adviezen in gaf hij vol gas en bleven de orca’s op afstand. Met andere woorden, met alles wat fout kan gaan begrijpen we elkaars onzekerheden en voorzichtigheid.
Dankzij de peilingen gaan we zonder vrees de fraaie doorgang in. Aan het eind is het slingeren tussen de ondieptes en over de baai uitgestrooide mangroveneilandjes, maar dan naderen we onze volgende ankerplaats: een paradijselijk stille plek met louter mangroven en water als een tafellaken zo glad. Een magische ankerplaats!

We besluiten nog één dag naar een volgende baai te gaan, een uur varen op de motor. Daar liggen we in de volgende prachtbaai, helemaal alleen, tussen mangroven, roofvogels cirkelen hoog in de lucht, af en toe vaart er een bootje langs van het nabijgelegen wetenschappelijk onderzoekscentrum. Hier en daar liggen boeitjes: hier onderzoeken biologen de groei van koralen. Verder is het de zoveelste schitterende ankerplaats. Vervelen gaat dit nooit, we blijven ons verwonderen over hoe mooi het hier is. Panama heeft ons echt verrast!
De laatste week willen we doorbrengen in de San Blas. Nog even genieten van de palmbomen, witte stranden, de gastvrijheid van Ibin’s restaurant, temidden Guna’s en hun cultuur. De tocht erheen is niet prettig. De eerste dag gaat nog wel, maar daarna valt de wind weg. Motoren is lastig met onze versleten schroefaslager. Af en toe horen we zorgelijke geluiden, ik draai zo weinig mogelijk toeren. Ander probleem: de accu’s zijn compleet naar z’n grootje. Overdag gaat het nog wel, met de energie van de zon, maar in de nacht lopen de accu’s snel leeg en is het behelpen. De startaccu is oké en die moet na zonsondergang bijspringen om de navigatieapparatuur werkend te houden. De tweede dag, als we half zeilend, half motorend tussen ondieptes laveren, verschijnt er een waarschuwing op het scherm en gaat het AIS-alarm af. Ramkoers! We naderen een zeilboot die ons bekend voorkomt. Huh? Ik check de AIS en ja hoor: Liza en Akko van Choktow, die we hebben leren kennen op Trinidad en voor het laatst op Curaçao hebben gezien. Wat een toeval! We kletsen wat over de marifoon en wensen hen een behouden vaart met de wind mee, terwijl wij verder aanmodderen tegen de wind in en met een gemankeerde aandrijving. Het is ‘schipperen’, maar aan het eind van de dag gaan we gelukkig voor anker bij Banedup.
Uit eten bij Ibin, luieren, lezen, zwemmen, relaxen. Ibin is bezig z’n restaurant uit te breiden, hopelijk voor hem wordt het een succes. Met zijn restaurant helpt hij familie aan werk en inkomen. Ook besteedt hij een deel van de winst aan kinderen en de school in Carti, het belangrijkste plaatsje in San Blas. Ibin is echt een goeie vent.

Dan is het zover: we gaan naar Linton, naar de werf Panamarina waar Catherine op de kant gaat. We gaan ankerop en varen de baai uit. Dan maakt de as alarmerende geluiden. Brrr. Als de ondieptes achter ons liggen zetten we de motor uit en ik spring in het water. Toch zie ik niks. Ik vermoed dat de as soms in een eigentrilling terecht komt binnen het uitgesleten lager. Als we weer varen speel ik wat met het toerental en lijk ik daarmee te kunnen voorkomen dat de schroefas in trilling raakt. Maar ik zie enorm op tegen het komende etmaal. Trok de wind maar een beetje aan, dan kunnen we zeilen en kan de motor uit…
Bij het verlaten van San Blas eilanden proberen we het met 7 knopen wind. Maar laverend tegen de wind in, en wat stroom tegen komen we na twee slagen op hetzelfde punt uit. Motor aan. Weer dat alarmerende geluid. Spelen met het toerental. Komt dit wel goed? De knoop in mijn buik verraadt dat ik me grote zorgen maak. ‘Kunnen we niet beter terug gaan naar Banedup?’, oppert Karin. ‘Nee, want daar kunnen we niks en zijn we verder van huis.
De boot moet gewoon op de kant voor reparatie en dat kan in Panamarina bij Linton Bay. Het beste is door te varen en hopen dat de wind zoals voorspeld aantrekt.’ Mijn gebeden worden verhoord. Daar is een briesje, we kabbelen hoog aan de wind parallel aan de kust met een slakkegangetje: 2,5 á 3 knopen. Maakt me niet uit, we zeilen! Dan valt de wind weer weg, motor aan, het rotgeluid gaat bij mij door merg en been, gelukkig is er weer wat wind, motor uit, en zo naderen we langzaam ons doel. Het is vroeg in de nacht, de wind trekt opeens behoorlijk aan, als we Linton Bay naderen. Donkere wolken en een frisse wind kondigen aan dat er noodweer aankomt. We moeten nog een uurtje als het losbarst. Het giet en het is pikkedonker. Maar we zijn er bijna, dus het maakt ons niet uit! We varen om Isla Grande heen, letten heel goed op want er zijn hier meerdere rotspunten die onverlicht uit zee steken. We kennen de baai van vorige keer, dus we weten ook dat er middenin de baai een grote onverlichte roestbak voor anker ligt. Daar doemt die al op, met daar achter tientallen ankerlampjes van zeilboten. Als de diepte afneemt tot een meter of vijftien, achter de roestbak, laten we het anker zakken. Die houdt gelijk, we liggen stil en zijn doorweekt, maar we zijn er!
Daar liggen we een paar dagen aan een bolletje in een kom midden in het mangrovenbos. Wat een geweldige plek is dit! Ook zien we onze vrienden Kirsten en Norbert van Odine, zie ons vorige blog, het voelt als thuiskomen. 
Dan is de dag aangebroken dat Catherine op de kant gaat. Het gaat allemaal routineus en professioneel. Eenmaal op de kant, naast Odine, maken we ons klaar voor vertrek naar Nederland.
Wat een fantastisch half jaar is dit geweest. Panama heeft ons enorm verrast. Wat een mooi land, een bijzondere cultuur en natuurlijk het Panama kanaal. Terwijl ik dit schrijf giert de wind om ons huis in Rotterdam, de regen klettert tegen de ramen. Karin en ik hebben ons leventje weer helemaal opgepakt, met werk, vrienden en familie, alsof we nooit zijn weggeweest. Maar af en toe kijken we elkaar aan en zeggen dingen als: ‘Ik heb nu al zin in de Pacific!’ of: ‘Wat een rijk leven hebben we toch!’ of: ‘Wat een heerlijk vooruitzicht dat we over een half jaar weer zeilen!’









We laten de San Blas achter ons – met moeite! Want hoe verleidelijk is het om hier te blijven. We zeilen de oceaan over, op zoek naar paradijselijke plekken, hebben die hier gevonden, dus waarom weggaan? Wat heeft het voor zin? Wat verwachten we nog meer te vinden, moet het nog mooier, leuker, gezelliger, de koraalriffen nog meer ongeschonden? Het aanstaande vertrek uit San Blas leidde tot gesprekken over wat reizen eigenlijk inhoudt en waarom we het doen. Het antwoord: omdat we onverwachte dingen meemaken, nieuwe situaties tegenkomen, ervan genieten en leren, we dagen onszelf uit, laten ons verrassen, leren nieuwe mensen kennen. Elke dag is anders. We hebben reizend het gevoel dat we LEVEN. Dus we vertrekken uit San Blas.
We prikken een bestemming: Turtle Cay Marina. Na een dag zeilen op een bokkige zee varen we de nog bokkiger baai binnen: aan weerszijden ondieptes waar de golven op breken, koraal waar we ver van willen blijven. Maar het is krap! Een boeitje bevestigt dat we in goed vaarwater zitten, de baai vernauwt tot een smalle trechter. We hobbelen tussen witte koppen richting het vuurtorentje op een strekdam. Oei, wat is de entree tot de haven smal, de deining rolt naar binnen, en volgens de kaart is het maar 3 meter diep.
Dat blijkt volgens de dieptemeter 2,9 te zijn, als we eenmaal in het kanaaltje zijn. De mensen van het restaurant zien ons arriveren, ze zwaaien, dat voelt als een warm welkom in deze kleine haven middenin de jungle. Havenmeester Lubrano komt aangehuppeld en begeleidt ons naar de ligplaats. Dan gaat de motor uit. We kijken om ons heen: de omgeving groen, hoge bomen, een tiental zeilboten, we zien verder niemand. Stilte.
Dan horen we wat geritsel in de bomen aan de overkant. ‘Kijk, apen!’, zegt Karin, die opeens een stuk enthousiaster klinkt dan op de onrustige zee. De dagen erop blijkt Turtle Cay een hartverwarmende plek. We maken kennis met andere zeilers en worden uitgenodigd door het yoga- en sportgroepje. Wat een lieve mensen!
We maken ook wandelingen, die uitnodigen tot goede gesprekken. Bijvoorbeeld met Melinda, die net als wij haar dierenliefde niet alleen belijdt naar haar huisdieren, maar consequenter wil zijn, zich het welzijn van alle dieren aantrekt, juist van landbouwhuisdieren, en daarom net als wij vegetariër is geworden. Ze zet zich in voor natuurbehoud en het dierenasiel in haar buurt in North Carolina. We wandelen ook met Sarah, 75 jaar en zo fit als een gezonde 40-jarige. Een inspirerend voorbeeld! De wandeling gaat dwars door het tropisch woud, met slangen en talloze vogels en andere dieren die we niet zien maar er wel zijn. Yogajuf Sylvie en sportjuf Agnes doen het geweldig, ze creëren een fijne sfeer, rekening houdend met de soms stramme zeilers. 

Op een dag komt de wildernis de marina in: er hangt een luiaard aan de steiger. Als het lieve dier in het water valt, helpen zeilers het aan een touw omhoog en brengen het naar een boom, waar het geschrokken beestje tot rust kan komen. De vacht van het dier is een ecosysteem op zich, lees ik die avond in de kuip. Flarden kennis van mijn biologiestudie borrelen boven en geïnspireerd pak ik er maar weer eens een lijvig zoölogieboek uit m’n studietijd bij.
We appen met André en Rolf, zeilvrienden uit San Blas. We gaan met hun boot Rebel Rebel mee door het Panama Kanaal om ze te helpen met de lijnen in de sluizen. We pakken een taxi naar de haven van Colon, twee uur rijden, maar halverwege blijkt de chauffeur geen idee te hebben waar hij naartoe moet. ‘Shelter Bay Marina. Colon.’ Duidelijk toch. ‘Que?’ Hij verstaat het niet, begrijpt het niet, kan ook niet lezen en Google maps blijkt voor hem een noviteit waar hij niet mee overweg kan. Tussendoor rochelt hij zijn fluimen uit het raam en kijkt emotieloos voor zich uit. Gezellig tochtje! Het laatste uur wijs ik hem naar alle afslagen en dan arriveren we bij Rebel Rebel. Diezelfde nacht start André om half drie de motor, we varen de baai in richting sluizen, de ‘advisor’ stapt op: hij loodst ons de komende dag door het kanaal.
Het zit tegen, het zeeschip dat wij zouden volgen heeft motorpech. We moeten wachten op de volgende mogelijkheid, waardoor het hele schema vertraging oploopt en we halverwege moeten overnachten. 
Niet erg, want het is gezellig aan boord, ook met de andere ‘linehandlers’ Paul en Meriam. Bovendien is het Gatunmeer prachtig. Aan de oever zien we een krokodil. Toch nemen Karin en André een duik. Brrr, mij niet gezien!
De
passage door het Panama Kanaal is een geweldige ervaring. Als de laatste sluisdeur opengaat varen we de Stille Oceaan op. Spectaculair! Ik ben behoorlijk verrast en aangenaam verbaasd als Karin later zegt: ‘Laten wij dit ook gaan doen, door het kanaal, de Pacific op, richting Australië.’ Oké! Wanneer? ‘Volgend jaar.’ Deal! Voor mij komt daarmee een vurige wens uit, Karin is er langzaamaan naartoe gegroeid. Er zullen dus nog vele blogs volgen.
We brengen een kleine week door in Panama City, megapool in dit kleine Centraal Amerikaanse land. Voormalige politieke achtertuin van de VS, huidig vakantieoord voor welgestelden en kanaaltoeristen en in Nederland opnieuw bekend door de Panama Papers.
In Panama City hangt het geld te wapperen aan de enorme hoogbouw. ’s Avonds brandt vrijwel nergens licht, de appartementen zijn onbewoond. Brievenbusfirma’s? Zwart geld dumpplekken? Belastingvrije vakantieappartementen?
Verder vinden we Panama City heel aangenaam. We laven ons aan de moderne menu’s van trendy restaurants en eten eigenlijk het lekkerst in traditionele eethuisjes, genieten van de gerestaureerde oude binnenstad en van de musea.
En dan bekruipt ons het gevoel: we willen terug naar Catherine, ons drijvende huisje, knus onderkomen en geweldig vervoermiddel waarmee we de meest afgelegen plekken kunnen aandoen.

Hier laten we onze gasflessen vullen – altijd een dingetje, de Nederlandse aansluiting stuit overal op problemen tijdens het bijvullen, maar altijd is er een oplossing of handig adresje. Dit keer is dat Hans van Casa X, een charmante zeilersstek die toch een beetje op z’n retour lijkt. Hans is een gouden gozer uit Delft die hier al een kwart eeuw de zeilers verwelkomt. We eten er een paar keer met Norbert en Kerstin, vrienden uit San Blas.
Ze hangen rond in de baai, hebben allerlei dynamo-gerelateerde problemen op te lossen, voordat ze verder kunnen. We proberen ze een beetje op te vrolijken en even de gedachtes weg te halen van elektrische vraagstukken en moeilijk verkrijgbare onderdelen die uit andere landen moeten worden aangevlogen. Wij brengen ons kapotte zeilhuik naar de zeilmaker in Panamarina, waar we in mei onze boot op de kant zullen zetten, waarna we een half jaar naar Nederland komen. Als we dan ook de watertanks hebben bijgevuld is het tijd om naar Portobelo te zeilen.
Wat een baai! Ruim, perfect beschut, omringd door bos en mangroven, met aan de ene kant een fort en aan de andere kant nog een fort met het plaatsje Portobelo. De Spanjaarden maakten dit tot hun voornaamste uitvoerhaven tijdens de hoogtijdagen van de koloniale uitbuiting.
Pakken wat je pakken kan en exporteren naar huis. Hebben we arbeiders nodig? Hup, laat de slaven maar komen. Wat nu een lieflijk, fraai gerestaureerd plaatsje is, was toen een bruisend handelscentrum, geleid door een meedogenloos regime. 
Dit soort plekken zijn we vaak tegengekomen in de Cariben: slavenhandel-hub Sint Eustatius, de plantages in Suriname, op Martinique, Guadeloupe en al die andere eilanden. Het ziet er zo vredig en mooi uit, maar de geschiedenis is doordrenkt met bloed en ellende. Hopelijk hebben we ervan geleerd, denk ik als ik ’s avonds in de kuip lees over de laatste verschrikkingen in Gaza. Karin ligt te lezen in de hut. Daar zit ik dan, hoofdschuddend in de donkere avond, me in mijn eentje zorgen makend over de wereldproblematiek en al dat menselijk leed. Alleen de gedachte dat zoveel andere mensen zich ook druk en zorgen maken werkt een beetje troostend.
We varen met Billy diep de mangroven in, tot we niet verder kunnen en bijna klem zitten tussen de wortels. Er is niemand en alles is verrassend schoon, zonder plasticvervuiling.
Op de weg terug, als we geluiden in de boomtoppen horen, zet ik de motor af. Een paar minuten houden we ons stil. Het geluid van brekende takken en ritselend gebladerte komt dichterbij. Dan staan we oog in oog met een familie apen. Eentje komt op ons af, op enkele meters afstand kijken we elkaar in de ogen, en dan rent het beestje weg, het bos in met z’n troep. Later lees ik dat het witschouderkapucijnapen waren.
Als we die avond in het stadje een echte Italiaanse pizza eten maken we kennis met twee ontzettend leuke jonge vrouwen. Ze hebben elkaar reizend leren kennen in Mexico en zijn nu hier. De een vertrekt morgen, de ander, de Londense Laiba, werkt tegen kost en inwoning bij de pizzabakker. Ze zijn open, intelligent, vrolijk. Twee avonden later – de avond voor vertrek naar Bocas – eten we er weer maar de sfeer is niet best. Laiba kijkt met betraande ogen uit over de baai. Karin vraagt of het een beetje gaat. Dan gaat alles snel. Laiba loopt leeg over hoe onaardig de pizzabakker tegen haar doet. Ze vraagt ons advies. Weggaan of blijven? Ze besluit weg te gaan. Karin en ik hebben aan een blik genoeg en bieden haar aan mee te zeilen naar Bocas. Ze haalt haar tas en als de pizzabakker dit hoort barst de bom. Een vijandige monoloog aan de bar tijdens het afrekenen, ik probeer hem nog te laten dimmen, ze is immers nog zo jong, er volgt een scheldpartij op het steigertje, de man verliest zijn controle en ten overstaande van z’n clientèle maakt hij zich onmogelijk. Laiba’s hele generatie deugt niet en alle jongeren zijn egoïsten. Als we op de boot zijn maken we een bedje klaar voor Laiba, praten wat na, ze leegt haar hart, is dankbaar, terwijl ik alvast begin aan het vaarklaar maken van Catherine. Want we vertrekken bij dageraad. Voor het slapengaan is de spanning uit de lucht en lachen we om het hele gebeuren. Wat een scène! ‘You saved my life!’
De wekker gaat als het nog donker is. Ik check de laatste windvoorspelling. Net genoeg wind om te zeilen, maar nu, in de baai, is het nog volledig windstil. Na de noodzakelijke kopjes thee en koffie varen we in de ochtendschemering de baai uit. We passeren een geankerd superjacht waar we eerder mee in de sluizen van het Panamakanaal hebben gelegen, grappig toch? De reis naar Bocas is 160 zeemijl, met weinig wind wordt het nog afwachten of we de volgende dag op ETA-tijd 17.30 uur aankomen als het nog licht is. Ik heb geen zin om in het donker te gaan ankeren. We gaan het zien.
De eerste twee uur is het windstil en moteren we. Daarna is er 9 à 10 knopen wind, genoeg om de zeilen te vullen. Catherine haalt met moeite 4 à 4,5 knopen. Als de wind naar 12 knopen gaat halen we 5 knopen. Prima, zo gaan we lekker. Laiba, Karin en ik kletsen honderduit, we lachen om de toestand van gister en tasten af hoe we over van alles denken. Er blijkt een geweldige klik ondanks 40 jaar leeftijdsverschil. Zowel Karin als Laiba worden wel een beetje katterig en trekken zich terug. Ik geniet van de rustige zee. ’s Avonds trekt de wind verder aan. Karin en ik improviseren een beetje met de wachten. Toch maar een rifje voor de nacht als de wind naar 17, 18 knopen gaat. Laiba komt er rond drie uur bij zitten en geniet van de sterrenhemel. ‘This is an amazing experience’, zegt ze na een tijdje. De algen lichten op in het kielzog: ‘Wow, so beautiful!’, roept Laiba uit. Door haar jonge ogen zie ik opnieuw hoe bijzonder dit is, zeezeilen bij nacht, terwijl het na talloze nachten op zee zo gewoon voelt. De volgende dag kabbelt voorbij, de meiden slapen veel, met als hoogtepunt mijn pastaschotel. Dan naderen we Bocas en varen om half zes, exact volgens de ETA!, de baai van Bastimentos in. Na het ankerbiertje duikt Laiba de keuken in, ze leert Karin hoe je een echte Pakistaanse curry maakt, zoals ze dat van haar moeder heeft geleerd. Ik geniet na in de kuip van de prachtige overtocht en het vrolijke gekeuvel van Laiba en Karin in de kombuis. Waar hebben ze het allemaal over? Relaties, reizen, je relatie tot familie, opgroeien in een multiculturele omgeving, hedendaags drugsgebruik, vrienden, uitgaan, irritante boomers, muziek, klimaat, milieu, lhbti, woke zijn, verantwoord leven, niet wegkijken. ‘How can one not be curious?’ Helemaal mee eens! Wonderlijk hoe het soms kan klikken met mensen, op de meest onverwachte momenten. Openheid en wederzijdse oprechte belangstelling zijn denk ik het geheim. Leeftijd maakt blijkbaar niet uit, merk ik op. ‘No of course not. Because you guys are cool as f*ck!’
De dag erop nemen we afscheid van Laiba met de afspraak dat we elkaar snel weer zien voor een drankje in Bocas Town. We brengen een bezoek aan vrienden van onze kinderen, Jeroen en Danielle. Aan de overkant, op Isla Solarte, zijn ze bezig om een resort uit de grond te stampen. We tuffen er in de miezerregen heen met onze Billy en maken kennis met dit jonge, gastvrije stel. Een prachtige tuin, terrassen, aangelegde verharde weggetjes, nieuw te bouwen kamers, bar, keukens.
Ik voel me opeens als doe-het-zelver aan ons oude pandje in Rotterdam West een enorme amateur als ik zie wat zij voor elkaar krijgen. Indrukwekkend! Karin relativeert: ‘Joh, je kunt jezelf niet met Jeroen vergelijken, hij is professional.’ Het is supergezellig met hun en we spreken af elkaar nog een keer te treffen.
Op Isla Bastimentos trekken Karin en ik erop uit. Ik heb op de app NoForeignland een mooie wandelroute gezien. Het ziet er uitnodigend uit, maar als we na een half uur het eerste spinnenweb in ons gezicht krijgen, met een dikke vette spin in het midden, blijkt dat deze route niet meer in gebruik is. Ontelbare spinnenwebben volgen, het pad onduidelijker. We kruipen onder een prikkeldraad door, gelukkig kunnen we via de gps vasthouden aan de route, zelfs als het pad helemaal verdwenen is. We glibberen en glijden over de hellingen, dan zien we een piepklein gespikkeld rood kikkertje wegspringen. Het is de endemische kikkersoort die alleen op dit eiland voorkomt. Daarom heb je hier Red Frog Beach, Red Frog Marina, Red Frog Restaurant.
Het gebied is beschermd natuurgebied voor deze kikker. We zien er nog enkele wegspringen. Dan passeren we een groot stuk oud ijzer: een omgevallen lichtbaken. Na anderhalf uur ploeteren, bereiken we de kust. Het pad is daar net zo glad en onduidelijk, maar dan lopen we op het stille strand en nemen we een welverdiende duik. Heerlijk! Via de gangbare route lopen we terug naar het dorp, we kloppen de modder van onze kleding, Karin slaat een doek om. We zijn net toonbaar genoeg om in het eethuis aan de kade een lokaal gevangen visje te eten.
Vanaf het terras kijken we uit over de pier waar de watertaxi’s komen en gaan. Bouwvakkers sjouwen op blote voeten hun bouwmaterialen uit een bootje het dorp in. Schoolkinderen in uniform zitten op kleurrijke bankjes, ze hangen rustigjes een beetje rond.
De bouwvakker, een boom van een kerel, begint opeens te schreeuwen en te lachen, andere mannen lachen mee, we snappen niet waarom, verstaan alleen dat het over Balbao bier gaat, hetzelfde bier dat wij ook gulzig achteroverslaan na onze pittige wandeling in de tropenhitte. We maken een leuk praatje met de vriendelijke uitbaatster. Zo maken we deel uit van een vredig dorpstafereel en voelen we hier ons helemaal thuis. Het eten is heerlijk. M’n met zweet doordrenkte petje ligt naast me op een stoel. Wherever we lay our hat, that’s our home!
Voor verse groente en eieren kunnen we altijd terecht bij een Guna veggie boat, die we met een beetje geluk wekelijks treffen. Eén of twee keer per week komt er een visser in z’n uitgeholde boomstam aangepeddeld waar we dan voor een paar dollar verse vis van kopen. De vissers maken zelfs de vis voor ons schoon. Ze gebruiken dan een mes van ons om de vis mee te bewerken.
Op een keer realiseert Eric zich dat de vissers er met ons koksmes vandoor gaan, hij springt in de dinghy en gaat de vissersboomstam achterna. Ik zoek vliegensvlug het moeilijk te onthouden woord voor mes in het Spaans op en Eric roept de vissers na: ’cuchillo, cuchillo’! Ze waren het waarschijnlijk gewoon vergeten terug te geven, want alles gaat hier wel heel gemoedelijk en we voelen ons hier heel veilig.
Tijdens één van mijn ochtendwandelingen zie ik een zoetwaterbron en besluit daar mijn was te doen. Ik haal de vuile was op van Catherine en loop langs het hutje van señor Hernandez. Hij wijst me op de bron in de buurt van zijn hutje en vertelt: ‘deze bron is beter, verder van zee vandaan en dus minder brak’. Ik mag zijn emmers gebruiken en ga aan de slag.
Het is een klein Guna-eilandje, volgebouwd met hutjes en ook wat stenen huisjes. Ik zie nog een schoolgebouwtje en een kerkje. Als we de steiger naderen roept een man: ‘necesitas agua?’. Ik antwoord bevestigend en hij roept dat er pas later die dag weer water is omdat de waterleiding moet worden gerepareerd.
Wat nu? We zijn expres lekker vroeg gaan varen en het kan nog uren duren voor er weer water is. We ankeren voor het eiland en bezoeken met Billy de bijboot het eiland. Op het eiland is een volleybaltoernooi aan de gang, jongeren van verschillende eilanden spelen tegen elkaar. Het is een drukte van belang en de jonge volleyballers zijn enorm fanatiek. Het is een kleurrijk gebeuren. Volleybal is de meest populaire sport bij de Guna’s. Op bijna elk eiland zie je een volleybalveldje. Bij twee winkeltjes doen we inkopen. Bij het eerste winkeltje kopen we wat blikjes, pasta en olie en bij het tweede winkeltje verse groenten en fruit.
We staan voor een open luik en turen naar binnen, want het is hier gebruikelijk om aan te wijzen wat je wil kopen. In het donker staan dozen waarvan de inhoud niet zichtbaar is. Ik weet dan nog niet alle namen van de groenten, maar de verkoopster is vriendelijk en behulpzaam. Ze showt steeds iets uit een doos en vertelt hoe het heet in het Spaans en vraagt hoeveel we ervan willen. Dit is leerzaam en zo anders dan boodschappen doen bij de Albert Heyn met zijn zelfbediening en zelfscan kassa’s. Je hoeft daar geen woord te spreken. Na deze boodschappenronde weet ik de meeste benamingen in het Spaans. Eric bestelt ook nog een treetje met 24 blikjes bier. De vrouw roept de bestelling door naar achteren en een stokoude man met kromme benen komt de tree bij ons afleveren. Hij knikt ons vriendelijk toe. De Guna’s zijn overal even aardig. Deze mensen met hun eenvoudige levensstijl hebben mijn hart gestolen. Zij maken de San Blas tot een uniek gebied.
We kunnen zelf water halen aan de overkant met onze bijboot. We varen drie keer heen en weer met emmers en jerrycans en vullen alles bij de kapotte leiding. Het water komt rechtstreeks uit de bergen en is goed, zuiver water. We zijn voldaan: boodschappen binnen en de watertanks tot de nok bijgevuld met 400 liter water.
Na de vijfdaagse overtocht vanuit Curaçao kwamen we als eerste aan bij het eiland Banedup. Dat was een goede start. We hadden van een bevriende zeilster gehoord dat het in Guna Yala niet direct nodig is om in te klaren. Guna Yala wordt bestuurd door het Guna congreso en die hanteren andere eisen dan de Panamese regering. We konden later inklaren op een ander eiland, Porvenir, en tot die tijd niet-ingeklaard varen. Fijn dat we die hele papieren rompslomp nog even voor ons uit konden schuiven en lekker konden aarden op meteen de mooiste eilanden van Guna Yala: de Cayos Holandeses! Liselot bleef nog tien dagen bij ons en ze regelde vervoer vanuit Porvenir. Ze ging van daaruit naar de Bocas in Panama, Costa Rica en Nicaragua. Actieve, energieke Lies gaat surfen en reizen voordat ze in Nederland haar werkzaam leven weer oppakt.
Met Liselot erbij lag ook ons tempo hoger. We trokken er elke dag op uit om eilandjes te verkennen met de bijboot en snorkeltrips te maken. We verkenden het rif bij de onbewoonde eilandjes van de Cayos Holandeses. Ik hoorde verhalen over haaien en krokodillen. Aan de haaien raakte ik min of meer gewend, ik zag ze rondschooieren vlakbij onze barbecue om ons visafval te verorberen. We zagen er één rondzwemmen onder onze boot en ik trof een flinkerd bij het snorkelen. Verpleegsterhaaien schijnen pussy’s te zijn. Ze hebben een kleine bek en zuigen hun prooi naar binnen in plaats van ze te verscheuren zoals de gevaarlijkere haaien doen. Met hen kon ik dealen. Krokodillen echter joegen me vrees aan. Ik hoorde een verhaal over een Guna hondje dat was opgegeten en andere zeilers hadden het over een aanval op een zeilster. De eerste keer dat we op snorkelexpeditie gingen, bleef ik wat bangelijk in Billy zitten. We hadden Billy vastgeknoopt aan de mangroven. Eric en Liselot sprongen meteen enthousiast in het water. Ik hield het vijf minuten vol in de dinghy en besloot over mijn angst heen te stappen en zwom ze achterna.
Zodra ik in het water lag, ebde mijn angst weg en zag ik een prachtig rif, een gevlekte adelaarsrog, een schildpad en fel gekleurde vissen. Als je zo’n leven leidt als wat wij nu leiden, moet je jezelf dwingen over bepaalde angsten en afkeuren heen te zetten. Zo niet, dan kan je beter in Rotterdam blijven. Hoewel daar het gevaar van alle kanten komt en de kans om aangereden te worden door een auto of een fatbike vele malen groter is dan te worden aangevallen door een krokodil in de San Blas.
Elke morgen loop ik minimaal vijf kilometer op blote voeten door het fijne, witte zand langs de azuurblauwe vloedlijn. Als een eiland klein is dan loop ik twintig keer op en neer. Andere eilanden zijn precies één kilometer rond. Ik loop het eiland dan vijf keer rond. Het is zo rustig op het eiland. Ik hoor het ruisen van de palmbomen en het kabbelen van de branding. Af en toe ploft er een pelikaan met een noodvaart naar beneden om vervolgens een visje levend z’n strot in te laten verdwijnen. Ik zie een Guna bootje aanleggen om kokosnoten of brandhout te verzamelen. We begroeten elkaar vriendelijk: ‘Hola!’ Kinderen wandelen rond met een jong hondje op het eiland, ze groeten me ook ietwat verlegen. Het is vreedzaam. Maar aan elk verhaal zit een ‘maar’. Aan de windzijde van een eiland ligt de rommel: plastic flessen, ontelbaar veel plastic slippers, kindertassen en kinderspeelgoed. Al die troep spoelt aan, misschien wel vanuit de hele Caraïben en Colombia of helemaal vanuit Trinidad. Troep die nooit vergaat: Europese, Amerikaanse, Chinese zooi. Hoe anders moet het hier dertig jaar geleden zijn geweest. We praten met Ibin, de eigenaar van het restaurant op Banedup over het plasticprobleem.
Er worden regelmatig plastic verbrandingen gehouden. De Guna’s en ook de zeilers ruimen het strand op en verbranden het plastic. Het is een druppel op een gloeiende plaat. Ibin vertelt dat na een clean-up de volgende dag het strand weer vol ligt.
De hutjes zijn eenvoudig: gemaakt van bamboe, palmhout en de daken gevlochten van kokosbladeren. De constructie is vastgeknoopt met touwen. Er zijn alleen natuurlijke materialen gebruikt. Binnen in de hut zie je als enig meubilair hangmatten en de kookplaats is een plekje met een houtvuurtje achter de hut. In zee zie je piepkleine hutjes op palen, dit zijn wc’s. Tussen de huisjes zijn supersmalle steegjes, alles is netjes aangeharkt. Vrouwen zitten voor hun hutjes te handwerken. Ze maken zogenaamde mola’s: kleurige gehandwerkte doeken met geometrische figuren. De patronen hebben symbolische betekenissen en de afbeeldingen komen uit de dagelijkse belevingswereld van de maakster. Ze maken er kleding van of verkopen de doeken aan toeristen.
Op een dag komt de beroemde Mola Lisa langs en biedt ons mola’s te koop aan. Wij zijn al voorzien, maar we hebben dan nog geen Guna-vlag met swastika. Die kopen we bij haar (hem). Mola Lisa kleedt en gedraagt zich als vrouw. Bij de Guna-gemeenschap is genderfluïditeit heel gewoon. Als een jongen zich al vroeg ‘vrouwelijk’ begint te gedragen, dan staat het gezin de jongen volledig toe zich te kleden en te gedragen als meisje. Hij/zij verricht dan ook de vrouwelijke taken. Het is een matriarchale samenleving: zogenaamde vrouwelijke taken staan hoog aangeschreven zoals koken, zorgen voor de kinderen en handwerken. De man gaat na het huwelijk wonen bij de familie van de vrouw. Het bezit van land wordt via de vrouwelijke lijn doorgegeven.
Ik moest even wennen aan de swastika vlag, maar nu wappert ie toch ook trots aan onze vlaggenlijn. Voor de Guna’s staat de swastika voor de onafhankelijkheid van Guna Yala. De revolutie vond plaats in 1925. De nazi’s gingen dit door veel culturen, positief gebruikte teken later in spiegelbeeld ook gebruiken als symbool voor hun fascistische ideologie.
We raadplegen verschillende kaarten en ik sta op het voordek op de uitkijk. Overal om ons heen zie je de ondieptes en de witte koppen van de brekers. Ons Sint Maarten avontuur heeft ons gelouterd, we zijn extra voorzichtig. Dan komen we bij een plek die goed is om te ankeren, meestal liggen er een paar andere boten. Eenmaal op de juiste plek, zoeken we een goed ankerplekje met zandgrond en gooien het anker uit.
We worden voorgesteld aan de familie. Het zijn drie zussen met kinderen en kleinkinderen. Een bejaarde man glimlacht vriendelijk naar ons en zit een stukje verderop half weg te dutten. We zijn een paar dagen op dit eiland. Het is hier gezellig en ik kan hier heerlijk wandelen. Ik loop het eiland vijf keer rond, een rondje is precies een kilometer en steeds kom ik dezelfde mensen tegen. Een vrouw ligt in haar hangmat en groet me telkens als ik langskom. We hebben brood besteld, maar bij mijn vierde rondje is het nog niet klaar. Ik zeg dat ik nog een rondje loop en dan het brood ophaal. Als ik na het vijfde rondje vraag of het brood al klaar is zegt een jonge man: ‘nee nog niet, nog een rondje’. Het is een grapje en hij geeft me een ‘high five’!
Ik ga terug met Billy naar Catherine met het heerlijke verse brood.
We zitten op onze knieën in de glasheldere ondiepte en maken kennis met de longstayers, wisselen ervaringen en wetenswaardigheden uit en komen nog meer te weten over de San Blas eilanden. Er hangt een gemoedelijke sfeer, er komt zelfs een man met een ukelele de boel nog extra opvrolijken. Veel zeilers ontmoeten we meerdere keren en met sommigen bouwen we een speciale band op.
Hij tovert de heerlijkste gerechten uit z’n eenvoudige keuken, die hij serveert op het in elkaar getimmerde meubilair van z’n restaurantje. Ibin vertelt allerlei mystieke verhalen over de Guna’s. Hij kent mensen die heel oud zijn geworden, soms 200 of 300 jaar. Hij hoorde zelfs van iemand die 1000 jaar was geworden. De Guna’s hebben een heel ander wereldbeeld en geloof in de eeuwigheid en het universum. Voor ons onnavolgbare beelden. Op mijn vraag of hij somber is over de toekomst van de San Blas eilanden antwoordt hij: ‘ik maak me geen zorgen, de energie blijft altijd en het gaat door, er komt wel weer iets nieuws. Daar vertrouw ik op.’

Het is al weken onrustig voor de kust van Colombia, bij de beruchte kaap van Baranquilla. Daar moeten we omheen als we, vanuit Curaçao, Santa Marta of Cartagena willen aandoen. Meer smaken zijn er niet aan de noordkust van Colombia. Andere zeilers in de haven, die naar Panama gaan, kijken ook dagelijks naar de voorspellingen, in afwachting van een weer- en windgaatje. Ook zij vrezen Baranquilla. Achter die kaap reist Pico Cristobal vanaf de kust omhoog naar meer dan 5000 meter, met val- en rukwinden tot gevolg die ver in de Caribische Zee de zeilers lastigvallen. Want het is algemeen bekend dat het daar altijd 10 knopen harder waait dan de voorspellingen. 30 knopen is nog te doen, maar als je 40 kan verwachten dan rest maar een optie: wachten. 40 kan immers zomaar 50 zijn en dat is zware storm met metershoge golven. Nee dank u!
En als het maar hard blijft waaien bij Baranquilla, week na week, puilt de haven van Curaçao Marine Zone aan het Schottegat behoorlijk uit. Alle boxen zijn bezet, de aanlegsteigers voor passanten ook en daar liggen boten soms dubbel in het kleine haventje.
Karin, Liselot en ik houden een beraadslaging. Liselot’s tijd is beperkt, ze wordt knorrig van het wachten, en San Blas in Panama wil zij sowieso zien. Panama én Colombia aandoen is niet realistisch meer. We besluiten Colombia over te slaan en bij een windgat direct naar Panama te zeilen. In
de tussentijd hebben we het ontzettend fijn in Curaçao. Deze ‘rots der struikeling’, zoals mijn geliefde auteur wijlen
cruiseschepen, vervuiling, armoede, corruptie enz), maar roemen de fijne dingen. Vriendelijke vrolijke mensen. Dushi! Snorkelen! Fijne terrassen aan zee. We doen een opfris-duikcursus en duiken daarna een paar keer. De Christoffelberg beklimmen. De 
Tafelberg idem. Wandelen bij Sint Jorisbaai terwijl Liselot met haar kite over de baai scheert. En ’s avonds een biertje op de boot, in een bar of onder de palapa in de haven.
Karin maakt vrijwel dagelijks lange ochtendwandelingen in Willemstad, terwijl ik het gevecht aanga met die eeuwige kluslijst. Nieuwe gasleiding: ik heb acht winkels bezocht eer ik de juiste koppelstukjes heb gevonden.
Dieselonderhoud, alle filters had ik in meervoud meegenomen uit Nederland. Windvaan smeren, kapot zonnepaneel vervangen, haperende navigatie-instrumenten aan de gang krijgen, navigatieverlichting repareren. Alles wat draait of scharniert toont kwaaltjes of piept op z’n minst, want het fijne stof in de lucht zit in alle lagers en kieren. Om die reden heb ik de windmolen niet gefixeerd tijdens onze afwezigheid, al
Na een laatste barbecue op de werf nemen we afscheid van de achterblijvende boten. Het was zó gezellig daar! Ik start de motor, vele hulpvaardige handen helpen ons de krappe box uit. Zwaaien, toeteren, het gaat jullie goed! Achter ons gooien ook Sabali en Coral Moon van onze vrienden Mark en Donna de trossen los. Morgen volgen Kujira en Rare Breed. Bestemming: San Blas, Panama. We tuffen met z’n drieën onder de hoge Julianabrug door, waar we met Liselot’s auto zo vaak overheen zijn gereden. Stuurboord ligt Otrabanda, bakboord
Punda, als de motor van de Pondjesbrug wordt opgestart en de drijvende brug voor ons open scharniert. Erachter, in de monding van de baai, klotst het. Gedrieën leggen we onszelf op zee in de wind en hijsen de zeilen. Dan zeilen we voor de wind en een paar uur later ankeren we alweer in de baai van Santa Krus. 
We gaan nog even snorkelen en in het water wensen de drie boten elkaar een behouden vaart naar Panama. Morgenochtend beginnen we van hieruit onze vier- a vijfdaagse tocht naar San Blas: ongeveer 700 zeemijlen, 1300 kilometer. We gaan er even goed voor zitten!
Dan zijn we alleen op de Caribische Zee, geen vrienden om ons heen, de komende dagen staan Karin, Liselot en ik er alleen voor. De tweede dag vallen we terug tot onze reguliere vaart: 5,5 a 6 knopen. Het is prachtig zeilweer, de sfeer is ontspannen. We hebben voor drie dagen vooruit gekookt en de pasta bolognese, risotto funghi en pompoensoep is diepgevroren in de vriezer op de werf. ‘Wat zullen we eten?’ is het favoriete gespreksonderwerp, gevolgd door een beoordeling van de maaltijd, die telkens positief uitpakt: ‘Mmm het was heerlijk!’ Gevolgd door een verbeterpuntje: ‘Volgende keer iets meer champignons’. Zo ontspannen kan zeezeilen zijn. Ook de derde dag gaat het op z’n boerenfluitjes met zo’n 15 a 20 knopen wind, 4 á 5 Beaufort, de goede kant op.
Wel zien we een paar keer enorme boomstammen en stronken drijven, afkomstig uit het Colombiaanse regenwoud, meegesleurd door de brede Rio Magdalena bij Baranquilla. We hebben geluk nodig om daar niet tegen aan de varen. Vooral ’s nachts. Tijdens mijn wacht, vroeg in de derde nacht, zie ik aan bakboord de weerlichten die vanachter de horizon de bewolking verlicht. Blij dat we daar niet zijn.

Later, tijdens mijn wacht en daarna die van Liselot, blaast de wind met 25-30 knopen, uitschieters daarboven. 7 Beaufort. Als het licht wordt kijken Liselot en ik bij de wisseling van de wacht naar de zee: chaos. Golven van alle kanten, ze klotsen tegen elkaar op, ze lijken tegen elkaar op te bieden; ik ben lekker hoger dan jij! En hoog zijn ze. Karin schat ze op vijf meter, ik hou het op vier, maar het voelt als zes. Als Catherine in een golfdal ligt, kijken we omhoog tegen de watermassa aan. Indrukwekkend ja, dit hebben we de laatste keer meegemaakt in 2019, toen we vanuit Lissabon naar Porto Santo
Overdag blijft het flink waaien en de zee blijft irritant onregelmatig en hoog. Weer een boomstronk, op enkele tientallen meters afstand. Dan maakt Catherine opeens een zwieper, we houden ons vast. Al snel pakt Catherine de draad weer op. Later kwakt er een enorme plens water tegen de buiskap: waar kwam die golf opeens vandaan? Af en toe wordt Catherine opgetild door een heel steile golf; dan weet ik dat vlak erna, als het water onder de boot wegrolt, ze de grip op het water verliest, alsof ze los komt, flink helling maakt, oploeft en even van haar koers afwijkt. En zo werken we ons de hele dag in deze zware zee naar San Blas, wetend dat bij aankomst de volgende uitdaging wacht. Want we komen ’s nachts aan in een met riffen en ondieptes vergeven gebied. Of we moeten zes uur bijliggen, vertragen en de volgende ochtend aankomen, maar we zijn eensgezind: nee. We zetten koers naar Hollandes Cays, een plukje eilanden, buitenpost van San Blas. Ja, onze maritieme geschiedenis, gevoed door de ooit bejubelde VOC-mentaliteit, achtervolgt ons met argwaan, want wat zullen onze zeevarende voorvaderen hier nou weer hebben uitgespookt? Waar elders in de Cariben de inheemse bevolking zowat is uitgeroeid na komst van westerlingen, is in de San Blas de inheemse Guna-bevolking gelukkig alive and kicking en zijn ze zelfs semi-autonoom: Guna Yala noemen ze hun gebied.
We hebben de kaarten bestudeerd, zowel digitaal als van papier, de koers uitgezet, taken verdeeld. 22.00 uur: land in zicht, middels een paar flauwe lichtjes tegen de zwarte achtergrond. Waarschijnlijk ankerverlichting van een paar jachten. Onwaarschijnlijker zijn het lampjes van huizen, want Guna’s leven in hutten, er is op de buiteneilanden geen elektriciteit, behalve wat stroom via zonnepanelen. We proberen de lichtjes te vertalen naar de kaart: ‘Het moeten ankerlichten zijn’, zegt Liselot, zelf een bijzonder helder licht, gedecideerd, nadat ze een peiling heeft genomen. Dan komt de zeebodem omhoog, van pakweg 2 kilometer naar 1500, 1000, naar 200 meter. De golfslag verandert, ik hield rekening met een nog wildere zee, maar het wordt juist gelijkmatiger. We ontkoppelen windvaan Arie en Liselot gaat sturen. Dan is het 50 meter diep en ligt volgens de kaart het eerste eiland aan stuurboord, maar we zien het niet. Of toch, daar, een vage contour. Alle navigatie gaat via de kaart, want oriënteren op zicht is er niet bij. Te donker en bovendien zijn de gevaarlijkste riffen onder water. We koersen om de ondieptes heen, die al menig schip in dit gebied naar de verdoemenis heeft geholpen. Vorige week nog, een zeiljacht bij Porvenir, iets verderop, waar we later moeten inklaren. Pats boem, op een rif, vast, lek, niet meer te redden, total loss. Geen gewonden gelukkig. Ik probeer er niet aan te denken, hou m’n hoofd bij de navigatie. Karin kan zich in de maanloze nacht niet oriënteren: ‘ik hoop dat jullie weten wat je doet.’ Hier moeten we 90 graden naar stuurboord. Na de koerswijziging varen we westwaarts en komen we in de luwte van het volgende eiland. Liselot start de motor. We leggen de boot in de wind: we strijken de zeilen, ik bind, vanzelfsprekend aangelijnd, het grootzeil op de giek. Als ik in de kuip terug ben, zie ik dat Karin ongerust is. ‘Maak je geen zorgen, we weten wat we doen.’
Liselot zet de motor in z’n achteruit en ik check of het anker zeker-weten houdt. En dat doet het. We liggen vast en veilig voor anker! Als Liselot de motor uitzet, horen we louter het geraas van de golven op het strand. Verder niets. We kijken elkaar aan: wat zijn we opgelucht! We hebben het gefixt en geven elkaar een high-five. Wat een etmaal was dit, we zijn moe, moe! Tegen middernacht oppert Liselot: ‘Ankerbiertje?’
Schudden met je buik, links rechts, omhoog omlaag, de mast zwiept heen en weer zoals de danseres met haar armen in de lucht zwaait en haar heupen draait. De ankergrond is prima, maar de onophoudelijke deining maakt dat de meeste zeilers dit bijzondere eiland mijden, of zich na een nacht hotseklotsen vermoeid weer uit de voeten maken. Wij gaan er ook vandoor, na een geweldige week in onze airbnb, zoals Karin in het vorige blog heeft beschreven.
Bij het uitchecken is de opgewekte douanier optimistisch over de kansen van Statia als zeilersbestemming: ‘Er zijn vergevorderde plannen om de haven te moderniseren. Voor de vrachtschepen, maar ook voor zeilers. Er komt een pier, waarachter de zeilschepen kunnen ankeren. De aanbesteding is afgerond en de bouw kan beginnen. Binnen twee jaar zou het klaar moeten zijn.’ Dat zou voor Statia en zeilers een geweldige ontwikkeling zijn!
Vooral ’s nachts moet je op je hoede zijn. De bak is slecht of soms zelfs helemaal niet verlicht. Als je denkt even achter de sleepboot langs te gaan knal je dus op de staalkabel. Ja, dat is echt gebeurd! Wij, voorzichtig als we zijn, houden ruim afstand.
De enige optie lijkt nu te zijn het schip schuin te leggen en een beetje te draaien. Ik weet: dit kan me mijn roer kosten. Maar misschien hebben we mazzel. We draaien de genua uit, Catherine ligt een beetje scheef, draait om het draaipunt – de kiel – en onze motor brult, alle baardmannen trekken en duwen met hun dinghies. Catherine komt zachtjes in beweging, maar dan hoor ik een angstaanjagend gekraak. Het gaat door merg en been. Ik weet: mijn roer gaat er aan. Dan zijn we los. Maar het roer zit vast, we zijn stuurloos. We worden naar een plekje gesleept, een stukje terug, vlakbij Coral Moon, en laten het anker vallen. We bedanken de mannen, die net zo snel weer weg zijn als dat ze er waren. Dan is het stil.
Karin en ik kijken elkaar met holle ogen aan. Ik verontschuldig me bij Karin: het is 100% mijn fout. Ze trilt nog na, is misschien zelfs in shock, maar weet toch een samenhangend antwoord te formuleren: ‘Jij neemt als kapitein altijd alle verantwoordelijkheid. Het gaat altijd goed. Nu gaat het een keer mis. Ik neem je niets kwalijk.’ Ikzelf wel. Ik ben doodop. Leeg. Vervloek mezelf. Zo voelt het dus als je een onomkeerbare stommiteit bent begaan. Acceptatie is de enige weg.
Mark spreekt me bemoedigend toe, terwijl Donna en Karin gezellig zitten te keuvelen. ‘It happens to everyone. Every skipper makes a stupid mistake some time. It happens to all of us.’ Het doet niets af aan mijn stommiteit – waarom wilde ik zo dicht bij het strand, waarom heb ik niet goed op de kaart gekeken, waarom was ik zo onzorgvuldig terwijl ik normaal gesproken duizend keer op de kaart kijk – maar het helpt me de situatie te accepteren. Shit happens. Je kunt niet jaren over de wereldbol zeilen zonder een fout te maken.
De ochtend erop worden we eruit getild. Peter is er dan ook. Iedereen die we spraken zei: ‘Pete, the Dutch guy, he’s your man.’ Betrouwbaar, een vakman die regelmatig dit soort schades herstelt. Catherine hangt in de riemen, de schade aan het roer is aanzienlijk. Een scheur en een verbogen buis waar het roer omheen is gebouwd: de roerkoning is als een banaan.
Gelukkig is er op het eiland een nieuwe te vinden met dezelfde diameter. Maar wat blijkt: er is een minimaal verschil, de buis is een pietsie te breed, fractie van een millimeter. Dat levert een hoop werk en vertraging op. Uiteindelijk staat het nieuwe roer onder de boot, alles past, de roerkoning glijdt in de hennegatskoker, roer vast en we kunnen het water in.
De volgende dag monteert Peter de hele stuurinrichting – kabels, kwadrant – en dan is het klaar. Catherine wordt genezen verklaard. Bedankt Peter, je bent een kanjer!
De laatste avond brengen we door bij Lagoonies, gezellig zeilers-café-restaurant, met een Amerikaans stel dat we via Peter hebben leren kennen. Het is ouderwets gezellig, de anekdotes vliegen over tafel, we lachen, drinken, laten de sores van het roer achter ons. We zijn klaar voor het vervolg van onze reis.
De brug gaat open, we zwaaien naar een toeschouwer bij de jachtclub, gaan achter de Amerikanen aan onder de brug door, zij gaan linksaf, goede reis, wij gaan rechtdoor. Zeilen omhoog, koers uitzetten, motor uit. Arie stuurt Catherine de komende 500 zeemijl (x 1,852 = 926 kilometer) naar Curaçao.
De niet-meer-volle maan is de derde nacht weer ietsje kleiner geworden, komt wat later op, maar verlicht de rest van de nacht nog steeds de zee, veelvormige wolken lichten op in het maanlicht, als abstracte sculpturen in een museum. Elke avond, tijdens de schemering, steken we een rif in het zeil, hoewel er eigenlijk geen aanleiding voor is, maar we willen ’s nachts niet verrast worden door een windvlaag of tropische bui. Tijdens de derde dag beginnen we uit te kijken naar onze aankomst in Curaçao, waar Liselot op ons wacht. Wat een mooi vooruitzicht om haar daar te zien! Tijdens de vierde nacht krijgen we Bonaire in beeld en belanden in drukker vaarwater. Een groot containerschip komt recht op ons af. We liggen op ramkoers.
Volgens de reglementen moet hij voor ons wijken, maar lijkt dat niet van plan: de groene en rode boordlichten zijn beide te zien, en liggen steeds een beetje verder uit elkaar, wat betekent dat het schip snel dichterbij komt, wat wordt bevestigd door het ais dat al een tijdje het alarm doet afgaan. Via de marifoon roep ik het schip op. Geen reactie. Ik probeer het nog twee keer, maar de stuurman reageert niet. Door de verrekijker zie ik de hoge boeg, het flinke stuurhuis en breedte van het schip dat nog steeds recht op ons afkomt. Het gevaarte is nu op enkele honderden meters genaderd. Ik wil de motor starten om sneller te kunnen uitwijken, als op dit laatste moment het schip bijstuurt. Zoals de regels voorschrijven, maar ik vervloek de stuurman die niet reageerde op mijn oproepen en zo niet bijdroeg aan een veilige vaart.
Na een tocht van negentig uur, varen we door de smalle doorgang naar het Spaans Water, de populaire lagune en ankerplaats. Nog even goed opletten, ik navigeer nauwkeuriger dan ooit na ons avontuur in Sint Maarten, stuur Catherine langs de ondieptes en even later liggen we te dobberen achter ons anker. We zijn er!
Even later zitten we in de kuip, met een lekkere lunch terwijl we bijpraten over van alles: natuurlijk ons roergedoe, de heerlijk zorgeloze zeilreis hierheen, maar vooral over hoe leuk Liselot het hier heeft, met haar werk in het ziekenhuis, fijne collega’s, de gezelligheid in de vrije tijd, het kiten, restaurantjes, snorkelen. Eigenlijk mogen Liselot en Kaj helemaal niet aan boord komen, want we moeten nog inklaren. Dat doen we na de lunch.
Dan moeten we ook nog naar de havenmeester, die zit aan de andere kant van de haven, maar het is inmiddels te laat. Dus daar rijden we de dag erop naartoe, we rijden over de hoge Julianabrug, daaronder is het havenkantoor en die is eigenlijk alleen met de auto te bereiken. Hoe doen andere zeilers dat als ze geen Liselot hebben die de weg weet en een auto heeft? We vragen het tijdens een biertje in de kuip aan Mark en Donna, onze vrienden van de bovenwinden, waar we vlakbij zijn geankerd. ‘It’s incredible! It took us three days to complete the clearance procedure!’ We zien de humor ervan in, ook omdat alle ambtenaren en functionarissen zeer vriendelijk en behulpzaam waren.
De teenslippers zijn niet het perfecte schoeisel; dagen later roep ik nog een keer ‘au!’ als ik de zoveelste doorn uit de zool pluk.
We gaan naar de Sint Joris Baai en zien dat Liselot goed heeft leren kiten, ze vliegt door de lucht, een jaar nadat ze op Carriacou haar eerste lesjes kreeg, toen ze vanuit Trinidad enkele weken met ons meezeilde. We bezoeken haar werkplek, het Curaçao Medical Center, een hypermodern ziekenhuis, prachtig ontworpen met een open centrale hal waar een natuurlijk windje voor verkoeling zorgt. Als Liselot zich omkleedt en in een oogwenk van een zorgeloze levensgenieter verandert in serieuze arts, krijgen we een rondleiding over de afdelingen en maken kennis met wat collega’s.
Als de dienst van Dokter Lies begint en ze de spoedeisende hulp binnenloopt, zwaaien we nog even en gaan Karin en ik op zoek naar bus 6A richting Spaans Water.
De pondjesbrug, officieel de Koning Emmabrug, zwaait voor ons open. Het is een grappig bouwsel, drijvende brug op pontons die in beweging komt door een benzinemotor met schroef. Op de kade staan allemaal mensen te kijken en te zwaaien, en in het groepje zien we opeens een filmende Donna staan!
Zij en Mark zijn hierheen gekomen met bus 6A om ons te begroeten en
We maken Catherine schoon en klaar voor een paar maanden rust, we doen nog wat leuke dingen met Liselot en Kaj en dan zitten we opeens in het vliegtuig naar huis, op weg naar vrienden, familie. Wanneer en waarheen we onze zeilreis voortzetten? Dat laten we weten als we een strak plan hebben.




