Mangroven, bergen, happy hours en moeizaam kustzeilen in Panama

Rotterdam, 7 juli 2024

Catherine ligt veilig in een box bij Marina Carenero, een klein haventje tegenover Bocas Town, Panama, als we in de watertaxi stappen. We stuiven volgas naar de overkant, amper een minuut later stappen we weer uit en staan we op de vlonders te wachten op de volgende watertaxi die ons naar Almirantes, op het vasteland, zal brengen. Van daaruit reizen we over land naar Costa Rica. Steeds meer toeristen verzamelen zich, voornamelijk jonge rugzakkers, en even later zitten we op elkaar gepropt, met bagage weggestouwd in de kleine hoekjes van het vaartuig. Lijnen los, wat geschreeuw hier en daar, we tuffen tussen andere bootjes door als opeens de monsterlijke buitenboordmotoren beginnen te brullen. Allemachtig, het lijkt een raketlancering! We planeren in een half uur als een speer naar ons minibusje dat ons naar Costa Rica zal brengen. Een nieuw visum als we terugkeren in Panama, stempeltjes in ons paspoort, daar doen we het voor.

Na een probleemloze reis betrekken we ons onderkomen in Costa Rica. We hebben een lieflijk huisje in het bos nabij Cahuite gehuurd. Prachtig, midden in tropisch woud en tussen brulapen, maar afgelegen aan een onverharde weg zonder vervoer. Dat was misschien toch niet zo’n handige boeking van me, maar als zeilers zijn we gewend om met alle privacy in een baai ons eigen leventje te leiden, dus een lawaaierig kamertje in een drukke guesthouse zagen we niet zitten. De wandeling naar de ingang van het nationale park duurt al een uur en dan begint de route pas. Maar we zijn fitgetraind door de yogaklas in Turtle Cay en de talloze eerdere wandelingen, dus we zijn er klaar voor! We ronden het park, een kleine kaap in de Caribische Zee. De wandeling gaat eerst over een steiger door bos boven drassig land, dan langs de waterlijn. Rond het middaguur ploffen we neer op wit zand en zakken na de meegenomen lunch vredig weg in de droomwereld van een kort dutje.

‘Eric!’ roept Karin opeens. Ik schrik wakker en kijk in de ogen van een nieuwsgierig, nee brutaal, wasbeertje. Die heeft het op onze proviand gemunt. Hij krijgt niets, want dat zou hem verder tam maken, maar wat een lief diertje is dit! Heldere ogen, een lief koppie en mooie vacht. Als we weer wandelen komen we er meer tegen en zien we ook talloze aapjes die ook duidelijk gewend zijn aan de frequente bezoekers van dit park. Tientallen toeristen, die allemaal een ‘unieke’ natuurvakantie in ecologisch paradijs Costa Rica willen ervaren. We realiseren ons dat we twee van de velen zijn. Begrijpelijk en onontkoombaar, maar na een paar dagen Costa Rica missen we een avontuurlijk gevoel. Bovendien missen we onze knusse Catherine. Eerdere plannen om het binnenland in te trekken laten we varen. We boeken de terugreis naar Panama en zitten na vier dagen met een fris visum weer gezellig in de kuip van Catherine.

Pling! Een appje van Sylvie en Patrick, onze vrienden uit Turtle Cay. ‘We zijn over een half uurtje bij jullie!’ Hun fraaie catamaran Croix du Sud knopen we vast aan de steiger, we praten bij, ze moeten wat praktische dingetjes doen en daarna maken we een wandeling op het eiland Carenero. Dit is zo’n fijn stel! Deze korte wandeling vinden ze al prachtig en dankbaar dat ze zijn dat we ze het eiland laten zien! Ze zijn al tig jaar samen en nog steeds gaan ze met elkaar alsof ze twintigers zijn. Het ‘Mon cheri!’  werkt aanstekelijk en Karin en ik kijken elkaar opnieuw in de ogen. Reizen, mensen ontmoeten, het houdt ons een spiegel voor. Die avond lopen we met zijn vieren door de straten van Bocas Town, na enkele cocktails tijdens Happy Hour. Het is gezellig hier!

Sylvie en Patrick doen dezelfde visa run naar Costa Rica. Wij nemen afscheid van Marina Carenero. De uitbaatster Mary is een spraakwaterval, fysiek wat in verval maar verbaal barst ze van de energie. Even uitchecken is er niet bij: dat duurt een klein uur omdat de ene na de andere anekdote verteld moet worden. Ook haalt ze de biografie van Columbus uit de kast, bladert in het boek en wijst op de passage waarin staat dat Columbus hier ergens aan land is gegaan tijdens zijn vierde en laatste reis. Dan gooien we de trossen los en varen een uurtje op de motor de  Hospital Bight in. Een en al onaangetaste mangrove, prachtig.

We hebben het anker amper gezet of daar komt een bootje met heel veel pk’s aangesjeesd. In ons vorige blog schreven we over Jeroen en Danielle, een Nederlands stel dat op Isla Solarte een resort bouwt. Danielle is jarig, ze komen ons ophalen voor een beach party. We checken of het anker goed is ingegraven en dan stappen we aan boord bij het hippe gezelschap. Ongelofelijk leuke frisse aardige slimme vrolijke kleurrijke jonge mensen uit allerlei landen, waar we als oudjes opeens helemaal bij horen, want met een zeilboot de oceaan oversteken is natuurlijk supercool! De Red Frog Beach Club aan het prachtige Red Frog strand is de perfecte loungeplek voor een landerige middag. De rustigste vrouw van het clubje pakt haar ukelele, zingt, ik trommel en tweede-stem wat mee, de muziek verbroedert, we zingen, lachen en hebben kletspraatjes en diepere gesprekken. Het wordt een heerlijke middag met mensen die we een paar uur terug nog niet kenden. Het verbaast ons keer op keer hoe snel je vrienden maakt en ergens thuis kunt voelen!

We gaan ankerop, een half uur varen naar het volgende kommetje: Bahia Honda, hier loopt Hospital Bight dood. Lagen er in de vorige kom drie zeilboten, hier is niemand. Nog meer mangroven met daarachter tropisch woud. Als ik het anker laat zakken roept Karin: ‘dolfijnen!’ Terwijl ik bezig ben met de ankerketting, zwemmen de dolfijnen rond de boot! Prachtig. We liggen er een dag voor anker als we besluiten aan te meren bij het piepkleine Agua Dulce Marina. Maar dan: ‘pling!’ Sylvie en Patrick appen dat ze onderweg zijn. Daar zien we hun mast al boven het gebladerte naderen. Ze ankeren naast ons en na een uitleg van onze plannen gaan ze mee naar Agua Dulce, een paar honderd meter verderop, om vandaaruit met de rugzak af te reizen naar Boquete in de bergen van Panama. Leuk!

Eerst maar eens inchecken bij de marina, niet meer dan een steigertje met plek voor hooguit zes boten. We maken een praatje met de eigenaar, hij stopt ons een bier in de handen, nog een biertje, heel gezellig, zijn vrouw komt erbij, bijzonder vriendelijk allemaal. Totdat het opeens gaat over de volksaard van volkeren buiten Europa en de man met nadruk zegt: ‘I am a racist’. Waarna hij in een monoloog vol racistische clichés  zijn overtuiging opdringt. Karin valt stil. Ik waag een poging de tegenstrijdigheden in zijn verhaal duidelijk te maken, maar hij herhaalt: ‘I am a racist’. Zijn vrouw kijkt beduusd. Het was even gezellig, ze zit hier vrij eenzaam tussen de mangroven, ze is blij dat er weer eens leuke gasten zijn – er was verder niemand – waarmee ze fijn kan praten en dan verpest hij de sfeer met z’n verwerpelijke opvattingen. We laten het erbij.

De volgende dag zitten we weer in dezelfde raketboot naar Almirantes en pakken vandaaruit de minibus naar Boquete. We kronkelen de bergen in, het klimaat verandert, veel regen, de temperatuur daalt. ‘It’s so beautiful over there!’ had onze opstapper Laiba (vorige blog) ons beloofd, en ze heeft gelijk.  Als we uitstappen in Boquete ruiken we de gezonde berg- en boslucht, de latino’s zien er anders uit, provinciaals, en we zien ruiters op paarden. De inheemse mensen zijn kleurrijk, maar het is een ander volk dan de Guna’s van San Blas. We betrekken het door Jeroen en Danielle aanbevolen hotel en ’s avonds zitten we gezellig te eten met Sylvie en Patrick. We maken een plan voor de komende dagen: wandelingen door het bos naar watervallen en ’s avonds relaxen met een wijntje en gezellig ouwehoeren.

Na vier dagen in de bergen zijn we terug op onze boten. Het verblijf bij de racist voelt ongemakkelijk dus we vertrekken de volgende dag.  Op de kaart, vlakbij, hebben we een smalle en ondiepe doorgang ontdekt tussen Isla Bastimentos, het grootste eiland van de Bocas, en Isla Solarte, waar Jeroen en Danielle hun resort bouwen. We tuffen er eerst met de bijboot van Croix du Sud doorheen, doen op de ondiepste plekken peilingen en concluderen dan dat het wel goed zit: ondiepste plek is drie meter, terwijl wij anderhalf steken. We zijn voorzichtig en ook beetje nerveus, bekennen we aan Sylvie en Patrick, gezien onze ervaring bij Sint Maarten. Daarover pratend komen ook zij met minder leuke ervaringen tijdens de reis. Ze hebben behoorlijk wat pech en schade gehad, maar ook geluk, want alles is steeds goed afgelopen: rompschade in een jachthaven, verkeerd uitgevoerde reparaties, gebroken tuigage (net als wij op onze oceaanoversteek). Ze hebben twee keer problemen gehad met orca’s. Dat liep maar net goed af: de eerste keer werden ze door schade aan de roeren onbestuurbaar en kwam de kustwacht te hulp. Een paar maanden later werden ze opnieuw aangevallen. Toen startte Patrick de motor en tegen alle gangbare adviezen in gaf hij vol gas en bleven de orca’s op afstand. Met andere woorden, met alles wat fout kan gaan begrijpen we elkaars onzekerheden en voorzichtigheid.

Dankzij de peilingen gaan we zonder vrees de fraaie doorgang in. Aan het eind is het slingeren tussen de ondieptes en over de baai uitgestrooide mangroveneilandjes, maar dan naderen we onze volgende ankerplaats: een paradijselijk stille plek met louter mangroven en water als een tafellaken zo glad. Een magische ankerplaats!

We hebben het heerlijk. Maar als we op de kalender kijken trekken we de conclusie: we moeten verder. We hebben nog maar twee weken voordat we in Panamarina op de kant gaan en een kleine week daarna, 7 mei, vliegen we naar huis. We varen naar Bocas Town, gaan voor anker, doen inkopen en doen ons met z’n vieren nog eenmaal tegoed aan de cocktails tijdens het Happy Hour bij Tequila Republic. We nemen afscheid van Sylvie en Patrick en spreken af elkaar deze zomer te ontmoeten bij hun huis in Bretagne.

Dan zijn we weer met z’n tweetjes op Catherine. Dat is even wennen na afscheid van een mooie plek en nieuwe vrienden. We zetten de knop om. Ik haal met bijboot Billy water en diesel bij de marina van Bocas. Ook vind ik een hutje aan het water – hier staat bijna alles op palen in het water – waar ze benzine verkopen voor Suzy, de motor van Billy. Karin heeft Catherine opgeruimd en we kunnen gaan. We besluiten nog één dag naar een volgende baai te gaan, een uur varen op de motor. Daar liggen we in de volgende prachtbaai, helemaal alleen, tussen mangroven, roofvogels cirkelen hoog in de lucht, af en toe vaart er een bootje langs van het nabijgelegen wetenschappelijk onderzoekscentrum. Hier en daar liggen boeitjes: hier onderzoeken biologen de groei van koralen. Verder is het de zoveelste schitterende ankerplaats. Vervelen gaat dit nooit, we blijven ons verwonderen over hoe mooi het hier is. Panama heeft ons echt verrast!

De laatste week willen we doorbrengen in de San Blas. Nog even genieten van de palmbomen, witte stranden, de gastvrijheid van Ibin’s restaurant, temidden Guna’s en hun cultuur. De tocht erheen is niet prettig. De eerste dag gaat nog wel, maar daarna valt de wind weg. Motoren is lastig met onze versleten schroefaslager. Af en toe horen we zorgelijke geluiden, ik draai zo weinig mogelijk toeren. Ander probleem: de accu’s zijn compleet naar z’n grootje. Overdag gaat het nog wel, met de energie van de zon, maar in de nacht lopen de accu’s snel leeg en is het behelpen. De startaccu is oké en die moet na zonsondergang bijspringen om de navigatieapparatuur werkend te houden. De tweede dag, als we half zeilend, half motorend tussen ondieptes laveren, verschijnt er een waarschuwing op het scherm en gaat het AIS-alarm af. Ramkoers! We naderen een zeilboot die ons bekend voorkomt. Huh? Ik check de AIS en ja hoor: Liza en Akko van Choktow, die we hebben leren kennen op Trinidad en voor het laatst op Curaçao hebben gezien. Wat een toeval! We kletsen wat over de marifoon en wensen hen een behouden vaart met de wind mee, terwijl wij verder aanmodderen tegen de wind in en met een gemankeerde aandrijving. Het is ‘schipperen’, maar aan het eind van de dag gaan we gelukkig voor anker bij Banedup.

Die schroefas is echt zorgelijk. Hopelijk is er niets beschadigd. Ik kijk bij de motor en check onder water, maar alles lijkt ok, behalve dan de speling tussen as en houder: versleten lager. Niks krom, verbogen of gescheurd. Samen met de kapotte accu’s is Catherine een gemankeerde boot. Maar goed dat we volgende week het water uitgaan. De zorgen zijn voor morgen, in dit geval volgende week, dus we nemen het er nog even van. Uit eten bij Ibin, luieren, lezen, zwemmen, relaxen. Ibin is bezig z’n restaurant uit te breiden, hopelijk voor hem wordt het een succes. Met zijn restaurant helpt hij familie aan werk en inkomen. Ook besteedt hij een deel van de winst aan kinderen en de school in Carti, het belangrijkste plaatsje in San Blas. Ibin is echt een goeie vent.

Dan is het zover: we gaan naar Linton, naar de werf Panamarina waar Catherine op de kant gaat. We gaan ankerop en varen de baai uit. Dan maakt de as alarmerende geluiden. Brrr. Als de ondieptes achter ons liggen zetten we de motor uit en ik spring in het water. Toch zie ik niks. Ik vermoed dat de as soms in een eigentrilling terecht komt binnen het uitgesleten lager. Als we weer varen speel ik wat met het toerental en lijk ik daarmee te kunnen voorkomen dat de schroefas in trilling raakt. Maar ik zie enorm op tegen het komende etmaal. Trok de wind maar een beetje aan, dan kunnen we zeilen en kan de motor uit…

Bij het verlaten van San Blas eilanden proberen we het met 7 knopen wind. Maar laverend tegen de wind in, en wat stroom tegen komen we na twee slagen op hetzelfde punt uit. Motor aan. Weer dat alarmerende geluid. Spelen met het toerental.  Komt dit wel goed? De knoop in mijn buik verraadt dat ik me grote zorgen maak.  ‘Kunnen we niet beter terug gaan naar Banedup?’, oppert Karin. ‘Nee, want daar kunnen we niks en zijn we verder van huis. De boot moet gewoon op de kant voor reparatie en dat kan in Panamarina bij Linton Bay. Het beste is door te varen en hopen dat de wind zoals voorspeld aantrekt.’ Mijn gebeden worden verhoord. Daar is een briesje, we kabbelen hoog aan de wind parallel aan de kust met een slakkegangetje: 2,5 á 3 knopen. Maakt me niet uit, we zeilen! Dan valt de wind weer weg, motor aan, het rotgeluid gaat bij mij door merg en been, gelukkig is er weer wat wind, motor uit, en zo naderen we langzaam ons doel. Het is vroeg in de nacht, de wind trekt opeens behoorlijk aan, als we Linton Bay naderen. Donkere wolken en een frisse wind kondigen aan dat er noodweer aankomt. We moeten nog een uurtje als het losbarst. Het giet en het is pikkedonker. Maar we zijn er bijna, dus het maakt ons niet uit! We varen om Isla Grande heen, letten heel goed op want er zijn hier meerdere rotspunten die onverlicht uit zee steken. We kennen de baai van vorige keer, dus we weten ook dat er middenin de baai een grote onverlichte roestbak voor anker ligt. Daar doemt die al op, met daar achter tientallen ankerlampjes van zeilboten. Als de diepte afneemt tot een meter of vijftien, achter de roestbak, laten we het anker zakken. Die houdt gelijk, we liggen stil en zijn doorweekt, maar we zijn er!

Ik ben doodmoe, van de lange dag maar ook van de spanning of er niks kapot zou gaan, en het gemanage van de beperkte stroom. Dan vallen we in een diepe slaap, heerlijk! De volgende dag tuffen we met Billy naar Choktow. Akko had ons op de AIS aan zien komen in de stromende regen, hij stond standby voor als het mis zou lopen met de schroefas. Echt top, bedankt! De dag erop nemen we de laatste horde en varen we in een half uur op de motor naar Panamarina en dat gaat met weinig toeren goed. Daar liggen we een paar dagen aan een bolletje in een kom midden in het mangrovenbos. Wat een geweldige plek is dit! Ook zien we onze vrienden Kirsten en Norbert van Odine, zie ons vorige blog, het voelt als thuiskomen. Dan is de dag aangebroken dat Catherine op de kant gaat. Het gaat allemaal routineus en professioneel. Eenmaal op de kant, naast Odine, maken we ons klaar voor vertrek naar Nederland. Wat een fantastisch half jaar is dit geweest. Panama heeft ons enorm verrast. Wat een mooi land, een bijzondere cultuur en natuurlijk het Panama kanaal. Terwijl ik dit schrijf giert de wind om ons huis in Rotterdam, de regen klettert tegen de ramen. Karin en ik hebben ons leventje weer helemaal opgepakt, met werk, vrienden en familie, alsof we nooit zijn weggeweest. Maar af en toe kijken we elkaar aan en zeggen dingen als: ‘Ik heb nu al zin in de Pacific!’ of: ‘Wat een rijk leven hebben we toch!’ of: ‘Wat een heerlijk vooruitzicht dat we over een half jaar weer zeilen!’

 

 

 

 

Cool in Panamama

Bocas, 22 maart 2024

We laten de San Blas achter ons – met moeite! Want hoe verleidelijk is het om hier te blijven. We zeilen de oceaan over, op zoek naar paradijselijke plekken, hebben die hier gevonden, dus waarom weggaan? Wat heeft het voor zin? Wat verwachten we nog meer te vinden, moet het nog mooier, leuker, gezelliger, de koraalriffen nog meer ongeschonden? Het aanstaande vertrek uit San Blas leidde tot gesprekken over wat reizen eigenlijk inhoudt en waarom we het doen. Het antwoord: omdat we onverwachte dingen meemaken, nieuwe situaties tegenkomen, ervan genieten en leren, we dagen onszelf uit, laten ons verrassen, leren nieuwe mensen kennen. Elke dag is anders. We hebben reizend het gevoel dat we LEVEN. Dus we vertrekken uit San Blas.

We prikken een bestemming: Turtle Cay Marina. Na een dag zeilen op een bokkige zee varen we de nog bokkiger baai binnen: aan weerszijden ondieptes waar de golven op breken, koraal waar we ver van willen blijven. Maar het is krap! Een boeitje bevestigt dat we in goed vaarwater zitten, de baai vernauwt tot een smalle trechter. We hobbelen tussen witte koppen richting het vuurtorentje op een strekdam. Oei, wat is de entree tot de haven smal, de deining rolt naar binnen, en volgens de kaart is het maar 3 meter diep. Dat blijkt volgens de dieptemeter 2,9 te zijn, als we eenmaal in het kanaaltje zijn. De mensen van het restaurant zien ons arriveren, ze zwaaien, dat voelt als een warm welkom in deze kleine haven middenin de jungle. Havenmeester Lubrano komt aangehuppeld en begeleidt ons naar de ligplaats. Dan gaat de motor uit. We kijken om ons heen: de omgeving groen, hoge bomen, een tiental zeilboten, we zien verder niemand. Stilte.

Dan horen we wat geritsel in de bomen aan de overkant. ‘Kijk, apen!’, zegt Karin, die opeens een stuk enthousiaster klinkt dan op de onrustige zee. De dagen erop blijkt Turtle Cay een hartverwarmende plek. We maken kennis met andere zeilers en worden uitgenodigd door het yoga- en sportgroepje. Wat een lieve mensen! We maken ook wandelingen, die uitnodigen tot goede gesprekken. Bijvoorbeeld met Melinda, die net als wij haar dierenliefde niet alleen belijdt naar haar huisdieren, maar consequenter wil zijn, zich het welzijn van alle dieren aantrekt, juist van landbouwhuisdieren, en daarom net als wij vegetariër is geworden. Ze zet zich in voor natuurbehoud en het dierenasiel in haar buurt in North Carolina. We wandelen ook met Sarah, 75 jaar en zo fit als een gezonde 40-jarige. Een inspirerend voorbeeld! De wandeling gaat dwars door het tropisch woud, met slangen en talloze vogels en andere dieren die we niet zien maar er wel zijn. Yogajuf Sylvie en sportjuf Agnes doen het geweldig, ze creëren een fijne sfeer, rekening houdend met de soms stramme zeilers. Op een dag komt de wildernis de marina in: er hangt een luiaard aan de steiger. Als het lieve dier in het water valt, helpen zeilers het aan een touw omhoog en brengen het naar een boom, waar het geschrokken beestje tot rust kan komen. De vacht van het dier is een ecosysteem op zich, lees ik die avond in de kuip. Flarden kennis van mijn biologiestudie borrelen boven en geïnspireerd pak ik er maar weer eens een lijvig zoölogieboek uit m’n studietijd bij.

We appen met André en Rolf, zeilvrienden uit San Blas. We gaan met hun boot Rebel Rebel mee door het Panama Kanaal om ze te helpen met de lijnen in de sluizen. We pakken een taxi naar de haven van Colon, twee uur rijden, maar halverwege blijkt de chauffeur geen idee te hebben waar hij naartoe moet. ‘Shelter Bay Marina. Colon.’ Duidelijk toch. ‘Que?’ Hij verstaat het niet, begrijpt het niet, kan ook niet lezen en Google maps blijkt voor hem een noviteit waar hij niet mee overweg kan. Tussendoor rochelt hij zijn fluimen uit het raam en kijkt emotieloos voor zich uit. Gezellig tochtje! Het laatste uur wijs ik hem naar alle afslagen en dan arriveren we bij Rebel Rebel. Diezelfde nacht start André om half drie de motor, we varen de baai in richting sluizen, de ‘advisor’ stapt op: hij loodst ons de komende dag door het kanaal. Het zit tegen, het zeeschip dat wij zouden volgen heeft motorpech. We moeten wachten op de volgende mogelijkheid, waardoor het hele schema vertraging oploopt en we halverwege moeten overnachten. Niet erg, want het is gezellig aan boord, ook met de andere ‘linehandlers’ Paul en Meriam. Bovendien is het Gatunmeer prachtig. Aan de oever zien we een krokodil. Toch nemen Karin en André een duik. Brrr, mij niet gezien! Depassage door het Panama Kanaal is een geweldige ervaring. Als de laatste sluisdeur opengaat varen we de Stille Oceaan op. Spectaculair! Ik ben behoorlijk verrast en aangenaam verbaasd als Karin later zegt: ‘Laten wij dit ook gaan doen, door het kanaal, de Pacific op, richting Australië.’ Oké! Wanneer? ‘Volgend jaar.’ Deal! Voor mij komt daarmee een vurige wens uit, Karin is er langzaamaan naartoe gegroeid. Er zullen dus nog vele blogs volgen.

We brengen een kleine week door in Panama City, megapool in dit kleine Centraal Amerikaanse land. Voormalige politieke achtertuin van de VS, huidig vakantieoord voor welgestelden en kanaaltoeristen en in Nederland opnieuw bekend door de Panama Papers. In Panama City hangt het geld te wapperen aan de enorme hoogbouw. ’s Avonds brandt vrijwel nergens licht, de appartementen zijn onbewoond. Brievenbusfirma’s? Zwart geld dumpplekken? Belastingvrije vakantieappartementen? Verder vinden we Panama City heel aangenaam. We laven ons aan de moderne menu’s van trendy restaurants en eten eigenlijk het lekkerst in traditionele eethuisjes, genieten van de gerestaureerde oude binnenstad en van de musea. En dan bekruipt ons het gevoel: we willen terug naar Catherine, ons drijvende huisje, knus onderkomen en geweldig vervoermiddel waarmee we de meest afgelegen plekken kunnen aandoen.

In Turtle Cay hervatten we ons gezonde leventje met het sportgroepje, wetende dat het moment komt dat we vertrekken. Dag allemaal, nieuwe vrienden, wellicht tot een volgende keer! Twee uur later liggen we om het hoekje, in de baai van Puerto Lindo. Hier laten we onze gasflessen vullen – altijd een dingetje, de Nederlandse aansluiting stuit overal op problemen tijdens het bijvullen, maar altijd is er een oplossing of handig adresje. Dit keer is dat Hans van Casa X, een charmante zeilersstek die toch een beetje op z’n retour lijkt. Hans is een gouden gozer uit Delft die hier al een kwart eeuw de zeilers verwelkomt. We eten er een paar keer met Norbert en Kerstin, vrienden uit San Blas. Ze hangen rond in de baai, hebben allerlei dynamo-gerelateerde problemen op te lossen, voordat ze verder kunnen. We proberen ze een beetje op te vrolijken en even de gedachtes weg te halen van elektrische vraagstukken en moeilijk verkrijgbare onderdelen die uit andere landen moeten worden aangevlogen. Wij brengen ons kapotte zeilhuik naar de zeilmaker in Panamarina, waar we in mei onze boot op de kant zullen zetten, waarna we een half jaar naar Nederland komen. Als we dan ook de watertanks hebben bijgevuld is het tijd om naar Portobelo te zeilen.

Wat een baai! Ruim, perfect beschut, omringd door bos en mangroven, met aan de ene kant een fort en aan de andere kant nog een fort met het plaatsje Portobelo. De Spanjaarden maakten dit tot hun voornaamste uitvoerhaven tijdens de hoogtijdagen van de koloniale uitbuiting. Pakken wat je pakken kan en exporteren naar huis. Hebben we arbeiders nodig? Hup, laat de slaven maar komen. Wat nu een lieflijk, fraai gerestaureerd plaatsje is, was toen een bruisend handelscentrum, geleid door een meedogenloos regime. Dit soort plekken zijn we vaak tegengekomen in de Cariben: slavenhandel-hub Sint Eustatius, de plantages in Suriname, op Martinique, Guadeloupe en al die andere eilanden. Het ziet er zo vredig en mooi uit, maar de geschiedenis is doordrenkt met bloed en ellende. Hopelijk hebben we ervan geleerd, denk ik als ik ’s avonds in de kuip lees over de laatste verschrikkingen in Gaza. Karin ligt te lezen in de hut. Daar zit ik dan, hoofdschuddend in de donkere avond, me in mijn eentje zorgen makend over de wereldproblematiek en al dat menselijk leed. Alleen de gedachte dat zoveel andere mensen zich ook druk en zorgen maken werkt een beetje troostend.

We varen met Billy diep de mangroven in, tot we niet verder kunnen en bijna klem zitten tussen de wortels. Er is niemand en alles is verrassend schoon, zonder plasticvervuiling. Op de weg terug, als we geluiden in de boomtoppen horen, zet ik de motor af. Een paar minuten houden we ons stil. Het geluid van brekende takken en ritselend gebladerte komt dichterbij. Dan staan we oog in oog met een familie apen. Eentje komt op ons af, op enkele meters afstand kijken we elkaar in de ogen, en dan rent het beestje weg, het bos in met z’n troep. Later lees ik dat het witschouderkapucijnapen waren.

Als we die avond in het stadje een echte Italiaanse pizza eten maken we kennis met twee ontzettend leuke jonge vrouwen. Ze hebben elkaar reizend leren kennen in Mexico en zijn nu hier. De een vertrekt morgen, de ander, de Londense Laiba, werkt tegen kost en inwoning bij de pizzabakker. Ze zijn open, intelligent, vrolijk. Twee avonden later – de avond voor vertrek naar Bocas – eten we er weer maar de sfeer is niet best. Laiba kijkt met betraande ogen uit over de baai. Karin vraagt of het een beetje gaat. Dan gaat alles snel. Laiba loopt leeg over hoe onaardig de pizzabakker tegen haar doet. Ze vraagt ons advies. Weggaan of blijven? Ze besluit weg te gaan. Karin en ik hebben aan een blik genoeg en bieden haar aan mee te zeilen naar Bocas. Ze haalt haar tas en als de pizzabakker dit hoort barst de bom. Een vijandige monoloog aan de bar tijdens het afrekenen, ik probeer hem nog te laten dimmen, ze is immers nog zo jong, er volgt een scheldpartij op het steigertje, de man verliest zijn controle en ten overstaande van z’n clientèle maakt hij zich onmogelijk. Laiba’s hele generatie deugt niet en alle jongeren zijn egoïsten. Als we op de boot zijn maken we een bedje klaar voor Laiba, praten wat na, ze leegt haar hart, is dankbaar, terwijl ik alvast begin aan het vaarklaar maken van Catherine. Want we vertrekken bij dageraad. Voor het slapengaan is de spanning uit de lucht en lachen we om het hele gebeuren. Wat een scène! ‘You saved my life!’

De wekker gaat als het nog donker is. Ik check de laatste windvoorspelling. Net genoeg wind om te zeilen, maar nu, in de baai, is het nog volledig windstil. Na de noodzakelijke kopjes thee en koffie varen we in de ochtendschemering de baai uit. We passeren een geankerd superjacht waar we eerder mee in de sluizen van het Panamakanaal hebben gelegen, grappig toch? De reis naar Bocas is 160 zeemijl, met weinig wind wordt het nog afwachten of we de volgende dag op ETA-tijd 17.30 uur aankomen als het nog licht is. Ik heb geen zin om in het donker te gaan ankeren. We gaan het zien. De eerste twee uur is het windstil en moteren we. Daarna is er 9 à 10 knopen wind, genoeg om de zeilen te vullen. Catherine haalt met moeite 4 à 4,5 knopen. Als de wind naar 12 knopen gaat halen we 5 knopen. Prima, zo gaan we lekker. Laiba, Karin en ik kletsen honderduit, we lachen om de toestand van gister en tasten af hoe we over van alles denken. Er blijkt een geweldige klik ondanks 40 jaar leeftijdsverschil. Zowel Karin als Laiba worden wel een beetje katterig en trekken zich terug. Ik geniet van de rustige zee. ’s Avonds trekt de wind verder aan. Karin en ik improviseren een beetje met de wachten. Toch maar een rifje voor de nacht als de wind naar 17, 18 knopen gaat. Laiba komt er rond drie uur bij zitten en geniet van de sterrenhemel. ‘This is an amazing experience’, zegt ze na een tijdje. De algen lichten op in het kielzog: ‘Wow, so beautiful!’, roept Laiba uit. Door haar jonge ogen zie ik opnieuw hoe bijzonder dit is, zeezeilen bij nacht, terwijl het na talloze nachten op zee zo gewoon voelt. De volgende dag kabbelt voorbij, de meiden slapen veel, met als hoogtepunt mijn pastaschotel. Dan naderen we Bocas en varen om half zes, exact volgens de ETA!, de baai van Bastimentos in. Na het ankerbiertje duikt Laiba de keuken in, ze leert Karin hoe je een echte Pakistaanse curry maakt, zoals ze dat van haar moeder heeft geleerd. Ik geniet na in de kuip van de prachtige overtocht en het vrolijke gekeuvel van Laiba en Karin in de kombuis. Waar hebben ze het allemaal over? Relaties, reizen, je relatie tot familie, opgroeien in een multiculturele omgeving, hedendaags drugsgebruik, vrienden, uitgaan, irritante boomers, muziek, klimaat, milieu, lhbti, woke zijn, verantwoord leven, niet wegkijken. ‘How can one not be curious?’ Helemaal mee eens! Wonderlijk hoe het soms kan klikken met mensen, op de meest onverwachte momenten. Openheid en wederzijdse oprechte belangstelling zijn denk ik het geheim. Leeftijd maakt blijkbaar niet uit, merk ik op. ‘No of course not. Because you guys are cool as f*ck!’

De dag erop nemen we afscheid van Laiba met de afspraak dat we elkaar snel weer zien voor een drankje in Bocas Town. We brengen een bezoek aan vrienden van onze kinderen, Jeroen en Danielle. Aan de overkant, op Isla Solarte, zijn ze bezig om een resort uit de grond te stampen. We tuffen er in de miezerregen heen met onze Billy en maken kennis met dit jonge, gastvrije stel. Een prachtige tuin, terrassen, aangelegde verharde weggetjes, nieuw te bouwen kamers, bar, keukens. Ik voel me opeens als doe-het-zelver aan ons oude pandje in Rotterdam West een enorme amateur als ik zie wat zij voor elkaar krijgen. Indrukwekkend! Karin relativeert: ‘Joh, je kunt jezelf niet met Jeroen vergelijken, hij is professional.’ Het is supergezellig met hun en we spreken af elkaar nog een keer te treffen.

Op Isla Bastimentos trekken Karin en ik erop uit. Ik heb op de app NoForeignland een mooie wandelroute gezien. Het ziet er uitnodigend uit, maar als we na een half uur het eerste spinnenweb in ons gezicht krijgen, met een dikke vette spin in het midden, blijkt dat deze route niet meer in gebruik is. Ontelbare spinnenwebben volgen, het pad onduidelijker. We kruipen onder een prikkeldraad door, gelukkig kunnen we via de gps vasthouden aan de route, zelfs als het pad helemaal verdwenen is. We glibberen en glijden over de hellingen, dan zien we een piepklein gespikkeld rood kikkertje wegspringen. Het is de endemische kikkersoort die alleen op dit eiland voorkomt. Daarom heb je hier Red Frog Beach, Red Frog Marina, Red Frog Restaurant. Het gebied is beschermd natuurgebied voor deze kikker. We zien er nog enkele wegspringen. Dan passeren we een groot stuk oud ijzer: een omgevallen lichtbaken. Na anderhalf uur ploeteren, bereiken we de kust. Het pad is daar net zo glad en onduidelijk, maar dan lopen we op het stille strand en nemen we een welverdiende duik. Heerlijk! Via de gangbare route lopen we terug naar het dorp, we kloppen de modder van onze kleding, Karin slaat een doek om. We zijn net toonbaar genoeg om in het eethuis aan de kade een lokaal gevangen visje te eten. Vanaf het terras kijken we uit over de pier waar de watertaxi’s komen en gaan. Bouwvakkers sjouwen op blote voeten hun bouwmaterialen uit een bootje het dorp in. Schoolkinderen in uniform zitten op kleurrijke bankjes, ze hangen rustigjes een beetje rond. De bouwvakker, een boom van een kerel, begint opeens te schreeuwen en te lachen, andere mannen lachen mee, we snappen niet waarom, verstaan alleen dat het over Balbao bier gaat, hetzelfde bier dat wij ook gulzig achteroverslaan na onze pittige wandeling in de tropenhitte. We maken een leuk praatje met de vriendelijke uitbaatster. Zo maken we deel uit van een vredig dorpstafereel en voelen we hier ons helemaal thuis. Het eten is heerlijk. M’n met zweet doordrenkte petje ligt naast me op een stoel. Wherever we lay our hat, that’s our home!

Eric

P.s Ons Panamese visum loopt af. We gaan met de rugzak naar Costa Rica, maken daar een korte reis, en hebben dan bij terugkomst in Bocas een nieuw visum. Wordt vervolgd.

Groetjes!

 

Onze avonturen in San Blas, land van de Guna’s

Panama, Turtle Cay Marina 20-2-2024

‘Dit is het laatste theezakje’, zegt Eric wanneer hij m’n dagelijks ochtendtheetje op bed brengt. We raken behoorlijk door onze voorraden heen: de olie, de rijst, het afwasmiddel, de havermout, alles raakt op na bijna twee maanden rondvaren op de San Blas eilanden in Panama. Voor verse groente en eieren kunnen we altijd terecht bij een Guna veggie boat, die we met een beetje geluk wekelijks treffen. Eén of twee keer per week komt er een visser in z’n uitgeholde boomstam aangepeddeld waar we dan voor een paar dollar verse vis van kopen. De vissers maken zelfs de vis voor ons schoon. Ze gebruiken dan een mes van ons om de vis mee te bewerken. Op een keer realiseert Eric zich dat de vissers er met ons koksmes vandoor gaan, hij springt in de dinghy en gaat de vissersboomstam achterna. Ik zoek vliegensvlug het moeilijk te onthouden woord voor mes in het Spaans op en Eric roept de vissers na: ’cuchillo, cuchillo’! Ze waren het waarschijnlijk gewoon vergeten terug te geven, want alles gaat hier wel heel gemoedelijk en we voelen ons hier heel veilig.

We moeten zuinig zijn met zoet water, want wij reizen zonder watermaker. Moeten we dan toch een watermaker aanschaffen? Het zou makkelijk zijn! Collega-zeilers hebben het vaak allemaal: watermaker, vriezer, starlink, wasmachine, generator etc. Op bezoek bij andere zeilers zien we boten die van al deze gemakken zijn voorzien. We besluiten voorlopig lekker basic te blijven reizen. Al die extra apparaten hebben onderhoud nodig en gaan ook weer steeds kapot.

Tijdens één van mijn ochtendwandelingen zie ik een zoetwaterbron en besluit daar mijn was te doen. Ik haal de vuile was op van Catherine en loop langs het hutje van señor Hernandez. Hij wijst me op de bron in de buurt van zijn hutje en vertelt: ‘deze bron is beter, verder van zee vandaan en dus minder brak’. Ik mag zijn emmers gebruiken en ga aan de slag.

Als op Catherine het drinkwater dreigt op te raken gaan we naar een klein eiland vlakbij het vasteland: Rio Azucar. Het is een klein Guna-eilandje, volgebouwd met hutjes en ook wat stenen huisjes. Ik zie nog een schoolgebouwtje en een kerkje. Als we de steiger naderen roept een man: ‘necesitas agua?’. Ik antwoord bevestigend en hij roept dat er pas later die dag weer water is omdat de waterleiding moet worden gerepareerd. Wat nu? We zijn expres lekker vroeg gaan varen en het kan nog uren duren voor er weer water is. We ankeren voor het eiland en bezoeken met Billy de bijboot het eiland. Op het eiland is een volleybaltoernooi aan de gang, jongeren van verschillende eilanden spelen tegen elkaar. Het is een drukte van belang en de jonge volleyballers zijn enorm fanatiek. Het is een kleurrijk gebeuren. Volleybal is de meest populaire sport bij de Guna’s. Op bijna elk eiland zie je een volleybalveldje. Bij twee winkeltjes doen we inkopen. Bij het eerste winkeltje kopen we wat blikjes, pasta en olie en bij het tweede winkeltje verse groenten en fruit. We staan voor een open luik en turen naar binnen, want het is hier gebruikelijk om aan te wijzen wat je wil kopen. In het donker staan dozen waarvan de inhoud niet zichtbaar is. Ik weet dan nog niet alle namen van de groenten, maar de verkoopster is vriendelijk en behulpzaam. Ze showt steeds iets uit een doos en vertelt hoe het heet in het Spaans en vraagt hoeveel we ervan willen. Dit is leerzaam en zo anders dan boodschappen doen bij de Albert Heyn met zijn zelfbediening en zelfscan kassa’s. Je hoeft daar geen woord te spreken. Na deze boodschappenronde weet ik de meeste benamingen in het Spaans. Eric bestelt ook nog een treetje met 24 blikjes bier. De vrouw roept de bestelling door naar achteren en een stokoude man met kromme benen komt de tree bij ons afleveren. Hij knikt ons vriendelijk toe. De Guna’s zijn overal even aardig. Deze mensen met hun eenvoudige levensstijl hebben mijn hart gestolen. Zij maken de San Blas tot een uniek gebied.

Als we terugkomen bij de steiger maakt dezelfde man die ons toeriep bij aankomst ons duidelijk dat de waterleiding nog kapot is. We kunnen zelf water halen aan de overkant met onze bijboot. We varen drie keer heen en weer met emmers en jerrycans en vullen alles bij de kapotte leiding. Het water komt rechtstreeks uit de bergen en is goed, zuiver water. We zijn voldaan: boodschappen binnen en de watertanks tot de nok bijgevuld met 400 liter water.

We zijn inmiddels drie weken in San Blas, deel van Guna Yala, het land van de Guna’s. Na de vijfdaagse overtocht vanuit Curaçao kwamen we als eerste aan bij het eiland Banedup. Dat was een goede start. We hadden van een bevriende zeilster gehoord dat het in Guna Yala niet direct nodig is om in te klaren. Guna Yala wordt bestuurd door het Guna congreso en die hanteren andere eisen dan de Panamese regering. We konden later inklaren op een ander eiland, Porvenir, en tot die tijd niet-ingeklaard varen. Fijn dat we die hele papieren rompslomp nog even voor ons uit konden schuiven en lekker konden aarden op meteen de mooiste eilanden van Guna Yala: de Cayos Holandeses! Liselot bleef nog tien dagen bij ons en ze regelde vervoer vanuit Porvenir. Ze ging van daaruit naar de Bocas in Panama, Costa Rica en Nicaragua. Actieve, energieke Lies gaat surfen en reizen voordat ze in Nederland haar werkzaam leven weer oppakt. Met Liselot erbij lag ook ons tempo hoger. We trokken er elke dag op uit om eilandjes te verkennen met de bijboot en snorkeltrips te maken. We verkenden het rif bij de onbewoonde eilandjes van de Cayos Holandeses. Ik hoorde verhalen over haaien en krokodillen. Aan de haaien raakte ik min of meer gewend, ik zag ze rondschooieren vlakbij onze barbecue om ons visafval te verorberen. We zagen er één rondzwemmen onder onze boot en ik trof een flinkerd bij het snorkelen. Verpleegsterhaaien schijnen pussy’s te zijn. Ze hebben een kleine bek en zuigen hun prooi naar binnen in plaats van ze te verscheuren zoals de gevaarlijkere haaien doen. Met hen kon ik dealen. Krokodillen echter joegen me vrees aan. Ik hoorde een verhaal over een Guna hondje dat was opgegeten en andere zeilers hadden het over een aanval op een zeilster. De eerste keer dat we op snorkelexpeditie gingen, bleef ik wat bangelijk in Billy zitten. We hadden Billy vastgeknoopt aan de mangroven. Eric en Liselot sprongen meteen enthousiast in het water. Ik hield het vijf minuten vol in de dinghy en besloot over mijn angst heen te stappen en zwom ze achterna. Zodra ik in het water lag, ebde mijn angst weg en zag ik een prachtig rif, een gevlekte adelaarsrog, een schildpad en fel gekleurde vissen. Als je zo’n leven leidt als wat wij nu leiden, moet je jezelf dwingen over bepaalde angsten en afkeuren heen te zetten. Zo niet, dan kan je beter in Rotterdam blijven. Hoewel daar het gevaar van alle kanten komt en de kans om aangereden te worden door een auto of een fatbike vele malen groter is dan te worden aangevallen door een krokodil in de San Blas.

Ik voel me hier veel fitter door het gezonde eten, de gezonde zeelucht en het stressloze bestaan. Elke morgen loop ik minimaal vijf kilometer op blote voeten door het fijne, witte zand langs de azuurblauwe vloedlijn. Als een eiland klein is dan loop ik twintig keer op en neer. Andere eilanden zijn precies één kilometer rond. Ik loop het eiland dan vijf keer rond. Het is zo rustig op het eiland. Ik hoor het ruisen van de palmbomen en het kabbelen van de branding. Af en toe ploft er een pelikaan met een noodvaart naar beneden om vervolgens een visje levend z’n strot in te laten verdwijnen. Ik zie een Guna bootje aanleggen om kokosnoten of brandhout te verzamelen. We begroeten elkaar vriendelijk: ‘Hola!’ Kinderen wandelen rond met een jong hondje op het eiland, ze groeten me ook ietwat verlegen. Het is vreedzaam. Maar aan elk verhaal zit een ‘maar’. Aan de windzijde van een eiland ligt de rommel: plastic flessen, ontelbaar veel plastic slippers, kindertassen en kinderspeelgoed. Al die troep spoelt aan, misschien wel vanuit de hele Caraïben en Colombia of helemaal vanuit Trinidad. Troep die nooit vergaat: Europese, Amerikaanse, Chinese zooi. Hoe anders moet het hier dertig jaar geleden zijn geweest. We praten met Ibin, de eigenaar van het restaurant op Banedup over het plasticprobleem. Er worden regelmatig plastic verbrandingen gehouden. De Guna’s en ook de zeilers ruimen het strand op en verbranden het plastic. Het is een druppel op een gloeiende plaat. Ibin vertelt dat na een clean-up de volgende dag het strand weer vol ligt.

Nog iets om verdrietig van te worden: over twintig jaar zullen veel van deze eilanden niet meer bestaan. Ze zullen met de stijging van de zeespiegel zijn verdwenen. Nu al zien we een verschil met de plaatjes uit ‘the Panama Cruising Guide’ foto’s van eilanden die al veel kleiner zijn geworden of zelfs zijn verdwenen.

Het gebied van de San Blas bestaat uit ongeveer 360 eilandjes. De meeste eilanden zijn onbewoond. Er zijn eilanden waar een paar families wonen en op een stuk of vijf eilandjes vind je een Guna dorpje met wat simpele winkeltjes en voorzieningen. De hutjes zijn eenvoudig: gemaakt van bamboe, palmhout en de daken gevlochten van kokosbladeren. De constructie is vastgeknoopt met touwen. Er zijn alleen natuurlijke materialen gebruikt. Binnen in de hut zie je als enig meubilair hangmatten en de kookplaats is een plekje met een houtvuurtje achter de hut. In zee zie je piepkleine hutjes op palen, dit zijn wc’s. Tussen de huisjes zijn supersmalle steegjes, alles is netjes aangeharkt. Vrouwen zitten voor hun hutjes te handwerken. Ze maken zogenaamde mola’s: kleurige gehandwerkte doeken met geometrische figuren. De patronen hebben symbolische betekenissen en de afbeeldingen komen uit de dagelijkse belevingswereld van de maakster. Ze maken er kleding van of verkopen de doeken aan toeristen.

Regelmatig komt er een boomstam langs gepeddeld met traditioneel geklede vrouwen met rood geverfde wangen om ons mola’s aan te bieden. Op een dag komt de beroemde Mola Lisa langs en biedt ons mola’s te koop aan. Wij zijn al voorzien, maar we hebben dan nog geen Guna-vlag met swastika. Die kopen we bij haar (hem). Mola Lisa kleedt en gedraagt  zich als vrouw. Bij de Guna-gemeenschap is genderfluïditeit heel gewoon. Als een jongen zich al vroeg ‘vrouwelijk’ begint te gedragen, dan staat het gezin de jongen volledig toe zich te kleden en te gedragen als meisje. Hij/zij verricht dan ook de vrouwelijke taken. Het is een matriarchale samenleving: zogenaamde vrouwelijke taken staan hoog aangeschreven zoals koken, zorgen voor de kinderen en handwerken. De man gaat na het huwelijk wonen bij de familie van de vrouw. Het bezit van land wordt via de vrouwelijke lijn doorgegeven. Ik moest even wennen aan de swastika vlag, maar nu wappert ie toch ook trots aan onze vlaggenlijn. Voor de Guna’s staat de swastika voor de onafhankelijkheid van Guna Yala. De revolutie vond plaats in 1925. De nazi’s gingen dit door veel culturen, positief gebruikte teken later in spiegelbeeld ook gebruiken als symbool voor hun fascistische ideologie.

Het zeilen in dit door rif beschermde gebied doet denken aan zeilen op een groot meer. Er zijn nauwelijks golven en er is altijd een heerlijk windje. Na de ruige overtocht uit Curaçao is het een verademing. De tochtjes duren nooit lang: twee, drie uurtjes maximaal. Om aan te komen bij een eiland moeten we wel heel erg uitkijken. We raadplegen verschillende kaarten en ik sta op het voordek op de uitkijk. Overal om ons heen zie je de ondieptes en de witte koppen van de brekers. Ons Sint Maarten avontuur heeft ons gelouterd, we zijn extra voorzichtig. Dan komen we bij een plek die goed is om te ankeren, meestal liggen er een paar andere boten. Eenmaal op de juiste plek, zoeken we een goed ankerplekje met zandgrond en gooien het anker uit.

In Cambombia staat een hutje waarin brood en pizza’s worden gebakken. We krijgen een heerlijke pizza geserveerd op een gammel plastic tafeltje en twee oude stoelen. We worden voorgesteld aan de familie. Het zijn drie zussen met kinderen en kleinkinderen. Een bejaarde man glimlacht vriendelijk naar ons en zit een stukje verderop half weg te dutten. We zijn een paar dagen op dit eiland. Het is hier gezellig en ik kan hier heerlijk wandelen. Ik loop het eiland vijf keer rond, een rondje is precies een kilometer en steeds kom ik dezelfde mensen tegen. Een vrouw ligt in haar hangmat en groet me telkens als ik langskom. We hebben brood besteld, maar bij mijn vierde rondje is het nog niet klaar. Ik zeg dat ik nog een rondje loop en dan het brood ophaal. Als ik na het vijfde rondje vraag of het brood al klaar is zegt een jonge man: ‘nee nog niet, nog een rondje’. Het is een grapje en hij geeft me een ‘high five’! Ik ga terug met Billy naar Catherine met het heerlijke verse brood.

Na een paar dagen Cambombia gaan we verder. Telkens moeten we ons weer losscheuren van een eiland, het is overal zo fijn. Het is een half uurtje varen naar de volgende eilandjes. We ankeren links van Esnasdup. Weer een mooie plek! De twee eilanden waar we tussen liggen zijn onbewoond. Er liggen enkele jachten van Amerikanen en Canadezen die hier al heel lang ankeren. Een 83-jarige gepensioneerde celliste woont al negentien jaar op de San Blas. We ontmoeten haar als het borreltijd is. Vlakbij het rif waar de golven op stuk slaan, zie je vanaf de boot een glashelder ondiep gedeelte, de ‘swimmingpool’ genoemd. Daar is de ‘bar’ en ontmoet men elkaar. Om een uur of vier komen van alle boten dinghy’s aangevaren, gooien hun ankertjes uit en brengen wat biertjes mee. We zitten op onze knieën in de glasheldere ondiepte en maken kennis met de longstayers, wisselen ervaringen en wetenswaardigheden uit en komen nog meer te weten over de San Blas eilanden. Er hangt een gemoedelijke sfeer, er komt zelfs een man met een ukelele de boel nog extra opvrolijken. Veel zeilers ontmoeten we meerdere keren en met sommigen bouwen we een speciale band op.

Aan het eind van ons verblijf zijn we weer op Banedup. Eiland van Ibin, die daar een geweldig restaurant heeft. Hij tovert de heerlijkste gerechten uit z’n eenvoudige keuken, die hij serveert op het in elkaar getimmerde meubilair van z’n restaurantje. Ibin vertelt allerlei mystieke verhalen over de Guna’s. Hij kent mensen die heel oud zijn geworden, soms 200 of 300 jaar. Hij hoorde zelfs van iemand die 1000 jaar was geworden. De Guna’s hebben een heel ander wereldbeeld en geloof in de eeuwigheid en het universum. Voor ons onnavolgbare beelden. Op mijn vraag of hij somber is over de toekomst van de San Blas eilanden antwoordt hij: ‘ik maak me geen zorgen, de energie blijft altijd en het gaat door, er komt wel weer iets nieuws. Daar vertrouw ik op.’

Op Banedup hebben we leuke ontmoetingen met andere zeilers. Dit keer zijn er zelfs vijf Nederlandse boten. We maken kennis met twee bevriende boten Topaas en Quelinda.  Topaas zeilt met vier jonge kinderen. We ontmoeten Rebel Rebel: Rolf en André, met hen maken we afspraken om mee het Panama kanaal door te gaan als line-handlers. En we leren Jacqueline kennen die solo met haar kleine boot Loveworkx de wereld rondvaart in drie jaar tijd. Dit vind ik knap maar eenzaam. Hoe heerlijk is het om al deze mooie, intense ervaringen te delen met mijn liefste maatje Eric.

Karin

Helder licht in de duisternis

                                 28 januari 2024, Esnasdup, San Blas, Panama

Het is al weken onrustig voor de kust van Colombia, bij de beruchte kaap van Baranquilla. Daar moeten we omheen als we, vanuit Curaçao, Santa Marta of Cartagena willen aandoen. Meer smaken zijn er niet aan de noordkust van Colombia. Andere zeilers in de haven, die naar Panama gaan, kijken ook dagelijks naar de voorspellingen, in afwachting van een weer- en windgaatje. Ook zij vrezen Baranquilla. Achter die kaap reist Pico Cristobal vanaf de kust omhoog naar meer dan 5000 meter, met val- en rukwinden tot gevolg die ver in de Caribische Zee de zeilers lastigvallen. Want het is algemeen bekend dat het daar altijd 10 knopen harder waait dan de voorspellingen. 30 knopen is nog te doen, maar als je 40 kan verwachten dan rest maar een optie: wachten. 40 kan immers zomaar 50 zijn en dat is zware storm met metershoge golven. Nee dank u! En als het maar hard blijft waaien bij Baranquilla, week na week, puilt de haven van Curaçao Marine Zone aan het Schottegat behoorlijk uit. Alle boxen zijn bezet, de aanlegsteigers voor passanten ook en daar liggen boten soms dubbel in het kleine haventje.

Karin, Liselot en ik houden een beraadslaging. Liselot’s tijd is beperkt, ze wordt knorrig van het wachten, en San Blas in Panama wil zij sowieso zien. Panama én Colombia aandoen is niet realistisch meer. We besluiten Colombia over te slaan en bij een windgat direct naar Panama te zeilen. In de tussentijd hebben we het ontzettend fijn in Curaçao. Deze ‘rots der struikeling’, zoals mijn geliefde auteur wijlen Boelie van Leeuwen zijn eiland noemde, heeft ons aangenaam verrast. Een potpourri van culturele invloeden, vermengd met een flink portie toerisme, maakt Curaçao tot een veelzijdig eiland. We gaan het in dit opgewekte blog niet hebben over de minpunten (aftakelend koraal, grote cruiseschepen, vervuiling, armoede, corruptie enz), maar roemen de fijne dingen. Vriendelijke vrolijke mensen. Dushi! Snorkelen! Fijne terrassen aan zee. We doen een opfris-duikcursus en duiken daarna een paar keer. De Christoffelberg beklimmen. De Tafelberg idem. Wandelen bij Sint Jorisbaai terwijl Liselot met haar kite over de baai scheert. En ’s avonds een biertje op de boot, in een bar of onder de palapa in de haven.

Karin maakt vrijwel dagelijks lange ochtendwandelingen in Willemstad, terwijl ik het gevecht aanga met die eeuwige kluslijst. Nieuwe gasleiding: ik heb acht winkels bezocht eer ik de juiste koppelstukjes heb gevonden. Dieselonderhoud, alle filters had ik in meervoud meegenomen uit Nederland. Windvaan smeren, kapot zonnepaneel vervangen, haperende navigatie-instrumenten aan de gang krijgen, navigatieverlichting repareren. Alles wat draait of scharniert toont kwaaltjes of piept op z’n minst, want het fijne stof in de lucht zit in alle lagers en kieren. Om die reden heb ik de windmolen niet gefixeerd tijdens onze afwezigheid, al

DCIM100GOPROGOPR0480.JPG

draaiend houdt hij zichzelf schoon. Al het werk aan het onderwaterschip hebben we de eerste zes weken gedaan, toen Catherine op de kant stond. De zeilen zitten er inmiddels ook op. We zijn vertrekklaar als het windgat zich eindelijk aandient.

Na een laatste barbecue op de werf nemen we afscheid van de achterblijvende boten. Het was zó gezellig daar! Ik start de motor, vele hulpvaardige handen helpen ons de krappe box uit. Zwaaien, toeteren, het gaat jullie goed! Achter ons gooien ook Sabali en Coral Moon van onze vrienden Mark en Donna de trossen los. Morgen volgen Kujira en Rare Breed. Bestemming: San Blas, Panama. We tuffen met z’n drieën onder de hoge Julianabrug door, waar we met Liselot’s auto zo vaak overheen zijn gereden. Stuurboord ligt Otrabanda, bakboord Punda, als de motor van de Pondjesbrug wordt opgestart en de drijvende brug voor ons open scharniert. Erachter, in de monding van de baai, klotst het. Gedrieën leggen we onszelf op zee in de wind en hijsen de zeilen. Dan zeilen we voor de wind en een paar uur later ankeren we alweer in de baai van Santa Krus. We gaan nog even snorkelen en in het water wensen de drie boten elkaar een behouden vaart naar Panama. Morgenochtend beginnen we van hieruit onze vier- a vijfdaagse tocht naar San Blas: ongeveer 700 zeemijlen, 1300 kilometer. We gaan er even goed voor zitten!

Allemachtig, wat gaan we hard! We hadden gerekend op een beetje stroom mee, maar gaan als de brandweer. 10 knopen, 18,5 km per uur, een fietser zou aan moeten zetten om ons bij te houden. Zo stormen we de eerste dag op de San Blas af. Coral Moon, een slag groter, gaat nog sneller en verdwijnt in de middag achter de horizon. Sabali, iets eerder vertrokken, horen we nog even op de marifoon, maar is ook uit zicht. Dan zijn we alleen op de Caribische Zee, geen vrienden om ons heen, de komende dagen staan Karin, Liselot en ik er alleen voor. De tweede dag vallen we terug tot onze reguliere vaart: 5,5 a 6 knopen. Het is prachtig zeilweer, de sfeer is ontspannen. We hebben voor drie dagen vooruit gekookt en de pasta bolognese, risotto funghi en pompoensoep is diepgevroren in de vriezer op de werf. ‘Wat zullen we eten?’ is het favoriete gespreksonderwerp, gevolgd door een beoordeling van de maaltijd, die telkens positief uitpakt: ‘Mmm het was heerlijk!’ Gevolgd door een verbeterpuntje: ‘Volgende keer iets meer champignons’. Zo ontspannen kan zeezeilen zijn. Ook de derde dag gaat het op z’n boerenfluitjes met zo’n 15 a 20 knopen wind, 4 á 5 Beaufort, de goede kant op. Wel zien we een paar keer enorme boomstammen en stronken drijven, afkomstig uit het Colombiaanse regenwoud, meegesleurd door de brede Rio Magdalena bij Baranquilla. We hebben geluk nodig om daar niet tegen aan de varen. Vooral ’s nachts. Tijdens mijn wacht, vroeg in de derde nacht, zie ik aan bakboord de weerlichten die vanachter de horizon de bewolking verlicht. Blij dat we daar niet zijn.

De vierde dag neemt de wind af, we zetten een tijd de motor bij als aan het eind van de middag de wind als een zuchtje  terugkeert. Tegen mijn gewoonte in zeilen we ongereefd de avond in. Karin houdt wacht en Liselot en ik gaan slapen, als de dunne sikkel van de wassende maan achter de horizon schuift.

Wie trekt er aan m’n been? Wie maakt me wakker uit deze diepe slaap? ‘Eric, de wind trekt aan, wakker worden!’ Ik brom wat over een verstoorde droom. ‘Kom, we moeten reven!’ Ik keer terug in de werkelijkheid, hoor de wind suizen in het wand en voel dat Catherine te veel helling maakt. Reddingsvest aan en in een oogwenk sta ik paraat in de kuip. Twintig plus knopen, 5 á 6 Beaufort, niks aan de hand, maar een rif zeilt veel comfortabeler met minder druk op het roer. Het fijne van Catherine is dat alle lijnen in de kuip te bedienen zijn, en dat is wel zo veilig. Zeker nu in het pikkedonker. In een kwartiertje hebben we samen het klusje geklaard. Het zeilt beter, maar de zee is onrustig, rommeliger dan eerder. Later, tijdens mijn wacht en daarna die van Liselot, blaast de wind met 25-30 knopen, uitschieters daarboven. 7 Beaufort. Als het licht wordt kijken Liselot en ik bij de wisseling van de wacht naar de zee: chaos. Golven van alle kanten, ze klotsen tegen elkaar op, ze lijken tegen elkaar op te bieden; ik ben lekker hoger dan jij! En hoog zijn ze. Karin schat ze op vijf meter, ik hou het op vier, maar het voelt als zes. Als Catherine in een golfdal ligt, kijken we omhoog tegen de watermassa aan. Indrukwekkend ja, dit hebben we de laatste keer meegemaakt in 2019, toen we vanuit Lissabon naar Porto SantoLissabon naar Porto Santo zeilden. Catherine, bescheiden scheepje, kan het makkelijk hebben, maar vermoeiend is het wel.

Overdag blijft het flink waaien en de zee blijft irritant onregelmatig en hoog. Weer een boomstronk, op enkele tientallen meters afstand. Dan maakt Catherine opeens een zwieper, we houden ons vast. Al snel pakt Catherine de draad weer op. Later kwakt er een enorme plens water tegen de buiskap: waar kwam die golf opeens vandaan? Af en toe wordt Catherine opgetild door een heel steile golf; dan weet ik dat vlak erna, als het water onder de boot wegrolt, ze de grip op het water verliest, alsof ze los komt, flink helling maakt, oploeft en even van haar koers afwijkt. En zo werken we ons de hele dag in deze zware zee naar San Blas, wetend dat bij aankomst de volgende uitdaging wacht. Want we komen ’s nachts aan in een met riffen en ondieptes vergeven gebied. Of we moeten zes uur bijliggen, vertragen en de volgende ochtend aankomen, maar we zijn eensgezind: nee. We zetten koers naar Hollandes Cays, een plukje eilanden, buitenpost van San Blas. Ja, onze maritieme geschiedenis, gevoed door de ooit bejubelde VOC-mentaliteit, achtervolgt ons met argwaan, want wat zullen onze zeevarende voorvaderen hier nou weer hebben uitgespookt? Waar elders in de Cariben de inheemse bevolking zowat is uitgeroeid na komst van westerlingen, is in de San Blas de inheemse Guna-bevolking gelukkig alive and kicking en zijn ze zelfs semi-autonoom: Guna Yala noemen ze hun gebied.

We hebben de kaarten bestudeerd, zowel digitaal als van papier, de koers uitgezet, taken verdeeld. 22.00 uur: land in zicht, middels een paar flauwe lichtjes tegen de zwarte achtergrond. Waarschijnlijk ankerverlichting van een paar jachten. Onwaarschijnlijker zijn het lampjes van huizen, want Guna’s leven in hutten, er is op de buiteneilanden geen elektriciteit, behalve wat stroom via zonnepanelen. We proberen de lichtjes te vertalen naar de kaart: ‘Het moeten ankerlichten zijn’, zegt Liselot, zelf een bijzonder helder licht, gedecideerd, nadat ze een peiling heeft genomen. Dan komt de zeebodem omhoog, van pakweg 2 kilometer naar 1500, 1000, naar 200 meter. De golfslag verandert, ik hield rekening met een nog wildere zee, maar het wordt juist gelijkmatiger. We ontkoppelen windvaan Arie en Liselot gaat sturen. Dan is het 50 meter diep en ligt volgens de kaart het eerste eiland aan stuurboord, maar we zien het niet. Of toch, daar, een vage contour. Alle navigatie gaat via de kaart, want oriënteren op zicht is er niet bij. Te donker en bovendien zijn de gevaarlijkste riffen onder water.  We koersen om de ondieptes heen, die al menig schip in dit gebied naar de verdoemenis heeft geholpen. Vorige week nog, een zeiljacht bij Porvenir, iets verderop, waar we later moeten inklaren. Pats boem, op een rif, vast, lek, niet meer te redden, total loss. Geen gewonden gelukkig. Ik probeer er niet aan te denken, hou m’n hoofd bij de navigatie. Karin kan zich in de maanloze nacht niet oriënteren: ‘ik hoop dat jullie weten wat je doet.’ Hier moeten we 90 graden naar stuurboord. Na de koerswijziging varen we westwaarts en komen we in de luwte van het volgende eiland. Liselot start de motor. We leggen de boot in de wind: we strijken de zeilen, ik bind, vanzelfsprekend aangelijnd, het grootzeil op de giek. Als ik in de kuip terug ben, zie ik dat Karin ongerust is. ‘Maak je geen zorgen, we weten wat we doen.’

Van binnen ben ik ook gespannen. De nacht is zwart, en toch zullen we de nauwe opening tussen twee eilandjes moeten vinden. Liselot stuurt. We kijken samen op de kaart. ‘Iets stuurboord Lies, zo blijven we in het midden van het vaarwater’. Als we een piepklein eilandje passeren, Quinquindup, gaan we wat stuurboord uit. Dan zijn we voor de twee eilanden waar we tussendoor moeten: Ogoperiadup rechts en Kalurgirdup links. We zien het silhouet van de palmbomen, maar de twee eilanden lijken één: we moeten vertrouwen op de kaart, er is beslist een doorgang. Liselot stuurt Catherine noordwaarts richting de opening, met haar blik op de kaart, Karin en ik kijken om ons heen. Dan wijken de eilanden, het zijn er twee, we zien de opening, een vaarwater, amper 100 meter breed, tussen de onbewoonde eilanden. ‘We gaan goed’, zeg ik tegen Liselot en Karin, maar ook tegen mezelf. Het is donker, bijna zwart, dan zien we een witte catamaran, rechts om het hoekje. ‘Daar is de ankerplaats’. We varen om de boot heen, we zien de verlichting in de kuip, ik begeef me naar de boeg en maak het anker klaar. We zien het water tegen het strandje slaan, we willen niet te dichtbij, maar verderop is het behoorlijk diep, tegen de 20 meter. Een eerste ankerpoging: we liggen vast, maar naar mijn zin te dicht op het eiland. Een tweede poging in iets dieper water bevalt beter. Liselot zet de motor in z’n achteruit en ik check of het anker zeker-weten houdt. En dat doet het. We liggen vast en veilig voor anker! Als Liselot de motor uitzet, horen we louter het geraas van de golven op het strand. Verder niets. We kijken elkaar aan: wat zijn we opgelucht! We hebben het gefixt en geven elkaar een high-five. Wat een etmaal was dit, we zijn moe, moe! Tegen middernacht oppert Liselot: ‘Ankerbiertje?’

Eric

We zijn inmiddels zes weken in de San Blas. In een volgend blog doet Karin er snel verslag van, ze is al druk aan het typen!

En heb je de nieuwe Zeilen editie van februari al gezien? Daarin staat ons uitgebreide verhaal over onze reis in de noordoostelijke Cariben! En in Zeilen van december 2022 staat ons andere, nog uitgebreidere verhaal over onze reis in de zuidoostelijke Cariben.

Met ups en downs via Sint Maarten naar Curaçao

We staan op de kade in het haventje van Sint Eustatius, kortweg ‘Statia’. Verderop ligt Catherine in de Oranjestad Baai te rollebollen op de deining, alsof ze danst op de reggae die vanuit het Boardwalk Café over het water klinkt. Schudden met je buik, links rechts, omhoog omlaag, de mast zwiept heen en weer zoals de danseres met haar armen in de lucht zwaait en haar heupen draait. De ankergrond is prima, maar de onophoudelijke deining maakt dat de meeste zeilers dit bijzondere eiland mijden, of zich na een nacht hotseklotsen vermoeid weer uit de voeten maken. Wij gaan er ook vandoor, na een geweldige week in onze airbnb, zoals Karin in het vorige blog heeft beschreven. Bij het uitchecken is de opgewekte douanier optimistisch over de kansen van Statia als zeilersbestemming: ‘Er zijn vergevorderde plannen om de haven te moderniseren. Voor de vrachtschepen, maar ook voor zeilers. Er komt een pier, waarachter de zeilschepen kunnen ankeren. De aanbesteding is afgerond en de bouw kan beginnen. Binnen twee jaar zou het klaar moeten zijn.’ Dat zou voor Statia en zeilers een geweldige ontwikkeling zijn!

Na een uurtje is Catherine vaarklaar, gaan we ankerop en varen de baai uit. Als we een geankerd vrachtschip zijn gepasseerd, hijsen we de zeilen en koersen met de klok mee, westelijk langs Statia. Al snel hebben we de passaatwind te pakken, zetten Arie aan het werk, het is het begin van een zorgeloze oversteek naar Sint Maarten. Na vijf uur, Sint Maarten zijn we inmiddels tot dichtbij genaderd, komt een sleepboot recht op ons af. Hij trekt een flinke bak, is matig bestuurbaar, dus wij wijken uit. Dit soort gevaartes kom je regelmatig tegen in de Cariben. Vooral ’s nachts moet je op je hoede zijn. De bak is slecht of soms zelfs helemaal niet verlicht. Als je denkt even achter de sleepboot langs te gaan knal je dus op de staalkabel. Ja, dat is echt gebeurd! Wij, voorzichtig als we zijn, houden ruim afstand.

Even later varen de Simpson Bay binnen, niet wetende dat deze dag een vervelende wending neemt. Er liggen veel zeilboten voor anker, we zien onze vrienden van de Coral Moon, varen erlangs, ik besluit wat dichter bij het strand te kijken. Immers, we steken met ons vleugelkieltje niet zo diep. Dan voltrekt zich een akelig avontuur. Een ongelofelijk stomme fout van deze doorgaans zo voorzichtige en zorgvuldig navigerende schipper leidt tot een paniekerige situatie. We liggen net vóór het voorste geankerde schip. Het wordt ondieper: 3. 2,8. 2,2. Karin zegt: ‘niet verder varen!’ Ik zet de motor in z’n achteruit. De dieptemeter zegt 2.0. We liggen bijna stil als de hele boot trilt, de vloeiende beweging in het water is opeens een schokkend geschuif van onze kiel over hard steen. Ik vloek. Verdomme! Karin slaakt een angstig gilletje. Ik probeer rustig te blijven en Karin gerust te stellen: ‘we gingen heel langzaam, we zijn zo los.’ Motor in de achteruit. Niks. Vol gas. Niks. Nog een keer. Niks, geen beweging. Ik kijk Karin aan. Zie de paniek in haar ogen. Nog een vertwijfelde poging tot geruststelling: ‘Komt goed’. De motor loeit op het maximale toerental. Niks. Muurvast. Ik pak de marifoon. ‘We need some help.’ Het duurt een paar minuten die uren lijken te duren, maar dan zijn er vier, vijf dinghies met bebaarde mannen. Lijnen worden aangereikt, er wordt geroepen, geschreeuwd, geduwd, getrokken. Niks. Muurvast. De enige optie lijkt nu te zijn het schip schuin te leggen en een beetje te draaien. Ik weet: dit kan me mijn roer kosten. Maar misschien hebben we mazzel. We draaien de genua uit, Catherine ligt een beetje scheef, draait om het draaipunt – de kiel – en onze motor brult, alle baardmannen trekken en duwen met hun dinghies. Catherine komt zachtjes in beweging, maar dan hoor ik een angstaanjagend gekraak. Het gaat door merg en been. Ik weet: mijn roer gaat er aan. Dan zijn we los. Maar het roer zit vast, we zijn stuurloos. We worden naar een plekje gesleept, een stukje terug, vlakbij Coral Moon, en laten het anker vallen. We bedanken de mannen, die net zo snel weer weg zijn als dat ze er waren. Dan is het stil. Karin en ik kijken elkaar met holle ogen aan. Ik verontschuldig me bij Karin: het is 100% mijn fout. Ze trilt nog na, is misschien zelfs in shock, maar weet toch een samenhangend antwoord te formuleren: ‘Jij neemt als kapitein altijd alle verantwoordelijkheid. Het gaat altijd goed. Nu gaat het een keer mis. Ik neem je niets kwalijk.’ Ikzelf wel. Ik ben doodop. Leeg. Vervloek mezelf. Zo voelt het dus als je een onomkeerbare stommiteit bent begaan. Acceptatie is de enige weg.

De volgende dag, na een slechte nacht, proberen we ons te herpakken. Het is Karins verjaardag. Donna en Mark van de Coral Moon proberen ons tijdens het etentje bij de Yacht Club op te beuren. Dat lukt, hoewel daar behoorlijk wat drank voor nodig is. Mark spreekt me bemoedigend toe, terwijl Donna en Karin gezellig zitten te keuvelen. ‘It happens to everyone. Every skipper makes a stupid mistake some time. It happens to all of us.’ Het doet niets af aan mijn stommiteit – waarom wilde ik zo dicht bij het strand, waarom heb ik niet goed op de kaart gekeken, waarom was ik zo onzorgvuldig terwijl ik normaal gesproken duizend keer op de kaart kijk – maar het helpt me de situatie te accepteren. Shit happens. Je kunt niet jaren over de wereldbol zeilen zonder een fout te maken.

Zondagochtend. Daar is Dion. Hij komt langszij en knoopt ons vast. Met honderden pk’s achter zijn schuitje sleept hij ons naar de werf, Bobby’s Mega Yard. Een geluk bij een ongeluk dat die zo dichtbij is! De brug bij de Yacht Club gaat open, Dion stuurt onze slecht bestuurbare sleepcombinatie behoedzaam maar gedecideerd naar de kade. De ochtend erop worden we eruit getild. Peter is er dan ook. Iedereen die we spraken zei: ‘Pete, the Dutch guy, he’s your man.’ Betrouwbaar, een vakman die regelmatig dit soort schades herstelt. Catherine hangt in de riemen, de schade aan het roer is aanzienlijk. Een scheur en een verbogen buis waar het roer omheen is gebouwd: de roerkoning is als een banaan.

Peter is druk, het duurt enkele dagen voordat hij zich fulltime op het roer kan storten. Hij werkt zich uit de naad, het zit een beetje tegen, behoorlijk zelfs, als blijkt dat de oude roerkoning te zeer verbogen is om recht te buigen. Gelukkig is er op het eiland een nieuwe te vinden met dezelfde diameter. Maar wat blijkt: er is een minimaal verschil, de buis is een pietsie te breed, fractie van een millimeter. Dat levert een hoop werk en vertraging op. Uiteindelijk staat het nieuwe roer onder de boot, alles past, de roerkoning glijdt in de hennegatskoker, roer vast en we kunnen het water in. De volgende dag monteert Peter de hele stuurinrichting – kabels, kwadrant – en dan is het klaar. Catherine wordt genezen verklaard. Bedankt Peter, je bent een kanjer!

In de tussentijd voelen we ons thuis op Sint Maarten. Ook hier vriendelijke mensen, lokalen en ook zeezeilers van allerlei pluimage: zuipende zeilers die nooit meer wegkomen, wedstrijdzeilers met stoere verhalen, bedaagde vertrekkersechtparen zoals wij en beroepszeilers die boten opknappen, verkopen, verhuren en op allerlei zeilmanieren hun geld verdienen. De laatste avond brengen we door bij Lagoonies, gezellig zeilers-café-restaurant, met een Amerikaans stel dat we via Peter hebben leren kennen. Het is ouderwets gezellig, de anekdotes vliegen over tafel, we lachen, drinken, laten de sores van het roer achter ons. We zijn klaar voor het vervolg van onze reis.

De volgende ochtend checken we nogmaals het weer en de wind en besluiten te gaan. De komende vier dagen is het rustig, geen fronten die passeren, een stabiele ruime wind van 15-20 knopen, wellicht met windstoten tot maximaal 25 knopen. Perfect. De brug gaat open, we zwaaien naar een toeschouwer bij de jachtclub, gaan achter de Amerikanen aan onder de brug door, zij gaan linksaf, goede reis, wij gaan rechtdoor. Zeilen omhoog, koers uitzetten, motor uit. Arie stuurt Catherine de komende 500 zeemijl (x 1,852 = 926 kilometer) naar Curaçao.

We zijn vier nachten op zee. De volle maan verlicht de Caribische Zee, we lijken de enigen, van horizon tot horizon vaart niets behalve wij. De eerste avond verschijnt er een vaag lichtje aan de horizon: een vrachtschip in de verte. De tweede dag zien we ook welgeteld één schip, op grote afstand. Het is rustig, geen onverwachte gebeurtenissen, alles onder controle. Catherine glijdt met volle zeilen soepeltjes door het water, de deining maakt ons loom. Een groep tuimelaars brengt vrolijkheid, wat zijn ze heerlijk speels en enthousiast, ze schieten pijlsnel alle kanten uit, spelen met elkaar en lijken Catherine uit te dagen, ze kijken af en toe omhoog naar de roepende tweevoeters aan dek, en dan verdwijnen ze weer zo snel als ze gekomen zijn. De niet-meer-volle maan is de derde nacht weer ietsje kleiner geworden, komt wat later op, maar verlicht de rest van de nacht nog steeds de zee, veelvormige wolken lichten op in het maanlicht, als abstracte sculpturen in een museum. Elke avond, tijdens de schemering, steken we een rif in het zeil, hoewel er eigenlijk geen aanleiding voor is, maar we willen ’s nachts niet verrast worden door een windvlaag of tropische bui. Tijdens de derde dag beginnen we uit te kijken naar onze aankomst in Curaçao, waar Liselot op ons wacht. Wat een mooi vooruitzicht om haar daar te zien! Tijdens de vierde nacht krijgen we Bonaire in beeld en belanden in drukker vaarwater. Een groot containerschip komt recht op ons af. We liggen op ramkoers. Volgens de reglementen moet hij voor ons wijken, maar lijkt dat niet van plan: de groene en rode boordlichten zijn beide te zien, en liggen steeds een beetje verder uit elkaar, wat betekent dat het schip snel dichterbij komt, wat wordt bevestigd door het ais dat al een tijdje het alarm doet afgaan. Via de marifoon roep ik het schip op. Geen reactie. Ik probeer het nog twee keer, maar de stuurman reageert niet. Door de verrekijker zie ik de hoge boeg, het flinke stuurhuis en breedte van het schip dat nog steeds recht op ons afkomt. Het gevaarte is nu op enkele honderden meters genaderd. Ik wil de motor starten om sneller te kunnen uitwijken, als op dit laatste moment het schip bijstuurt. Zoals de regels voorschrijven, maar ik vervloek de stuurman die niet reageerde op mijn oproepen en zo niet bijdroeg aan een veilige vaart.

Bonaire licht op, lijkt dichtbij, als de wind vrijwel wegvalt. Na wat twijfelachtige pogingen de vaart erin te houden, start ik de motor. Zo varen we tussen Bonaire en Curaçao door als de vierde dag aanbreekt. Karin verschijnt aan dek, maar het heeft voor mij nu geen zin een slaapje te doen, zo dichtbij de eindbestemming. Na een tocht van negentig uur, varen we door de smalle doorgang naar het Spaans Water, de populaire lagune en ankerplaats. Nog even goed opletten, ik navigeer nauwkeuriger dan ooit na ons avontuur in Sint Maarten, stuur Catherine langs de ondieptes en even later liggen we te dobberen achter ons anker. We zijn er!

Even later vaar ik met Billy naar het steigertje, waar Liselot en haar huisgenoot Kaj staan te wachten,  wapperend met een vlaggetje van Curaçao. Even later zitten we in de kuip, met een lekkere lunch terwijl we bijpraten over van alles: natuurlijk ons roergedoe, de heerlijk zorgeloze zeilreis hierheen, maar vooral over hoe leuk Liselot het hier heeft, met haar werk in het ziekenhuis, fijne collega’s, de gezelligheid in de vrije tijd, het kiten, restaurantjes, snorkelen. Eigenlijk mogen Liselot en Kaj helemaal niet aan boord komen, want we moeten nog inklaren. Dat doen we na de lunch.

We rijden naar Willemstad, dwalen door de fraaie wijk Punda, tussen de gekleurde huizen door, op zoek naar de immigratiedienst, die blijkt verhuisd, lopen naar het nieuwe onderkomen, de papieren blijken niet helemaal te kloppen, maar dat is eigenlijk geen probleem. We zoeken de customs, die is ook verhuisd naar een achteraf bouwwerk in een groezelig doodlopende weg, ook daar kloppen de papieren niet, ook hier is dat na wat zorgelijke blikken uiteindelijk helemaal geen probleem. Dan moeten we ook nog naar de havenmeester, die zit aan de andere kant van de haven, maar het is inmiddels te laat. Dus daar rijden we de dag erop naartoe, we rijden over de hoge Julianabrug, daaronder is het havenkantoor en die is eigenlijk alleen met de auto te bereiken. Hoe doen andere zeilers dat als ze geen Liselot hebben die de weg weet en een auto heeft? We vragen het tijdens een biertje in de kuip aan Mark en Donna, onze vrienden van de bovenwinden, waar we vlakbij zijn geankerd. ‘It’s incredible! It took us three days to complete the clearance procedure!’ We zien de humor ervan in, ook omdat alle ambtenaren en functionarissen zeer vriendelijk en behulpzaam waren.

De dagen erop nemen Liselot en Kaj ons op sleeptouw. We rijden naar Westpunt, waar we lopend tussen doornstruiken door een piepklein strandje weten te vinden. De teenslippers zijn niet het perfecte schoeisel; dagen later roep ik nog een keer ‘au!’ als ik de zoveelste doorn uit de zool pluk. We gaan naar de Sint Joris Baai en zien dat Liselot goed heeft leren kiten, ze vliegt door de lucht, een jaar nadat ze op Carriacou haar eerste lesjes kreeg, toen ze vanuit Trinidad enkele weken met ons meezeilde. We bezoeken haar werkplek, het Curaçao Medical Center, een hypermodern ziekenhuis, prachtig ontworpen met een open centrale hal waar een natuurlijk windje voor verkoeling zorgt. Als Liselot zich omkleedt en in een oogwenk van een zorgeloze levensgenieter verandert in serieuze arts, krijgen we een rondleiding over de afdelingen en maken kennis met wat collega’s. Als de dienst van Dokter Lies begint en ze de spoedeisende hulp binnenloopt, zwaaien we nog even en gaan Karin en ik op zoek naar bus 6A richting Spaans Water.

De sfeer in de bus is uitgelaten en wordt een bijna feestelijke ervaring. We praten en lachen met een oudere, extraverte passagier. Wat blijkt? Hij heeft in Rotterdam op hetzelfde ROC gewerkt als Karin. We spreken af dat hij ons als taaldeskundigen, docent en leermiddelenontwikkelaar, voorstelt aan de minister van onderwijs, maar zoals verwacht komt daar natuurlijk niets van terecht. Terug op de ankerplaats trekken we de conclusie: Curaçao is leuk, gezellig, gastvrij, met vriendelijke en hulpvaardige mensen.

Het is tijd om ons vertrek voor te bereiden. We organiseren een borrel aan boord, een drukke boel met collega’s van Lies die goed mengen met de zeezeilers. We hebben nog een weekje voordat we voor een paar maanden terugvliegen naar Nederland. Kaj en Liselot komen aan boord, we varen het Spaans Water af en komen op zee. Op de genua zeilen we in een uurtje naar Willemstad. De pondjesbrug, officieel de Koning Emmabrug, zwaait voor ons open. Het is een grappig bouwsel, drijvende brug op pontons die in beweging komt door een benzinemotor met schroef. Op de kade staan allemaal mensen te kijken en te zwaaien, en in het groepje zien we opeens een filmende Donna staan! Zij en Mark zijn hierheen gekomen met bus 6A om ons te begroeten en filmen  (klik op het linkje). Wat een leuke verrassing! We varen verder, onder de hoge Koningin Julianabrug door, en varen het Schottegat op. We passeren de Arctic Sunrise van Greenpeace, afgemeerd aan de kade. We gaan rechtsaf het hoekje om, daar ligt onze tijdelijke thuishaven van Curaçao Marine. Na twee nachtjes aan de steiger wordt Catherine opgetild en naar de stalling gereden. Wij sluiten onze reis af in een fijne airbnb, genieten van het zwembad. Bedankt Naomi en Nick voor de gastvrijheid! We maken Catherine schoon en klaar voor een paar maanden rust, we doen nog wat leuke dingen met Liselot en Kaj en dan zitten we opeens in het vliegtuig naar huis, op weg naar vrienden, familie. Wanneer en waarheen we onze zeilreis voortzetten? Dat laten we weten als we een strak plan hebben.

Groetjes en liefs van Karin en Eric

 

Sint Eustatius: een wel heel bijzondere gemeente van Nederland

Achter ons wordt de groene vulkaan van Sint Kitts steeds kleiner. We zeilen op een rommelig zeetje met vreemde draaiwinden richting Sint Eustatius. Eric maakt zich druk over een zeilboot die alleen op de genua, op enige afstand, ons met gemak voorbij vaart. ‘Hoe kan dat nou, wij varen met grootzeil èn genua en zij hebben alleen hun genua uit?’ Ik ben er niet zo mee bezig, ik droom weg bij de herinneringen aan Sint Eustatius, of zoals de inwoners hun eiland liefkozend noemen: Statia. Alweer tien jaar geleden woonden en werkten we daar. Ik denk terug met gemengde gevoelens aan die tijd. Negatieve herinneringen zijn inmiddels verwerkt en nu kan ik niet wachten om positieve ervaringen op te doen. Ik verheug me er enorm op om op eigen kiel het eiland te bezoeken. Ik weet nog zo goed dat ik in ons huisje op White Wall, de oostpunt van het eiland, regelmatig uit het keukenraam stond te kijken naar de blauwe oceaan en fantaseerde over hoe we met Catherine misschien ooit op het eiland zouden aankomen. ‘Kijk’, zegt Eric, ‘vanaf zee kun je goed zien waarom White Wall zo is genoemd’. We zien een enorme witte krijtrots en met de verrekijker zien we ons huisje van toen: het witte blokkendoosje.

We varen langs Statia en herkennen van alles: daar is de Road to White Wall en het huis van die steenrijke Amerikaan, verderop zien we Oranjestad en Fort Oranje. In de baai liggen twee andere zeilboten te stuiteren. We passeren de boot die ons zo overtuigend inhaalde. Een vrolijke vrouw staat op de voorpunt, zij begroet ons enthousiast en zegt in onvervalst Brits: ‘the holding is good but the swell is rather tough’. Dat de deining in deze baai vrij spel heeft wisten we al. Maar toch moet je het zelf weer ervaren om te weten hoe het is. Dit is de zwaarste deining die we achter anker ooit hebben meegemaakt. Catherine zwenkt van links naar rechts en door de boot lopen is een zelfde ervaring als met stevige golven op zee. We zijn blij dat we een huisje op Statia hebben gehuurd. In mijn ooghoek zie ik nog hoe onze Engelse vrienden in gevecht zijn met hun bijboot die ze te water proberen te laten. Even later doen wij hetzelfde. Alleen kiezen wij ervoor om Billy maar gewoon van het voordek in het water te smijten. In je bijboot stappen met deze deining is nogal een gedoe. Timing is belangrijk: Catherine gaat omhoog en omlaag en Billy de bijboot van links naar rechts. Eén, twee hup en ik zit! Alle bagage in Billy voor ons weekje landrottenbestaan en op naar de douane.

Bij de dingy-steiger zit Minke, onze contactpersoon van het huisje, al op ons te wachten. Eerst nog inklaren. Dat gaat dit keer van een leien dakje. Op elk eiland gaat de inklaarprocedure weer anders en op sommige eilanden is het een ware beproeving. We hebben al vier verschillende digitale systemen moeten invullen. Maar op de meeste eilanden moeten er meerdere formulieren met de hand worden ingevuld, vaak met een aantal carbonnetjes ertussen. Bij de douane treffen we de Britse buren en we spreken af ‘s avonds voor een sundowner in het Boardwalk Café.

Ons huurhuisje blijkt naast ons oude blokkendoosje aan de weg naar White Wall te staan. We zitten op de veranda en ervaren hetzelfde serene sfeertje als toen: dezelfde zeebries, dezelfde geluiden van de vogels en het ruisen van de wind door de palmbomen. We voelen ons direct thuis. Door de heg kijken we naar het blokkendoosje van vroeger en herinneringen komen bovendrijven. Als we met de huurauto Statia verkennen, zien we dat er weinig veranderd is. Statia ademt nog hetzelfde slaperige, goedmoedige sfeertje uit. Mensen groeten ons vriendelijk en we herkennen sommige gezichten van tien jaar geleden. Ons favoriete Chinese restaurant, Cool Corner, blijkt helaas gesloten wegens vakantie. Bruce, de eigenaar  van het restaurant, ontmoeten we later in zijn supermarkt die hij ook heeft. Hij herkent ons nog van tien jaar terug!

Op Statia is wat onderhoud verricht: een paar wegen zijn verbeterd en het vliegveld is opgeknapt. Bij het vliegveld is een prachtige nieuwe rotonde gemaakt en alle straten hebben naambordjes gekregen. Tien jaar geleden moest je omschrijven waar je woonde: het derde huis na Big Stone of het laatste huis van White Wall of dat blauwe huisje naast de Cool Corner. De straatnaambordjes zijn half Nederlands, half Engels. Er wordt steeds minder Nederlands gesproken en geschreven in deze bijzondere gemeente van Nederland. In het onderwijs is in 2014 gekozen voor het Engels als instructietaal en daarmee is het hele schoolsysteem veranderd. Tien jaar geleden was er nog een Nederlands schoolsysteem. De kinderen gingen naar de havo of het vmbo. Nu is het Nederlands teruggebracht tot een vak op de basisscholen en in het voortgezet onderwijs. De leerlingen doen nu in het Engels een Caraïbisch examen.

Er zijn een paar leuke barretjes en restaurants bijgekomen. Onze favoriet is het Boardwalk Café. We ontmoeten onze Britse buren van de baai. Als wij vertellen dat we onder de indruk waren van de snelheid van hun boot, biechten ze op: ‘we were cheating’. Ze hadden de motor aan toen ze ons voorbij stoven. Zij waren daarentegen onder de indruk van ons: serieuze zeilers met volle zeilen. Na het heerlijke eten komt een bekende dj en gaat het volume voluit: we kunnen elkaar niet meer verstaan. De jongeren van Statia verzamelen zich en het wordt big party. Wij oudjes besluiten onze borrel te beëindigen en Donna en ik dansen onze weg naar de dinghy’s, verbaasd nagekeken door de plaatselijke jeugd. Marc merkt daarbij droog op z’n Brits op: ‘too much booze’.

Op zondag gaan we de Quill op. Dat is de naam van de vulkaan van Statia, de op één na hoogste berg van Nederland. Dit is de mooiste wandeling van Statia, herinner ik me van tien jaar geleden. We nemen twee anderhalve liter flessen mee, een stevige lunch en een meloen. Het belooft een pittige tocht te worden. Naar boven is goed te doen. We lopen nog lekker in de schaduw van de bomen en we bereiken spoedig de top. Daar op dezelfde plek waar onze kinderen toen ook waren, eten we onze lunch en maken we een keuze voor het vervolg. We besluiten eerst de vulkaan te ronden en dan te kijken of we nog puf hebben om af te dalen in de krater. Het wordt een pittige tocht. Veel losse stenen en klimmen en klauteren. Eric herkent de blauwe markeringen met verf die hij maakte toen hij als vrijwilliger werkte voor natuurbehoud organisatie Stenapa. ‘Kijk die streep daar, ik herinner me dat daar het pad onduidelijk werd en ik een markering heb gezet’. Na een tijdje begin ik het zwaar te krijgen en zie dat ons water opraakt. Het is loeiheet en het zweet gutst van me af. Ik kan me niet beheersen als ik de fles aan mijn mond zet en klok al het kostbare vocht achterover. Wat nu? Het water is op en we zijn pas halverwege de toer rond de vulkaan. Dan zien we een bordje van de Botanical Garden, we weten dat de tuin in onbruik is geraakt, maar hopen toch dat daar water te vinden is. Eric gaat naar beneden en ik blijf achter en wacht. Een half uurtje later komt Eric terug: ‘de tuin was niet veel soeps maar kijk wat ik heb gevonden’ en hij tovert een volle fles water tevoorschijn. Er was daar een volle cistern met tap waarmee ik de fles heb kunnen vullen’. Overal op Statia gebruikt men cisterns om het regenwater op te kunnen vangen dat als drinkwater dient. We kunnen weer verder en maken onze toer rond de vulkaan af, het is prachtig en thuis wacht ons een heerlijke koude Carib. Een biertje smaakte nog nooit zo lekker.

Naast toeristische bezoekjes zijn we hier ook om wat werk te doen. Eric heeft als auteur en leider van een projectgroep een methode Nederlands als vreemde taal voor Caraïbisch Nederland ontwikkeld: Nederlands onder de zon. Ik heb toen ook meegewerkt met het maken van oefeningen en inspreken van leesteksten. Er zijn vier basisscholen op Statia en we bezoeken er twee: de grootste en de kleinste. Op de grootste school worden we verwelkomd door groep vijf en hun vakleerkracht Nederlands. De kinderen hebben vragen voorbereid en we geven antwoord in het Nederlands en hier en daar extra uitleg in het Engels. De kinderen zijn ontzettend enthousiast over Erics verhalen. Ze kennen de figuurtjes uit de verhalen en vertellen over hun eigen ervaringen met bijvoorbeeld heremietkrabben, naar aanleiding van het verhaaltje: woningruil, over deze dieren die bij elkaar komen op de berg en schelpen ruilen omdat ze te groot zijn geworden voor hun eigen schelp. Alle verhalen gaan over Statia, Saba en Sint Maarten, over de dieren en over het eiland. Ze zijn enthousiast over de tekeningen en de foto´s die ze herkennen uit hun eigen leefwereld. Ze willen van alles weten: hoe heeft u de verhalen bedacht, hoe lang duurt het maken van een boek, wie heeft de tekeningen en foto’s gemaakt, hoe kwam u op het idee voor de boeken, wat is uw favoriete verhaal, waarom heten de heremietkrabben Pamela en Edwin. Het is gezellig, de leerkracht is hartelijk en begeleidt de kinderen op een rustige, vriendelijke en enthousiaste manier. De kinderen vertellen dat ze bij het verhaal ‘Pannenkoeken bakken’ ook echt pannenkoeken zijn gaan bakken met hun juf. En op mijn vraag of de pannenkoeken lekker waren antwoordden ze: ’Ja heel lekker met stroop en suiker.’ Zo hebben ze spelenderwijs Nederlandse woorden geleerd. Het wordt een hartverwarmend bezoek, Eric krijgt kippenvel van ontroering terwijl het 30 graden is! ´Zo is Nederlands leren toch hartstikke leuk´, zeg ik. De juf is het er mee eens.

Op de kleinere school wacht ons een andere ervaring. De boeken ‘Nederlands onder de zon’ liggen ongebruikt in de kast. De leerkrachten weten nog niet zo goed hoe er mee om te gaan. Volgens de directeur missen ze een handleiding. De leerkrachten hebben zoveel veranderingen te verwerken dat dit teveel voor ze is. We beloven extra begeleiding. Wel zijn we welkom in de klasjes. De kinderen gaan enthousiast met ons op de foto en als we het schoolplein opgaan, waar ook kippen rondscharrelen, ontstaat er grote consternatie. Er loopt een enorme krab op de veranda. De kinderen schreeuwen en sommigen gaan op een stoel staan. Een juf veegt de krab met een bezem het schoolplein af en Eric de schrijver van de boeken vangt de krab in een krat en laat hem tweehonderd meter verderop vrij. Eén van de kinderen roept semi-teleurgesteld: ‘there goes my lunch’.

Er volgen nog twee bezoekjes: één aan het plaatselijke museum en één aan het supernieuwe, super- de-luxe resort aan de noordoost kant van het eiland.

We lopen naar het museum dat midden in het dorp staat. Het is een mooi wit huis met een knalrode bloeiende tamarindeboom ervoor. De expositie in het plaatselijk museum gaat over de geschiedenis van Sint Eustatius. Hoe Sint Eustatius in de 18e eeuw de Gouden Rots werd genoemd. Er waren plantages en er werd volop handel gedreven. In die hoogtijdagen kwamen er meer VOC handelsschepen naar ‘the Golden Rock’ dan naar Amsterdam. De pakhuizen lagen vol met goederen. Nog steeds staan de restanten van de pakhuizen langs de baai. Je kunt er met duiken of snorkelen nog van alles vinden. De dame van het museum laat me haar ketting zien gemaakt van blue beads:  ‘allemaal zelf gevonden, je moet er niet naar zoeken, maar op een dag vind je er gewoon eentje’. Blue beads zijn kralen waarmee de slaafgemaakten werden ‘betaald’ door de Nederlanders. Na de afschaffing van de slavernij werden ze door de vrijgemaakte slaven in zee gegooid en tot de dag van vandaag worden ze gevonden in zee of spoelen ze aan. Als ik de expositie bestudeer krijg ik weer datzelfde plaatsvervangende schuldgevoel. Slaven werden beschouwd als handelswaar en staan op de prijslijsten tussen vee en goederen. Wat een vreselijk onrecht is deze mensen aangedaan. Ik had het met de mevrouw van het museum over excuses aanbieden. Zij vindt dit ook belangrijk, maar het allerbelangrijkste vindt zij een breder bewustzijn bij de mensen. Overal moet er meer aandacht voor dit onderwerp zijn en vooral in het onderwijs, zodat we leren van de geschiedenis. Hier zie je de geschiedenis zo klip en klaar terug: hoe Nederland z’n kolonies uitbuitte en tot op de dag van vandaag zo’n welvarend land is over de ruggen van de Caraïbische bewoners en voormalig bewoners. De dame van het museum is zelf al een poosje op zoek naar haar roots. Eén afstammingslijn, tot zeven generaties terug, heeft ze terug kunnen vinden en die voert naar Guinea Bissau.

Op de laatste dag gaan we naar het nieuwe, on-Statiaanse, super-de-luxe resort aan de noordoost zijde van het eiland. Tijdens onze ronding van de vulkaan hadden we het resort al zien liggen. Een gigantische oppervlakte van vele hectares in de middle of nowhere. Tien jaar geleden reden we er met onze scooters weleens heen: een dorre rotsachtige vlakte met een enkele kale boom en wat scharrelende geiten. We rijden op een stoffige, verwaarloosde weg vol kuilen en gaten om ons doel te bereiken en vroegen ons direct af welke welgestelde hotelgast hier gebruik van zal maken. Welgesteld, omdat de kamerprijzen gaan vanaf 600 Euro. Een Nederlandse multi-miljonair die met rozenkweken zijn fortuin heeft verdiend is deze onderneming in 2019 begonnen. Als we aankomen zien we een enorm parkeerterrein met een paar auto’s. Dat belooft inderdaad geen grote drukte. We bezoeken het resort en worden onderweg vriendelijk begroet door medewerkers. We zijn zwaar onder de indruk, van hoe dit droge, dorre terrein is veranderd in een oase. Overal zien we jonge palmbomen, planten en bloemen. We lopen langs witte gebouwen en bungalows. Er zijn twee helderblauwe zwembaden met rondom lege ligbedden en ingeklapte parasols. Alles staat gereed voor hotelgasten, maar er is niemand. We lopen verder door de zinderende hitte richting grens van het resort, een rand met daarachter de rotsige kustlijn. Er is geen strand, dus is er een enorm zoutwaterbassin aangelegd. Bij de prachtig ingerichte Bobby’s beach bar bestellen we een drankje en de ober vertelt dat die avond een beroemde dj (dezelfde als van het Boardwalk Café) gaat draaien en dat de Statianen in grote getalen naar het resort zullen komen. Terug richting de ingang kunnen we mee met een toeristentreintje en we verbazen ons weer over alle lege voorzieningen en het prachtig aangelegde resort. Er is echt geen gast te bekennen. Natuurlijk levert dit resort werkgelegenheid op voor de bevolking van Statia, maar gaan hier ooit gasten komen met al die toeristische eilanden als Sint Maarten, Sint Barth en Antigua zo dichtbij? Zo ja, gaat dan dit nog echte, authentieke Caraïbische eiland totaal zijn charme verliezen?

In het volgende blog beschrijft Eric hoe het tijdens onze reis vaak meezit, maar soms ook tegenzit.

Karin

 

Eilandhoppen in de noordelijke Cariben

Statia, 10 juni 2023

Met een straf windje in de rug kruisen we de zeestraat tussen Les Saintes en Guadeloupe af. Met Catherine’s zeilen eerst over bakboord, daarna langs de zuidkust over stuurboord. Na een uurtje glijden we langs de westkust van het Franse overzeese departement. We zijn een tikje teleurgesteld: geen mooie ankerbaaien, stranden of beschutte plekjes. De jachthaven ziet er ook niet uitnodigend uit, waren we sowieso niet van plan, dus we zeilen door. We hebben onze hoop gevestigd op Petite Anse, op de kaart een kleine, beschutte baai. We varen naar binnen, zien een wit strandje, er ligt een handjevol zeilboten, hier gaan we ankeren. Hopelijk kunnen we ergens water vinden om onze vrijwel lege tanks te vullen. Ik vraag het aan een voorbijvarende man in een padvinderskostuum in z’n bijbootje. Er is een kraan op de kant. De man stelt zich voor als Thomas en is een hulpvaardige Duitser. Hij past op een catamaran in de baai, woont op een berghelling in een hutje, verzorgt daar wat zwerfhonden en katten en leeft van een klusje hier en daar. Onze versvoorraad is op en Thomas rijdt Karin met z’n autootje naar de super. Hoe aardig! Kom daar maar eens om in Rotterdam. Natuurlijk geven we Thomas een mooie fooi voor zijn spontane aanbod.

De volgende ochtend roept de man van de duikschool vanuit zijn rubberboot naar iedereen die het wil horen: ‘Dolphins!’ Twee dolfijnen zwemmen de baai in, een grote en een kleine, moeder en haar jong. Als ze twee rondjes hebben gezwommen spring ik met de actiecamera het water in, wie weet blijven ze nog even. En dan gebeurt het wonderlijke:  de dolfijnen blijven in de buurt, ik kom heel dichtbij, ze zwemmen langs en onder me door, Karin is er inmiddels ook en zij ziet de dieren op twee meter afstand. Ze schrikt zelfs opzij omdat ze zo dichtbij zwemmen! Het is een prachtige, indrukwekkende ervaring. De meterslange moeder kijkt ons in de ogen, het jong drinkt af en toe bij haar, het is een schitterend schouwspel.

We zijn gelijk verliefd op de baai. De aardige Thomas, de dolfijnen, en het krakkemikkige restaurantje (‘bonsoir mes enfants’ zegt de bejaarde uitbater als we op mijn 61e verjaardag aanschuiven op de houten bank), het is zo gastvrij en lekker ongedwongen. Petite Anse is onze uitvalsbasis. We huren een auto en trekken de bergen in. In dit zuidelijke deel van Guadeloupe, Basse Terre, domineert de vulkaan Soufrière het landschap. Wij rijden erheen en beginnen aan een wandeling (‘difficile’) naar de watervallen die van de steile hellingen naar beneden storten, de Chutes du Carbet. Net als op Martinique zijn de wandelingen keurig gemarkeerd, dankjewel Europese Unie, maar dat maakt de tocht er niet minder zwaar op. Het begin is vlak en met vlonders toegankelijk gemaakt, het laatste stuk is klauteren op handen en voeten over de rotsblokken, soms hangend aan de hulptouwen. Vooral Karin heeft het zwaar als ze last krijgt van haar kniebanden, een oude sportblessure. Maar ze bijt door de pijn heen en krijgt de beloning van een waterval van meer dan 100 meter hoog. De natuur is overweldigend en indrukwekkend, gister met de dolfijnen, nu bij de Chutes.

Maar de geschiedenis die we de volgende dag opzoeken maakt mogelijk nog meer indruk. Het slavenmuseum in hoofdstad Pointe-à-Pitre is beroemd en geprezen, het werd in 2017 verkozen tot Europees museum van het jaar. Het verhaal van slavernij wordt van A tot Z verteld, heden en verleden, op verschillende continenten en bij meerdere culturen. Misbruik en slavernij is van overal en alle tijden, maar de industrieel opgezette slavenhandel door de West-Europese landen krijgt in dit Memorial ACTe logischerwijs de meeste aandacht. De verschrikkingen van toen staan in schril contrast met de gastvrijheid die wij hier in de Cariben dagelijks ervaren van de nazaten van al die mensen die dit onrecht generaties lang hebben moeten ondergaan. Tegen onze regering zouden we willen zeggen: bied nou eindelijk eens die excuses aan. We rijden terug naar onze Catherine door Pointe-à-Pitre, een spookstad op zaterdag. In de uitgestorven straten zien we de fraaie Creoolse straatkunst, die we na vandaag niet los kunnen zien van het verleden.

Karins knie hindert haar te erg om de dag erop mee te lopen naar de top van de Soufrière. Bij het beeldje van de Maagd van Guadeloupe, de beschermheilige van Latijns Amerika, keert ze om. Ik loop in mijn eentje naar de top en merk dat het een heel andere ervaring is om alleen te lopen. Het loopritme gaat bijna over in trance, gedachtes gaan de vrije loop en er komt voor het eerst deze reis weer eens een ideetje op voor een nieuw liedje. Ik pak mijn phone en maak snel wat notities, hopelijk genoeg om later de muziek opnieuw te kunnen oproepen, want die cd waar we in Nederland aan werken als ik terug ben moet ook eens af! Ideeën zijn vluchtig, je moet ze pakken voor ze weg zijn. Op de top van de Soufrière is niet veel te zien, flarden koude mist bezorgen een prettige sensatie na maanden tropenhitte, maar hinderen het uitzicht op de krater van deze actieve vulkaan.  In 2017 trokken orkanen Irma en Maria over het gebied, enkele wandelroutes werden toen onbegaanbaar, maar mijn route is goed aangegeven en begaanbaar. Eenmaal terug aan de voet van de berg tref ik Karin. We nemen het ervan in het thermische bad, verwarmd door de vulkaan, en rijden daarna het steile, kronkelende bergweggetje af, terug naar Catherine in de baai.

Na een weekje in Petite Anse is het tijd om te gaan. We gaan nog een keer eten in het restaurantje (‘la même poisson, la même dessert, la même vin blanc, la même femme?’ grapt de gastheer/ober/kok) en we gaan de volgende dag ankerop. Dag Petite Anse, hallo Deshaine. In dit leuke stadje hangen we een paar dagen rond, bezoeken de markt en de lokale loodgieter die ons hopelijk aan wat onderdeeltjes voor de lekkende douchekraan kan helpen. ‘Non’ luidt zijn antwoord op elke vraag die ik stel. Heeft u een koppelstukje? Een doucheslang? Een andere oplossing? Een suggestie wellicht? ‘Non’. Ik geef het op, niet iedereen is aardig en behulpzaam, en zit even later met Karin aan een koud biertje. De dag erop wandelen we naar de heuveltop en dalen aan de andere kant af naar een vrijwel verlaten strand. Dan trekken we de conclusie dat het tijd is om verder te zeilen. De kalender is onverbiddelijk, het orkaanseizoen komt eraan en we willen nog veel meer noordelijke eilanden bezoeken voordat we in juli naar het orkaanveilige Curaçao afdalen.

In 1997 zat ik naar het NOS Journaal kijken, toen de beelden van een allesverwoestende vulkaanuitbarsting de huiskamer bereikten. Wat een natuurgeweld! Deze vulkaan Soufrière – er zijn meerdere Soufrières in de Cariben –  op Montserrat werd in 1995 opeens actief. Iedereen werd door de eerste uitbarsting verrast. Na een volgende klap in 1996 volgde in 1997 een enorme explosie. De bergtop spatte uit elkaar. Alle bewoners van het hoofdstadje Plymouth waren geëvacueerd, toch is het een wonder dat er niet meer dan 19 doden vielen. Die tv-uitzending voedde mijn ontzag voor natuurkrachten en -geweld en Montserrat staat er symbool voor. Nu hebben Karin en ik vanaf Catherine Montserrat in het vizier, terwijl een stevige 6 Beaufort ons gereefde zeilbootje naar de zuidwestpunt blaast. Van verre zien we al de glooiende helling die is gevormd door de lavastromen. We zien ook de ruïnes van het verwoeste Plymouth. Die middag gaan we voor anker in Rendezvous Bay en klaren in. Het lukt ons om met onze buren, een stel dat vanuit de Falklands hierheen is gezeild, mee te gaan op excursie. Spoorslags worden de permits geregeld door onze gids Sun, die opgroeide in Plymouth en ons de plekken uit zijn jeugd laat zien. Daar, de bibliotheek. Kijk, hier woonde ik. Daar, de stadsklok waar alle jongeren ’s avonds elkaar ontmoetten. ‘Ik heb er zulke fijne herinneringen aan. Er is niets meer van over’, zegt Sun. Hij heeft honderden keren bezoekers rondgeleid, maar we zien dat de verwoesting hem nog steeds emotioneert. Daar, zegt hij, zie je de bovenste van zes etages van een hotel. De onderste vijf lagen zijn verdwenen onder as. Tweederde van Montserrat is verwoest en verboden gebied. De vulkaan slaapt, kan weer actief worden en houdt het eiland in de houdgreep. Hoe moet het nu verder met Montserrat? ‘We are living in limbo’, zegt Sun.

Op het leefbare deel van Montserrat bruist het eiland. De ontzettend vriendelijke bewoners laten zich niet kisten. Velen hebben jaren doorgebracht op andere eilanden of zijn naar Groot-Brittannië geweest en weer teruggekeerd. Niet iedereen kwam terug, de eilandbevolking is na 1997 gehalveerd, maar de mensen die wij ontmoeten hebben de draad opgepakt. Voor jongeren is het natuurdrama iets uit het verleden. Ze weten niet beter. Het toeval wil dat precies op de avond van ons bezoek aan Plymouth een BBC-documentaire in première gaat, die vrijwel  gelijktijdig op de BBC-tv en in het culturele centrum op Montserrat wordt vertoond. Keurige dames en heren en netjes geklede kinderen bezoeken de voorstelling in het gebouw dat is gedoneerd door George Martin. Kent u die nog? Hij was de producer van de Beatles. Hij had in de jaren tachtig een muziekstudio op Montserrat. Talloze sterren hebben hier muziek opgenomen: Paul McCartney, Dire Straits (Brothers in Arms), The Police (Synchronicity) en nog vele, vele anderen. Er is een documentaire over gemaakt: Under the volcano. Na het vulkaangeweld organiseerde George Martin een benefietconcert en van de opbrengst is onder andere dit culturele centrum gebouwd. Aan de wand hangen afdrukken van handen van al die beroemdheden. Opvallend is dat de handen van gitaarhelden veel kleiner zijn dan de mijne!

We verlaten Montserrat. Want wij zijn reizigers, we moeten verder, hoewel we soms het gevoel hebben dat we liever willen blijven waar we zijn. Maar ja. Volgende eiland dat we aandoen na een dagdeel zeilen: Antigua. Een Saint Tropez voor rijke zeilers, dat heeft voor ons het voordeel dat er van alles te koop is voor de boot. We hebben dringend een nieuwe accu nodig. En installatiespulletjes voor die douchekraan. We vinden de spullen direct, vullen vervolgens de watertanks terwijl een protserige Amerikaan met zijn werkelijk enorme catamaran – met de stars and stripes die nog groter is dan hemzelf schreeuwerig wapperend opdat iedereen het moet zien dat hij Amerikaan is, hijzelf staat op zijn apenrots achter het stuur op wel vijf meter hoogte – ons nog even in de weg zit. Wij varen de haven uit, gaan gelijk het hoekje om, naar een stille baai, wat een rust hier weg van de poeha, om vandaaruit de volgende ochtend ankerop te gaan en koers zetten naar Barbuda. Een uur of vijf zeilen.

Barbuda? Nee, niet Barbados, Barbuda. Een stipje op de kaart, het eilandje hoort bij Antigua. Het contrast met het moedereiland kan niet groter. Het is plat, met prachtige kilometerslange witte stranden, in het midden een grote lagune met ongerepte mangrovebossen en een vogelreservaat waar de fregatvogel zich massaal voorplant. Het is oppassen hier in de kustwateren, het gebied is matig in kaart gebracht, de Navionics-kaart waarschuwt om goed uit te kijken voor ondieptes met rotsen en riffen. Karin staat op de punt en ja hoor, recht voor ons doemt een flink rif op, dat we herkennen aan de afwijkende, groenige kleur en waar golven soms op breken. We gaan er met een boog omheen en gooien het anker uit in zandgrond. Het is vrij open, maar we liggen redelijk. We zien de eerste twee dagen helemaal niemand, niet op het strand of het onontgonnen gebiedje erachter. Daar struikelen we bijna over het kadaver van een paardje of ezel. We snorkelen bij het koraalrif waar we omheen voeren: het is het mooiste en gezondste dat we tot nu toe in de Cariben hebben gezien. Dan gaan we iets verder kijken, twee uurtjes zeilen om het westhoekje, in de hoop er iets meer beschutting te vinden.

We varen vlak langs het witte strand, dan passeren we de doorgang naar de lagune. Golven breken, witte koppen, blauw zeewater ontmoet donkerder binnenwater.  De diepte neemt wat af maar blijft minimaal drie meter. Dat is genoeg. Verderop zien we daken, volgens de kaart moet daar ergens onze ankerplek zijn. Als we dichterbij komen zien we dat het de resten zijn van een luxe hotel. Het is in zee gezakt toen orkaan Irma hier in 2017 overheen raasde. Een heel stuk strand is verzwolgen door de zee en heeft het hotel meegenomen, de doorgang naar de lagune is een stuk verbreed. Een groep zwerfhonden blaft ons vanaf het strand tegemoet. Na drie dagen Barbuda hebben we nog steeds geen mens gezien. Catherine ligt inmiddels onrustig maar vast achter het anker. We maken bijboot Billy klaar, want we gaan alvast uitklaren in het hoofdstadje Codrington. Na een paar honderd meter begint de motor te pruttelen en houdt ermee op. We roeien terug naar Catherine. Ik pruts wat aan de motor, vermoed wat water in de carburateur, die ik aftap, en we gaan weer. Even later klotsen we door de opening en varen de lagune binnen. Het lijkt een tropisch Tjeukemeer, groter maar net zo ondiep. Na een half uur knopen we Billy vast aan de kade en zien eindelijk de eerste bewoners. Douane en immigratie zijn in het dorp. Twee stoere jongemannen wijzen ons vriendelijk de weg. Rechtdoor tot de kerk. Yeah man! Als we erheen lopen zien we een troosteloze leefomgeving. Irma heeft hier werkelijk alles weggevaagd. De ene bouwval na de andere, een paar huisjes zijn hersteld, enkele nieuwe zijn gebouwd, de meeste huizen zijn provisorisch bewoonbaar gemaakt. Mannen werken aan de telecommast. Codrington is stoffig, heet, vervuild, maar de mensen vriendelijk. Nadat Irma Barbuda letterlijk met de grond heeft gelijk gemaakt, zijn alle mensen geëvacueerd. Twee jaar lang is Barbuda onbewoond geweest. Dieren bleven achter, zoals die verwilderde honden op het strand, en de ezels en paardjes die nu hun kostje bij elkaar scharrelen in het stadje. Een man jaagt een vermagerd paardje weg: de dieren zijn overbodig en proberen zoals de mensen hier te overleven. Het contrast met de prachtige stranden is enorm. Zal Barbuda er weer bovenop komen? Enkele zeilers bezoeken het eiland weer, maar de paar resorts en hotels die er waren zijn vrijwel allemaal beschadigd en gesloten. Ook nu weer zien we, na Montserrat, dat de natuur niet met zich laat fukken.

Dit gebied, noordoost Cariben, de bovenwindse eilanden, is een toeristische trekpleister. Het is de plaats voor resorts, luxe hotels en afgesloten privé-domeinen voor de beroemden op aarde. Een aantal Caribische eilanden wordt dagelijks platgewalst door de duizenden passagiers van grote cruiseschepen, die als een zwerm muggen bezit nemen van een stadje en dan als een speer weer vertrekken. Antigua, Sint Maarten, Anguilla, Sint Baths bieden de ultieme dreadlock holidays, onder parasols met cocktails en zwembaden. Wij ervaren dit gebied totaal anders. We liggen meestal als enigen in een vergeten baai of aan het strand. Als we wandelen in de heuvels komen we niemand tegen. Er is nog zoveel te ontdekken, meer dan wij in de paar maanden dat we hier zijn kunnen doen. We zijn onder de indruk van wat het natuurgeweld kan aanrichten, maar misschien nog wel meer door de ongelofelijke gastvrijheid en vriendelijkheid van al die bewoners die er op hun eiland het beste van maken.

Dan is er nog één landje dat we aandoen, voordat we  koers zetten naar Sint Eustatius: Sint Kitts and Nevis. Een dag zeilen volgt, halve wind 20-25 knopen, een echte pittige zee. Waar komen opeens die hoge golven vandaan? Heeft het gestormd op de oceaan? We zeilen prima, maar het is behoorlijk hotseklotsen. Einde middag varen we door The Narrows, dat Nevis van hoofdeiland Sint Kitts scheidt. Ook hier weer oppassen voor ondieptes, aldus de vaarwijzer. We ankeren linksaf om de hoek bij het hoofdstadje van Nevis, Charleston, aan de voet de vulkaan. Daar klaren we in. Na de verwoesting van Barbuda is duidelijk dat dit eilandje geluk heeft gehad. De huisjes spik en span, fleurig geschilderd, op straat is het een vrolijk gebeuren. We zitten op het bankje in het centraal gelegen miniparkje, en zien iedereen voorbij trekken: moeders met kindjes, mannen in uniform, de dorpsgek zit naast ons en groet vrijwel iedereen, twee meiden lopen achter hun mobieltje aan, stoere jongens kijken hen na, oma ploft ook even naast ons neer, een passerende suv met boem-boem-speakers probeert indruk te maken, de minibusjes kondigen toeterend hun aanstaande vertrek aan, want we zitten blijkbaar naast de busstop. Hier op Nevis gaat het leven z’n dagelijkse gangetje. Na drie nachtjes koersen we naar Sint Kitts, een uurtje varen tot Shitten Bay. Het is de uithoek van het eiland, hier is geen bebouwing, we horen alleen de geiten op de hellingen. Wij liggen er als enigen, enkele tientallen meters verder ligt een verroest scheepswrak, op de rotsen gekwakt tijdens een of andere storm. Dan komen de dagjesmensen, opeengepakt op felgele catamarans, ze snorkelen een uurtje bij het wrak en zijn weer weg. De volgende dag, als we gesnorkeld hebben bij het wrak, krijgen we bezoek. Een paar bijen houden zich op bij de buitendouche. Dan zie ik een bij terugvliegen naar het land, hij haalt zijn vrienden, en komen er later hele zwermen zich laven aan ons zoete water. Blijkbaar hebben ze dorst in deze droge tijd. Helaas worden het er meer en meer, ze vliegen ook naar binnen, hangen aan de keukenkraan. We raken niet in paniek, maar het voelt onaangenaam, het zijn er te veel. Dan ontdekken we dat we ze met emmers zout water kunnen verjagen. Na een uurtje oorlog tegen de bijen (sorry!) zitten we met een biertje opgelucht in de kuip. Als we de volgende ochtend wakker worden van het gezoem van nieuwe bijenzwermen gaan we ankerop.

We varen de jachthaven van de hoofdstad in. Na Antigua hebben we elke nacht matig geslapen door het gerol van Catherine op de deining. Wat is het heerlijk om na twee maanden weer eens aan een steiger te liggen! We doen wat boodschapjes, kijken rond in het sfeerloze stadje Basse-Terre. We hebben moeite ons open te stellen, we hebben zoveel indrukken opgedaan de laatste weken dat we behoefte hebben aan rust. En vooral: Sint Eustatius, Statia, het eiland waar we tien jaar terug een half jaartje hebben gewoond, een zeer bewogen periode, ligt vlakbij op ons te wachten. Morgen zeilen we er heen.

 

Eindelijk weer zwervend over zee

Het Verdrag van Parijs, in 1815 overeengekomen na Napoleons definitieve nederlaag bij Waterloo, had een aantal verrassende bijeffecten. Eén ervan is dat ik nu aan een ronde, rode Bordeaux, appelation contrôlée, nip, bijgestaan door sneetjes baguette met Blue d’Auvergne en een rijpe, inzakkende camembert. Dit alles aangeschaft in een supermarché op Marie Galante, het Schiermonnikoog van Guadeloupe, het Caribische departement van Frankrijk, dat in 1815 gek genoeg aan Frankrijk werd geschonken, terwijl het land de wonden likte na Napoleons vernederende nederlaag. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, vaak pijnlijk, nu aangenaam. Karin nipt aan haar Chardonney nummer twee, terwijl we terugblikken op de laatste maand hier in de Cariben. Hoe zijn we hier beland, nadat Catherine in Trinidad op 4 april na een flinke klusbeurt te water werd gelaten, terwijl we nooit eerder van Marie Galante hadden gehoord? Of van Les Saintes, waar we morgen heen zeilen?

Het is 14 april, 33 jaar plus één dag nadat Karin en ik elkaar de eerste kus gaven, als we het haventje van Peake uitvaren en we een fase van onze reis afsluiten: in 2020 zijn we door covid in Trinidad beland en werd Peake onze tijdelijke thuishaven. Vandaag begint een nieuw avontuur.  Het is middag, na een half uurtje is ons tochtje alweer klaar als we ankeren in Scotland Bay. Morgenochtend vertrekken we vanaf hier, uitgerust na een nacht tussen brulapen die wonen op de steile beboste hellingen waar geen mens zich waagt. ’s Ochtends check ik alles drie keer; het blijft altijd spannend om na langere tijd weer een overtocht te doen met een nacht op zee. Rond 11 uur starten we de motor, het geknor van het dieseltje klinkt na een grote onderhoudsbeurt geruststellend. Hup, ankerop, we hijsen het gereefde grootzeil, motoren nog even door de Bocas del Dragon en als we deze slangenmuil – door Columbus zo genoemd – verlaten komen de korte steile golven, aanrollend vanaf de Atlantische oceaan, ons tegemoet. Vorig jaar werden we erdoor verrast, maar deze keer zijn we voorbereid. We rollen de genua voor driekwart uit, de motor gaat uit, Arie de windvaan staat ook paraat en voordat we het goed en wel doorhebben, zeilt Catherine zichzelf. Makkelijk gaat het niet: Catherine maakt harde klappen als zij voor de zoveelste keer in het golfdal stort. De hele boot trilt en schudt.

We zijn weer alleen en op onszelf aangewezen, op zee, met z’n tweeën op ons bootje van 11 meter. Het blijft een bijzonder gevoel dat dit zomaar kan. Een zeiltje hijsen en ver, ver weg zeilen. We weten nog steeds niet wat de eindbestemming van ons meerjarige zeilavontuur wordt, wel dat we deze keer koers zetten naar tussenstop Carriacou, zo’n 120 zeemijl verderop. En daarna Guadeloupe.

Ik kijk omhoog, zijn de zeilen goed getrimd? Ook als ik weet dat ze prima staan, kijk ik er duizend keer naar. Had ik deze keer beter niet kunnen doen, want de klep van mijn petje wordt gevangen door de wind en ligt in zee. In een flits denk ik: goeie man-over-boord oefening, snel gevolgd door de laat-maar beslissing. De pet zit vol gaten, met een verroest logo erop en verfvlekken. Ik neem afscheid van de pet die ik al draag sinds ons vertrek uit Nederland in 2019.

Aan de horizon doemt Hibiscus, een groot boorplatform, op. We zijn op onze hoede, want vorige week liep hier een zeiljacht op een onbestemd ding. Boem! In een klap lag de boot stil. Was het een walvis? Of, zoals de schipper vermoedde, een of andere pijpleiding? De boot kwam met een deuk in de kiel maar zonder ernstige averij aan in Chaguaramas. De schrik zat erin, de zeilersgemeenschap raakte er niet over uitgepraat. Wij houden gepaste afstand van Hibiscus.

Het fel verlichte booreiland verdwijnt achter de horizon als de lichtgloed van Grenada dichterbij komt. Rond middernacht zeilen we langs de zuidkust en ronden de zuidwestkaap. Het gebiedje staat bekend als de ‘washing machine’ vanwege de rommelige, ondiepe zee waar stroming en wind een ingewikkelde dans met elkaar aangaan. Vannacht valt het mee, en als we de kaap hebben gerond valt de wind weg. Zoals verwacht, achter elk eiland is de wind geluwd. Motorend gaan we de nacht in en op de motor varen we de nacht ook weer uit. Als de zon opkomt zijn we Grenada gepasseerd, de wind trekt aan, motor uit, zeilen gaan omhoog. We varen over de onderwatervulkaan Kick ‘m Jenny, maar gelukkig is er geen geologische activiteit te bespeuren. Geen gasbellen of gerommel. Twee uurtjes later varen we de baai van het onbewoonde Ronde Island binnen, gooien het anker uit en doen een dutje. Rond het middaguur gaan we weer ankerop en worden we met een stevige Caribische bries naar Carriacou geblazen. Dan zit ons eerste oversteekje erop.

Carriacou voelt als thuiskomen na een lange vakantie. We lopen een aantal bekenden tegen het lijf, collega-zeilers en nemen plaats in bekende restaurantjes. We worden hartelijk verwelkomd, onder andere bij Hard Wood. Een suggestieve naam, met expliciet logo op de gelijknamige boot. Het suggereert een machosfeertje maar drie generaties vrouwen in het bescheiden onderkomen zorgen voor een warm, knus sfeertje. Drie Engelse dames op leeftijd zuipen zich klem, lokale bejaarde mannen bespreken luidkeels de actualiteit van het eiland, twee zeilers uit Rotterdam mengen zich moeiteloos in het gezelschap. ‘Welcome back!’, zegt mevrouw Hard Wood. Haar kleinkind, die we vorig jaar nog als zuigeling een aai over de bol gaven, is nu een goedlachse dreumes en gaat van hand tot hand. Ook Karin geeft het kindje een warme knuffel. Dit is een café, restaurant, buurthuis en huiskamer ineen, zeg ik tegen oma Hard Wood. ‘Yes!’ lacht ze instemmend.

Na enkele nachten in Tyrell Bay en bij Sandy Island ankeren we om de hoek bij Saline Island, waar we zeeschuimer Addy en zijn Annie nog even gedag zeggen. Geweldig dat onze koelkast op zonne-energie zoveel benodigde biertjes kan koelen! Addy heeft er acht rondjes Atlantische Oceaan opzitten, we kwamen hem in 2019 tegen op Porto Santo. De volgende dag is het tijd om te gaan, we zeilen door. Nu gaan we twee nachten de zee op. Bestemming Marie Galante bij Guadeloupe.

Het wordt een voorbeeldig tochtje. 15 knoopjes wind, rustige zee, tijd voor goede gesprekken, gelanterfant en ook koken is nu geen probleem. De equatoriale zeestroming duwt ons in de rug, we gaan harder dan verwacht. Omdat we niet in de nacht willen aankomen op Marie Galante, halen we de vaart uit Catherine. De tweede nacht is magisch: vrijwel windstil, maar nèt genoeg wind om de zeilen te bollen, de zee is volkomen vlak onder een uitbundige sterrenhemel. Catherine glijdt met een slakkengangetje geruisloos over het water dat Dominica en Guadeloupe scheidt. Als de zon opkomt trekt de wind aan, we vinden bij Saint Louis een beschutte ankerplaats. Daar vinden we in de supermarkt alles waar we zo’n trek in hebben. We verplaatsen de boot naar Anse Canot, een prachtige baai met witte krijtrotsen á la Dover. Erachter ligt een rivier. We lopen erheen met de opblaaskano op mijn rug en ervaren weer eens de bijzondere weldaad van zoet water.

Marie Galante is plat en dat is bijzonder in deze door vulkanisch geweld gevormde eilanden. Aan de horizon zien we de bergen van Les Saintes, de volgende bestemming, een groepje kleine eilandjes, bejubeld in de gidsen, populair bij zeilers. Eenmaal daar blijkt het een toeristisch bolwerk van jewelste. Zo anders dan het slaperige Marie Galante, Carriacou en de andere Grenadines! We ontvluchten de drukke strandjes en de toeristenwinkels en lopen de berg op. Opmerkelijk: op deze prachtige wandelroute komen we vrijwel niemand tegen. Het is even afzien, steil, warm, maar op de top is het uitzicht geweldig.

De volgende dag bezoeken we Fort Napoleon, want ook hier heeft het Verdrag van Parijs zijn effect gehad. Napoleon werd verbannen en was in Europa persona non grata. Maar hier, op Terre de Haut van Les Saintes, besloten de Fransen een fort te bouwen en hun voormalig leider te eren die Europa in een poel van oorlogsellende heeft gestort. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, realiseren we ons die avond wederom, als we de Bordeaux en Chardonney ontkurken.

Van Saint Lucia naar uitvalsbasis Trinidad

Rotterdam, december 2022

Met ons hoofd zitten we in de Cariben, maar een blik naar buiten haalt ons terug naar de werkelijkheid. De regen valt onophoudelijk uit de donkergrijze lucht, de Hollandse westenwind giert rond ons vooroorlogse, in de Rotterdamse kleibodem scheefgezakte pandje. De decembermaand is nat, een binnenvaartschip vaart behoedzaam over de mistige Delfshavense Schie, de week erop is het koud, met ’s ochtends de rijp op het groen. Net als in 2018, een half jaar voor ons vertrek met Catherine voelen we opnieuw het verlangen naar verre, warmere oorden, de zin om onbekende landen en kleine eilanden te gaan bezoeken, zin om uit de voorspelbare alledaagsheid te stappen. We hebben het heel fijn in Nederland, met alles wat we doen, vrienden, familie, ons gezin. Maar. Het kriebelt en knaagt. De reiziger heeft nooit rust. Dus gaan we weer. Begin 2023 hervatten we onze zeilreis om te gaan zwerven langs de Caribische eilanden.

Voordat we verder zeilen kijken we terug op de laatste maanden. Want wat is er veel gebeurd sinds ons vorige blog!

Het is half juni, als we in de kuip zitten, Catherine voor anker in de monding van Marigot Bay, Saint Lucia, na een drukke dag op stap met onze gehuurde terreinwagen. “Over twee weken gaat onze vlucht naar Nederland,” zegt Karin. Ze kijkt er een beetje mistroostig bij. We zeilen zuidwaarts, richting Trinidad. Het orkaanseizoen is aangebroken en in Trinidad is de kans heel klein dat een tropische storm of een heuse orkaan je bootje aan diggelen blaast. “We moeten vertrekken, richting Trinidad, om haasten te voorkomen.” Verstandige opmerking. In tijdnood maken zeilers vaker verkeerde keuzes. Ofwel: een zeiler zonder haast heeft altijd wind mee. Nu hebben we nog marges om slecht weer te vermijden. Karin voegt eraan toe: “Ik wil wel graag een tussenstopje maken in Carriacou. We hebben het daar zo fijn gehad.” De volgende dag gaan we ankerop. We zeilen langs de Pitons, de twee pieken die als een soort Euromast symbool staan voor het land: zelfs het lokale bier is ernaar vernoemd. Dan zeilen we langs Saint Vincent en alle Grenadines, de dag wordt nacht en weer dag, de eilanden trekken aan bakboord als een film voorbij, terwijl we met een heerlijk stabiele halve wind op z’n boerenfluitjes voort gaan. Gek, maar nu we weten dat we binnenkort weer in Nederland zullen zijn genieten we extra van het zeezeilen.

Eenmaal in Carriacou, voor anker bij Sandy Island, lezen we op Facebook een bericht van een zeiler in de buurt: “Am I the only one who is freaking out?” Bij het bericht staat een screenshot van Windy. Donkerrood overheerst. Verwachte winden tot wel 60 knopen. Geen verwoestende orkaan, maar pakweg 110 km/u wind, windkracht 11, is een gevaar voor schip en bemanning. Veel is nog onzeker, de storm komt over vijf dagen, maar juist daarom besluiten we niet af te wachten. De komende dagen is het weer gunstig voor de oversteek naar Trinidad. In Tyrell Bay van Carriacou, waar we uitklaren en de watertanks van Catherine aftoppen met drinkwater, is de storm hét gespreksonderwerp: “Wat doen jullie?” Wij twijfelen niet: we gaan. Eerst sturen we Catherine tussen Carriacou en Ronde Island door, om oostelijk langs Grenada, de kant van de oceaan, te zeilen. De oversteek naar Trinidad wordt de laatste van dit seizoen. En misschien wel de mooiste. Niet eerder tijdens onze reis is de halve wind zo stabiel als nu: constant 18-20 knopen, geen vlagen, geen gedoe. `s Nachts passeren we het lichtjesfestival van Hibiscus, het grote olieplatform, en in de vroege ochtend is daar de ruige kustlijn van Trinidad. Al urenlang horen we op de marifoon oproepen voor Tiger Lily, de boot die enkele uren voor ons vertrok vanuit Carriacou. We horen geen antwoord. Er zou toch niets aan de hand zijn? Het laatste uur gaat de motor aan, Venezolaanse vissers varen voorbij, zwaaiend, de snelle veerboot naar Tobago scheurt langs. We sturen door de Boca del Dragon, de Slangenmuil, de smalle opening tussen Trinidad en het eilandje Monos. Stevige getijdestroom tegen, de motor, hard toe aan een onderhoudsbeurt, moet er nog even aan trekken, en dan zijn we een half uur later in de Golf van Paria, de deining is weg, het voelt als binnenwater. Nog een zeemijl en dan pakken we een ankerbol in Chaguaramas. Het voelt vertrouwd, als thuiskomen: home is where the heart is. We zien Tiger Lily voor anker liggen: alles is oké.

 De weersvoorspelling is er niet beter op geworden, de storm trekt zuidelijker dan eerder verwacht en zou zelfs Trinidad kunnen raken. We willen naar de veilige ankerbaai Scotland Bay, maar moeten eerst inklaren. Daarvoor hebben we een Health Clearance nodig. Een ambtelijke formaliteit, we zijn gevaccineerd dus het is geen probleem, maar we hebben die verklaring nodig van het ministerie van gezondheid. Die laat op zich wachten, ondanks aandringen van de geweldig behulpzame Yvanna van Peake, waar we komende week Catherine op de kant zetten. Pas op de ochtend van de storm gaat het licht op groen. Met onze gezondheidsverklaring tuffen we met Billy de bijboot naar de customs en immigration. Nadat de carbonpapiertjes, nodig om alle formulieren in viervoud te kopiëren, hun werk hebben gedaan en alle stempels zijn gezet, varen we eindelijk naar Scotland Bay. Gelukkig is er genoeg plek: een handjevol boten zijn vastgeknoopt aan de mangroven. Wij liggen midden in het baaitje, met net genoeg ruimte om te zwieren. Het is inmiddels aan het schemeren en het regent als ik vanuit Billy het tweede anker uitbreng. Dan is het wachten op wat komen gaat. Maar er komt niets! Het blijft heel de nacht windstil en stil, afgezien van de brulapen en de regen op het dek van Catherine. Vanaf Carriacou horen we de volgende dag van vrienden dat de wind daar aantrok tot 40 knopen, minder dan voorspeld, enkele jachten hadden krabbende ankers, maar er zijn geen ongelukken gebeurd. En in Trinidad heeft het flink geregend, met overstromingen tot gevolg. Maar de wind bleef gelukkig weg. De dagen erna, westwaarts,  zou de storm aanzwellen, kreeg de naam Bonnie, en boven de Caribische Zee werd Bonnie een orkaan die, eenmaal aan land in Midden Amerika, flinke ravage zou veroorzaken.

De volgende dag in Chaguaramas zitten we aan het bier met onze nieuwe vrienden van Tiger Lily, een liefdevol Braziliaans gezinnetje. We hebben nog een week voor onze vlucht naar huis en besluiten tot een tochtje naar Chacachacara en Tiger Lily reist de dag erop ons achterna. Het is twee uurtjes zeilen over de Golf van Paria. Het kleine, hoefvormige Chacachacara, onbewoond, omcirkelt ons als het ware. We zijn de enigen hier, waarschijnlijk omdat het zo dicht bij Venezuela ligt, dat een bedenkelijke reputatie heeft voor piraterij. Preventief heb ik de ais uitgezet en het ankerlicht brandt ’s nachts niet. We zijn onzichtbaar. De patrouillerende Coast Guard komt even om het hoekje en stelt ons gerust. Met enige fantasie zie ik de Santa Maria van Columbus liggen, die hier in augustus 1498 voor anker lag. Chacachacara was tijdens de oorlog een Amerikaanse marinebasis en een leprakolonie tot 1984. We stappen op het steigertje en gaan aan land. Het is een spookachtig eiland, de roofvogels cirkelen boven de klapperende golfplaten daken van het verlaten ziekenhuis en de barakken. De stapelbedden staan er nog. Een begraafplaats. Een overwoekerde toegangsweg. Verder is er niets. Een groter contrast met het stereotiepe beeld van de Cariben – parasollen, beach bars, de dreadlock holiday, barbeques op het strand – is nauwelijks denkbaar. Na Chacachacara, terug bij Peake, met Catherine opgebokt tussen andere vertrekkersboten, beleven we nog één keer een gezellig avondje met andere cruisers. De flesjes Carib in de bak met ijs, de barbecue rookt, de gesprekken gaan over en weer. Zeilen in de Cariben: zoveel afwisseling, we zijn er nog lang niet op uitgekeken.

De KLM vliegt ons naar Schiphol. Joris haalt ons op en opeens zijn we thuis. Vreemd en vertrouwd tegelijk. Vertrouwd vanwege Joris, Liselot, poes Pippie, ons huis, de buurt, de buren, vrienden, Rotterdam, de terrasjes. We kennen hier elke straathoek. Twee dagen later sta ik al met mijn muziekvrienden in de oefenruimte. De plannen voor een optredentje zijn snel gesmeed. Dezelfde week bekijken we een campertje, een pittig busje met hefdak. Alsof die op ons staat te wachten! We rekenen af en rijden een paar dagen later de showroom uit. Liselot is dan al verhuisd naar ons vorige appartement. We rijden ons campertje naar het charmante jachthaventje De Hitsert, waar Liselot met vriendinnen Irene en Maud een bejaarde Victoire 25 in de vaart houdt. We zeilen een dagje mee op het Haringvliet, Joris en Maud komen langs en tijdens het nuttigen van wat versnaperingen wordt ons blauwe busje gedoopt tot Bes. We rijden de week erop via de Vogezen naar Zwitserland, wandelen door bossen en bergen, rijden door naar de Auvergne, waar we een weekje bij Le Vertige verblijven. Een prachtlocatie, gastvrij gerund door een ex-collega van Karin en zijn vrouw.

Terug in Nederland ontvoeren Joris, Liselot en Maud ons de dag erop naar Schiermonnikoog. Het wordt een heerlijk verrassingsweekend, een verlate viering van onze verjaardagen. In Hotel Van der Werff drinken we biertjes met de bemanning van Zeevalk: we kwamen ze in maart 2020, een week voor corona, tegen op de Surinamerivier, maakten op het water een praatje van 10 minuten, zij kwamen aan, wij vertrokken naar Tobago. Ze runnen nu de boetiek Zouterik op Schiermonnikoog. Karin begint die maandag gelijk aan haar nieuwe baan bij haar oude werkgever: Nederlandse les aan Oekraïense minderjarigen. Dat had ze onder de tropenzon vanuit de kuip in Catherine al geregeld.

We helpen Joris met zijn nieuwe motor in zijn zeiljacht Jonathan. Hij en Maud kopen een huis in de buurt. Liselot heeft inmiddels gesolliciteerd in het ziekenhuis op Curaçao: daar begint ze in januari bij de interne geneeskunde. Ik ga verder met muziek opnemen met muziekvrienden Pim, Eva en ook Joris speelt mee. Eigen composities die, gerealiseerd tussen het wereldzeilen door, moeten resulteren in een mooie cd: ‘Sail away, the wind tells me where to go. Sail away, I don’t know where I’ll be. Sail away, and drop the anchor in some shallow sea”. Weinig dingen zijn mooier dan muziek maken, creëren, uitvoeren en luisteren. Nou ja, misschien is zeezeilen nog mooier. Misschien.

Dan zijn we in mineur: onze allerliefste kat Pippie is ziek. Hoe lang heeft ze nog te leven? We genieten van haar aanwezigheid zo lang het kan en knuffelen zoveel we kunnen. Als ik in november twee weekjes naar Trinidad vlieg om te klussen aan Catherine krijg ik al snel het voorziene bericht: het gaat niet langer. De volgende dag laten Karin, Joris en Lies haar vreedzaam inslapen. Ik huil mee op afstand, alleen in de kuip van Catherine.

Mijn verhaal over de Cariben ligt dan al bij de eindredactie van Zeilen magazine. Ik heb maar liefst twaalf pagina’s ruimte gekregen om een mooi verhaal te maken! Als de Zeilen van december dan op de mat valt is het spannend, maar gelukkig ziet het er geweldig mooi uit, de eindredactie heeft het werk goed gedaan, er zijn fraaie zeekaarten bij getekend met suggesties voor routes en ankerplaatsen die zijn gebaseerd op onze eigen ervaringen en waarnemingen. Een voorproefje vind je hier. We zitten inmiddels in december, de kerst nadert. Dan staat de glashandel voor de deur en begint de steiger op te bouwen. De hele voorgevel van ons pand krijgt dubbel glas. Met behoud van het mooie glas-in-lood.

Vrienden vragen regelmatig wat onze plannen zijn. “We weten het nog niet precies, ergens in 2023 gaan we weer zeilen.” Bladerend door Zeilen, ons eigen verhaal herlezend, trekken we een plan. We boeken onze KLM-tickets de volgende dag. Karin werkt door tot de krokusvakantie. Ik vlieg in februari vooruit, om Catherine vaarklaar te maken. Motoronderhoud, schroefaslager, electriciteitsdingetjes en verlichting, schilderwerk en antifouling en een lijst aan kleinere en minder kleine klusjes. Karin vliegt in maart via Curaçao, waar ze Liselot opzoekt, daarna door naar Trinidad. Dan zeilen wij noordwaarts, naar Sint Maarten en de eilanden daar in de buurt, en vlak voor het orkaanseizoen naar Curaçao, naar Liselot. Dan zien we wel weer verder. Hoe dan ook, langzaamaan gaan we westwaarts… En wat daar achter de horizon ligt…

Trouwens, bekenden en onbekenden, leuk dat jullie ons blog lezen! We vinden het ontzettend leuk om ons verhaal te delen en jullie een beetje deelgenoot te maken. Niet om jullie de ogen uit te steken, maar vooral om te inspireren. Weggaan is het moeilijkst, als je eenmaal onderweg bent gaat alles vanzelf en kom je in een heerlijke flow. Dat geldt voor een lange zeilreis, maar ook voor een rugzakreis door Azië of een camperreis naar Portugal. Naast dit blog hebben we een facebookpagina en instagram. Neem daar ook eens een kijkje. We plaatsen foto’s, wat filmpjes en korte berichtjes in het Engels zodat ook onze niet-Nederlandse zeilvrienden, dat worden er al zeilend steeds meer, ons kunnen volgen.

Prettige Kerstdagen en alvast een gezond en gelukkig 2023 gewenst!

Groetjes, ook van Karin,

Eric

 

De meeste mensen deugen, ook op Saint Lucia

28 augustus 2022

Hoe plan je een zeilreis? Wat wordt de vertrektijd, hoe laat gaan we ankerop, hoe laat willen we aankomen? Dat laatste geeft bij ons de doorslag. Zoals nu, tijdens ons vertrek van Dominica. We gaan terug naar Trinidad, en maken stopjes onderweg bij Martinique (lekker makkelijk, even bijkomen met camembert), Saint Lucia (hadden we overgeslagen tijdens de heenreis) en Carriacou (voelt als thuiskomen). De eerste stop wordt dus Martinique, een tochtje van pakweg 100 mijl en met 5 knopen (voor niet-zeilers: een knoop is een zeemijl per uur en een zeemijl is 1,852 km/uur) gemiddeld is dat ongeveer 20 uur zeilen. Met een marge van vier uur sneller (stroom mee, goede wind) of langzamer (door de onvoorspelbare stroom of windstilte) kiezen we voor een vertrektijd rond het middaguur, zodat we bij daglicht aankomen. Want ’s nachts aankomen en in het donker een ankerplek zoeken vinden we niet leuk. Ik haal het anker binnen, berg het op, terwijl Karin Catherine de baai uit stuurt. Dag Dominica, bedankt voor de gastvrijheid. Dag Pays, jachtclub van houtje-touwtje en een beetje rauw maar o zo fijn, we komen een keer terug. Waarschijnlijk, want met zeilen weet je het maar nooit.

De zeilen hebben we inmiddels gehesen, als ik Arie, onze windvaan-stuurautomaat, aan het werk zet. In de hoop dat de luwte achter het eiland mee zal vallen, zetten we de zuidelijke koers uit. Al snel blijkt dat de eerste vulkanische piek te hoog is en de oostenwind tegenhoudt. Windstilte. Motor aan, Arie los, genua in. Zo hannesen we langs de kust van Dominica, een van de mooiste eilanden die we tot nu toe aangedaan hebben. Zie ons vorige blog. Af en toe profiteren we van een zuchtje wind, rollen de genua uit, en na een kwartiertje gaat de motor weer aan. Op de heenreis dreven hier uitgestrekte velden zeewier, nu ligt er gelukkig vrijwel niets. Terwijl de kust voorbij trekt, pakken donkere wolken zich samen. Eerst boven land, dan maakt de grijze massa zich los van de bergen en komt in onze richting. Na enige tijd is alles grijs. De dag loopt op z’n eind. Het is weer windstil, de motor draait z’n toeren, een spookachtig beeld, donker, grijs, onheilspellend.

Dan barst de regen los. Vanochtend nog niet voorspeld (of niet goed gekeken denk ik achteraf), maar des te heftiger. Ooit een tropische bui meegemaakt? Nou, deze bui doet er nog een schepje bovenop. Dikke druppels, recht naar beneden, het zicht is belemmerd. In de kajuit is het met dichte luiken warm en broeierig, zeer onaangenaam, als een stoomsauna. Ik trek mijn zeiljas aan. Het ding, een jaar voor vertrek uit Rotterdam aangeschaft tegen een forse prijs, legt het af tegen de bui. Binnen twee minuten ben ik drijfnat. Uit dat onding. De bui houdt aan, het blijft gieten. Na een uur is het dek mooi schoongespoeld en draai ik de dop van de watertank eraf. Hup, na een tijdje is die volledig gevuld. Het blijft gieten, de hele avond. Ik zoek een beetje beschutting onder de buiskap en bimini, maar dat lukt amper. Ik ga dan even naar binnen, droog me af, trek een droge onderbroek en hemd of T-shirt aan, maar als ik heel even buiten ben om aan een lijntje te trekken of iets anders noodzakelijks te doen is alles doordrenkt. We zitten inmiddels rond middernacht. Druipend zie ik dat ik nog maar één droog setje heb. Die bewaar ik. Het laatste uur van de helse bui loop ik in m’n blootje door de kajuit en kijk ik af en toe in de kuip of er geen scheepvaart in de buurt is. Tussendoor droog ik me af met een handdoek.

Dan houdt de regen op. Tussen donkere wolkenflarden zie ik af en toe de  maan en sterren.  Een zuchtje wind, net genoeg om te zeilen. Ik trek m’n laatste droge setje aan, breng Catherine zeilend op koers, en dan begint de nacht echt. Nachtzeilen, het is altijd weer bijzonder, alsof je weggezogen bent uit de werkelijkheid, je in een andere wereld verblijft. De wind trekt aan naar normaal: 20 knopen, een goeie 5 Beaufort. Twee rifjes in het grootzeil, de genua een half metertje ingerold, zo zeilt Catherine comfortabel. Ik voel dat ze meer kan hebben, maar het zeilt ontzettend prettig. Ruim vijf, soms zes knopen, geen zorgen dat als er een nachtelijke storing overtrekt, Catherine te veel zeilt voert. No hurry, no worry.

We naderen Martinique. Het silhouet doemt op, en met de noordelijke kaap in de buurt buigt de wind af, terwijl de oostelijke hemel langzaamaan oplicht. Met Karin weer in de kuip zeilen we langs de kust. Nog een uurtje later en Catherine ligt vrijwel op dezelfde plek als waar we twee weken geleden ankerop gingen: vlakbij St Pierre, het door een verwoestende vulkaanuitbarsting in 1902 verminkte stadje. Hier vullen we de voorraden aan met Franse lekkernijen en denken met een soepele rode wijn in de hand vooruit: wat gaan we doen als we terug zijn in Nederland? Dat onderwerp komt natuurlijk vaker ter sprake, maar nu zijn we concreet. Karin solliciteert de volgende dag vanaf Catherine als docent bij haar vorige werkgever en wordt dezelfde week aangenomen. Verder besluiten we een camperbusje te kopen, want we willen ook op het land vrij zijn als nomaden. We snuffelen alvast op internet welke het gaat worden.

Dan gaan we weer ankerop. We willen naar de hoofdstad Fort de France, vertrekken met een suf briesje, dat na een tijdje aantrekt tot een stevige oostzuidoostelijke wind, die zelfs even boven de 30 knopen uitkomt. Zo is het zeilen in de Cariben: er kan elk moment een storing overtrekken en dan blaast het behoorlijk. We zouden het laatste stuk moeten opkruisen, de baai in. Daar hebben we geen zin in. We zeilen strak door, het gaat lekker, hoog aan de wind, en komen laat in de middag aan bij Grande Anse. Of is het Petit Anse, dat blijft ook na een paar dagen onduidelijk. We liggen in een fraaie baai en zien Saint Lucia liggen. Dat eiland hebben we op de heenreis overgeslagen. We hebben minder positieve geluiden opgevangen, maar we weigeren het oordeel van anderen klakkeloos aan te nemen. Het zou onveilig zijn, met diefstal en zelfs overvallen op zeilers. De bevolking zou heel onaardig zijn, aldus een goede bekende van me die er geweest is. En zelf zien we op tegen de massaliteit van Rodney Bay, het schreeuwerige toeristen- en zeilcentrum waar de collectieve oceaanoverstekers van de Atlantic Rally for Cruisers met honderden tegelijk op af koersen. Die baai slaan we lekker over. Wij zetten koers naar de kleinere Marigot Bay.

Ankeren en ankerop gaan: het is inmiddels routine, realiseer ik me als ik bezig ben met het ankergerei en Karin achter het roer staat. Toen we vertrokken was dat één van de uitdagingen waar we als beginnende zeenomaden voor stonden. Tuurlijk, ankeren deden we ook in Zeeland, en af en toe tijdens tripjes naar bestemmingen aan de Noordzee en Denemarken. Maar bij voorkeur knoopten we vast aan een ankerbolletje. Nu gooien we het anker uit, hebben een protocolletje dat we afdraaien met als laatste handeling het ter hand nemen van het ankerbiertje.

De oversteek naar Saint Lucia is een eitje. Rifje voor het comfort, Arie doet braaf z’n werk en wij hangen wat in de kuip. Een eenvoudig dagtochtje, ’s ochtends weg, ’s middags weer voor anker. We krijgen een goeie ankertip van ‘bevriende’ (aanhalingstekens want we kennen ze alleen via Facebook) zeilers: bij Marigot gelijk aan de noordkant van de vaargeul, daar is goeie ankergrond en liggen we beschut als in een zwembad. Het inklaren verloopt soepeltjes, wel even wennen aan een polsbandje dat aangeeft dat we corona-proof zijn. We huren een auto en onze ontdekkingstocht door dit eiland-land kan beginnen.

De heuvel naast de baai is steil, onze 4WD trekt zich omhoog en we stoppen als zich een geweldig uitzicht aandient. Daar beneden ligt onze Catherine, eenzaam voor anker tussen groene heuvels, voor de ingang tot de baai van de dure marina. Een prachtig tafereeltje, maar een beetje zorgelijk ben ik wel: Catherine ligt toch wel veilig, zo alleen met niemand aan boord? We liggen er gratis, wordt er niemand boos? Dan horen we een uitroep van een diepe vrouwenstem: ‘Hey!’ Niet tot ons gericht, de vrouw staat in een knalgroen onderkomen, een soort patatkraam op wielen, en groet een voorbijrijdende auto. We nemen een kijkje. De vrouw stelt zich voor als Caroline en prijst haar roti’s aan, bereid met kruiden uit haar eigen tuin, ‘no chemicals’, alles vers, we nemen de vegetarische roti mee voor lunch onderweg.

Een half uurtje later zitten we tussen tropische bomen de overheerlijke roti’s te eten. We beginnen aan een wandeling die start bij een onderkomen van het lokale Staatsbosbeheer, de Luciaanse variant van de nationale natuurbescherming. Een jonge vrouw loopt ons naar de ingang, die is op slot, sleutel erin, hek open en ze begeleidt ons de eerste honderd meter. ‘Dit pad is deel van een netwerk dat heel het eiland beslaat. Wij zorgen voor de bewegwijzering en het onderhoud, zoals de tredes op steile hellingen en we zetten stokken klaar voor de wandelaars’. Ze reikt ons er twee aan, wenst ons een fijne tocht en loopt terug naar haar werkplaatsje. Wat zowel Karin als mij opvalt is de kracht en het zelfbewustzijn dat deze stoere, intelligente jonge vrouw uitstraalt: met mij valt niet te sollen. Het pad is inderdaad in goede conditie en het leidt ons langs prachtige vergezichten en over steile hellingen.

Een paar uur later rijden we terug naar Catherine. Op de heuveltop bij de baai zwaait Caroline ons tegemoet: ‘Hey!’ We drinken een biertje bij haar, bestellen alvast de roti voor de volgende dag, ze deelt wat culinaire geheimen en dan gaan we terug naar ons drijvende huisje. Een ritueel dat zich de dagen erna zal herhalen. Elke dag verklapt Caroline een geheimpje. Ze heeft ruzie met haar zus die veel geld verdient in New York en deze groene foodtruck heeft gefinancierd. De dag erop vertelt ze dat de ruzie is bijgelegd. Dan vertelt ze dat een neefje is doodgeschoten door de politie, die regelmatig voorbijrijdt en die je maar beter te vriend kan houden. Toch blijft Caroline opgewekt. Ze kent iedereen in het kleine dorpje, elke auto toetert bij haar truck en ‘Hey!’ is haar antwoord. Als ik even naar de auto loop en Karin alleen is met Caroline informeert ze met een knipoog naar ons intieme leven. Om daarna te verklappen welke brouwerij de beste rum maakt van het eiland. Elke middag tijdens een biertje is het lachen met Caroline totdat de laatste dag is aangebroken en we afscheid nemen. Via whatsapp krijgen we vervolgens elke dag religieuze boodschappen van haar. God bless you.

We verblijven een week in Saint Lucia en hebben alleen maar leuke ontmoetingen met grappige of aardige mensen. Elke ochtend krijgen we bezoek van Santa Claus, een goedlachse praatjesmaker die op een surfboard langszij komt en fruit en groente verkoopt. Veel te duur, maar zijn kinderen moeten naar school toch? Daar kunnen wij als welgestelde westerlingen niets tegenin brengen. Ook bijzonder: we beginnen aan een wandeling die start bij een doodlopende weg, Caroline’s roti in de rugzak voor onderweg, als twee jongeren om ons heen dralen. Wat willen ze? Gaan ze moeilijk doen, zeuren om geld, ons lastig vallen, onze auto openbreken als we weg zijn? We houden rekening met vervelende scenario’s, want Saint Lucia was toch zo onveilig? De jongens zeggen ook te gaan wandelen. Ze volgen ons. Met twee onbekende knapen alleen in het bos, dat is ongemakkelijk, maar in onze onderbuik zit het goed, we vertrouwen op onze intuïtie dat deze jongens niets kwaads in de zin hebben. Wat ze dan wel willen, blijft lang onduidelijk. Ze lopen met ons mee over het prachtige pad door ongerept bos. De oudste zegt weinig, hij lijkt de jongere te begeleiden. Het knulletje blijkt een slim kereltje, die na wat onhandige gesprekspogingen opeens honderduit loopt te vertellen wat hij wil worden, wat hij leuk vindt, dat hij een iPhone wil verdienen en over zijn favoriete oom. En dat we straks langs een radioactief huis komen. Dat blijkt fantasie, de ruïne is een voormalige dorpsgevangenis, diep in de jungle. Als we terug zijn bij de auto zegt het knulletje: ‘thank you, you made my dream come true, to walk with tourists and practise as a guide.’ De twee draaien zich om en lopen terug naar hun dorpje, want moeder zal wel ongerust zijn. We hielden rekening met opgeschoten jongeren die problemen zouden kunnen veroorzaken, maar ontmoetten onschuldige, ontwapenende kinderen.

Ons verblijf loopt op z’n eind. Over drie weken vertrekt onze vlucht naar Amsterdam, het is tijd om af te zakken naar het zuiden, richting Trinidad. We nemen afscheid van Caroline en van Saint Lucia, als zoveelste bewijs dat vooroordelen er zijn om ontkracht te worden en dat het op zoveel plekken in de wereld prachtig is, met mooie en goedwillende mensen die er het beste van proberen te maken. De meeste mensen deugen, ook op Saint Lucia. Wat zijn we blij dat we hier geweest zijn!