Klaar om te gaan

We zitten nog aan ons ontbijt als we onder de boot geluiden horen. De mannen van de werf zijn al begonnen met het verplaatsen van de stutten. Vandaag is de grote dag, we gaan eindelijk na vijf weken op de kant, het water in. Snel werken we ons ontbijt naar binnen en gaan de trap af. Er moet nog antifouling op de plekken waar de stutten stonden. Hier in Panamarina werken ze met een tractor die een grote oplegger voortduwt die de boot het water inrijdt. Dat werkt prima, maar zwaardere boten kunnen hier niet terecht, die moeten uitwijken naar de marina van Linton een stukje verderop. Het is altijd weer spannend, de tewaterlating van je boot. Catherine glimt als een spiegeltje, dat wel! Maar zijn alle klussen goed gedaan? Zal de motor starten? Komt er geen water binnen? Eric klimt op de boot voordat ze het water in glijdt. De boot ligt in het water, maar er zit nog geen beweging in. ‘Problemas?’, vraag ik aan de chauffeur van de tractor. ‘Un poco aqua’, antwoordt deze. ‘Oei bij de schroefas?’, vraag ik gebarend. ‘Si’ zegt hij. Ik zie Jean Paul, de baas van de werf, terugkomen van Cath met een dinghy waarna hij op zijn vouwfietsje naar de werkplaats snelt en terugkomt met een paar grote tangen. Het probleem is gelukkig snel opgelost. Na een minuut of tien vaart Catherine weg. Ik ga naar de dinghysteiger, start Billy en vaar naar Catherine. De mannen van de werf hebben Catherine al vastgeknoopt aan vier bolletjes en ze gaan er weer vandoor.

Heerlijk! We liggen weer in het water, we nemen een wijntje en blikken terug op ons verblijf op de werf. Er is veel geklust en sommige klussen zaten mee en andere zaten tegen. Maar zo gaat het altijd met een boot. Overal waar we tot nu toe op een werf hebben gestaan gaan de verhalen over het eindeloze klussen aan de boten. We praten veel met andere zeilers en horen soms huiveringwekkende verhalen over boten waar jaren aan geklust moet worden voordat ze misschien ooit enigszins zullen blijven drijven. Het werk aan onze boot valt dan reuze mee. Maar sommige mensen kopen bewust een opknapper en beschouwen het als een project dat soms jaren beslaat. Anderen zijn continue hun boot aan het perfectioneren. Ze wonen op hun boot en stoppen hun ziel, zaligheid en geld erin. Bij weer anderen vraag ik me af of ze ooit de werf of de baai varend zullen verlaten.

Wij hebben indertijd Catherine gekocht met het idee er zo snel mogelijk lekker mee te kunnen zeilen. Onze boot is een Catalina, een productieboot van een Amerikaanse werf. Er zijn er veel van gemaakt en het is een goed doordacht en uitgeprobeerd ontwerp. Met een Catalina weet je wat je hebt en kom je niet voor verrassingen te staan. Toch moet er telkens weer flink aan gewerkt worden voordat we weer kunnen gaan zeilen. Dit keer stond een aantal belangrijke klussen op de lijst. Het schroefaslager was versleten en moest worden vervangen. Een interessante en pittige klus waar Eric twee weken mee bezig is geweest en zelfs een artikel in Zeilen magazine aan gaat wijden. Er moesten nieuwe accu’s worden geïnstalleerd, nieuwe zonnepanelen gemonteerd en aangesloten en het elektrische systeem moest worden aangepast en vernieuwd. Eric, die bijna alles zelf doet, heeft voor de aansluitingen een elektricien ingehuurd om er zeker van te zijn dat alles goed en veilig gebeurt. Verder moest er een eindeloze lijst met kleinere zaken worden afgewerkt waarbij Eric zich vaak in de meest bizarre bochten moest wringen om ergens bij te kunnen.

 

Het is fijn op de marina en zeker  geen straf om wat langer te verblijven. Panamarina ligt mooi met aan de ene kant het groene oerwoud en aan de andere kant de oceaan, de lagunes en de mangroven. Je ziet er verschillende soorten apen, mooie vogels en soms een luiaard. Bijna elke ochtend maak ik een lange wandeling, vaak alleen, maar soms met een paar vrouwen van de marina. ‘s Middags varen we vaak met Billy door de ‘love tunnel’ naar de ‘natural swimmingpool’ in de lagune.

Op een dag komen Melissa en Erin, Amerikaanse vrienden die we nog kennen van vorig jaar, ons bezoeken vanuit Turtle Key Marina, een uur met de auto hiervandaan. We showen onze achtertuin en zwemmen de stroomversnelling af. Melissa en Erin kennen dit prachtige landschap vanuit de VS, ze zijn ermee opgegroeid in de Florida Keys. Toch vinden ze het fantastisch en zijn enorm blij weg te zijn uit de VS. Ze verafschuwen Trump en zijn zeer teleurgesteld in hun landgenoten die deze malloot in het zadel hebben gehesen. Het zijn de begindagen van Trump als president en we vallen van de ene verbazing in de andere. Panama is ook onderdeel van Trump’s plannen. Hij wil het Panama kanaal terug! We vinden het eng en verontrustend.

Onze Franse vrienden Patrick en Silvie, die we ook van vorig jaar kennen, komen een paar dagen naar Panamarina. Ze zijn inmiddels door het kanaal en liggen met hun boot Croix du Sud aan de Pacific kant. Ze kennen naast ons ook nog een ander stel hier: de Franse Sandrine en Luc. Het is erg gezellig met al die Fransen. De marina is ook in Franse handen en we kunnen hier meer Frans dan Spaans oefenen. Het restaurant van de marina serveert heel goed eten. We ontmoeten ook meerdere keren Akko en Liza van Chocktow en Caroline en Henk van Pandion. Ze zoeken ons op in Panamarina of wij gaan langs bij hen in de marina van Linton bay. We kennen ze van vorige reizen en hebben elkaar op meerdere eilanden in de Caraïben ontmoet. Na afloop van een klusdag is het goed borrelen en altijd zijn er wel mensen in de stemming voor één of meerdere biertjes.

De spullen uit Nederland zijn eindelijk gearriveerd, we doen de laatste klusjes en morgen kunnen we vertrekken. Het was een hele toer om die spullen hier te krijgen, de verzending heeft meer dan drie maanden geduurd. Maar eindelijk is het dan zover. Lekker eilandhoppen in Bocas del Toro. We hebben er zin in!

Karin

 

 

 

Wakker worden in een andere wereld

Panamarina 14-1-2025

Catherine wacht geduldig op de werf

Het was een koude, grijze en natte dag in januari. Mijn minst favoriete weertype. Ik zag er naar uit weer terug te gaan naar Panama, naar onze boot Catherine, die geduldig en hopelijk niet al te vervuild op ons stond te wachten op de kant in Panamarina. Op de weerapp zag ik in Panama een constante temperatuur van 28 graden. Wel werd de komende week veel regen verwacht.
Nog een laatste ronde door alle kamers van het bovenhuis van ons pand in Rotterdam West om te zien of alles schoon en netjes was en we niets waren vergeten. De woning zag er top uit. Onze huurders kwamen in een gespreid bedje. Eric had enorm hard geklust aan het huis de laatste maanden. We lieten een mooie en complete woning achter.

Na 35 jaar eindelijk de trap opgeknapt

Liselot haalde ons op met haar kleine Aygo, die zij inmiddels van ons had overgenomen. We hadden veel bagage en het paste allemaal net. De materialen voor de boot konden we in de auto proppen en het grote pak met zonnepanelen bonden we op het dak. Nu maar hopen dat het grote pak mee zou mogen als ‘odd luggage’.
Liselot is als enige van ons reislustige gezin in Nederland. Na haar verblijf van een jaar in Curaçao is ze begonnen aan haar huisartsenopleiding, die tweeëneenhalf jaar duurt. Zoon Joris en zijn vriendin Maud zijn een half jaar geleden vertrokken met hun zeilboot en zijn nu onderweg van Kaapverdië naar Tobago in de Cariben. De geschiedenis herhaalt zich. Alleen zij maken deze reis op veel jongere leeftijd.

Met z’n vijven in A Coruña in juli ’24

Wat ben ik trots op mijn beide kinderen! Eric noemt Joris weleens gekscherend zijn verbeterde versie. Laat Liselot dan Karin 2.0 zijn.
We nemen afscheid van Liselot als ze ons afzet op Schiphol. Tot over een half jaar, lieve schat! Het inchecken verloopt zeer voorspoedig en ons enorme pak met zonnepanelen laten we achter bij de odd luggage in gezelschap van een aantal surfboarden. De vlucht duurt 14 uur en ik heb heerlijk de tijd om eens te reflecteren op deze afgelopen acht maanden. We hebben het razend druk gehad met werken, organiseren en ons huis opknappen en natuurlijk de broodnodige sociale gezelligheid.
De afgelopen maanden heb ik gewerkt voor twee taalscholen en Nederlandse les gegeven aan anderstalige volwassenen. Bij ABC Dutch, een kleine taalschool, gaf ik individuele lessen aan kleine groepjes, live of online. Veelal hoog opgeleide expats die het Engels goed beheersen.

Sint bij SNTR
Sint bij SNTR

Bij SNTR, de andere taalschool, gaf ik les aan statushouders, meestal vluchtelingen uit Syrië. Mijn cursisten daar hadden weinig of geen opleiding en beheersten het Latijnse schrift nog niet. Een groot verschil in aanpak, maar een ontzettend leuke uitdaging. ’s Morgens lesgeven aan de hoger opgeleiden, die razendsnel door de methode gaan en ’s middags met handen, voeten en plaatjes, mensen leren lezen en schrijven in een voor hun vreemde taal. Ik heb het enorm naar m’n zin gehad en het afscheid nemen viel me best zwaar. Met name aan de statushouders was ik erg gehecht geraakt. Bij het afscheidsfeestje bedolven ze me onder aandacht en cadeautjes. Wat een warme, lieve mensen allemaal! In Panama ga ik door met een aantal online lessen voor ABC Dutch.
We gaan nu voor de vierde keer terug naar onze boot in de Caraïben en telkens heb ik heel fijn gewerkt in Nederland. Het is een bijzonder leven om telkens weer te switchen van omgeving en bezigheden. De verschillen tussen de twee levens zijn groot en het switchen kost elke keer even tijd maar het gaat steeds makkelijker.

Huisje opgeknapt

Er zijn ook overeenkomsten. In Rotterdam hebben we ons huis, onze familie en vrienden en in de Caraïben hebben we onze boot en onze zeilvrienden. We klussen in Nederland aan ons huis en tijdens ons verblijf in de Caraïben klussen we aan onze boot. We brengen allebei werk mee uit Nederland.

De voornaamste verschillen zijn het klimaat, het tempo van leven en de overweldigende flora en fauna van de Caraïben. Telkens als ik terugkom in Nederland overvalt me het tempo van leven en de megadrukte van de stad. Het geploeter op m’n fietsje in de koude natte stad en dan elke keer weer ingehaald worden door een nieuw populair vervoersmiddel. Dan is er ineens weer een wildgroei aan scooters, e-(bak)fietsen of zoals de laatste keer

Project schroefaslager

weer een overdosis aan fatbikes. De ontwikkelingen gaan razendsnel en iedereen lijkt dan ook meteen het nieuwste van het nieuwste te bezitten. In de Caraïben heeft de tijd stil gestaan. Je leeft een soort jaren zeventig leven. Een simpeler, minder stressvol bestaan. Toch vind ik deze afwisseling heerlijk. Ik ben blij dat we het zo kunnen doen. Ik ben veel te gehecht aan alles en iedereen in Nederland om daar voor hele lange tijd afscheid van te nemen.
In de vroege avond komen we aan op het vliegveld van Panama. De warme vochtige lucht valt als een deken over ons heen. Direct het tempo aanpassen is wat we doen. Geen haast, geen stress. De taxi staat klaar en weer is het proppen geblazen met al die bagage. Ongeveer drie uur duurt de rit, het grootste gedeelte door de jungle en het laatste stuk over een onverharde weg met diepe gaten. De auto heeft slechte vering dus ik word danig door elkaar geschud. Het klettert onophoudelijk van de regen. Ik val achterin telkens in slaap en word steeds wakker geschud als de taxi door een diepe kuil gaat en met z’n chassis over de grond schraapt. De aardige taxichauffeur stopt in een wat grotere plaats bij een supermarkt, zodat wij boodschappen kunnen doen voor de eerste dagen. Wat een gewaarwording, half slaperig en onze lijven zo wit als melk, proberen we ons te concentreren op het aanbod. Best een grote supermarkt, maar toch zo anders dan thuis. Een vrouw kijkt me aan en zegt: ‘que ojos tan bonitos, wat een mooie ogen’. Ik word er verlegen van.

Uitzicht vanaf de boot
Uitzicht vanaf de boot

Dan arriveren we bij Panamarina. Het regent nog steeds pijpenstelen. Catherine staat braaf op ons te wachten. Eric fikst snel een ladder en we brengen onze bagage naar boven. Het ziet er in het halfdonker allemaal nogal rommelig uit en het ruikt behoorlijk muf naar schimmel. We kunnen door de regen nog niet luchten, dus we zullen een nachtje in deze onaangename lucht moeten slapen. Morgen zien we wel verder. Ik stort in een diepe slaap en word de volgende dag gewekt door het gebrul van de apen. We nemen de schade op aan de boot en constateren dat het meevalt. Flink poetsen en organiseren is wat ons te wachten staat. We gaan gewoon door met klussen alsof we niet net een afstand van 9000 kilometer hebben afgelegd.

Karin

 

Mangroven, bergen, happy hours en moeizaam kustzeilen in Panama

Rotterdam, 7 juli 2024

Catherine ligt veilig in een box bij Marina Carenero, een klein haventje tegenover Bocas Town, Panama, als we in de watertaxi stappen. We stuiven volgas naar de overkant, amper een minuut later stappen we weer uit en staan we op de vlonders te wachten op de volgende watertaxi die ons naar Almirantes, op het vasteland, zal brengen. Van daaruit reizen we over land naar Costa Rica. Steeds meer toeristen verzamelen zich, voornamelijk jonge rugzakkers, en even later zitten we op elkaar gepropt, met bagage weggestouwd in de kleine hoekjes van het vaartuig. Lijnen los, wat geschreeuw hier en daar, we tuffen tussen andere bootjes door als opeens de monsterlijke buitenboordmotoren beginnen te brullen. Allemachtig, het lijkt een raketlancering! We planeren in een half uur als een speer naar ons minibusje dat ons naar Costa Rica zal brengen. Een nieuw visum als we terugkeren in Panama, stempeltjes in ons paspoort, daar doen we het voor.

Na een probleemloze reis betrekken we ons onderkomen in Costa Rica. We hebben een lieflijk huisje in het bos nabij Cahuite gehuurd. Prachtig, midden in tropisch woud en tussen brulapen, maar afgelegen aan een onverharde weg zonder vervoer. Dat was misschien toch niet zo’n handige boeking van me, maar als zeilers zijn we gewend om met alle privacy in een baai ons eigen leventje te leiden, dus een lawaaierig kamertje in een drukke guesthouse zagen we niet zitten. De wandeling naar de ingang van het nationale park duurt al een uur en dan begint de route pas. Maar we zijn fitgetraind door de yogaklas in Turtle Cay en de talloze eerdere wandelingen, dus we zijn er klaar voor! We ronden het park, een kleine kaap in de Caribische Zee. De wandeling gaat eerst over een steiger door bos boven drassig land, dan langs de waterlijn. Rond het middaguur ploffen we neer op wit zand en zakken na de meegenomen lunch vredig weg in de droomwereld van een kort dutje.

‘Eric!’ roept Karin opeens. Ik schrik wakker en kijk in de ogen van een nieuwsgierig, nee brutaal, wasbeertje. Die heeft het op onze proviand gemunt. Hij krijgt niets, want dat zou hem verder tam maken, maar wat een lief diertje is dit! Heldere ogen, een lief koppie en mooie vacht. Als we weer wandelen komen we er meer tegen en zien we ook talloze aapjes die ook duidelijk gewend zijn aan de frequente bezoekers van dit park. Tientallen toeristen, die allemaal een ‘unieke’ natuurvakantie in ecologisch paradijs Costa Rica willen ervaren. We realiseren ons dat we twee van de velen zijn. Begrijpelijk en onontkoombaar, maar na een paar dagen Costa Rica missen we een avontuurlijk gevoel. Bovendien missen we onze knusse Catherine. Eerdere plannen om het binnenland in te trekken laten we varen. We boeken de terugreis naar Panama en zitten na vier dagen met een fris visum weer gezellig in de kuip van Catherine.

Pling! Een appje van Sylvie en Patrick, onze vrienden uit Turtle Cay. ‘We zijn over een half uurtje bij jullie!’ Hun fraaie catamaran Croix du Sud knopen we vast aan de steiger, we praten bij, ze moeten wat praktische dingetjes doen en daarna maken we een wandeling op het eiland Carenero. Dit is zo’n fijn stel! Deze korte wandeling vinden ze al prachtig en dankbaar dat ze zijn dat we ze het eiland laten zien! Ze zijn al tig jaar samen en nog steeds gaan ze met elkaar alsof ze twintigers zijn. Het ‘Mon cheri!’  werkt aanstekelijk en Karin en ik kijken elkaar opnieuw in de ogen. Reizen, mensen ontmoeten, het houdt ons een spiegel voor. Die avond lopen we met zijn vieren door de straten van Bocas Town, na enkele cocktails tijdens Happy Hour. Het is gezellig hier!

Sylvie en Patrick doen dezelfde visa run naar Costa Rica. Wij nemen afscheid van Marina Carenero. De uitbaatster Mary is een spraakwaterval, fysiek wat in verval maar verbaal barst ze van de energie. Even uitchecken is er niet bij: dat duurt een klein uur omdat de ene na de andere anekdote verteld moet worden. Ook haalt ze de biografie van Columbus uit de kast, bladert in het boek en wijst op de passage waarin staat dat Columbus hier ergens aan land is gegaan tijdens zijn vierde en laatste reis. Dan gooien we de trossen los en varen een uurtje op de motor de  Hospital Bight in. Een en al onaangetaste mangrove, prachtig.

We hebben het anker amper gezet of daar komt een bootje met heel veel pk’s aangesjeesd. In ons vorige blog schreven we over Jeroen en Danielle, een Nederlands stel dat op Isla Solarte een resort bouwt. Danielle is jarig, ze komen ons ophalen voor een beach party. We checken of het anker goed is ingegraven en dan stappen we aan boord bij het hippe gezelschap. Ongelofelijk leuke frisse aardige slimme vrolijke kleurrijke jonge mensen uit allerlei landen, waar we als oudjes opeens helemaal bij horen, want met een zeilboot de oceaan oversteken is natuurlijk supercool! De Red Frog Beach Club aan het prachtige Red Frog strand is de perfecte loungeplek voor een landerige middag. De rustigste vrouw van het clubje pakt haar ukelele, zingt, ik trommel en tweede-stem wat mee, de muziek verbroedert, we zingen, lachen en hebben kletspraatjes en diepere gesprekken. Het wordt een heerlijke middag met mensen die we een paar uur terug nog niet kenden. Het verbaast ons keer op keer hoe snel je vrienden maakt en ergens thuis kunt voelen!

We gaan ankerop, een half uur varen naar het volgende kommetje: Bahia Honda, hier loopt Hospital Bight dood. Lagen er in de vorige kom drie zeilboten, hier is niemand. Nog meer mangroven met daarachter tropisch woud. Als ik het anker laat zakken roept Karin: ‘dolfijnen!’ Terwijl ik bezig ben met de ankerketting, zwemmen de dolfijnen rond de boot! Prachtig. We liggen er een dag voor anker als we besluiten aan te meren bij het piepkleine Agua Dulce Marina. Maar dan: ‘pling!’ Sylvie en Patrick appen dat ze onderweg zijn. Daar zien we hun mast al boven het gebladerte naderen. Ze ankeren naast ons en na een uitleg van onze plannen gaan ze mee naar Agua Dulce, een paar honderd meter verderop, om vandaaruit met de rugzak af te reizen naar Boquete in de bergen van Panama. Leuk!

Eerst maar eens inchecken bij de marina, niet meer dan een steigertje met plek voor hooguit zes boten. We maken een praatje met de eigenaar, hij stopt ons een bier in de handen, nog een biertje, heel gezellig, zijn vrouw komt erbij, bijzonder vriendelijk allemaal. Totdat het opeens gaat over de volksaard van volkeren buiten Europa en de man met nadruk zegt: ‘I am a racist’. Waarna hij in een monoloog vol racistische clichés  zijn overtuiging opdringt. Karin valt stil. Ik waag een poging de tegenstrijdigheden in zijn verhaal duidelijk te maken, maar hij herhaalt: ‘I am a racist’. Zijn vrouw kijkt beduusd. Het was even gezellig, ze zit hier vrij eenzaam tussen de mangroven, ze is blij dat er weer eens leuke gasten zijn – er was verder niemand – waarmee ze fijn kan praten en dan verpest hij de sfeer met z’n verwerpelijke opvattingen. We laten het erbij.

De volgende dag zitten we weer in dezelfde raketboot naar Almirantes en pakken vandaaruit de minibus naar Boquete. We kronkelen de bergen in, het klimaat verandert, veel regen, de temperatuur daalt. ‘It’s so beautiful over there!’ had onze opstapper Laiba (vorige blog) ons beloofd, en ze heeft gelijk.  Als we uitstappen in Boquete ruiken we de gezonde berg- en boslucht, de latino’s zien er anders uit, provinciaals, en we zien ruiters op paarden. De inheemse mensen zijn kleurrijk, maar het is een ander volk dan de Guna’s van San Blas. We betrekken het door Jeroen en Danielle aanbevolen hotel en ’s avonds zitten we gezellig te eten met Sylvie en Patrick. We maken een plan voor de komende dagen: wandelingen door het bos naar watervallen en ’s avonds relaxen met een wijntje en gezellig ouwehoeren.

Na vier dagen in de bergen zijn we terug op onze boten. Het verblijf bij de racist voelt ongemakkelijk dus we vertrekken de volgende dag.  Op de kaart, vlakbij, hebben we een smalle en ondiepe doorgang ontdekt tussen Isla Bastimentos, het grootste eiland van de Bocas, en Isla Solarte, waar Jeroen en Danielle hun resort bouwen. We tuffen er eerst met de bijboot van Croix du Sud doorheen, doen op de ondiepste plekken peilingen en concluderen dan dat het wel goed zit: ondiepste plek is drie meter, terwijl wij anderhalf steken. We zijn voorzichtig en ook beetje nerveus, bekennen we aan Sylvie en Patrick, gezien onze ervaring bij Sint Maarten. Daarover pratend komen ook zij met minder leuke ervaringen tijdens de reis. Ze hebben behoorlijk wat pech en schade gehad, maar ook geluk, want alles is steeds goed afgelopen: rompschade in een jachthaven, verkeerd uitgevoerde reparaties, gebroken tuigage (net als wij op onze oceaanoversteek). Ze hebben twee keer problemen gehad met orca’s. Dat liep maar net goed af: de eerste keer werden ze door schade aan de roeren onbestuurbaar en kwam de kustwacht te hulp. Een paar maanden later werden ze opnieuw aangevallen. Toen startte Patrick de motor en tegen alle gangbare adviezen in gaf hij vol gas en bleven de orca’s op afstand. Met andere woorden, met alles wat fout kan gaan begrijpen we elkaars onzekerheden en voorzichtigheid.

Dankzij de peilingen gaan we zonder vrees de fraaie doorgang in. Aan het eind is het slingeren tussen de ondieptes en over de baai uitgestrooide mangroveneilandjes, maar dan naderen we onze volgende ankerplaats: een paradijselijk stille plek met louter mangroven en water als een tafellaken zo glad. Een magische ankerplaats!

We hebben het heerlijk. Maar als we op de kalender kijken trekken we de conclusie: we moeten verder. We hebben nog maar twee weken voordat we in Panamarina op de kant gaan en een kleine week daarna, 7 mei, vliegen we naar huis. We varen naar Bocas Town, gaan voor anker, doen inkopen en doen ons met z’n vieren nog eenmaal tegoed aan de cocktails tijdens het Happy Hour bij Tequila Republic. We nemen afscheid van Sylvie en Patrick en spreken af elkaar deze zomer te ontmoeten bij hun huis in Bretagne.

Dan zijn we weer met z’n tweetjes op Catherine. Dat is even wennen na afscheid van een mooie plek en nieuwe vrienden. We zetten de knop om. Ik haal met bijboot Billy water en diesel bij de marina van Bocas. Ook vind ik een hutje aan het water – hier staat bijna alles op palen in het water – waar ze benzine verkopen voor Suzy, de motor van Billy. Karin heeft Catherine opgeruimd en we kunnen gaan. We besluiten nog één dag naar een volgende baai te gaan, een uur varen op de motor. Daar liggen we in de volgende prachtbaai, helemaal alleen, tussen mangroven, roofvogels cirkelen hoog in de lucht, af en toe vaart er een bootje langs van het nabijgelegen wetenschappelijk onderzoekscentrum. Hier en daar liggen boeitjes: hier onderzoeken biologen de groei van koralen. Verder is het de zoveelste schitterende ankerplaats. Vervelen gaat dit nooit, we blijven ons verwonderen over hoe mooi het hier is. Panama heeft ons echt verrast!

De laatste week willen we doorbrengen in de San Blas. Nog even genieten van de palmbomen, witte stranden, de gastvrijheid van Ibin’s restaurant, temidden Guna’s en hun cultuur. De tocht erheen is niet prettig. De eerste dag gaat nog wel, maar daarna valt de wind weg. Motoren is lastig met onze versleten schroefaslager. Af en toe horen we zorgelijke geluiden, ik draai zo weinig mogelijk toeren. Ander probleem: de accu’s zijn compleet naar z’n grootje. Overdag gaat het nog wel, met de energie van de zon, maar in de nacht lopen de accu’s snel leeg en is het behelpen. De startaccu is oké en die moet na zonsondergang bijspringen om de navigatieapparatuur werkend te houden. De tweede dag, als we half zeilend, half motorend tussen ondieptes laveren, verschijnt er een waarschuwing op het scherm en gaat het AIS-alarm af. Ramkoers! We naderen een zeilboot die ons bekend voorkomt. Huh? Ik check de AIS en ja hoor: Liza en Akko van Choktow, die we hebben leren kennen op Trinidad en voor het laatst op Curaçao hebben gezien. Wat een toeval! We kletsen wat over de marifoon en wensen hen een behouden vaart met de wind mee, terwijl wij verder aanmodderen tegen de wind in en met een gemankeerde aandrijving. Het is ‘schipperen’, maar aan het eind van de dag gaan we gelukkig voor anker bij Banedup.

Die schroefas is echt zorgelijk. Hopelijk is er niets beschadigd. Ik kijk bij de motor en check onder water, maar alles lijkt ok, behalve dan de speling tussen as en houder: versleten lager. Niks krom, verbogen of gescheurd. Samen met de kapotte accu’s is Catherine een gemankeerde boot. Maar goed dat we volgende week het water uitgaan. De zorgen zijn voor morgen, in dit geval volgende week, dus we nemen het er nog even van. Uit eten bij Ibin, luieren, lezen, zwemmen, relaxen. Ibin is bezig z’n restaurant uit te breiden, hopelijk voor hem wordt het een succes. Met zijn restaurant helpt hij familie aan werk en inkomen. Ook besteedt hij een deel van de winst aan kinderen en de school in Carti, het belangrijkste plaatsje in San Blas. Ibin is echt een goeie vent.

Dan is het zover: we gaan naar Linton, naar de werf Panamarina waar Catherine op de kant gaat. We gaan ankerop en varen de baai uit. Dan maakt de as alarmerende geluiden. Brrr. Als de ondieptes achter ons liggen zetten we de motor uit en ik spring in het water. Toch zie ik niks. Ik vermoed dat de as soms in een eigentrilling terecht komt binnen het uitgesleten lager. Als we weer varen speel ik wat met het toerental en lijk ik daarmee te kunnen voorkomen dat de schroefas in trilling raakt. Maar ik zie enorm op tegen het komende etmaal. Trok de wind maar een beetje aan, dan kunnen we zeilen en kan de motor uit…

Bij het verlaten van San Blas eilanden proberen we het met 7 knopen wind. Maar laverend tegen de wind in, en wat stroom tegen komen we na twee slagen op hetzelfde punt uit. Motor aan. Weer dat alarmerende geluid. Spelen met het toerental.  Komt dit wel goed? De knoop in mijn buik verraadt dat ik me grote zorgen maak.  ‘Kunnen we niet beter terug gaan naar Banedup?’, oppert Karin. ‘Nee, want daar kunnen we niks en zijn we verder van huis. De boot moet gewoon op de kant voor reparatie en dat kan in Panamarina bij Linton Bay. Het beste is door te varen en hopen dat de wind zoals voorspeld aantrekt.’ Mijn gebeden worden verhoord. Daar is een briesje, we kabbelen hoog aan de wind parallel aan de kust met een slakkegangetje: 2,5 á 3 knopen. Maakt me niet uit, we zeilen! Dan valt de wind weer weg, motor aan, het rotgeluid gaat bij mij door merg en been, gelukkig is er weer wat wind, motor uit, en zo naderen we langzaam ons doel. Het is vroeg in de nacht, de wind trekt opeens behoorlijk aan, als we Linton Bay naderen. Donkere wolken en een frisse wind kondigen aan dat er noodweer aankomt. We moeten nog een uurtje als het losbarst. Het giet en het is pikkedonker. Maar we zijn er bijna, dus het maakt ons niet uit! We varen om Isla Grande heen, letten heel goed op want er zijn hier meerdere rotspunten die onverlicht uit zee steken. We kennen de baai van vorige keer, dus we weten ook dat er middenin de baai een grote onverlichte roestbak voor anker ligt. Daar doemt die al op, met daar achter tientallen ankerlampjes van zeilboten. Als de diepte afneemt tot een meter of vijftien, achter de roestbak, laten we het anker zakken. Die houdt gelijk, we liggen stil en zijn doorweekt, maar we zijn er!

Ik ben doodmoe, van de lange dag maar ook van de spanning of er niks kapot zou gaan, en het gemanage van de beperkte stroom. Dan vallen we in een diepe slaap, heerlijk! De volgende dag tuffen we met Billy naar Choktow. Akko had ons op de AIS aan zien komen in de stromende regen, hij stond standby voor als het mis zou lopen met de schroefas. Echt top, bedankt! De dag erop nemen we de laatste horde en varen we in een half uur op de motor naar Panamarina en dat gaat met weinig toeren goed. Daar liggen we een paar dagen aan een bolletje in een kom midden in het mangrovenbos. Wat een geweldige plek is dit! Ook zien we onze vrienden Kirsten en Norbert van Odine, zie ons vorige blog, het voelt als thuiskomen. Dan is de dag aangebroken dat Catherine op de kant gaat. Het gaat allemaal routineus en professioneel. Eenmaal op de kant, naast Odine, maken we ons klaar voor vertrek naar Nederland. Wat een fantastisch half jaar is dit geweest. Panama heeft ons enorm verrast. Wat een mooi land, een bijzondere cultuur en natuurlijk het Panama kanaal. Terwijl ik dit schrijf giert de wind om ons huis in Rotterdam, de regen klettert tegen de ramen. Karin en ik hebben ons leventje weer helemaal opgepakt, met werk, vrienden en familie, alsof we nooit zijn weggeweest. Maar af en toe kijken we elkaar aan en zeggen dingen als: ‘Ik heb nu al zin in de Pacific!’ of: ‘Wat een rijk leven hebben we toch!’ of: ‘Wat een heerlijk vooruitzicht dat we over een half jaar weer zeilen!’

 

 

 

 

Helder licht in de duisternis

                                 28 januari 2024, Esnasdup, San Blas, Panama

Het is al weken onrustig voor de kust van Colombia, bij de beruchte kaap van Baranquilla. Daar moeten we omheen als we, vanuit Curaçao, Santa Marta of Cartagena willen aandoen. Meer smaken zijn er niet aan de noordkust van Colombia. Andere zeilers in de haven, die naar Panama gaan, kijken ook dagelijks naar de voorspellingen, in afwachting van een weer- en windgaatje. Ook zij vrezen Baranquilla. Achter die kaap reist Pico Cristobal vanaf de kust omhoog naar meer dan 5000 meter, met val- en rukwinden tot gevolg die ver in de Caribische Zee de zeilers lastigvallen. Want het is algemeen bekend dat het daar altijd 10 knopen harder waait dan de voorspellingen. 30 knopen is nog te doen, maar als je 40 kan verwachten dan rest maar een optie: wachten. 40 kan immers zomaar 50 zijn en dat is zware storm met metershoge golven. Nee dank u! En als het maar hard blijft waaien bij Baranquilla, week na week, puilt de haven van Curaçao Marine Zone aan het Schottegat behoorlijk uit. Alle boxen zijn bezet, de aanlegsteigers voor passanten ook en daar liggen boten soms dubbel in het kleine haventje.

Karin, Liselot en ik houden een beraadslaging. Liselot’s tijd is beperkt, ze wordt knorrig van het wachten, en San Blas in Panama wil zij sowieso zien. Panama én Colombia aandoen is niet realistisch meer. We besluiten Colombia over te slaan en bij een windgat direct naar Panama te zeilen. In de tussentijd hebben we het ontzettend fijn in Curaçao. Deze ‘rots der struikeling’, zoals mijn geliefde auteur wijlen Boelie van Leeuwen zijn eiland noemde, heeft ons aangenaam verrast. Een potpourri van culturele invloeden, vermengd met een flink portie toerisme, maakt Curaçao tot een veelzijdig eiland. We gaan het in dit opgewekte blog niet hebben over de minpunten (aftakelend koraal, grote cruiseschepen, vervuiling, armoede, corruptie enz), maar roemen de fijne dingen. Vriendelijke vrolijke mensen. Dushi! Snorkelen! Fijne terrassen aan zee. We doen een opfris-duikcursus en duiken daarna een paar keer. De Christoffelberg beklimmen. De Tafelberg idem. Wandelen bij Sint Jorisbaai terwijl Liselot met haar kite over de baai scheert. En ’s avonds een biertje op de boot, in een bar of onder de palapa in de haven.

Karin maakt vrijwel dagelijks lange ochtendwandelingen in Willemstad, terwijl ik het gevecht aanga met die eeuwige kluslijst. Nieuwe gasleiding: ik heb acht winkels bezocht eer ik de juiste koppelstukjes heb gevonden. Dieselonderhoud, alle filters had ik in meervoud meegenomen uit Nederland. Windvaan smeren, kapot zonnepaneel vervangen, haperende navigatie-instrumenten aan de gang krijgen, navigatieverlichting repareren. Alles wat draait of scharniert toont kwaaltjes of piept op z’n minst, want het fijne stof in de lucht zit in alle lagers en kieren. Om die reden heb ik de windmolen niet gefixeerd tijdens onze afwezigheid, al

DCIM100GOPROGOPR0480.JPG

draaiend houdt hij zichzelf schoon. Al het werk aan het onderwaterschip hebben we de eerste zes weken gedaan, toen Catherine op de kant stond. De zeilen zitten er inmiddels ook op. We zijn vertrekklaar als het windgat zich eindelijk aandient.

Na een laatste barbecue op de werf nemen we afscheid van de achterblijvende boten. Het was zó gezellig daar! Ik start de motor, vele hulpvaardige handen helpen ons de krappe box uit. Zwaaien, toeteren, het gaat jullie goed! Achter ons gooien ook Sabali en Coral Moon van onze vrienden Mark en Donna de trossen los. Morgen volgen Kujira en Rare Breed. Bestemming: San Blas, Panama. We tuffen met z’n drieën onder de hoge Julianabrug door, waar we met Liselot’s auto zo vaak overheen zijn gereden. Stuurboord ligt Otrabanda, bakboord Punda, als de motor van de Pondjesbrug wordt opgestart en de drijvende brug voor ons open scharniert. Erachter, in de monding van de baai, klotst het. Gedrieën leggen we onszelf op zee in de wind en hijsen de zeilen. Dan zeilen we voor de wind en een paar uur later ankeren we alweer in de baai van Santa Krus. We gaan nog even snorkelen en in het water wensen de drie boten elkaar een behouden vaart naar Panama. Morgenochtend beginnen we van hieruit onze vier- a vijfdaagse tocht naar San Blas: ongeveer 700 zeemijlen, 1300 kilometer. We gaan er even goed voor zitten!

Allemachtig, wat gaan we hard! We hadden gerekend op een beetje stroom mee, maar gaan als de brandweer. 10 knopen, 18,5 km per uur, een fietser zou aan moeten zetten om ons bij te houden. Zo stormen we de eerste dag op de San Blas af. Coral Moon, een slag groter, gaat nog sneller en verdwijnt in de middag achter de horizon. Sabali, iets eerder vertrokken, horen we nog even op de marifoon, maar is ook uit zicht. Dan zijn we alleen op de Caribische Zee, geen vrienden om ons heen, de komende dagen staan Karin, Liselot en ik er alleen voor. De tweede dag vallen we terug tot onze reguliere vaart: 5,5 a 6 knopen. Het is prachtig zeilweer, de sfeer is ontspannen. We hebben voor drie dagen vooruit gekookt en de pasta bolognese, risotto funghi en pompoensoep is diepgevroren in de vriezer op de werf. ‘Wat zullen we eten?’ is het favoriete gespreksonderwerp, gevolgd door een beoordeling van de maaltijd, die telkens positief uitpakt: ‘Mmm het was heerlijk!’ Gevolgd door een verbeterpuntje: ‘Volgende keer iets meer champignons’. Zo ontspannen kan zeezeilen zijn. Ook de derde dag gaat het op z’n boerenfluitjes met zo’n 15 a 20 knopen wind, 4 á 5 Beaufort, de goede kant op. Wel zien we een paar keer enorme boomstammen en stronken drijven, afkomstig uit het Colombiaanse regenwoud, meegesleurd door de brede Rio Magdalena bij Baranquilla. We hebben geluk nodig om daar niet tegen aan de varen. Vooral ’s nachts. Tijdens mijn wacht, vroeg in de derde nacht, zie ik aan bakboord de weerlichten die vanachter de horizon de bewolking verlicht. Blij dat we daar niet zijn.

De vierde dag neemt de wind af, we zetten een tijd de motor bij als aan het eind van de middag de wind als een zuchtje  terugkeert. Tegen mijn gewoonte in zeilen we ongereefd de avond in. Karin houdt wacht en Liselot en ik gaan slapen, als de dunne sikkel van de wassende maan achter de horizon schuift.

Wie trekt er aan m’n been? Wie maakt me wakker uit deze diepe slaap? ‘Eric, de wind trekt aan, wakker worden!’ Ik brom wat over een verstoorde droom. ‘Kom, we moeten reven!’ Ik keer terug in de werkelijkheid, hoor de wind suizen in het wand en voel dat Catherine te veel helling maakt. Reddingsvest aan en in een oogwenk sta ik paraat in de kuip. Twintig plus knopen, 5 á 6 Beaufort, niks aan de hand, maar een rif zeilt veel comfortabeler met minder druk op het roer. Het fijne van Catherine is dat alle lijnen in de kuip te bedienen zijn, en dat is wel zo veilig. Zeker nu in het pikkedonker. In een kwartiertje hebben we samen het klusje geklaard. Het zeilt beter, maar de zee is onrustig, rommeliger dan eerder. Later, tijdens mijn wacht en daarna die van Liselot, blaast de wind met 25-30 knopen, uitschieters daarboven. 7 Beaufort. Als het licht wordt kijken Liselot en ik bij de wisseling van de wacht naar de zee: chaos. Golven van alle kanten, ze klotsen tegen elkaar op, ze lijken tegen elkaar op te bieden; ik ben lekker hoger dan jij! En hoog zijn ze. Karin schat ze op vijf meter, ik hou het op vier, maar het voelt als zes. Als Catherine in een golfdal ligt, kijken we omhoog tegen de watermassa aan. Indrukwekkend ja, dit hebben we de laatste keer meegemaakt in 2019, toen we vanuit Lissabon naar Porto SantoLissabon naar Porto Santo zeilden. Catherine, bescheiden scheepje, kan het makkelijk hebben, maar vermoeiend is het wel.

Overdag blijft het flink waaien en de zee blijft irritant onregelmatig en hoog. Weer een boomstronk, op enkele tientallen meters afstand. Dan maakt Catherine opeens een zwieper, we houden ons vast. Al snel pakt Catherine de draad weer op. Later kwakt er een enorme plens water tegen de buiskap: waar kwam die golf opeens vandaan? Af en toe wordt Catherine opgetild door een heel steile golf; dan weet ik dat vlak erna, als het water onder de boot wegrolt, ze de grip op het water verliest, alsof ze los komt, flink helling maakt, oploeft en even van haar koers afwijkt. En zo werken we ons de hele dag in deze zware zee naar San Blas, wetend dat bij aankomst de volgende uitdaging wacht. Want we komen ’s nachts aan in een met riffen en ondieptes vergeven gebied. Of we moeten zes uur bijliggen, vertragen en de volgende ochtend aankomen, maar we zijn eensgezind: nee. We zetten koers naar Hollandes Cays, een plukje eilanden, buitenpost van San Blas. Ja, onze maritieme geschiedenis, gevoed door de ooit bejubelde VOC-mentaliteit, achtervolgt ons met argwaan, want wat zullen onze zeevarende voorvaderen hier nou weer hebben uitgespookt? Waar elders in de Cariben de inheemse bevolking zowat is uitgeroeid na komst van westerlingen, is in de San Blas de inheemse Guna-bevolking gelukkig alive and kicking en zijn ze zelfs semi-autonoom: Guna Yala noemen ze hun gebied.

We hebben de kaarten bestudeerd, zowel digitaal als van papier, de koers uitgezet, taken verdeeld. 22.00 uur: land in zicht, middels een paar flauwe lichtjes tegen de zwarte achtergrond. Waarschijnlijk ankerverlichting van een paar jachten. Onwaarschijnlijker zijn het lampjes van huizen, want Guna’s leven in hutten, er is op de buiteneilanden geen elektriciteit, behalve wat stroom via zonnepanelen. We proberen de lichtjes te vertalen naar de kaart: ‘Het moeten ankerlichten zijn’, zegt Liselot, zelf een bijzonder helder licht, gedecideerd, nadat ze een peiling heeft genomen. Dan komt de zeebodem omhoog, van pakweg 2 kilometer naar 1500, 1000, naar 200 meter. De golfslag verandert, ik hield rekening met een nog wildere zee, maar het wordt juist gelijkmatiger. We ontkoppelen windvaan Arie en Liselot gaat sturen. Dan is het 50 meter diep en ligt volgens de kaart het eerste eiland aan stuurboord, maar we zien het niet. Of toch, daar, een vage contour. Alle navigatie gaat via de kaart, want oriënteren op zicht is er niet bij. Te donker en bovendien zijn de gevaarlijkste riffen onder water.  We koersen om de ondieptes heen, die al menig schip in dit gebied naar de verdoemenis heeft geholpen. Vorige week nog, een zeiljacht bij Porvenir, iets verderop, waar we later moeten inklaren. Pats boem, op een rif, vast, lek, niet meer te redden, total loss. Geen gewonden gelukkig. Ik probeer er niet aan te denken, hou m’n hoofd bij de navigatie. Karin kan zich in de maanloze nacht niet oriënteren: ‘ik hoop dat jullie weten wat je doet.’ Hier moeten we 90 graden naar stuurboord. Na de koerswijziging varen we westwaarts en komen we in de luwte van het volgende eiland. Liselot start de motor. We leggen de boot in de wind: we strijken de zeilen, ik bind, vanzelfsprekend aangelijnd, het grootzeil op de giek. Als ik in de kuip terug ben, zie ik dat Karin ongerust is. ‘Maak je geen zorgen, we weten wat we doen.’

Van binnen ben ik ook gespannen. De nacht is zwart, en toch zullen we de nauwe opening tussen twee eilandjes moeten vinden. Liselot stuurt. We kijken samen op de kaart. ‘Iets stuurboord Lies, zo blijven we in het midden van het vaarwater’. Als we een piepklein eilandje passeren, Quinquindup, gaan we wat stuurboord uit. Dan zijn we voor de twee eilanden waar we tussendoor moeten: Ogoperiadup rechts en Kalurgirdup links. We zien het silhouet van de palmbomen, maar de twee eilanden lijken één: we moeten vertrouwen op de kaart, er is beslist een doorgang. Liselot stuurt Catherine noordwaarts richting de opening, met haar blik op de kaart, Karin en ik kijken om ons heen. Dan wijken de eilanden, het zijn er twee, we zien de opening, een vaarwater, amper 100 meter breed, tussen de onbewoonde eilanden. ‘We gaan goed’, zeg ik tegen Liselot en Karin, maar ook tegen mezelf. Het is donker, bijna zwart, dan zien we een witte catamaran, rechts om het hoekje. ‘Daar is de ankerplaats’. We varen om de boot heen, we zien de verlichting in de kuip, ik begeef me naar de boeg en maak het anker klaar. We zien het water tegen het strandje slaan, we willen niet te dichtbij, maar verderop is het behoorlijk diep, tegen de 20 meter. Een eerste ankerpoging: we liggen vast, maar naar mijn zin te dicht op het eiland. Een tweede poging in iets dieper water bevalt beter. Liselot zet de motor in z’n achteruit en ik check of het anker zeker-weten houdt. En dat doet het. We liggen vast en veilig voor anker! Als Liselot de motor uitzet, horen we louter het geraas van de golven op het strand. Verder niets. We kijken elkaar aan: wat zijn we opgelucht! We hebben het gefixt en geven elkaar een high-five. Wat een etmaal was dit, we zijn moe, moe! Tegen middernacht oppert Liselot: ‘Ankerbiertje?’

Eric

We zijn inmiddels zes weken in de San Blas. In een volgend blog doet Karin er snel verslag van, ze is al druk aan het typen!

En heb je de nieuwe Zeilen editie van februari al gezien? Daarin staat ons uitgebreide verhaal over onze reis in de noordoostelijke Cariben! En in Zeilen van december 2022 staat ons andere, nog uitgebreidere verhaal over onze reis in de zuidoostelijke Cariben.

Met ups en downs via Sint Maarten naar Curaçao

We staan op de kade in het haventje van Sint Eustatius, kortweg ‘Statia’. Verderop ligt Catherine in de Oranjestad Baai te rollebollen op de deining, alsof ze danst op de reggae die vanuit het Boardwalk Café over het water klinkt. Schudden met je buik, links rechts, omhoog omlaag, de mast zwiept heen en weer zoals de danseres met haar armen in de lucht zwaait en haar heupen draait. De ankergrond is prima, maar de onophoudelijke deining maakt dat de meeste zeilers dit bijzondere eiland mijden, of zich na een nacht hotseklotsen vermoeid weer uit de voeten maken. Wij gaan er ook vandoor, na een geweldige week in onze airbnb, zoals Karin in het vorige blog heeft beschreven. Bij het uitchecken is de opgewekte douanier optimistisch over de kansen van Statia als zeilersbestemming: ‘Er zijn vergevorderde plannen om de haven te moderniseren. Voor de vrachtschepen, maar ook voor zeilers. Er komt een pier, waarachter de zeilschepen kunnen ankeren. De aanbesteding is afgerond en de bouw kan beginnen. Binnen twee jaar zou het klaar moeten zijn.’ Dat zou voor Statia en zeilers een geweldige ontwikkeling zijn!

Na een uurtje is Catherine vaarklaar, gaan we ankerop en varen de baai uit. Als we een geankerd vrachtschip zijn gepasseerd, hijsen we de zeilen en koersen met de klok mee, westelijk langs Statia. Al snel hebben we de passaatwind te pakken, zetten Arie aan het werk, het is het begin van een zorgeloze oversteek naar Sint Maarten. Na vijf uur, Sint Maarten zijn we inmiddels tot dichtbij genaderd, komt een sleepboot recht op ons af. Hij trekt een flinke bak, is matig bestuurbaar, dus wij wijken uit. Dit soort gevaartes kom je regelmatig tegen in de Cariben. Vooral ’s nachts moet je op je hoede zijn. De bak is slecht of soms zelfs helemaal niet verlicht. Als je denkt even achter de sleepboot langs te gaan knal je dus op de staalkabel. Ja, dat is echt gebeurd! Wij, voorzichtig als we zijn, houden ruim afstand.

Even later varen de Simpson Bay binnen, niet wetende dat deze dag een vervelende wending neemt. Er liggen veel zeilboten voor anker, we zien onze vrienden van de Coral Moon, varen erlangs, ik besluit wat dichter bij het strand te kijken. Immers, we steken met ons vleugelkieltje niet zo diep. Dan voltrekt zich een akelig avontuur. Een ongelofelijk stomme fout van deze doorgaans zo voorzichtige en zorgvuldig navigerende schipper leidt tot een paniekerige situatie. We liggen net vóór het voorste geankerde schip. Het wordt ondieper: 3. 2,8. 2,2. Karin zegt: ‘niet verder varen!’ Ik zet de motor in z’n achteruit. De dieptemeter zegt 2.0. We liggen bijna stil als de hele boot trilt, de vloeiende beweging in het water is opeens een schokkend geschuif van onze kiel over hard steen. Ik vloek. Verdomme! Karin slaakt een angstig gilletje. Ik probeer rustig te blijven en Karin gerust te stellen: ‘we gingen heel langzaam, we zijn zo los.’ Motor in de achteruit. Niks. Vol gas. Niks. Nog een keer. Niks, geen beweging. Ik kijk Karin aan. Zie de paniek in haar ogen. Nog een vertwijfelde poging tot geruststelling: ‘Komt goed’. De motor loeit op het maximale toerental. Niks. Muurvast. Ik pak de marifoon. ‘We need some help.’ Het duurt een paar minuten die uren lijken te duren, maar dan zijn er vier, vijf dinghies met bebaarde mannen. Lijnen worden aangereikt, er wordt geroepen, geschreeuwd, geduwd, getrokken. Niks. Muurvast. De enige optie lijkt nu te zijn het schip schuin te leggen en een beetje te draaien. Ik weet: dit kan me mijn roer kosten. Maar misschien hebben we mazzel. We draaien de genua uit, Catherine ligt een beetje scheef, draait om het draaipunt – de kiel – en onze motor brult, alle baardmannen trekken en duwen met hun dinghies. Catherine komt zachtjes in beweging, maar dan hoor ik een angstaanjagend gekraak. Het gaat door merg en been. Ik weet: mijn roer gaat er aan. Dan zijn we los. Maar het roer zit vast, we zijn stuurloos. We worden naar een plekje gesleept, een stukje terug, vlakbij Coral Moon, en laten het anker vallen. We bedanken de mannen, die net zo snel weer weg zijn als dat ze er waren. Dan is het stil. Karin en ik kijken elkaar met holle ogen aan. Ik verontschuldig me bij Karin: het is 100% mijn fout. Ze trilt nog na, is misschien zelfs in shock, maar weet toch een samenhangend antwoord te formuleren: ‘Jij neemt als kapitein altijd alle verantwoordelijkheid. Het gaat altijd goed. Nu gaat het een keer mis. Ik neem je niets kwalijk.’ Ikzelf wel. Ik ben doodop. Leeg. Vervloek mezelf. Zo voelt het dus als je een onomkeerbare stommiteit bent begaan. Acceptatie is de enige weg.

De volgende dag, na een slechte nacht, proberen we ons te herpakken. Het is Karins verjaardag. Donna en Mark van de Coral Moon proberen ons tijdens het etentje bij de Yacht Club op te beuren. Dat lukt, hoewel daar behoorlijk wat drank voor nodig is. Mark spreekt me bemoedigend toe, terwijl Donna en Karin gezellig zitten te keuvelen. ‘It happens to everyone. Every skipper makes a stupid mistake some time. It happens to all of us.’ Het doet niets af aan mijn stommiteit – waarom wilde ik zo dicht bij het strand, waarom heb ik niet goed op de kaart gekeken, waarom was ik zo onzorgvuldig terwijl ik normaal gesproken duizend keer op de kaart kijk – maar het helpt me de situatie te accepteren. Shit happens. Je kunt niet jaren over de wereldbol zeilen zonder een fout te maken.

Zondagochtend. Daar is Dion. Hij komt langszij en knoopt ons vast. Met honderden pk’s achter zijn schuitje sleept hij ons naar de werf, Bobby’s Mega Yard. Een geluk bij een ongeluk dat die zo dichtbij is! De brug bij de Yacht Club gaat open, Dion stuurt onze slecht bestuurbare sleepcombinatie behoedzaam maar gedecideerd naar de kade. De ochtend erop worden we eruit getild. Peter is er dan ook. Iedereen die we spraken zei: ‘Pete, the Dutch guy, he’s your man.’ Betrouwbaar, een vakman die regelmatig dit soort schades herstelt. Catherine hangt in de riemen, de schade aan het roer is aanzienlijk. Een scheur en een verbogen buis waar het roer omheen is gebouwd: de roerkoning is als een banaan.

Peter is druk, het duurt enkele dagen voordat hij zich fulltime op het roer kan storten. Hij werkt zich uit de naad, het zit een beetje tegen, behoorlijk zelfs, als blijkt dat de oude roerkoning te zeer verbogen is om recht te buigen. Gelukkig is er op het eiland een nieuwe te vinden met dezelfde diameter. Maar wat blijkt: er is een minimaal verschil, de buis is een pietsie te breed, fractie van een millimeter. Dat levert een hoop werk en vertraging op. Uiteindelijk staat het nieuwe roer onder de boot, alles past, de roerkoning glijdt in de hennegatskoker, roer vast en we kunnen het water in. De volgende dag monteert Peter de hele stuurinrichting – kabels, kwadrant – en dan is het klaar. Catherine wordt genezen verklaard. Bedankt Peter, je bent een kanjer!

In de tussentijd voelen we ons thuis op Sint Maarten. Ook hier vriendelijke mensen, lokalen en ook zeezeilers van allerlei pluimage: zuipende zeilers die nooit meer wegkomen, wedstrijdzeilers met stoere verhalen, bedaagde vertrekkersechtparen zoals wij en beroepszeilers die boten opknappen, verkopen, verhuren en op allerlei zeilmanieren hun geld verdienen. De laatste avond brengen we door bij Lagoonies, gezellig zeilers-café-restaurant, met een Amerikaans stel dat we via Peter hebben leren kennen. Het is ouderwets gezellig, de anekdotes vliegen over tafel, we lachen, drinken, laten de sores van het roer achter ons. We zijn klaar voor het vervolg van onze reis.

De volgende ochtend checken we nogmaals het weer en de wind en besluiten te gaan. De komende vier dagen is het rustig, geen fronten die passeren, een stabiele ruime wind van 15-20 knopen, wellicht met windstoten tot maximaal 25 knopen. Perfect. De brug gaat open, we zwaaien naar een toeschouwer bij de jachtclub, gaan achter de Amerikanen aan onder de brug door, zij gaan linksaf, goede reis, wij gaan rechtdoor. Zeilen omhoog, koers uitzetten, motor uit. Arie stuurt Catherine de komende 500 zeemijl (x 1,852 = 926 kilometer) naar Curaçao.

We zijn vier nachten op zee. De volle maan verlicht de Caribische Zee, we lijken de enigen, van horizon tot horizon vaart niets behalve wij. De eerste avond verschijnt er een vaag lichtje aan de horizon: een vrachtschip in de verte. De tweede dag zien we ook welgeteld één schip, op grote afstand. Het is rustig, geen onverwachte gebeurtenissen, alles onder controle. Catherine glijdt met volle zeilen soepeltjes door het water, de deining maakt ons loom. Een groep tuimelaars brengt vrolijkheid, wat zijn ze heerlijk speels en enthousiast, ze schieten pijlsnel alle kanten uit, spelen met elkaar en lijken Catherine uit te dagen, ze kijken af en toe omhoog naar de roepende tweevoeters aan dek, en dan verdwijnen ze weer zo snel als ze gekomen zijn. De niet-meer-volle maan is de derde nacht weer ietsje kleiner geworden, komt wat later op, maar verlicht de rest van de nacht nog steeds de zee, veelvormige wolken lichten op in het maanlicht, als abstracte sculpturen in een museum. Elke avond, tijdens de schemering, steken we een rif in het zeil, hoewel er eigenlijk geen aanleiding voor is, maar we willen ’s nachts niet verrast worden door een windvlaag of tropische bui. Tijdens de derde dag beginnen we uit te kijken naar onze aankomst in Curaçao, waar Liselot op ons wacht. Wat een mooi vooruitzicht om haar daar te zien! Tijdens de vierde nacht krijgen we Bonaire in beeld en belanden in drukker vaarwater. Een groot containerschip komt recht op ons af. We liggen op ramkoers. Volgens de reglementen moet hij voor ons wijken, maar lijkt dat niet van plan: de groene en rode boordlichten zijn beide te zien, en liggen steeds een beetje verder uit elkaar, wat betekent dat het schip snel dichterbij komt, wat wordt bevestigd door het ais dat al een tijdje het alarm doet afgaan. Via de marifoon roep ik het schip op. Geen reactie. Ik probeer het nog twee keer, maar de stuurman reageert niet. Door de verrekijker zie ik de hoge boeg, het flinke stuurhuis en breedte van het schip dat nog steeds recht op ons afkomt. Het gevaarte is nu op enkele honderden meters genaderd. Ik wil de motor starten om sneller te kunnen uitwijken, als op dit laatste moment het schip bijstuurt. Zoals de regels voorschrijven, maar ik vervloek de stuurman die niet reageerde op mijn oproepen en zo niet bijdroeg aan een veilige vaart.

Bonaire licht op, lijkt dichtbij, als de wind vrijwel wegvalt. Na wat twijfelachtige pogingen de vaart erin te houden, start ik de motor. Zo varen we tussen Bonaire en Curaçao door als de vierde dag aanbreekt. Karin verschijnt aan dek, maar het heeft voor mij nu geen zin een slaapje te doen, zo dichtbij de eindbestemming. Na een tocht van negentig uur, varen we door de smalle doorgang naar het Spaans Water, de populaire lagune en ankerplaats. Nog even goed opletten, ik navigeer nauwkeuriger dan ooit na ons avontuur in Sint Maarten, stuur Catherine langs de ondieptes en even later liggen we te dobberen achter ons anker. We zijn er!

Even later vaar ik met Billy naar het steigertje, waar Liselot en haar huisgenoot Kaj staan te wachten,  wapperend met een vlaggetje van Curaçao. Even later zitten we in de kuip, met een lekkere lunch terwijl we bijpraten over van alles: natuurlijk ons roergedoe, de heerlijk zorgeloze zeilreis hierheen, maar vooral over hoe leuk Liselot het hier heeft, met haar werk in het ziekenhuis, fijne collega’s, de gezelligheid in de vrije tijd, het kiten, restaurantjes, snorkelen. Eigenlijk mogen Liselot en Kaj helemaal niet aan boord komen, want we moeten nog inklaren. Dat doen we na de lunch.

We rijden naar Willemstad, dwalen door de fraaie wijk Punda, tussen de gekleurde huizen door, op zoek naar de immigratiedienst, die blijkt verhuisd, lopen naar het nieuwe onderkomen, de papieren blijken niet helemaal te kloppen, maar dat is eigenlijk geen probleem. We zoeken de customs, die is ook verhuisd naar een achteraf bouwwerk in een groezelig doodlopende weg, ook daar kloppen de papieren niet, ook hier is dat na wat zorgelijke blikken uiteindelijk helemaal geen probleem. Dan moeten we ook nog naar de havenmeester, die zit aan de andere kant van de haven, maar het is inmiddels te laat. Dus daar rijden we de dag erop naartoe, we rijden over de hoge Julianabrug, daaronder is het havenkantoor en die is eigenlijk alleen met de auto te bereiken. Hoe doen andere zeilers dat als ze geen Liselot hebben die de weg weet en een auto heeft? We vragen het tijdens een biertje in de kuip aan Mark en Donna, onze vrienden van de bovenwinden, waar we vlakbij zijn geankerd. ‘It’s incredible! It took us three days to complete the clearance procedure!’ We zien de humor ervan in, ook omdat alle ambtenaren en functionarissen zeer vriendelijk en behulpzaam waren.

De dagen erop nemen Liselot en Kaj ons op sleeptouw. We rijden naar Westpunt, waar we lopend tussen doornstruiken door een piepklein strandje weten te vinden. De teenslippers zijn niet het perfecte schoeisel; dagen later roep ik nog een keer ‘au!’ als ik de zoveelste doorn uit de zool pluk. We gaan naar de Sint Joris Baai en zien dat Liselot goed heeft leren kiten, ze vliegt door de lucht, een jaar nadat ze op Carriacou haar eerste lesjes kreeg, toen ze vanuit Trinidad enkele weken met ons meezeilde. We bezoeken haar werkplek, het Curaçao Medical Center, een hypermodern ziekenhuis, prachtig ontworpen met een open centrale hal waar een natuurlijk windje voor verkoeling zorgt. Als Liselot zich omkleedt en in een oogwenk van een zorgeloze levensgenieter verandert in serieuze arts, krijgen we een rondleiding over de afdelingen en maken kennis met wat collega’s. Als de dienst van Dokter Lies begint en ze de spoedeisende hulp binnenloopt, zwaaien we nog even en gaan Karin en ik op zoek naar bus 6A richting Spaans Water.

De sfeer in de bus is uitgelaten en wordt een bijna feestelijke ervaring. We praten en lachen met een oudere, extraverte passagier. Wat blijkt? Hij heeft in Rotterdam op hetzelfde ROC gewerkt als Karin. We spreken af dat hij ons als taaldeskundigen, docent en leermiddelenontwikkelaar, voorstelt aan de minister van onderwijs, maar zoals verwacht komt daar natuurlijk niets van terecht. Terug op de ankerplaats trekken we de conclusie: Curaçao is leuk, gezellig, gastvrij, met vriendelijke en hulpvaardige mensen.

Het is tijd om ons vertrek voor te bereiden. We organiseren een borrel aan boord, een drukke boel met collega’s van Lies die goed mengen met de zeezeilers. We hebben nog een weekje voordat we voor een paar maanden terugvliegen naar Nederland. Kaj en Liselot komen aan boord, we varen het Spaans Water af en komen op zee. Op de genua zeilen we in een uurtje naar Willemstad. De pondjesbrug, officieel de Koning Emmabrug, zwaait voor ons open. Het is een grappig bouwsel, drijvende brug op pontons die in beweging komt door een benzinemotor met schroef. Op de kade staan allemaal mensen te kijken en te zwaaien, en in het groepje zien we opeens een filmende Donna staan! Zij en Mark zijn hierheen gekomen met bus 6A om ons te begroeten en filmen  (klik op het linkje). Wat een leuke verrassing! We varen verder, onder de hoge Koningin Julianabrug door, en varen het Schottegat op. We passeren de Arctic Sunrise van Greenpeace, afgemeerd aan de kade. We gaan rechtsaf het hoekje om, daar ligt onze tijdelijke thuishaven van Curaçao Marine. Na twee nachtjes aan de steiger wordt Catherine opgetild en naar de stalling gereden. Wij sluiten onze reis af in een fijne airbnb, genieten van het zwembad. Bedankt Naomi en Nick voor de gastvrijheid! We maken Catherine schoon en klaar voor een paar maanden rust, we doen nog wat leuke dingen met Liselot en Kaj en dan zitten we opeens in het vliegtuig naar huis, op weg naar vrienden, familie. Wanneer en waarheen we onze zeilreis voortzetten? Dat laten we weten als we een strak plan hebben.

Groetjes en liefs van Karin en Eric

 

Sint Eustatius: een wel heel bijzondere gemeente van Nederland

Achter ons wordt de groene vulkaan van Sint Kitts steeds kleiner. We zeilen op een rommelig zeetje met vreemde draaiwinden richting Sint Eustatius. Eric maakt zich druk over een zeilboot die alleen op de genua, op enige afstand, ons met gemak voorbij vaart. ‘Hoe kan dat nou, wij varen met grootzeil èn genua en zij hebben alleen hun genua uit?’ Ik ben er niet zo mee bezig, ik droom weg bij de herinneringen aan Sint Eustatius, of zoals de inwoners hun eiland liefkozend noemen: Statia. Alweer tien jaar geleden woonden en werkten we daar. Ik denk terug met gemengde gevoelens aan die tijd. Negatieve herinneringen zijn inmiddels verwerkt en nu kan ik niet wachten om positieve ervaringen op te doen. Ik verheug me er enorm op om op eigen kiel het eiland te bezoeken. Ik weet nog zo goed dat ik in ons huisje op White Wall, de oostpunt van het eiland, regelmatig uit het keukenraam stond te kijken naar de blauwe oceaan en fantaseerde over hoe we met Catherine misschien ooit op het eiland zouden aankomen. ‘Kijk’, zegt Eric, ‘vanaf zee kun je goed zien waarom White Wall zo is genoemd’. We zien een enorme witte krijtrots en met de verrekijker zien we ons huisje van toen: het witte blokkendoosje.

We varen langs Statia en herkennen van alles: daar is de Road to White Wall en het huis van die steenrijke Amerikaan, verderop zien we Oranjestad en Fort Oranje. In de baai liggen twee andere zeilboten te stuiteren. We passeren de boot die ons zo overtuigend inhaalde. Een vrolijke vrouw staat op de voorpunt, zij begroet ons enthousiast en zegt in onvervalst Brits: ‘the holding is good but the swell is rather tough’. Dat de deining in deze baai vrij spel heeft wisten we al. Maar toch moet je het zelf weer ervaren om te weten hoe het is. Dit is de zwaarste deining die we achter anker ooit hebben meegemaakt. Catherine zwenkt van links naar rechts en door de boot lopen is een zelfde ervaring als met stevige golven op zee. We zijn blij dat we een huisje op Statia hebben gehuurd. In mijn ooghoek zie ik nog hoe onze Engelse vrienden in gevecht zijn met hun bijboot die ze te water proberen te laten. Even later doen wij hetzelfde. Alleen kiezen wij ervoor om Billy maar gewoon van het voordek in het water te smijten. In je bijboot stappen met deze deining is nogal een gedoe. Timing is belangrijk: Catherine gaat omhoog en omlaag en Billy de bijboot van links naar rechts. Eén, twee hup en ik zit! Alle bagage in Billy voor ons weekje landrottenbestaan en op naar de douane.

Bij de dingy-steiger zit Minke, onze contactpersoon van het huisje, al op ons te wachten. Eerst nog inklaren. Dat gaat dit keer van een leien dakje. Op elk eiland gaat de inklaarprocedure weer anders en op sommige eilanden is het een ware beproeving. We hebben al vier verschillende digitale systemen moeten invullen. Maar op de meeste eilanden moeten er meerdere formulieren met de hand worden ingevuld, vaak met een aantal carbonnetjes ertussen. Bij de douane treffen we de Britse buren en we spreken af ‘s avonds voor een sundowner in het Boardwalk Café.

Ons huurhuisje blijkt naast ons oude blokkendoosje aan de weg naar White Wall te staan. We zitten op de veranda en ervaren hetzelfde serene sfeertje als toen: dezelfde zeebries, dezelfde geluiden van de vogels en het ruisen van de wind door de palmbomen. We voelen ons direct thuis. Door de heg kijken we naar het blokkendoosje van vroeger en herinneringen komen bovendrijven. Als we met de huurauto Statia verkennen, zien we dat er weinig veranderd is. Statia ademt nog hetzelfde slaperige, goedmoedige sfeertje uit. Mensen groeten ons vriendelijk en we herkennen sommige gezichten van tien jaar geleden. Ons favoriete Chinese restaurant, Cool Corner, blijkt helaas gesloten wegens vakantie. Bruce, de eigenaar  van het restaurant, ontmoeten we later in zijn supermarkt die hij ook heeft. Hij herkent ons nog van tien jaar terug!

Op Statia is wat onderhoud verricht: een paar wegen zijn verbeterd en het vliegveld is opgeknapt. Bij het vliegveld is een prachtige nieuwe rotonde gemaakt en alle straten hebben naambordjes gekregen. Tien jaar geleden moest je omschrijven waar je woonde: het derde huis na Big Stone of het laatste huis van White Wall of dat blauwe huisje naast de Cool Corner. De straatnaambordjes zijn half Nederlands, half Engels. Er wordt steeds minder Nederlands gesproken en geschreven in deze bijzondere gemeente van Nederland. In het onderwijs is in 2014 gekozen voor het Engels als instructietaal en daarmee is het hele schoolsysteem veranderd. Tien jaar geleden was er nog een Nederlands schoolsysteem. De kinderen gingen naar de havo of het vmbo. Nu is het Nederlands teruggebracht tot een vak op de basisscholen en in het voortgezet onderwijs. De leerlingen doen nu in het Engels een Caraïbisch examen.

Er zijn een paar leuke barretjes en restaurants bijgekomen. Onze favoriet is het Boardwalk Café. We ontmoeten onze Britse buren van de baai. Als wij vertellen dat we onder de indruk waren van de snelheid van hun boot, biechten ze op: ‘we were cheating’. Ze hadden de motor aan toen ze ons voorbij stoven. Zij waren daarentegen onder de indruk van ons: serieuze zeilers met volle zeilen. Na het heerlijke eten komt een bekende dj en gaat het volume voluit: we kunnen elkaar niet meer verstaan. De jongeren van Statia verzamelen zich en het wordt big party. Wij oudjes besluiten onze borrel te beëindigen en Donna en ik dansen onze weg naar de dinghy’s, verbaasd nagekeken door de plaatselijke jeugd. Marc merkt daarbij droog op z’n Brits op: ‘too much booze’.

Op zondag gaan we de Quill op. Dat is de naam van de vulkaan van Statia, de op één na hoogste berg van Nederland. Dit is de mooiste wandeling van Statia, herinner ik me van tien jaar geleden. We nemen twee anderhalve liter flessen mee, een stevige lunch en een meloen. Het belooft een pittige tocht te worden. Naar boven is goed te doen. We lopen nog lekker in de schaduw van de bomen en we bereiken spoedig de top. Daar op dezelfde plek waar onze kinderen toen ook waren, eten we onze lunch en maken we een keuze voor het vervolg. We besluiten eerst de vulkaan te ronden en dan te kijken of we nog puf hebben om af te dalen in de krater. Het wordt een pittige tocht. Veel losse stenen en klimmen en klauteren. Eric herkent de blauwe markeringen met verf die hij maakte toen hij als vrijwilliger werkte voor natuurbehoud organisatie Stenapa. ‘Kijk die streep daar, ik herinner me dat daar het pad onduidelijk werd en ik een markering heb gezet’. Na een tijdje begin ik het zwaar te krijgen en zie dat ons water opraakt. Het is loeiheet en het zweet gutst van me af. Ik kan me niet beheersen als ik de fles aan mijn mond zet en klok al het kostbare vocht achterover. Wat nu? Het water is op en we zijn pas halverwege de toer rond de vulkaan. Dan zien we een bordje van de Botanical Garden, we weten dat de tuin in onbruik is geraakt, maar hopen toch dat daar water te vinden is. Eric gaat naar beneden en ik blijf achter en wacht. Een half uurtje later komt Eric terug: ‘de tuin was niet veel soeps maar kijk wat ik heb gevonden’ en hij tovert een volle fles water tevoorschijn. Er was daar een volle cistern met tap waarmee ik de fles heb kunnen vullen’. Overal op Statia gebruikt men cisterns om het regenwater op te kunnen vangen dat als drinkwater dient. We kunnen weer verder en maken onze toer rond de vulkaan af, het is prachtig en thuis wacht ons een heerlijke koude Carib. Een biertje smaakte nog nooit zo lekker.

Naast toeristische bezoekjes zijn we hier ook om wat werk te doen. Eric heeft als auteur en leider van een projectgroep een methode Nederlands als vreemde taal voor Caraïbisch Nederland ontwikkeld: Nederlands onder de zon. Ik heb toen ook meegewerkt met het maken van oefeningen en inspreken van leesteksten. Er zijn vier basisscholen op Statia en we bezoeken er twee: de grootste en de kleinste. Op de grootste school worden we verwelkomd door groep vijf en hun vakleerkracht Nederlands. De kinderen hebben vragen voorbereid en we geven antwoord in het Nederlands en hier en daar extra uitleg in het Engels. De kinderen zijn ontzettend enthousiast over Erics verhalen. Ze kennen de figuurtjes uit de verhalen en vertellen over hun eigen ervaringen met bijvoorbeeld heremietkrabben, naar aanleiding van het verhaaltje: woningruil, over deze dieren die bij elkaar komen op de berg en schelpen ruilen omdat ze te groot zijn geworden voor hun eigen schelp. Alle verhalen gaan over Statia, Saba en Sint Maarten, over de dieren en over het eiland. Ze zijn enthousiast over de tekeningen en de foto´s die ze herkennen uit hun eigen leefwereld. Ze willen van alles weten: hoe heeft u de verhalen bedacht, hoe lang duurt het maken van een boek, wie heeft de tekeningen en foto’s gemaakt, hoe kwam u op het idee voor de boeken, wat is uw favoriete verhaal, waarom heten de heremietkrabben Pamela en Edwin. Het is gezellig, de leerkracht is hartelijk en begeleidt de kinderen op een rustige, vriendelijke en enthousiaste manier. De kinderen vertellen dat ze bij het verhaal ‘Pannenkoeken bakken’ ook echt pannenkoeken zijn gaan bakken met hun juf. En op mijn vraag of de pannenkoeken lekker waren antwoordden ze: ’Ja heel lekker met stroop en suiker.’ Zo hebben ze spelenderwijs Nederlandse woorden geleerd. Het wordt een hartverwarmend bezoek, Eric krijgt kippenvel van ontroering terwijl het 30 graden is! ´Zo is Nederlands leren toch hartstikke leuk´, zeg ik. De juf is het er mee eens.

Op de kleinere school wacht ons een andere ervaring. De boeken ‘Nederlands onder de zon’ liggen ongebruikt in de kast. De leerkrachten weten nog niet zo goed hoe er mee om te gaan. Volgens de directeur missen ze een handleiding. De leerkrachten hebben zoveel veranderingen te verwerken dat dit teveel voor ze is. We beloven extra begeleiding. Wel zijn we welkom in de klasjes. De kinderen gaan enthousiast met ons op de foto en als we het schoolplein opgaan, waar ook kippen rondscharrelen, ontstaat er grote consternatie. Er loopt een enorme krab op de veranda. De kinderen schreeuwen en sommigen gaan op een stoel staan. Een juf veegt de krab met een bezem het schoolplein af en Eric de schrijver van de boeken vangt de krab in een krat en laat hem tweehonderd meter verderop vrij. Eén van de kinderen roept semi-teleurgesteld: ‘there goes my lunch’.

Er volgen nog twee bezoekjes: één aan het plaatselijke museum en één aan het supernieuwe, super- de-luxe resort aan de noordoost kant van het eiland.

We lopen naar het museum dat midden in het dorp staat. Het is een mooi wit huis met een knalrode bloeiende tamarindeboom ervoor. De expositie in het plaatselijk museum gaat over de geschiedenis van Sint Eustatius. Hoe Sint Eustatius in de 18e eeuw de Gouden Rots werd genoemd. Er waren plantages en er werd volop handel gedreven. In die hoogtijdagen kwamen er meer VOC handelsschepen naar ‘the Golden Rock’ dan naar Amsterdam. De pakhuizen lagen vol met goederen. Nog steeds staan de restanten van de pakhuizen langs de baai. Je kunt er met duiken of snorkelen nog van alles vinden. De dame van het museum laat me haar ketting zien gemaakt van blue beads:  ‘allemaal zelf gevonden, je moet er niet naar zoeken, maar op een dag vind je er gewoon eentje’. Blue beads zijn kralen waarmee de slaafgemaakten werden ‘betaald’ door de Nederlanders. Na de afschaffing van de slavernij werden ze door de vrijgemaakte slaven in zee gegooid en tot de dag van vandaag worden ze gevonden in zee of spoelen ze aan. Als ik de expositie bestudeer krijg ik weer datzelfde plaatsvervangende schuldgevoel. Slaven werden beschouwd als handelswaar en staan op de prijslijsten tussen vee en goederen. Wat een vreselijk onrecht is deze mensen aangedaan. Ik had het met de mevrouw van het museum over excuses aanbieden. Zij vindt dit ook belangrijk, maar het allerbelangrijkste vindt zij een breder bewustzijn bij de mensen. Overal moet er meer aandacht voor dit onderwerp zijn en vooral in het onderwijs, zodat we leren van de geschiedenis. Hier zie je de geschiedenis zo klip en klaar terug: hoe Nederland z’n kolonies uitbuitte en tot op de dag van vandaag zo’n welvarend land is over de ruggen van de Caraïbische bewoners en voormalig bewoners. De dame van het museum is zelf al een poosje op zoek naar haar roots. Eén afstammingslijn, tot zeven generaties terug, heeft ze terug kunnen vinden en die voert naar Guinea Bissau.

Op de laatste dag gaan we naar het nieuwe, on-Statiaanse, super-de-luxe resort aan de noordoost zijde van het eiland. Tijdens onze ronding van de vulkaan hadden we het resort al zien liggen. Een gigantische oppervlakte van vele hectares in de middle of nowhere. Tien jaar geleden reden we er met onze scooters weleens heen: een dorre rotsachtige vlakte met een enkele kale boom en wat scharrelende geiten. We rijden op een stoffige, verwaarloosde weg vol kuilen en gaten om ons doel te bereiken en vroegen ons direct af welke welgestelde hotelgast hier gebruik van zal maken. Welgesteld, omdat de kamerprijzen gaan vanaf 600 Euro. Een Nederlandse multi-miljonair die met rozenkweken zijn fortuin heeft verdiend is deze onderneming in 2019 begonnen. Als we aankomen zien we een enorm parkeerterrein met een paar auto’s. Dat belooft inderdaad geen grote drukte. We bezoeken het resort en worden onderweg vriendelijk begroet door medewerkers. We zijn zwaar onder de indruk, van hoe dit droge, dorre terrein is veranderd in een oase. Overal zien we jonge palmbomen, planten en bloemen. We lopen langs witte gebouwen en bungalows. Er zijn twee helderblauwe zwembaden met rondom lege ligbedden en ingeklapte parasols. Alles staat gereed voor hotelgasten, maar er is niemand. We lopen verder door de zinderende hitte richting grens van het resort, een rand met daarachter de rotsige kustlijn. Er is geen strand, dus is er een enorm zoutwaterbassin aangelegd. Bij de prachtig ingerichte Bobby’s beach bar bestellen we een drankje en de ober vertelt dat die avond een beroemde dj (dezelfde als van het Boardwalk Café) gaat draaien en dat de Statianen in grote getalen naar het resort zullen komen. Terug richting de ingang kunnen we mee met een toeristentreintje en we verbazen ons weer over alle lege voorzieningen en het prachtig aangelegde resort. Er is echt geen gast te bekennen. Natuurlijk levert dit resort werkgelegenheid op voor de bevolking van Statia, maar gaan hier ooit gasten komen met al die toeristische eilanden als Sint Maarten, Sint Barth en Antigua zo dichtbij? Zo ja, gaat dan dit nog echte, authentieke Caraïbische eiland totaal zijn charme verliezen?

In het volgende blog beschrijft Eric hoe het tijdens onze reis vaak meezit, maar soms ook tegenzit.

Karin

 

Eilandhoppen in de noordelijke Cariben

Statia, 10 juni 2023

Met een straf windje in de rug kruisen we de zeestraat tussen Les Saintes en Guadeloupe af. Met Catherine’s zeilen eerst over bakboord, daarna langs de zuidkust over stuurboord. Na een uurtje glijden we langs de westkust van het Franse overzeese departement. We zijn een tikje teleurgesteld: geen mooie ankerbaaien, stranden of beschutte plekjes. De jachthaven ziet er ook niet uitnodigend uit, waren we sowieso niet van plan, dus we zeilen door. We hebben onze hoop gevestigd op Petite Anse, op de kaart een kleine, beschutte baai. We varen naar binnen, zien een wit strandje, er ligt een handjevol zeilboten, hier gaan we ankeren. Hopelijk kunnen we ergens water vinden om onze vrijwel lege tanks te vullen. Ik vraag het aan een voorbijvarende man in een padvinderskostuum in z’n bijbootje. Er is een kraan op de kant. De man stelt zich voor als Thomas en is een hulpvaardige Duitser. Hij past op een catamaran in de baai, woont op een berghelling in een hutje, verzorgt daar wat zwerfhonden en katten en leeft van een klusje hier en daar. Onze versvoorraad is op en Thomas rijdt Karin met z’n autootje naar de super. Hoe aardig! Kom daar maar eens om in Rotterdam. Natuurlijk geven we Thomas een mooie fooi voor zijn spontane aanbod.

De volgende ochtend roept de man van de duikschool vanuit zijn rubberboot naar iedereen die het wil horen: ‘Dolphins!’ Twee dolfijnen zwemmen de baai in, een grote en een kleine, moeder en haar jong. Als ze twee rondjes hebben gezwommen spring ik met de actiecamera het water in, wie weet blijven ze nog even. En dan gebeurt het wonderlijke:  de dolfijnen blijven in de buurt, ik kom heel dichtbij, ze zwemmen langs en onder me door, Karin is er inmiddels ook en zij ziet de dieren op twee meter afstand. Ze schrikt zelfs opzij omdat ze zo dichtbij zwemmen! Het is een prachtige, indrukwekkende ervaring. De meterslange moeder kijkt ons in de ogen, het jong drinkt af en toe bij haar, het is een schitterend schouwspel.

We zijn gelijk verliefd op de baai. De aardige Thomas, de dolfijnen, en het krakkemikkige restaurantje (‘bonsoir mes enfants’ zegt de bejaarde uitbater als we op mijn 61e verjaardag aanschuiven op de houten bank), het is zo gastvrij en lekker ongedwongen. Petite Anse is onze uitvalsbasis. We huren een auto en trekken de bergen in. In dit zuidelijke deel van Guadeloupe, Basse Terre, domineert de vulkaan Soufrière het landschap. Wij rijden erheen en beginnen aan een wandeling (‘difficile’) naar de watervallen die van de steile hellingen naar beneden storten, de Chutes du Carbet. Net als op Martinique zijn de wandelingen keurig gemarkeerd, dankjewel Europese Unie, maar dat maakt de tocht er niet minder zwaar op. Het begin is vlak en met vlonders toegankelijk gemaakt, het laatste stuk is klauteren op handen en voeten over de rotsblokken, soms hangend aan de hulptouwen. Vooral Karin heeft het zwaar als ze last krijgt van haar kniebanden, een oude sportblessure. Maar ze bijt door de pijn heen en krijgt de beloning van een waterval van meer dan 100 meter hoog. De natuur is overweldigend en indrukwekkend, gister met de dolfijnen, nu bij de Chutes.

Maar de geschiedenis die we de volgende dag opzoeken maakt mogelijk nog meer indruk. Het slavenmuseum in hoofdstad Pointe-à-Pitre is beroemd en geprezen, het werd in 2017 verkozen tot Europees museum van het jaar. Het verhaal van slavernij wordt van A tot Z verteld, heden en verleden, op verschillende continenten en bij meerdere culturen. Misbruik en slavernij is van overal en alle tijden, maar de industrieel opgezette slavenhandel door de West-Europese landen krijgt in dit Memorial ACTe logischerwijs de meeste aandacht. De verschrikkingen van toen staan in schril contrast met de gastvrijheid die wij hier in de Cariben dagelijks ervaren van de nazaten van al die mensen die dit onrecht generaties lang hebben moeten ondergaan. Tegen onze regering zouden we willen zeggen: bied nou eindelijk eens die excuses aan. We rijden terug naar onze Catherine door Pointe-à-Pitre, een spookstad op zaterdag. In de uitgestorven straten zien we de fraaie Creoolse straatkunst, die we na vandaag niet los kunnen zien van het verleden.

Karins knie hindert haar te erg om de dag erop mee te lopen naar de top van de Soufrière. Bij het beeldje van de Maagd van Guadeloupe, de beschermheilige van Latijns Amerika, keert ze om. Ik loop in mijn eentje naar de top en merk dat het een heel andere ervaring is om alleen te lopen. Het loopritme gaat bijna over in trance, gedachtes gaan de vrije loop en er komt voor het eerst deze reis weer eens een ideetje op voor een nieuw liedje. Ik pak mijn phone en maak snel wat notities, hopelijk genoeg om later de muziek opnieuw te kunnen oproepen, want die cd waar we in Nederland aan werken als ik terug ben moet ook eens af! Ideeën zijn vluchtig, je moet ze pakken voor ze weg zijn. Op de top van de Soufrière is niet veel te zien, flarden koude mist bezorgen een prettige sensatie na maanden tropenhitte, maar hinderen het uitzicht op de krater van deze actieve vulkaan.  In 2017 trokken orkanen Irma en Maria over het gebied, enkele wandelroutes werden toen onbegaanbaar, maar mijn route is goed aangegeven en begaanbaar. Eenmaal terug aan de voet van de berg tref ik Karin. We nemen het ervan in het thermische bad, verwarmd door de vulkaan, en rijden daarna het steile, kronkelende bergweggetje af, terug naar Catherine in de baai.

Na een weekje in Petite Anse is het tijd om te gaan. We gaan nog een keer eten in het restaurantje (‘la même poisson, la même dessert, la même vin blanc, la même femme?’ grapt de gastheer/ober/kok) en we gaan de volgende dag ankerop. Dag Petite Anse, hallo Deshaine. In dit leuke stadje hangen we een paar dagen rond, bezoeken de markt en de lokale loodgieter die ons hopelijk aan wat onderdeeltjes voor de lekkende douchekraan kan helpen. ‘Non’ luidt zijn antwoord op elke vraag die ik stel. Heeft u een koppelstukje? Een doucheslang? Een andere oplossing? Een suggestie wellicht? ‘Non’. Ik geef het op, niet iedereen is aardig en behulpzaam, en zit even later met Karin aan een koud biertje. De dag erop wandelen we naar de heuveltop en dalen aan de andere kant af naar een vrijwel verlaten strand. Dan trekken we de conclusie dat het tijd is om verder te zeilen. De kalender is onverbiddelijk, het orkaanseizoen komt eraan en we willen nog veel meer noordelijke eilanden bezoeken voordat we in juli naar het orkaanveilige Curaçao afdalen.

In 1997 zat ik naar het NOS Journaal kijken, toen de beelden van een allesverwoestende vulkaanuitbarsting de huiskamer bereikten. Wat een natuurgeweld! Deze vulkaan Soufrière – er zijn meerdere Soufrières in de Cariben –  op Montserrat werd in 1995 opeens actief. Iedereen werd door de eerste uitbarsting verrast. Na een volgende klap in 1996 volgde in 1997 een enorme explosie. De bergtop spatte uit elkaar. Alle bewoners van het hoofdstadje Plymouth waren geëvacueerd, toch is het een wonder dat er niet meer dan 19 doden vielen. Die tv-uitzending voedde mijn ontzag voor natuurkrachten en -geweld en Montserrat staat er symbool voor. Nu hebben Karin en ik vanaf Catherine Montserrat in het vizier, terwijl een stevige 6 Beaufort ons gereefde zeilbootje naar de zuidwestpunt blaast. Van verre zien we al de glooiende helling die is gevormd door de lavastromen. We zien ook de ruïnes van het verwoeste Plymouth. Die middag gaan we voor anker in Rendezvous Bay en klaren in. Het lukt ons om met onze buren, een stel dat vanuit de Falklands hierheen is gezeild, mee te gaan op excursie. Spoorslags worden de permits geregeld door onze gids Sun, die opgroeide in Plymouth en ons de plekken uit zijn jeugd laat zien. Daar, de bibliotheek. Kijk, hier woonde ik. Daar, de stadsklok waar alle jongeren ’s avonds elkaar ontmoetten. ‘Ik heb er zulke fijne herinneringen aan. Er is niets meer van over’, zegt Sun. Hij heeft honderden keren bezoekers rondgeleid, maar we zien dat de verwoesting hem nog steeds emotioneert. Daar, zegt hij, zie je de bovenste van zes etages van een hotel. De onderste vijf lagen zijn verdwenen onder as. Tweederde van Montserrat is verwoest en verboden gebied. De vulkaan slaapt, kan weer actief worden en houdt het eiland in de houdgreep. Hoe moet het nu verder met Montserrat? ‘We are living in limbo’, zegt Sun.

Op het leefbare deel van Montserrat bruist het eiland. De ontzettend vriendelijke bewoners laten zich niet kisten. Velen hebben jaren doorgebracht op andere eilanden of zijn naar Groot-Brittannië geweest en weer teruggekeerd. Niet iedereen kwam terug, de eilandbevolking is na 1997 gehalveerd, maar de mensen die wij ontmoeten hebben de draad opgepakt. Voor jongeren is het natuurdrama iets uit het verleden. Ze weten niet beter. Het toeval wil dat precies op de avond van ons bezoek aan Plymouth een BBC-documentaire in première gaat, die vrijwel  gelijktijdig op de BBC-tv en in het culturele centrum op Montserrat wordt vertoond. Keurige dames en heren en netjes geklede kinderen bezoeken de voorstelling in het gebouw dat is gedoneerd door George Martin. Kent u die nog? Hij was de producer van de Beatles. Hij had in de jaren tachtig een muziekstudio op Montserrat. Talloze sterren hebben hier muziek opgenomen: Paul McCartney, Dire Straits (Brothers in Arms), The Police (Synchronicity) en nog vele, vele anderen. Er is een documentaire over gemaakt: Under the volcano. Na het vulkaangeweld organiseerde George Martin een benefietconcert en van de opbrengst is onder andere dit culturele centrum gebouwd. Aan de wand hangen afdrukken van handen van al die beroemdheden. Opvallend is dat de handen van gitaarhelden veel kleiner zijn dan de mijne!

We verlaten Montserrat. Want wij zijn reizigers, we moeten verder, hoewel we soms het gevoel hebben dat we liever willen blijven waar we zijn. Maar ja. Volgende eiland dat we aandoen na een dagdeel zeilen: Antigua. Een Saint Tropez voor rijke zeilers, dat heeft voor ons het voordeel dat er van alles te koop is voor de boot. We hebben dringend een nieuwe accu nodig. En installatiespulletjes voor die douchekraan. We vinden de spullen direct, vullen vervolgens de watertanks terwijl een protserige Amerikaan met zijn werkelijk enorme catamaran – met de stars and stripes die nog groter is dan hemzelf schreeuwerig wapperend opdat iedereen het moet zien dat hij Amerikaan is, hijzelf staat op zijn apenrots achter het stuur op wel vijf meter hoogte – ons nog even in de weg zit. Wij varen de haven uit, gaan gelijk het hoekje om, naar een stille baai, wat een rust hier weg van de poeha, om vandaaruit de volgende ochtend ankerop te gaan en koers zetten naar Barbuda. Een uur of vijf zeilen.

Barbuda? Nee, niet Barbados, Barbuda. Een stipje op de kaart, het eilandje hoort bij Antigua. Het contrast met het moedereiland kan niet groter. Het is plat, met prachtige kilometerslange witte stranden, in het midden een grote lagune met ongerepte mangrovebossen en een vogelreservaat waar de fregatvogel zich massaal voorplant. Het is oppassen hier in de kustwateren, het gebied is matig in kaart gebracht, de Navionics-kaart waarschuwt om goed uit te kijken voor ondieptes met rotsen en riffen. Karin staat op de punt en ja hoor, recht voor ons doemt een flink rif op, dat we herkennen aan de afwijkende, groenige kleur en waar golven soms op breken. We gaan er met een boog omheen en gooien het anker uit in zandgrond. Het is vrij open, maar we liggen redelijk. We zien de eerste twee dagen helemaal niemand, niet op het strand of het onontgonnen gebiedje erachter. Daar struikelen we bijna over het kadaver van een paardje of ezel. We snorkelen bij het koraalrif waar we omheen voeren: het is het mooiste en gezondste dat we tot nu toe in de Cariben hebben gezien. Dan gaan we iets verder kijken, twee uurtjes zeilen om het westhoekje, in de hoop er iets meer beschutting te vinden.

We varen vlak langs het witte strand, dan passeren we de doorgang naar de lagune. Golven breken, witte koppen, blauw zeewater ontmoet donkerder binnenwater.  De diepte neemt wat af maar blijft minimaal drie meter. Dat is genoeg. Verderop zien we daken, volgens de kaart moet daar ergens onze ankerplek zijn. Als we dichterbij komen zien we dat het de resten zijn van een luxe hotel. Het is in zee gezakt toen orkaan Irma hier in 2017 overheen raasde. Een heel stuk strand is verzwolgen door de zee en heeft het hotel meegenomen, de doorgang naar de lagune is een stuk verbreed. Een groep zwerfhonden blaft ons vanaf het strand tegemoet. Na drie dagen Barbuda hebben we nog steeds geen mens gezien. Catherine ligt inmiddels onrustig maar vast achter het anker. We maken bijboot Billy klaar, want we gaan alvast uitklaren in het hoofdstadje Codrington. Na een paar honderd meter begint de motor te pruttelen en houdt ermee op. We roeien terug naar Catherine. Ik pruts wat aan de motor, vermoed wat water in de carburateur, die ik aftap, en we gaan weer. Even later klotsen we door de opening en varen de lagune binnen. Het lijkt een tropisch Tjeukemeer, groter maar net zo ondiep. Na een half uur knopen we Billy vast aan de kade en zien eindelijk de eerste bewoners. Douane en immigratie zijn in het dorp. Twee stoere jongemannen wijzen ons vriendelijk de weg. Rechtdoor tot de kerk. Yeah man! Als we erheen lopen zien we een troosteloze leefomgeving. Irma heeft hier werkelijk alles weggevaagd. De ene bouwval na de andere, een paar huisjes zijn hersteld, enkele nieuwe zijn gebouwd, de meeste huizen zijn provisorisch bewoonbaar gemaakt. Mannen werken aan de telecommast. Codrington is stoffig, heet, vervuild, maar de mensen vriendelijk. Nadat Irma Barbuda letterlijk met de grond heeft gelijk gemaakt, zijn alle mensen geëvacueerd. Twee jaar lang is Barbuda onbewoond geweest. Dieren bleven achter, zoals die verwilderde honden op het strand, en de ezels en paardjes die nu hun kostje bij elkaar scharrelen in het stadje. Een man jaagt een vermagerd paardje weg: de dieren zijn overbodig en proberen zoals de mensen hier te overleven. Het contrast met de prachtige stranden is enorm. Zal Barbuda er weer bovenop komen? Enkele zeilers bezoeken het eiland weer, maar de paar resorts en hotels die er waren zijn vrijwel allemaal beschadigd en gesloten. Ook nu weer zien we, na Montserrat, dat de natuur niet met zich laat fukken.

Dit gebied, noordoost Cariben, de bovenwindse eilanden, is een toeristische trekpleister. Het is de plaats voor resorts, luxe hotels en afgesloten privé-domeinen voor de beroemden op aarde. Een aantal Caribische eilanden wordt dagelijks platgewalst door de duizenden passagiers van grote cruiseschepen, die als een zwerm muggen bezit nemen van een stadje en dan als een speer weer vertrekken. Antigua, Sint Maarten, Anguilla, Sint Baths bieden de ultieme dreadlock holidays, onder parasols met cocktails en zwembaden. Wij ervaren dit gebied totaal anders. We liggen meestal als enigen in een vergeten baai of aan het strand. Als we wandelen in de heuvels komen we niemand tegen. Er is nog zoveel te ontdekken, meer dan wij in de paar maanden dat we hier zijn kunnen doen. We zijn onder de indruk van wat het natuurgeweld kan aanrichten, maar misschien nog wel meer door de ongelofelijke gastvrijheid en vriendelijkheid van al die bewoners die er op hun eiland het beste van maken.

Dan is er nog één landje dat we aandoen, voordat we  koers zetten naar Sint Eustatius: Sint Kitts and Nevis. Een dag zeilen volgt, halve wind 20-25 knopen, een echte pittige zee. Waar komen opeens die hoge golven vandaan? Heeft het gestormd op de oceaan? We zeilen prima, maar het is behoorlijk hotseklotsen. Einde middag varen we door The Narrows, dat Nevis van hoofdeiland Sint Kitts scheidt. Ook hier weer oppassen voor ondieptes, aldus de vaarwijzer. We ankeren linksaf om de hoek bij het hoofdstadje van Nevis, Charleston, aan de voet de vulkaan. Daar klaren we in. Na de verwoesting van Barbuda is duidelijk dat dit eilandje geluk heeft gehad. De huisjes spik en span, fleurig geschilderd, op straat is het een vrolijk gebeuren. We zitten op het bankje in het centraal gelegen miniparkje, en zien iedereen voorbij trekken: moeders met kindjes, mannen in uniform, de dorpsgek zit naast ons en groet vrijwel iedereen, twee meiden lopen achter hun mobieltje aan, stoere jongens kijken hen na, oma ploft ook even naast ons neer, een passerende suv met boem-boem-speakers probeert indruk te maken, de minibusjes kondigen toeterend hun aanstaande vertrek aan, want we zitten blijkbaar naast de busstop. Hier op Nevis gaat het leven z’n dagelijkse gangetje. Na drie nachtjes koersen we naar Sint Kitts, een uurtje varen tot Shitten Bay. Het is de uithoek van het eiland, hier is geen bebouwing, we horen alleen de geiten op de hellingen. Wij liggen er als enigen, enkele tientallen meters verder ligt een verroest scheepswrak, op de rotsen gekwakt tijdens een of andere storm. Dan komen de dagjesmensen, opeengepakt op felgele catamarans, ze snorkelen een uurtje bij het wrak en zijn weer weg. De volgende dag, als we gesnorkeld hebben bij het wrak, krijgen we bezoek. Een paar bijen houden zich op bij de buitendouche. Dan zie ik een bij terugvliegen naar het land, hij haalt zijn vrienden, en komen er later hele zwermen zich laven aan ons zoete water. Blijkbaar hebben ze dorst in deze droge tijd. Helaas worden het er meer en meer, ze vliegen ook naar binnen, hangen aan de keukenkraan. We raken niet in paniek, maar het voelt onaangenaam, het zijn er te veel. Dan ontdekken we dat we ze met emmers zout water kunnen verjagen. Na een uurtje oorlog tegen de bijen (sorry!) zitten we met een biertje opgelucht in de kuip. Als we de volgende ochtend wakker worden van het gezoem van nieuwe bijenzwermen gaan we ankerop.

We varen de jachthaven van de hoofdstad in. Na Antigua hebben we elke nacht matig geslapen door het gerol van Catherine op de deining. Wat is het heerlijk om na twee maanden weer eens aan een steiger te liggen! We doen wat boodschapjes, kijken rond in het sfeerloze stadje Basse-Terre. We hebben moeite ons open te stellen, we hebben zoveel indrukken opgedaan de laatste weken dat we behoefte hebben aan rust. En vooral: Sint Eustatius, Statia, het eiland waar we tien jaar terug een half jaartje hebben gewoond, een zeer bewogen periode, ligt vlakbij op ons te wachten. Morgen zeilen we er heen.

 

Eindelijk weer zwervend over zee

Het Verdrag van Parijs, in 1815 overeengekomen na Napoleons definitieve nederlaag bij Waterloo, had een aantal verrassende bijeffecten. Eén ervan is dat ik nu aan een ronde, rode Bordeaux, appelation contrôlée, nip, bijgestaan door sneetjes baguette met Blue d’Auvergne en een rijpe, inzakkende camembert. Dit alles aangeschaft in een supermarché op Marie Galante, het Schiermonnikoog van Guadeloupe, het Caribische departement van Frankrijk, dat in 1815 gek genoeg aan Frankrijk werd geschonken, terwijl het land de wonden likte na Napoleons vernederende nederlaag. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, vaak pijnlijk, nu aangenaam. Karin nipt aan haar Chardonney nummer twee, terwijl we terugblikken op de laatste maand hier in de Cariben. Hoe zijn we hier beland, nadat Catherine in Trinidad op 4 april na een flinke klusbeurt te water werd gelaten, terwijl we nooit eerder van Marie Galante hadden gehoord? Of van Les Saintes, waar we morgen heen zeilen?

Het is 14 april, 33 jaar plus één dag nadat Karin en ik elkaar de eerste kus gaven, als we het haventje van Peake uitvaren en we een fase van onze reis afsluiten: in 2020 zijn we door covid in Trinidad beland en werd Peake onze tijdelijke thuishaven. Vandaag begint een nieuw avontuur.  Het is middag, na een half uurtje is ons tochtje alweer klaar als we ankeren in Scotland Bay. Morgenochtend vertrekken we vanaf hier, uitgerust na een nacht tussen brulapen die wonen op de steile beboste hellingen waar geen mens zich waagt. ’s Ochtends check ik alles drie keer; het blijft altijd spannend om na langere tijd weer een overtocht te doen met een nacht op zee. Rond 11 uur starten we de motor, het geknor van het dieseltje klinkt na een grote onderhoudsbeurt geruststellend. Hup, ankerop, we hijsen het gereefde grootzeil, motoren nog even door de Bocas del Dragon en als we deze slangenmuil – door Columbus zo genoemd – verlaten komen de korte steile golven, aanrollend vanaf de Atlantische oceaan, ons tegemoet. Vorig jaar werden we erdoor verrast, maar deze keer zijn we voorbereid. We rollen de genua voor driekwart uit, de motor gaat uit, Arie de windvaan staat ook paraat en voordat we het goed en wel doorhebben, zeilt Catherine zichzelf. Makkelijk gaat het niet: Catherine maakt harde klappen als zij voor de zoveelste keer in het golfdal stort. De hele boot trilt en schudt.

We zijn weer alleen en op onszelf aangewezen, op zee, met z’n tweeën op ons bootje van 11 meter. Het blijft een bijzonder gevoel dat dit zomaar kan. Een zeiltje hijsen en ver, ver weg zeilen. We weten nog steeds niet wat de eindbestemming van ons meerjarige zeilavontuur wordt, wel dat we deze keer koers zetten naar tussenstop Carriacou, zo’n 120 zeemijl verderop. En daarna Guadeloupe.

Ik kijk omhoog, zijn de zeilen goed getrimd? Ook als ik weet dat ze prima staan, kijk ik er duizend keer naar. Had ik deze keer beter niet kunnen doen, want de klep van mijn petje wordt gevangen door de wind en ligt in zee. In een flits denk ik: goeie man-over-boord oefening, snel gevolgd door de laat-maar beslissing. De pet zit vol gaten, met een verroest logo erop en verfvlekken. Ik neem afscheid van de pet die ik al draag sinds ons vertrek uit Nederland in 2019.

Aan de horizon doemt Hibiscus, een groot boorplatform, op. We zijn op onze hoede, want vorige week liep hier een zeiljacht op een onbestemd ding. Boem! In een klap lag de boot stil. Was het een walvis? Of, zoals de schipper vermoedde, een of andere pijpleiding? De boot kwam met een deuk in de kiel maar zonder ernstige averij aan in Chaguaramas. De schrik zat erin, de zeilersgemeenschap raakte er niet over uitgepraat. Wij houden gepaste afstand van Hibiscus.

Het fel verlichte booreiland verdwijnt achter de horizon als de lichtgloed van Grenada dichterbij komt. Rond middernacht zeilen we langs de zuidkust en ronden de zuidwestkaap. Het gebiedje staat bekend als de ‘washing machine’ vanwege de rommelige, ondiepe zee waar stroming en wind een ingewikkelde dans met elkaar aangaan. Vannacht valt het mee, en als we de kaap hebben gerond valt de wind weg. Zoals verwacht, achter elk eiland is de wind geluwd. Motorend gaan we de nacht in en op de motor varen we de nacht ook weer uit. Als de zon opkomt zijn we Grenada gepasseerd, de wind trekt aan, motor uit, zeilen gaan omhoog. We varen over de onderwatervulkaan Kick ‘m Jenny, maar gelukkig is er geen geologische activiteit te bespeuren. Geen gasbellen of gerommel. Twee uurtjes later varen we de baai van het onbewoonde Ronde Island binnen, gooien het anker uit en doen een dutje. Rond het middaguur gaan we weer ankerop en worden we met een stevige Caribische bries naar Carriacou geblazen. Dan zit ons eerste oversteekje erop.

Carriacou voelt als thuiskomen na een lange vakantie. We lopen een aantal bekenden tegen het lijf, collega-zeilers en nemen plaats in bekende restaurantjes. We worden hartelijk verwelkomd, onder andere bij Hard Wood. Een suggestieve naam, met expliciet logo op de gelijknamige boot. Het suggereert een machosfeertje maar drie generaties vrouwen in het bescheiden onderkomen zorgen voor een warm, knus sfeertje. Drie Engelse dames op leeftijd zuipen zich klem, lokale bejaarde mannen bespreken luidkeels de actualiteit van het eiland, twee zeilers uit Rotterdam mengen zich moeiteloos in het gezelschap. ‘Welcome back!’, zegt mevrouw Hard Wood. Haar kleinkind, die we vorig jaar nog als zuigeling een aai over de bol gaven, is nu een goedlachse dreumes en gaat van hand tot hand. Ook Karin geeft het kindje een warme knuffel. Dit is een café, restaurant, buurthuis en huiskamer ineen, zeg ik tegen oma Hard Wood. ‘Yes!’ lacht ze instemmend.

Na enkele nachten in Tyrell Bay en bij Sandy Island ankeren we om de hoek bij Saline Island, waar we zeeschuimer Addy en zijn Annie nog even gedag zeggen. Geweldig dat onze koelkast op zonne-energie zoveel benodigde biertjes kan koelen! Addy heeft er acht rondjes Atlantische Oceaan opzitten, we kwamen hem in 2019 tegen op Porto Santo. De volgende dag is het tijd om te gaan, we zeilen door. Nu gaan we twee nachten de zee op. Bestemming Marie Galante bij Guadeloupe.

Het wordt een voorbeeldig tochtje. 15 knoopjes wind, rustige zee, tijd voor goede gesprekken, gelanterfant en ook koken is nu geen probleem. De equatoriale zeestroming duwt ons in de rug, we gaan harder dan verwacht. Omdat we niet in de nacht willen aankomen op Marie Galante, halen we de vaart uit Catherine. De tweede nacht is magisch: vrijwel windstil, maar nèt genoeg wind om de zeilen te bollen, de zee is volkomen vlak onder een uitbundige sterrenhemel. Catherine glijdt met een slakkengangetje geruisloos over het water dat Dominica en Guadeloupe scheidt. Als de zon opkomt trekt de wind aan, we vinden bij Saint Louis een beschutte ankerplaats. Daar vinden we in de supermarkt alles waar we zo’n trek in hebben. We verplaatsen de boot naar Anse Canot, een prachtige baai met witte krijtrotsen á la Dover. Erachter ligt een rivier. We lopen erheen met de opblaaskano op mijn rug en ervaren weer eens de bijzondere weldaad van zoet water.

Marie Galante is plat en dat is bijzonder in deze door vulkanisch geweld gevormde eilanden. Aan de horizon zien we de bergen van Les Saintes, de volgende bestemming, een groepje kleine eilandjes, bejubeld in de gidsen, populair bij zeilers. Eenmaal daar blijkt het een toeristisch bolwerk van jewelste. Zo anders dan het slaperige Marie Galante, Carriacou en de andere Grenadines! We ontvluchten de drukke strandjes en de toeristenwinkels en lopen de berg op. Opmerkelijk: op deze prachtige wandelroute komen we vrijwel niemand tegen. Het is even afzien, steil, warm, maar op de top is het uitzicht geweldig.

De volgende dag bezoeken we Fort Napoleon, want ook hier heeft het Verdrag van Parijs zijn effect gehad. Napoleon werd verbannen en was in Europa persona non grata. Maar hier, op Terre de Haut van Les Saintes, besloten de Fransen een fort te bouwen en hun voormalig leider te eren die Europa in een poel van oorlogsellende heeft gestort. De geschiedenis kent vele rare zijsprongen en werkt door in het heden, realiseren we ons die avond wederom, als we de Bordeaux en Chardonney ontkurken.

Van Saint Lucia naar uitvalsbasis Trinidad

Rotterdam, december 2022

Met ons hoofd zitten we in de Cariben, maar een blik naar buiten haalt ons terug naar de werkelijkheid. De regen valt onophoudelijk uit de donkergrijze lucht, de Hollandse westenwind giert rond ons vooroorlogse, in de Rotterdamse kleibodem scheefgezakte pandje. De decembermaand is nat, een binnenvaartschip vaart behoedzaam over de mistige Delfshavense Schie, de week erop is het koud, met ’s ochtends de rijp op het groen. Net als in 2018, een half jaar voor ons vertrek met Catherine voelen we opnieuw het verlangen naar verre, warmere oorden, de zin om onbekende landen en kleine eilanden te gaan bezoeken, zin om uit de voorspelbare alledaagsheid te stappen. We hebben het heel fijn in Nederland, met alles wat we doen, vrienden, familie, ons gezin. Maar. Het kriebelt en knaagt. De reiziger heeft nooit rust. Dus gaan we weer. Begin 2023 hervatten we onze zeilreis om te gaan zwerven langs de Caribische eilanden.

Voordat we verder zeilen kijken we terug op de laatste maanden. Want wat is er veel gebeurd sinds ons vorige blog!

Het is half juni, als we in de kuip zitten, Catherine voor anker in de monding van Marigot Bay, Saint Lucia, na een drukke dag op stap met onze gehuurde terreinwagen. “Over twee weken gaat onze vlucht naar Nederland,” zegt Karin. Ze kijkt er een beetje mistroostig bij. We zeilen zuidwaarts, richting Trinidad. Het orkaanseizoen is aangebroken en in Trinidad is de kans heel klein dat een tropische storm of een heuse orkaan je bootje aan diggelen blaast. “We moeten vertrekken, richting Trinidad, om haasten te voorkomen.” Verstandige opmerking. In tijdnood maken zeilers vaker verkeerde keuzes. Ofwel: een zeiler zonder haast heeft altijd wind mee. Nu hebben we nog marges om slecht weer te vermijden. Karin voegt eraan toe: “Ik wil wel graag een tussenstopje maken in Carriacou. We hebben het daar zo fijn gehad.” De volgende dag gaan we ankerop. We zeilen langs de Pitons, de twee pieken die als een soort Euromast symbool staan voor het land: zelfs het lokale bier is ernaar vernoemd. Dan zeilen we langs Saint Vincent en alle Grenadines, de dag wordt nacht en weer dag, de eilanden trekken aan bakboord als een film voorbij, terwijl we met een heerlijk stabiele halve wind op z’n boerenfluitjes voort gaan. Gek, maar nu we weten dat we binnenkort weer in Nederland zullen zijn genieten we extra van het zeezeilen.

Eenmaal in Carriacou, voor anker bij Sandy Island, lezen we op Facebook een bericht van een zeiler in de buurt: “Am I the only one who is freaking out?” Bij het bericht staat een screenshot van Windy. Donkerrood overheerst. Verwachte winden tot wel 60 knopen. Geen verwoestende orkaan, maar pakweg 110 km/u wind, windkracht 11, is een gevaar voor schip en bemanning. Veel is nog onzeker, de storm komt over vijf dagen, maar juist daarom besluiten we niet af te wachten. De komende dagen is het weer gunstig voor de oversteek naar Trinidad. In Tyrell Bay van Carriacou, waar we uitklaren en de watertanks van Catherine aftoppen met drinkwater, is de storm hét gespreksonderwerp: “Wat doen jullie?” Wij twijfelen niet: we gaan. Eerst sturen we Catherine tussen Carriacou en Ronde Island door, om oostelijk langs Grenada, de kant van de oceaan, te zeilen. De oversteek naar Trinidad wordt de laatste van dit seizoen. En misschien wel de mooiste. Niet eerder tijdens onze reis is de halve wind zo stabiel als nu: constant 18-20 knopen, geen vlagen, geen gedoe. `s Nachts passeren we het lichtjesfestival van Hibiscus, het grote olieplatform, en in de vroege ochtend is daar de ruige kustlijn van Trinidad. Al urenlang horen we op de marifoon oproepen voor Tiger Lily, de boot die enkele uren voor ons vertrok vanuit Carriacou. We horen geen antwoord. Er zou toch niets aan de hand zijn? Het laatste uur gaat de motor aan, Venezolaanse vissers varen voorbij, zwaaiend, de snelle veerboot naar Tobago scheurt langs. We sturen door de Boca del Dragon, de Slangenmuil, de smalle opening tussen Trinidad en het eilandje Monos. Stevige getijdestroom tegen, de motor, hard toe aan een onderhoudsbeurt, moet er nog even aan trekken, en dan zijn we een half uur later in de Golf van Paria, de deining is weg, het voelt als binnenwater. Nog een zeemijl en dan pakken we een ankerbol in Chaguaramas. Het voelt vertrouwd, als thuiskomen: home is where the heart is. We zien Tiger Lily voor anker liggen: alles is oké.

 De weersvoorspelling is er niet beter op geworden, de storm trekt zuidelijker dan eerder verwacht en zou zelfs Trinidad kunnen raken. We willen naar de veilige ankerbaai Scotland Bay, maar moeten eerst inklaren. Daarvoor hebben we een Health Clearance nodig. Een ambtelijke formaliteit, we zijn gevaccineerd dus het is geen probleem, maar we hebben die verklaring nodig van het ministerie van gezondheid. Die laat op zich wachten, ondanks aandringen van de geweldig behulpzame Yvanna van Peake, waar we komende week Catherine op de kant zetten. Pas op de ochtend van de storm gaat het licht op groen. Met onze gezondheidsverklaring tuffen we met Billy de bijboot naar de customs en immigration. Nadat de carbonpapiertjes, nodig om alle formulieren in viervoud te kopiëren, hun werk hebben gedaan en alle stempels zijn gezet, varen we eindelijk naar Scotland Bay. Gelukkig is er genoeg plek: een handjevol boten zijn vastgeknoopt aan de mangroven. Wij liggen midden in het baaitje, met net genoeg ruimte om te zwieren. Het is inmiddels aan het schemeren en het regent als ik vanuit Billy het tweede anker uitbreng. Dan is het wachten op wat komen gaat. Maar er komt niets! Het blijft heel de nacht windstil en stil, afgezien van de brulapen en de regen op het dek van Catherine. Vanaf Carriacou horen we de volgende dag van vrienden dat de wind daar aantrok tot 40 knopen, minder dan voorspeld, enkele jachten hadden krabbende ankers, maar er zijn geen ongelukken gebeurd. En in Trinidad heeft het flink geregend, met overstromingen tot gevolg. Maar de wind bleef gelukkig weg. De dagen erna, westwaarts,  zou de storm aanzwellen, kreeg de naam Bonnie, en boven de Caribische Zee werd Bonnie een orkaan die, eenmaal aan land in Midden Amerika, flinke ravage zou veroorzaken.

De volgende dag in Chaguaramas zitten we aan het bier met onze nieuwe vrienden van Tiger Lily, een liefdevol Braziliaans gezinnetje. We hebben nog een week voor onze vlucht naar huis en besluiten tot een tochtje naar Chacachacara en Tiger Lily reist de dag erop ons achterna. Het is twee uurtjes zeilen over de Golf van Paria. Het kleine, hoefvormige Chacachacara, onbewoond, omcirkelt ons als het ware. We zijn de enigen hier, waarschijnlijk omdat het zo dicht bij Venezuela ligt, dat een bedenkelijke reputatie heeft voor piraterij. Preventief heb ik de ais uitgezet en het ankerlicht brandt ’s nachts niet. We zijn onzichtbaar. De patrouillerende Coast Guard komt even om het hoekje en stelt ons gerust. Met enige fantasie zie ik de Santa Maria van Columbus liggen, die hier in augustus 1498 voor anker lag. Chacachacara was tijdens de oorlog een Amerikaanse marinebasis en een leprakolonie tot 1984. We stappen op het steigertje en gaan aan land. Het is een spookachtig eiland, de roofvogels cirkelen boven de klapperende golfplaten daken van het verlaten ziekenhuis en de barakken. De stapelbedden staan er nog. Een begraafplaats. Een overwoekerde toegangsweg. Verder is er niets. Een groter contrast met het stereotiepe beeld van de Cariben – parasollen, beach bars, de dreadlock holiday, barbeques op het strand – is nauwelijks denkbaar. Na Chacachacara, terug bij Peake, met Catherine opgebokt tussen andere vertrekkersboten, beleven we nog één keer een gezellig avondje met andere cruisers. De flesjes Carib in de bak met ijs, de barbecue rookt, de gesprekken gaan over en weer. Zeilen in de Cariben: zoveel afwisseling, we zijn er nog lang niet op uitgekeken.

De KLM vliegt ons naar Schiphol. Joris haalt ons op en opeens zijn we thuis. Vreemd en vertrouwd tegelijk. Vertrouwd vanwege Joris, Liselot, poes Pippie, ons huis, de buurt, de buren, vrienden, Rotterdam, de terrasjes. We kennen hier elke straathoek. Twee dagen later sta ik al met mijn muziekvrienden in de oefenruimte. De plannen voor een optredentje zijn snel gesmeed. Dezelfde week bekijken we een campertje, een pittig busje met hefdak. Alsof die op ons staat te wachten! We rekenen af en rijden een paar dagen later de showroom uit. Liselot is dan al verhuisd naar ons vorige appartement. We rijden ons campertje naar het charmante jachthaventje De Hitsert, waar Liselot met vriendinnen Irene en Maud een bejaarde Victoire 25 in de vaart houdt. We zeilen een dagje mee op het Haringvliet, Joris en Maud komen langs en tijdens het nuttigen van wat versnaperingen wordt ons blauwe busje gedoopt tot Bes. We rijden de week erop via de Vogezen naar Zwitserland, wandelen door bossen en bergen, rijden door naar de Auvergne, waar we een weekje bij Le Vertige verblijven. Een prachtlocatie, gastvrij gerund door een ex-collega van Karin en zijn vrouw.

Terug in Nederland ontvoeren Joris, Liselot en Maud ons de dag erop naar Schiermonnikoog. Het wordt een heerlijk verrassingsweekend, een verlate viering van onze verjaardagen. In Hotel Van der Werff drinken we biertjes met de bemanning van Zeevalk: we kwamen ze in maart 2020, een week voor corona, tegen op de Surinamerivier, maakten op het water een praatje van 10 minuten, zij kwamen aan, wij vertrokken naar Tobago. Ze runnen nu de boetiek Zouterik op Schiermonnikoog. Karin begint die maandag gelijk aan haar nieuwe baan bij haar oude werkgever: Nederlandse les aan Oekraïense minderjarigen. Dat had ze onder de tropenzon vanuit de kuip in Catherine al geregeld.

We helpen Joris met zijn nieuwe motor in zijn zeiljacht Jonathan. Hij en Maud kopen een huis in de buurt. Liselot heeft inmiddels gesolliciteerd in het ziekenhuis op Curaçao: daar begint ze in januari bij de interne geneeskunde. Ik ga verder met muziek opnemen met muziekvrienden Pim, Eva en ook Joris speelt mee. Eigen composities die, gerealiseerd tussen het wereldzeilen door, moeten resulteren in een mooie cd: ‘Sail away, the wind tells me where to go. Sail away, I don’t know where I’ll be. Sail away, and drop the anchor in some shallow sea”. Weinig dingen zijn mooier dan muziek maken, creëren, uitvoeren en luisteren. Nou ja, misschien is zeezeilen nog mooier. Misschien.

Dan zijn we in mineur: onze allerliefste kat Pippie is ziek. Hoe lang heeft ze nog te leven? We genieten van haar aanwezigheid zo lang het kan en knuffelen zoveel we kunnen. Als ik in november twee weekjes naar Trinidad vlieg om te klussen aan Catherine krijg ik al snel het voorziene bericht: het gaat niet langer. De volgende dag laten Karin, Joris en Lies haar vreedzaam inslapen. Ik huil mee op afstand, alleen in de kuip van Catherine.

Mijn verhaal over de Cariben ligt dan al bij de eindredactie van Zeilen magazine. Ik heb maar liefst twaalf pagina’s ruimte gekregen om een mooi verhaal te maken! Als de Zeilen van december dan op de mat valt is het spannend, maar gelukkig ziet het er geweldig mooi uit, de eindredactie heeft het werk goed gedaan, er zijn fraaie zeekaarten bij getekend met suggesties voor routes en ankerplaatsen die zijn gebaseerd op onze eigen ervaringen en waarnemingen. Een voorproefje vind je hier. We zitten inmiddels in december, de kerst nadert. Dan staat de glashandel voor de deur en begint de steiger op te bouwen. De hele voorgevel van ons pand krijgt dubbel glas. Met behoud van het mooie glas-in-lood.

Vrienden vragen regelmatig wat onze plannen zijn. “We weten het nog niet precies, ergens in 2023 gaan we weer zeilen.” Bladerend door Zeilen, ons eigen verhaal herlezend, trekken we een plan. We boeken onze KLM-tickets de volgende dag. Karin werkt door tot de krokusvakantie. Ik vlieg in februari vooruit, om Catherine vaarklaar te maken. Motoronderhoud, schroefaslager, electriciteitsdingetjes en verlichting, schilderwerk en antifouling en een lijst aan kleinere en minder kleine klusjes. Karin vliegt in maart via Curaçao, waar ze Liselot opzoekt, daarna door naar Trinidad. Dan zeilen wij noordwaarts, naar Sint Maarten en de eilanden daar in de buurt, en vlak voor het orkaanseizoen naar Curaçao, naar Liselot. Dan zien we wel weer verder. Hoe dan ook, langzaamaan gaan we westwaarts… En wat daar achter de horizon ligt…

Trouwens, bekenden en onbekenden, leuk dat jullie ons blog lezen! We vinden het ontzettend leuk om ons verhaal te delen en jullie een beetje deelgenoot te maken. Niet om jullie de ogen uit te steken, maar vooral om te inspireren. Weggaan is het moeilijkst, als je eenmaal onderweg bent gaat alles vanzelf en kom je in een heerlijke flow. Dat geldt voor een lange zeilreis, maar ook voor een rugzakreis door Azië of een camperreis naar Portugal. Naast dit blog hebben we een facebookpagina en instagram. Neem daar ook eens een kijkje. We plaatsen foto’s, wat filmpjes en korte berichtjes in het Engels zodat ook onze niet-Nederlandse zeilvrienden, dat worden er al zeilend steeds meer, ons kunnen volgen.

Prettige Kerstdagen en alvast een gezond en gelukkig 2023 gewenst!

Groetjes, ook van Karin,

Eric

 

Dominica: ‘Stop or I’ll shoot!’

1 juli 2022

De zon is al een tijdje onder, de volle maan verlicht de ankerplek bij Saint Pierre, noordelijk Martinique, als we aanstalten maken te vertrekken. Weggaan bij nacht is anders, het is een beetje spannend, doet me denken aan toen ik als kind ‘s nachts uit bed stapte, het huis doodstil, en stilletjes door de gordijnen naar buiten gluurde en zag dat de wereld tot stilstand was gekomen. Wij beginnen straks aan de overtocht naar Dominica, volgens velen misschien wel het mooist van alle Caribische eilanden. Dat willen we met eigen ogen zien. Motor starten, ik begeef me naar de ankerbak, Karin aan het roer, de ankerlier trekt het anker uit de grond en omhoog, waarna Karin de boot 180 graden draait, de baai uit, weg van ondieptes en rotsen, richting de Caribische zee. We doen wat we moeten doen na elk vertrek: grootzeil hijsklaar maken, zeilbandjes eraf, Karin draait de boeg in de wind, autopilot aan, ruimte op de schoot, Karin bedient de lier in de kuip, ik help mee bij de mast, het zeil staat, en terug op koers. We bevinden ons nog in de luwte van de vulkaan, het is rustig, en draaien de genua, het grote voorzeil, uit. Daar is het moment dat de wind krachtig genoeg is om de motor uit te zetten. We zijn zeilend. Alleen het geluid van bruisend water langs de romp van Catherine, en de wind in de zeilen. Als de zeilen goed zijn getrimd, neemt de windvaan het over van de elektrische autopilot. Dat is een magisch moment. Catherine vertoont dan alle kenmerken van een levend wezen, met een homeostase, een zichzelf in stand houdende evenwichtssituatie. Geen fossiele of elektrische energiebronnen, maar een gesloten krachtensysteem, aangestuurd door wind.

We zien het silhouet van Martinique naast ons, als de eerste lange oceaangolven die zich tussen Dominica en Martinique persen, ons bereiken. We gaan omhoog, omlaag, bergje op, dal in. Dan trekt de wind aan. Tussen eilanden is de wind sterker, door een tunneleffect vanwege de bergen. Toch is de wind sterker dan verwacht en voorspeld. Zoals altijd eigenlijk. Geen 15-20 knopen, maar meer dan 25. Voor de zeil-leken: een knoop is iets meer dan een mijl per uur. 25 knopen is dan 46 km/uur, windkracht 6 op de schaal van Beaufort. Niks aan de hand, we zeilen halve wind, beetje aan de wind probleemloos de volgende dag tegemoet. Totdat de wind verder aantrekt. De genua hebben we dan al een stuk ingerold. Catherine klapt af en toe in een golfdal, duwt het water opzij, ze trilt, schudt, maakt geluiden die horen bij een schip dat werkt, dat windkracht omzet in voortstuwing en waterverplaatsing.

De windmeter doet er steeds een knoopje bij, tot de wind stormachtig  wordt: 30 á 35 knopen, windkracht 7, uitschieters naar 8. Hoe harder de wind, hoe meer herrie. Thuis, vanaf de bank in de woonkamer zou ik denken, poehee, pittig, met een bootje van elf meter in deze omstandigheden, laat maar, ik kijk liever Netflix. Maar het went snel, er is niks aan de hand, Catherine koerst probleemloos op Dominica af, Karin slaapt al, ik hang in de kuip en doe af en toe een hazenslaapje.

Bij dageraad varen we langs Dominica. Het eiland gaat grotendeels schuil achter een dik wolkenpak dat rond de bergen hangt. De zee is plat, tot rust gekomen achter het eiland.  Wij varen door, onze bestemming ligt aan de noordwestkant: Portsmouth. Dan zie ik de eerste plakken zeewier, sargassum, vanuit de Atlantische oceaan wordt dat massaal naar de Cariben geblazen. Het wier hoopt zich meestal op aan de oostkusten, maar nu drijft het hier, in de luwte van het eiland. Catherine baant zich een weg door het bruine drijvende veld. De wind is maar net genoeg om te zeilen, we gaan niet sneller dan 2 knopen, maar de ochtend is zo prachtig mooi, en Catherine kabbelt in vrijwel volledige stilte zo lieflijk voort dat ik het wel prima vind. We hebben geen enkele haast.

Dan clusteren de plakken wier zich samen tot dikke tapijten. De wind laat het nu volledig afweten. Met de motor probeer ik tussen de bruine oppervlakten te sturen, maar vergeefs, het wier blijft hangen aan het roer en de schroef, de motor schrikt, het toerental zakt, ik zet de motor even in z’n vrij en met de schroefbladen in de vaanstand glijdt het wier van de schroef. Zo motoren we verder tot er weer net genoeg wind is om te zeilen. Om de haverklap veeg ik bossen wier van het windvaanroer, als Portsmouth in zicht komt. Karin is er inmiddels bij komen zitten. ‘Goeiemorgen!’

We worden in de baai welkom geheten door Albert. Hij zit in zijn boot en adviseert ons aan de noordkant te ankeren. Daar is een officieuze jachtclub gevestigd, Pays, Portsmouth Association for Yacht Security. Albert is daarbij aangesloten en hij legt ons uit dat zij de geankerde jachten helpen, een oogje in het zeil houden, helpen met inklaren en met barbequeavonden voor wat gezelligheid zorgen. We aarzelen even, want is mooi en rustig, maar omdat we ook wel van wat reuring houden volgen we zijn advies op. Als we in de middag aan wal gaan en het Pays gebouwtje binnen lopen, zien we dat deze jachtclub andere kenmerken heeft dan die van, pakweg, een jachtclub op Isle of Wight of in IJmuiden. Hier geen fauteuils maar houten planken, geen bar maar een koelbox. Een groep mannen hangt onderuit in de banken, enkele met een stevige joint in de hand, omringd door rookwalmen en een lui reggaedeuntje rolt uit de speakers. ‘Yeah man, welcome!’

Eentje neemt ons bij de hand, verzekert ons dat alles in orde komt, adviseert ons een biertje te bestellen terwijl hij ons inklaart bij de douane en immigration. Wij zitten op het terrasje, sippend van het lokale Kubuli-bier, prima spul, als we kennismaken met de ambulante groenteboer die zich voorstelt als King George. Gehuld in vodden is zijn spraak vanwege ontbrekende tanden soms lastig te volgen. Zijn aanbod is nogal beperkt, maar omdat hij duidelijk verlegen zit om wat klandizie, kopen we een paar mango’s. Hij vertelt dat hij burgemeester van New York is geweest, laat terloops zijn paspoort zien en besluit zijn betoog met de mededeling dat hij ook nog CEO bij een of ander bedrijf is. We zouden King George elke dag zien, een folkloristische figuur met een grote fantasie, niet opdringerig, wel amusant en opgewekt, die de mango’s zelf plukt en andere groente en fruit overal vandaan scharrelt.

We huren een auto, de beste manier om in korte tijd het eiland een beetje te leren kennen. Het rijden is vermoeiend, de ene na de andere bocht, nooit een recht stuk, altijd alert op overstekende kippen, zwerfhonden, dorpsbewoners en kuilen in de weg. Nogal avontuurlijk dus, maar hoe mooi! De weelderige begroeiing begint direct buiten het dorp en via bergweggetjes rijden we naar de andere kant van het eiland. Onderweg maken we wandelingen, die steevast bij watervallen uitkomen. De een is nog mooier dan de ander.

Het allereerste ritje is het meteen raak. We rijden door het verlaten noorden van het eiland, stoppen even bij een borrelende zwavelbron – we bevinden ons in een vulkanische zeer actieve regio – en rijden een paar kilometer door naar het begin van het paadje dat ons naar een waterval zal voeren. Best leuk toch, een waterval, laten we gaan kijken! We verwachten weinig, watervallen vallen vaak tegen, te weinig water, of vervuild, plastic flessen en andere troep van dagjesmensen, te veel mensen vaak ook. Het begin van het pad is vlak, dan omhoog, daarna is het klauteren over de rotsen in een kloof. Na een half uur worden we onthaald op een waar spektakel! De rotswanden voor, links en rechts op enkele meters afstand gaan loodrecht omhoog, met daartussen een kletterende watermassa. We kijken omhoog, recht boven ons een metersgroot rotsblok probeert naar beneden te vallen maar zit klem tussen de wanden. Brrr! We durven er niet onder te gaan staan. Er is verder niemand en dat zal bij de andere watervallen en paden die we bewandelen niet anders zijn. Dat de Cariben meer zijn dan een dreadlock holiday, strand, rum punch onder de parasol en snorkelen in een blauwe zee wisten we al. Maar dat de eilanden zoveel natuurschoon herbergen en dat daar bijna niemand komt, lokalen noch toeristen, dat heeft ons tijdens deze reis enorm verrast.

Het beginpunt van de volgende wandeling is moeilijk te vinden, maar we zijn vastberaden om het voormalige slavenpad ‘Jacko’s trail’ te belopen. Bij een eethuisje vragen we de uitbater of zij misschien weet waar het pad is. Ze buigt voorover, haar forse boezem op de toonbank, ik vraag me af waarom ze zo doordringend kijkt, en ze zegt: ‘Just wade through the river’. Nee, zelf heeft ze dat nooit eerder gedaan, lacht ze, maar echt, aan de overkant begint het pad. Even later staan we aan de rivieroever. Een meter of twintig breed, het water stroom vrij snel.  Karin waadt er doorheen, ik val met de iPhones in de tas bijna om, maar blijf overeind. Even later staan we op een helling met fruitbomen en kruidenbosjes, met verderop een huisje. Een vrouw staat ervoor, komt ons tegemoet, vraagt een bescheiden bedrag voor de toegang tot het pad dat zij en haar man onderhouden. We klauteren over het slavenpad, uitgehouwen uit rotsen, het is pittig want de treden zijn soms een meter hoog, en we hangen als beloning een half uurtje rond bij de rivier. Ook hier is weer helemaal niemand.

Als we terug zijn raken we opnieuw aan de praat met de vrouw, die zich voorstelt als Eunice. Ze woont hier al veertig jaar, heeft haar gezin grootgebracht en houdt van dit simpele leven. ‘The clean air keeps me healthy’,  zegt de tanige vrouw van zestig en moeder van vier, met lange dreadlocks en een kleurige doek als rok. Deze zelfbewuste vrouw straalt kracht uit, er ontwikkelt zich een boeiend gesprek over geneeskrachtige kruiden, leven in harmonie met de natuur. Onder deze primitieve omstandigheden voelt ze zich rijker dan westerse stadsmensen en is ze gelukkig, het is een bewuste keus om hier te wonen, ze wil hier nooit weg. Een beetje elektriciteit via een zonnepaneel, water vangt ze op, de was en wassen doet ze in de rivier, en het benodigd geld verdient ze met de verkoop van gewassen, af en toe een geit en enkele puppy’s die ondertussen onze voeten besnuffelen. Wij leggen ons leven uit: stadsmensen op en top, maar nu genieten we er volop van dat we elke dag omringd zijn door de natuur van de zee, kusten en baaien. Eunice luistert belangstellend, stelt enkele vragen, luistert. Het wordt al wat later, we nemen afscheid en ze wenst ons een veilige reis toe. Onderweg naar Pays is Karin in de auto opvallend stil. Is er iets? ‘Die vrouw intrigeert me. De wijsheid, kracht, de vrijheid van denken, de keuzes die ze maakt. Heel bijzondere vrouw.’

Elke dag, na onze autoritten en wandelingen, als we bij Pays aankomen, is King George bereid een paar mango’s te verkopen en een praatje te maken. Wat blijkt? Hij heeft ook nog connecties bij de Caribische bank en laat een bankpasje zien. ‘You see? Caribbean bank RBC! You want to see the gold? Let’s go tomorrow!’ Fluitend loopt hij verder, ‘have a nice evening!’ Weinigen dragen hun lot zo luchthartig als King George.

Zondagavond is er barbecue voor de zeilers, georganiseerd door Pays. All you can eat. Geroutineerd worden de kippen en de vismoten gedraaid boven de kolen, de borden worden met een ruime hoeveelheid salade opgediend en de rum punch is onbeperkt beschikbaar. De reggae staat hard, ‘we’re jamming’, we dansen op blote voeten in het zand, maken nieuwe vrienden en praten met vele anderen. Op de vraag ‘where are you heading?’ komen uiteenlopende antwoorden: allerlei eilanden in Cariben, Panama en de Pacific, maar ook de VS en de Intracoastal Waterway (ICW) en de terugrit naar Europa. Inspirerend, Karin en ik weten het nog niet, eigenlijk behoren al deze bestemmingen tot de mogelijkheden. Waar gaan we heen? De tijd zal het leren, eerst maar eens via Saint Lucia (volgend blog, we lopen een beetje achter!) terug naar Trinidad.

We hebben de auto nog een dag als we besluiten niet te ver weg te gaan en een strand te bezoeken. We parkeren de auto langs de kant van de weg, lopen een slingerpad af naar beneden en een prachtige baai opent zich voor ons. Een enkele badgast en een welkom door een keurige gastvrouw die even later aerobict in de zee. Palmbomen, het strand wit, de zee blauw en het water warm. We lopen omhoog en nemen ontspannen plaats in onze huurautootje. Hier kan ik niet keren, te link zonder zicht op welk verkeer er aankomt. Ik rij een stukje verder en bij een breder stuk rechte weg keer ik de auto. Er komt niets aan, maar links zie ik wat beweging. Wat is dat? Het lijkt een wegversperring, verkeerscontrole? Wat er de komende seconden gebeurt is nauwelijks na te vertellen, het lezen duurt langer dan de belevenis. Ik zie een man in camouflage uniform. Karin hoort de man iets roepen. Een toevallige passant kijkt om, de enige in de wijde omtrek, ik vraag hem door het autoraampje: ‘is he shouting at you or us?!’ Ik zie de man op ons af komen rennen. Karin denkt: een guerillastrijder! Ik denk: ik sta dwars op de weg, ik moet snel keren. Karin hoort: ‘Stop the car!’ Ik zie dat die vent een f***ing automatische geweer bij zich heeft! Karin hoort: ‘Stop or I’ll shoot’. We zijn in de aap gelogeerd. In een flits denk ik: mijn god, politie, ze denken dat we de auto willen keren omdat zij daar staan. De gecamoufleerde politieman staat met gericht geweer naast ons. ‘Get out of the car! Now!’ Hij trekt de achterklep open. Ik stap uit, met de handen omhoog. ‘Why are you avoiding the police!?’ Voordat ik kan antwoorden herhaalt hij zijn vraag. Ik zie dat hij behoorlijk opgefokt is. ‘I’m not, please let me explain’, probeer ik zo rustig mogelijk te antwoorden. Hij staat het mij niet toe, nu zegt hij: ‘You are avoiding the police!’ Ik zie Karin, ze kijkt naar mij, ik kijk naar het indrukwekkende vuurwapen, nog nooit zoiets gezien, naar de onrustige ogen van de agent, die nog buiten adem is van zijn sprintje naar ons toe. Ik vertel het verhaal van het strand, maar hij pruimt het niet, schudt nee. Ongeloofwaardig. Te toevallig dat we precies hier willen keren. Dan, opeens, staat zijn superieur naast hem. We hadden hem niet zien aankomen. Hij luisterde mee, ziet dat wij onschuldige en onbenullige toeristen zijn. Geen verdachte spullen in de kofferbak, alleen natte zwemspullen. Hij sust, de agent met het wapen zwijgt, maar hij wil het laatste woord hebben: ‘Never turn the car here. It’s too dangerous.’ We rijden weg, hijgen nog wat na, en moeten dan hartelijk lachen om de situatie. ‘You are avoiding the police! Stop or I’ll shoot!’

Als onze tijd in Dominica er bijna opzit zijn we dikke maatjes geworden met Franko en Lilian. Biertje bij hun, bij ons, een paar op de kant. Ze wonen op hun stoere Hallberg Rassy, een stuk groter dan onze Catherine. Helaas scheiden onze wegen als we ankerop gaan en richting Saint Lucia zeilen. We nemen afscheid van Dominica met de belofte ‘we’ll come back!’, en zeggen gedag tegen onze nieuwe vrienden: ‘we’ll meet again!’ Zij gaan via Los Roques, een eilandengroep van Venezuela, richting ABC-eilanden. Maar een volgend jaar, een volgend zeilseizoen, zo zegt onze intuïtie, zouden we ze zomaar ergens kunnen treffen. Want wij gaan waar de wind ons brengt en dat doen wel meer zeilers.