Martinique, Cariben of Frankrijk?

                                                                31 mei 2022

‘Eric, weet je zeker dat je hier ankert? Liggen we niet te dicht bij dat bolletje?’, roept Karin terwijl ze wijst naar een kleine rode bal in het water. Een vissersboeitje, misschien navigatiebol, denk ik. In een flits maak ik een inschatting en afweging: afstand, windrichting, lengte ankerketting. ‘Zit wel goed!’, roep ik vanaf de boeg van Catherine terwijl ik het anker laat zakken en mijn onderbewustzijn zegt dat dat bolletje ons nog problemen kan bezorgen. Karin zet de motor in de achteruit, Catherine blijft waar ze is: het anker houdt. Na vier uur motoren langs de zuidkust van Martinique tegen stroom en wind in gaat eindelijk de motor uit. Wat een rust! Verderop liggen honderden, zo niet enkele duizenden jachten, voor anker, aan ankerbollen, of aan lange steigers in de marina. Blijkbaar hebben al die luxe huur-catamarans die ons in de Grenadines nautisch voor de voeten liepen, hier hun thuishaven. Hier zijn vele mensen op zoek naar hetzelfde: een unieke zeilvakantie. Dream Yachts! Wij liggen in deze kilometers brede baai, aan de andere kant, naast de mangroven, beschut tussen ondieptes van koraalsteen. Een paar jachten om ons heen, waaronder enkele verlaten en verwaarloosde boten die wonderlijk genoeg nog drijven, voor de rest is het groen van de palmbomen en mangroven. Mooie plek! Prima uitvalsbasis om uitstapjes te maken. Om te beginnen gaan we direct naar de supermarkt, want die rode wijn met camembert moet direct worden gescoord. Ook nu maak ik een inschatting: afstand naar de steiger en daarna een stukje lopen. Moet kunnen, ook al zijn we behoorlijk vermoeid na een etmaal zeilen met weinig slaap en begint het al te schemeren.

We varen met bijboot Billy naar de steiger, dat blijkt met ons 2,5 pk-tje verder weg dan gedacht, halverwege varen we op een ondiepte, tuffen verder en knopen vast aan de bolder. Terwijl we door het stadje lopen, geen 5, geen 10, geen 20 minuten maar inmiddels een half uur, denken we hetzelfde. Karin spreekt het uit: ‘We lijken wel junks! We hadden gewoon op de boot moeten blijven.’ Uiteindelijk lopen we door de air conditioned supermarché en vergapen ons aan de overdaad, die na de betrekkelijke schaarste in de Grenadines, op ons af komt. Tig merken chips. Honderd soorten kaas. Duizend soorten wijn, of moeten we zeggen chateaus en appelations. We plukken uit de schappen waar we voor kwamen, lopen terug, stappen in Billy, varen terug naar de boot die we in het donker met moeite kunnen vinden en dan zitten we in de kuip, te moe om te genieten van de lekkernijen. Tijd om ter kooi te gaan.

We keken uit naar Martinique, hadden er zoveel over gehoord. Geen zeiler slaat tijdens een Caribisch rondreisje het eiland, deel van de Europese Unie, over. Alle bootonderdelen en klusspullen zijn er te krijgen en Europa is nu eenmaal lekker geordend en duidelijk. Karin en ik besluiten het eiland te leren kennen met de auto, maar eerst maken we een wandeling langs de zuidkust. Een prachtig wandelpad kronkelt via bos van baai naar baai. Alles perfect aangegeven en… schoon, geen plastic! Als die viezigheid er niet is, realiseer je je pas hoe gewoon het is geworden, al die troep en vervuiling. We nemen een duik in de vierde baai en keren om, want de avond komt eraan.

Martinique laat zich tijdens onze autotochtjes van zijn beste kant zien. We vinden de ene na de andere wandelroute via Maps.me, het wandelequivalent van Google maps. Allerlei ecosystemen doen we aan tijdens urenlange wandelingen waarbij we niemand tegenkomen. Waar zijn al die wereldzeilers en andere toeristen? Of wandelende Martinicanen? Aan de Atlantische kant dalen we af door tropisch bos met eeuwenoude woudreuzen, het bos gaat over in mangrove, een verdwaalde palmboom ertussen, dan opeens wit strand met op het halfdroge deel stoere plantjes, ware pioniers, die zich niet laten afschrikken door het zeezout en zo de boel koloniseren, met hun inspanningen houden ze het zand vast zoals helmgras in Hollandse duinen. In zee de volgende ecologische zone met dikke plakken zeewier, dat we tijdens onze Atlantische oversteek zo vaak tegenkwamen. De bruine drijfplant wordt naar Caribische westkusten geblazen, hoopt zich op, gaat daar rotten en stinken, tot onvrede van velen, met opruimacties als gevolg. Hier, tijdens onze wandeling, is het wier nog fris, niks aan de hand, en verbazen we ons erover dan we over een breedte van pakweg twintig meter vijf ecologische zones waarnemen. Een tropenboom met metersdikke stam staat pal achter het strand. Prachtig!

Een week lang brengt de auto ons naar de mooiste plekjes. We lopen ons suf, op een glibberig modderpad glijden we uit, het is af en toe zuchten en puffen van inspanning, maar wat is het hier mooi! Na een uur glibberen en glijden leidt het modderpad ons naar een loopbrug over een riviertje. Dan begint het te regen. Eerst proberen we te schuilen onder een geplukt bananenblad. Als kind las ik Suske en Wiske, die deden dat ook. Ik dacht: dat ga ik ook een keer doen. Verderop zien we een poeltje, helder water, visjes zwemmen in het natuurlijke aquarium, er is niemand in de buurt, wat kan ons het schelen, kleren uit en plons! Als de regen ophoudt drogen we ons af en vervolgen de wandeling. Onderweg laat Karins zool bij de neus van de schoen los. Het elastiekje van een mondkapje biedt soelaas. Dan begint de zool ook achter los te laten. Het tweede elastiekje eromheen. Ook de andere schoen, van een gerenommeerd merk, krijgt hetzelfde euvel. We offeren nog een mondkapje op. Gemankeerd weten we de auto te bereiken, spoelen de modder van ons af en rijden terug naar de baai van Le Marin.

De mangrove naast onze ankerplaats is een magische plek. Een beschutte baai in een baai, met schoon zwemwater, geen zuchtje wind, tenzij er weer een bui overkomt. Tijdens zware stormen knopen zeilers hier hun boten vast aan de mangrovewortels. Vooral tijdens orkanen is het op hoop van zegen en een schietgebedje houden, meer kun je dan niet doen. Sommige boten doorstaan het, andere zijn gezonken en liggen er nog steeds. We schrikken ons een hoedje als we bijna op zo’n gezonken jachtje varen tijdens een tuftochtje met Billy. De boot, ooit een oceaanzeiler, is gestript, alles van waarde of nut is eraf gesloopt, wat rest is de kale romp onder water. Een beetje onheilspellend!

We hebben wel weer eens zin in een echte Sailor’s Bar, zo’n tent waar mannen met baarden en slecht verzorgde gebitten te vroeg aan het bier zitten en wereldzeilers stoere zeilverhalen vertellen. Helaas, die bar hebben we op Martinique niet kunnen vinden. Wel horeca waar goed gevulde portemonnee’s worden geleegd voor meergangen diners, wijn en bier tegen stevig tarief, vakantiegangers van dikke catamarans laten zich verwennen langs menukaarten op Europese standaard. Veel uitgeven in korte tijd, want aanstaande maandag wacht de baas je op in het kantoor.

Na twee weken begint het bij ons te jeuken. Waar zijn we? In de Cariben? Of in Frankrijk? Zijn we, zeilend in het kielzog van de ontdekkingsreizigers van weleer, zoals we onze reis een tikje pretentieus hebben aangekondigd in maandblad Zeilen, bezig aan een avontuurlijke reis langs Caribische eilanden? Of lummelen we wat rond, zoals de gemiddelde vakantieganger in augustus in Frankrijk? De Creoolse cultuur lijkt verstopt achter borden van de Europese Unie, hier delft de reggae het onderspit tegen de verleidingen van westerse welvaart. Zo langzamerhand is het tijd om door te zeilen naar de volgende bestemming.

Eerst varen we nog een keer met Billy de hoek om, naar ankerplek Saint Anne. Een paar honderd boten liggen hier voor anker bij dit stadje. Ook Thomas, de Nederlands sprekende Duitse welzijnswerker die we in Trinidad hebben leren kennen, ligt hier. We hebben al aan aantal keren afgesproken en ook nu drinken we een paar biertjes op het dorpspleintje. Terwijl we de afhaalpizza’s verorberen, spelen zeilerskinderen met lokale leeftijdsgenootjes, ze scheuren op skateboards en fietsjes over het pleintje, zigzaggen tussen nietsvermoedend publiek, botsen af en toe tegen iemand op, de dorpszwervers drinken hun sterke drank op het laatste bankje, een stelletje ernaast, een bejaard echtpaar op de volgende, het is van alles wat door elkaar. Het is een uiterst charmant plaatsje en met het katholieke kerkje – Franse stijl – in onze rug bespreken we van alles. Thomas heeft geen huis, alleen zijn boot. Wat is thuis? Een huis of een gevoel? Wat is rijkdom, materieel bezit of vrijheid? Het is een fijne avond die eindigt met de voorspelling dat onze koersen wel weer zullen kruisen en dat ook dan het bier weer koud staat.

Het waait die ochtend harder dan voorspeld. Komt vaker voor in deze regio, een tijdelijk verschijnsel, die wind gaat wel weer liggen. We gaan ankerop, Karin aan het roer, ik haal de ankerketting binnen. Dan wordt de boeg gegrepen door de wind, het lukt Karin niet de boot in de wind te houden en we liggen dwars op de wind. Ik haast me terug naar het roer, geef een dot gas, stuur in de wind. ‘Waar is het bolletje?’, roept Karin. Dat boeitje zit ergens onder de boot. Verdomme. Dat ellendeding, ik had niet zo dicht erbij moeten ankeren. Ik had tijdens het ankeren niet zo gemakzuchtig moeten zijn! Dan floept de rode bal onder de boot vandaan, maar het kwaad is geschied: het ding zit vast aan ons anker en de ankerketting. Vloek. Vloek! Op mezelf. Wat nu? Ik probeer het anker en de rode bol omhoog te krijgen, maar het is te zwaar voor de ankerlier. De wind sleurt ons naar een ondiepte en we sleuren het rode onding mee. Ik haast me terug naar het roer, geef extra gas, ten koste van alles moeten we voorkomen dat we op de grond lopen. Als ik probeer een plannetje te maken, ik overweeg al het anker op te geven en los te maken, terwijl Karin oppert om de rode bol met de pikhaak omhoog te trekken, dan komt de buurman met zijn bijboot aangescheurd. Hij kijkt een beetje nors, ‘No English’, ‘Pas de problème’, en haalt vanuit zijn bootje het boeitje uit het water, gelukkig zit er geen betonblok onder maar een ankertje dat hij los weet te krijgen van onze ankerketting. Dit loopt met een sisser af. ‘Merci beaucoup monsieur’,  roep ik hem na als hij weer wegscheurt. Nors, maar zeer behulpzaam!

We motoren naar de bunkersteiger, waar we de watertanks vullen, en gaan dan op weg. Ik neem me voor op de volgende ankerplek voorzichtiger te zijn, doordachter te werk te gaan. We laten de baai van Le Marin achter ons, gevolgd door een houten tweemaster met een donkere rookpluim van slecht verbrande diesel achter zich. Ik herinnerde me het verhaal van zo’n schip dat hier gezonken was tijdens de vorige zware storm, weer is gelicht en opgeknapt. Zou dat dit schip zijn? Zo veel zeilschepen, zo veel verhalen en kleine en grote drama’s; ons gehannes met het rode bolletje steekt er gelukkig magertjes bij af.

De zuidkust van Martinique is rommelig vaarwater. Met de wind in de rug en geen zijwaartse druk op het zeil, maar met golven die van alle kanten komen, worden we door elkaar gehusseld. De tweemaster kruist af: zigzaggend met de wind mee. Zo waggelt het minder. Ik volg dat voorbeeld. We ronden de zuidkaap en een uurtje later varen we het piepkleine baaitje van Anse Noir binnen. Er liggen maar vier boten, we passen erbij. Anker uit, voldoende afstand van de rotswand en andere boten. Motor uit. Rust. En wat een prachtige omgeving rondom dit baaitje met zwart vulkaanzand! We wilden hier een nachtje rusten, maar blijven drie dagen. We snorkelen boven een gezond koraalrif en maken een wandelingetje in de buurt. Dan is het tijd om verder te gaan, naar de meest noordelijke ankerplek van Martinique, Saint Pierre, springplank naar het volgende eiland Dominica.

Anse Noir was goed beschut. Als we op zee zijn merken we pas hoe hard het waait. Uit voorzorg waren we met een dubbel rif vertrokken, maar met de 25-30 knopen had een derde rif in het grootzeil het zeilcomfort verhoogd. We gaan wel als een speer, Catherine klokt 8 knopen, razendsnel voor deze gezette dame op leeftijd. Dan zijn we bij Saint Pierre, we gooien een kilometer van het plaatsje – lekker rustig – het anker uit in 7 meter diepte, en schommelen vredig met een rood wijntje en olijven in de aanslag in de avondzon.

De wereld is een wonderlijke plek. Dat laat Saint Pierre zien. Het was de hoofdplaats van de Fransen op Martinique, een bestuurlijk centrum en levendig handelsplaatsje met zo’n 20.000 inwoners. In 1902 begint vulkaan Mont Pelée zich te roeren. Eerst wat gerommel, er zijn wat overstromingen, modderstromen, maar ach, dat gebeurt wel vaker. En dan, in een keer, een enorme explosie: de vulkaan barst uit, ontploft, en het hele plaatsje is in een oogwenk verwoest. Vrijwel iedereen komt om het leven, behalve een veroordeelde die is beschermd door zijn gevangenis. Saint Pierre is weggevaagd, de bewoners verhuisd naar het hiernamaals. Wij lopen door het stadje, achter de boulevard liggen de ruïnes; er is geen mens, tropische bomen overwoekeren de vernielde bouwsels uit de koloniale tijd. Saint Pierre is een soort museum, een vergeten spookstadje, een stille getuige van de kracht van Moeder Natuur. Voor het strand liggen over een strook van meer dan een kilometer tientallen wrakken, bijna allemaal schepen die zijn gezonken door de uitbarsting. Een zo’n schip ligt op zwemafstand van onze ankerplek. We drijven erboven met onze snorkelsets. Al snorkelend lopen de kriebels over mijn rug bij het zien van het dek en de spanten. Een scheepswrak boezemt ontzag in. Ik neem me voor bij onze volgende oversteek, naar Dominica, extra voorzichtig te zijn.

Eric

 

 

 

 

 

 

Trinidad – Grenada: komen en gaan

 

Carriacou, Grenada, 24 maart 2022

‘Eriek!’ Ik lig ondersteboven in de motorruimte, in een onmogelijke houding, onderzoek een langzaam druppelende diesellekkage, en herken het Franse accent van Laurent. Hij vraagt zich af wanneer we nou echt klaar zijn om het water in te gaan, of de belangrijkste klussen nu toch echt gedaan zijn. Ik vraag me hetzelfde af bij zijn boot. Wanneer is hij vaarklaar? ‘Eriek, can you help me with my engien?’ Tuurlijk, ik ben nooit te beroerd een helpende hand uit te steken, maar ik moet zelf nog flinke stappen zetten om de kluslijst te verkorten tot aanvaardbare omvang. De lijst is lang. Nieuwe oven installeren. Motorsteunen verstevigen. Motor kleine beurt geven. Bilgepomp aan de praat krijgen. Verstaging nalopen en afstellen. Nieuw anker vastmaken en een plek vinden voor het oude, dat dienst gaat doen als reserveanker. Autopilot repareren. Accu’s vervangen. Andere klussen zijn geklaard: antifouling zit erop, 200 meter beschimmelde lijnen gewassen, nieuwe pakking in de schroefaslager. De nieuwe putting van de voorstag zit er ook op. De oude was midden op de oceaan afgebroken, een pittig stressmoment, het had zomaar onze mast kunnen kosten, lees een eerder blog daarover en ons artikel in Zeilen magazine. Omdat dit blog beperkt is qua lengte, hou ik het hierbij, maar de kluslijst is veel langer met kleine en grotere klussen. Daar ga ik dan de rest van de week mee verder om de week erop zeilklaar te zijn. Een beetje druk staat er wel op de planning, want Liselot staat te popelen om te vertrekken. Zij heeft vijf weken voordat ze aan haar nieuwe baan begint.

Einde middag kijk ik met Laurent naar zijn proefdraaiende diesel. Het ding loopt na wat aanvangsproblemen prima. Ook een Westerbeke, net als de mijne, verguisd in Nederland, waar Yanmar en Volvo Penta de voorkeur krijgen, maar erbuiten hoor ik er vaak goede verhalen over. De mijne pruttelt na een revisie al een paarhonderd uur goed door. De Amerikaanse marine schijnt grootafnemer te zijn van ‘Westerbiek’. Dat zal toch iets zeggen? Als de proefdraai klaar is, zegt Laurent: ‘Eriek, tonight barbeque?’ Goed idee. En zo wisselt het harde werken zich af met aangename momenten van ontspanning. ’s Avonds wisselt ons groepje zeilers onder de mangoboom hun ervaringen uit, veel details over klusproblemen, ook inspirerende verhalen over mooie zeilbestemmingen en ankerplekjes. Laurent vertelt nogmaals zijn verhaal: in Guyana is hij ’s nachts aangevaren op de rivier door een flink schip, met forse averij tot gevolg. Voor zijn vrouw was deze ervaring zo traumatiserend dat ze niet meer verder wil zeilen. Elke zeiler vertelt zijn of haar verhaal, het bier staat in een emmer met ijs, de barbecue gaart grote lappen vlees waar onze vegaburgers en aubergine schril bij afsteken. Ik speel ‘Blue Sunday’ op m’n gitaar, Braziliaanse Gui trommelt mee op z’n bongo’s, de Pool van de catamaran rammelt mee met een muziek-ei, men eet, men zingt, men drinkt, ouwehoert, neemt een haaltje van een rondgaande joint, een scheutje rum, de honden van de werf komen ook even buurten, het is een mooie avond.

Op een ochtend schrikken we van het nieuws over Oekraïne. Oorlog, vooral in de vorm van ordinair Europees landjepik, was toch iets van de vorige eeuw? Hier in de Cariben lijkt het allemaal zo ver weg, maar het is dichtbij. Wat gaat dit brengen? Een bevriend Russisch zeilersstel loopt verslagen rond, ze vinden het vreselijk. Ze maken zich zorgen over hun zoon in Moskou: straks wordt hij opgeroepen voor het leger.

De dagen gaan voorbij op de werf van Peake. Dan breekt de dag aan dat Catherine te water gaat. Nog een paar dagen later, een afscheidsbarbeque en dan is het zover. De dag van vertrek is aangebroken. We kienen ons vertrek zo uit dan we de stroom van een paar knopen mee hebben in de Boca del Monos, de smalle doorgang tussen het eilandje Monos en Trinidad. Eerst maar eens het krappe haventje van Peake uit zien te komen. Onze nieuwe vrienden lopen spontaan uit om een handje te helpen met de lijnen: meer hulp dan lijnen. Thomas, de goedmoedige Duitser, hij heeft me gitaar zien spelen zonder plectrum en geeft me er een mee (‘you may need this’), De Portugese Tini met haar schattige zoontje van anderhalf Cairi, natuurlijk is daar Laurent, een omhelzing, een foto, wees voorzichtig, de havenmeester, de buurboten, iedereen zwaait en roept. Bye! Take care! Fair winds!

We varen de kom uit, varen nog even langs Gui, vader van Cairi, dan is het afscheid gedaan en zetten we de knop om. Reddingsvesten aan. Naar het dek, zeilbandjes eraf, zeilen hijsen, stootwillen naar binnen, Catherine gaat na bijna twee jaar weer de zee op. De motor blijft aan als we door de Bocas sturen. We zetten ons schrap, om de hoek is de Caribische Zee, daar wacht de wind op ons, is stroming, kan het opeens tekeer gaan. En dat doet het ook. De golven komen aanrollen vanaf de oceaan, ze zijn kort met witte koppen, dit is geen zondagmiddagtochtje op de Grevelingen, dit is aanpoten. Catherine wordt opgetild, krijgt niet de tijd om van de steile golven af te glijden, de boeg komt geheel uit het water en we knallen op het golfdal. Boem! En nog een keer, en nog een keer. Catherine krijgt het na twee jaar rust gelijk flink te verduren. Kaboem! Liselot houdt de boot op koers, terwijl ik de windvaan aan de praat probeer te krijgen. Hoe werkt dat ding ook al weer? Ik had alles klaargemaakt, maar blijkbaar heb ik iets verkeerd gedaan. Catherine draait op de vaan als een dronken banaan alle kanten op. Pas na een half uur, of nog langer, kom ik erachter: we hebben een jaar lang wind mee gehad, nu komt de wind van voren, het kwadrant staat 180 graden gedraaid. Links wordt rechts, stuurboord wordt bakboord. Ik herstel mijn denkfout en Arie stuurt Catherine als vanouds rechtsdoor. Pfff… nu hebben we tijd om de zeilen te trimmen, te navigeren, allerlei dingen en lijntjes te controleren of af te stellen. Om eerlijk te zijn: het is pittig. Boem, we knallen voor de zoveelste keer in een golfdal. Als schipper moet ik positiviteit en controle uitstralen, ik denk dat ik dat doe, maar van binnen hoor ik mezelf zeggen: het wordt een vermoeiend ritje. Terwijl ik doodmoe van klussen, regelen en te korte nachten van een lichte spanning aan deze tocht ben begonnen. Ons vertrek een dag uitstellen was geen optie, want de wind trekt de komende dagen verder aan. Even doorbijten dus. Karin heeft het moeilijk, het pilletje helpt niet, ze is katterig, trekt zich terug. Liselot is een kei, samen krijgen we Catherine op een aangenamere manier op koers. Het gaat steeds beter, naarmate de zeebodem dieper ligt, worden de golven iets minder steil en kort, Catherine krijgt er ook meer plezier in, de ware wind is van een vlagerige 25 tot 30 knopen (6 a 7 Beaufort), afgezwakt tot een gelijkmatigere 20 knopen. We zeilen hoog aan de wind, Grenada lijkt net bezeild, het gaat erom spannen of we onze bestemming halen zonder laveren. Dan zeilen we de nacht in. Liselot gaat slapen. Ik ben alleen in de donkere nacht.

Aan de horizon doemt een rood licht op: olieplatform. De komende uren zal die langzaam voorbij glijden, terwijl wij met een vaartje van vijf knopen richting Grenada gaan. Het is twee jaar geleden, maar de nachtwacht voelt vertrouwd en aangenaam. De wind zwakt verder af. Windvaan Arie doet z’n werk, ik zet de wekker die me elk half uur wakker maakt, ik sta op, kijk rond, kijk op de AIS of er schepen in de buurt zijn. Dan zoek ik weer de beschutting onder de buiskap en dommel weer in. Dit ritme van de nacht voelt prettig en kan ik lang volhouden. Dan neemt de wind verder af tot 10 a 15 knopen. We zijn met de werkfok ondertuigd. De stroom zet ons weg, zo is Grenada niet bezeild. Ik zie het nog een uurtje aan, als ik Liselot aan dek roep, want ik ga liever niet in mijn eentje in het donker naar voren, ook al ben ik aangelijnd. Even later is de grotere genua gebold, neemt de vaart toe en gaan we weer lekker.

De laatste paar uur wordt duidelijk dat we moeten gaan kruisen. Helaas. De stroming, in deze regio heel matig gedocumenteerd, is sterker westelijk dan verwacht en gehoopt. Het wordt een ploeteren tegen wind en stroming in, maar dan naderen we vroeg in de middag toch echt de hoofdstad van Grenada: St. George. We ankeren niet maar grijpen een bolletje, maken onze lijn eraan vast en besluiten lekker te gaan rusten. Klotsend op de milde deining zien we een zonsondergang uit duizenden. Onze eerste oversteek zit erop.

De dag erna lopen we door het vriendelijke en oud-koloniale stadje, klaren in, kopen lokale simkaarten, doen boodschappen en zetten koers naar de drukste ankerbaai van Grenada: Prickley Bay, want hier kan Liselot eindelijk haar surfboard gebruiken. In Prickley Bay is het zeilleven eigenlijk een beetje saai. Veel zeilers hangen hier langere tijd rond, of komen zelfs de baai niet meer uit. Het brengt een wat saai ons-kent-ons sfeertje met zich mee, we voelen ons niet uitgenodigd om ons te mengen. Wel maken we een wandeling naar de volgende twee baaien en Hog Island. Hier liggen ook tientallen zeilboten, maar hangt een totaal andere sfeer! Hier hadden we liever geankerd, achteraf bezien. Geen luxe restaurants, maar twee of drie geïmproviseerde stalletjes waar je op een boomstronk je biertje drinkt. Jongeren dansen op muziek, lachen als het begint te regenen, een groepje mannen leegt een stapel zeeappels, waarvan de binnenkant blijkbaar eetbaar is. Nooit geweten! We babbelen met een Duitse dame van middelbare leeftijd, ze is hier al vijftien jaar, trots wijst ze op een bescheiden bootje: ze is sinds vorige week de eigenaar.

Het is tijd om het binnenland in te gaan. We pakken een minibusje, de chauffeur rijdt als een dolle over de slingerwegen en zet ons af bij Grand Etang National Park. Daar lopen we een modderpad op en beklimmen de Mount Qua Qua, de een na hoogste berg van het eiland. Bovenop zien we aan de ene kant de oceaan, aan de andere kant de Caribische Zee. Indrukwekkend! Het is een glij- en modderpartij van jewelste, we komen bruin en gebutst terug bij het bezoekerscentrum, waar de waterkraan en zelfs een douche ons toonbaar maken voor de busrit naar beneden.

We zeilen verder, houden de vaart erin want Liselot heeft dan nog maar een dag of tien. We stoppen bij het onderwaterpark, een beeldentuin op de zeebodem. Die avond ankeren we in de prachtige Halifax Bay. Het is geen kleine baai, maar aan twee kanten hangen leidingen over het water, liggen enkele scheepswrakken en in het midden is het nogal diep. We zoeken de zijkant op. Het is de eerste keer dat ons anker serieus op de proef wordt gesteld, met een rotswand en -bodem op dertig meter afstand. Spannend. Gelukkig graaft de Kobra zich goed in en Catherine ligt vast.

Na een eerste duik vaart een catamaran de baai binnen. Het is de ‘Amazing’, met Nieuw Zeelandse/Australische bemanning, die dezelfde route volgt als wij. We hebben ze ontmoet in Trinidad, in Prickley Bay en nu Halifax. Zo is het zeilen in de Cariben: een komen en gaan van bekende boten. In Trinidad en Prickley Bay troffen we Shady Lady, kompanen in Charlotteville, Tobago, tijdens de eerste, chaotische maanden van de coronapandemie.

We  maken ons klaar voor de korte oversteek naar Ronde Island, niet veel meer dan een flink rotsblok. Het basalt is opgestuwd door de ernaast gelegen onderwatervulkaan Kick ‘em Jenny. We mogen niet te dicht bij de krater varen, maar zeilen wel over de hellingen. Boven de krater kunnen gasbellen naar boven borrelen, als je daar vaart met je bootje, dan zak je naar beneden en is het afgelopen. Rondom het eiland is flinke stroming, we zetten de motor bij, het is even vervelend hotseklotsen, maar dan laten we het anker vallen in de beschutting van het eiland. We nemen een duik, koken een heerlijk maaltje, trekken een biertje open bij zonsondergang. De dag erop varen we bijboot Billy II (Billy I is niet meer) het strandje op, we banen ons een weg tussen het struikgewas, cactussen en lianen omhoog. Dan staan we op de berg, kijken over de baai. De enige andere boot vaart net weg, dan zijn we alleen op dit eiland. Aan de horizon vaart Amazing voorbij, die treffen we later wel weer.

 

Die middag gaan we door naar Carriacou, ter grootte van Schiermonnikoog, tien zeemijl verder. Het wordt een mooie zeildag. Zo kan het dus ook, geen gebeuk en geram op de brekende golven, maar een vriendelijk vaartje over een blauwe, niet te hobbelige zee. We moeten wel opkruisen, zo worden de tien mijlen er twintig, als we in de namiddag Tyrell Bay binnenvaren. Na een dagje rondkijken en borrelen met Amazing varen we in een uurtje tijd naar het onbewoonde, piepkleine Sandy Island. Daar hangen we een paar dagen rond, snorkelen, hangmatteren, een stukje rennen op het witte strand en met Amazing een avond een vreugdevuur van palmtakken, gepofte vis en aardappelen, we spelen gitaar, de rumpunch is heerlijk, en dan varen we met Billy rond middernacht, de halve maan is inmiddels opgekomen, terug naar Catherine. De volgende dag, een beetje brak, wandel ik over het strand als een viertal vrolijke lokale dames in bikini me aanspreken. ‘Taking a stroll? Could you take a picture of us?’ De vier gaan er goed voor staan, ze genieten zichtbaar van dit dagje uit. ‘I will take another photo form a different angle’, zeg ik, als me een paar meter verplaats. De ondeugendste van het stel heeft er zin in: ‘Different angle? I will show you a different angle!’ Ze draait haar volle achterste naar de camera en bukt voorover. ‘Is this the right angle?’ De dames gieren het uit en bedanken me voor de foto.

Dan wordt het tijd om te bunkeren in Tyrell Bay. We nemen afscheid van Amazing, varen weg van Sandy Island, rollen de genua uit, zeilen de hoek om, als een jacht ons nadert. Opmerkelijk: een zeilboot zonder mast. We besteden er verder geen aandacht aan. Een paar uur later, als we dobberen in de baai, vaart een bebaarde man in een bijbootje langs. Ik herken de houding en het postuur. ‘Laurent!’ Wat doet hij hier? Hij draait zich om, stuurt zijn dinghy naar ons. Ik steek twee duimen op. Hij antwoordt met één duim naar beneden. Laurent, normaal gesproken de vrolijkheid zelve, kijkt bedrukt. Als hij in de kuip zit, voorovergebogen, doet hij zijn verhaal. Onderweg van Trinidad naar Martinique sloeg het noodlot toe. Vier uur ’s nachts hoorde hij een knal. Hij stond op en was verbijsterd toen zijn mast was omgevallen en in het water lag. Afgebroken als een luciferhoutje. Hij inspecteerde zijn boot: geen lekkage of verdere schade. Dan is hij uren bezig de stagen los te maken om de mast in zee te laten zakken. Vervolgens motort hij verder en belandt in Carriacou. Hij heeft geluk gehad, de mast had op hem kunnen vallen, dan had hij dit niet kunnen navertellen.

Zeilen lijkt soms makkelijk, in harmonie met de elementen. Soms is het uitdagend, met harde wind en hoge golven. Soms is het gevaarlijk, als het materiaal het begeeft. Dan heb je geluk nodig. Zoals Laurent, en zoals wij, toen onze voorstag los schoot midden op de oceaan. Laten we hier maar niet te lang bij stilstaan. We nemen vandaag afscheid van Liselot en ons avontuur gaat dan verder. Dag lieve schat, het was heerlijk je een maand aan boord te hebben. Liefs!

Eric

 

 

 

 

 

Gehecht aan Charlotteville als loodsmannetjes aan Catherine

Bon Accord, Tobago, 17-6-2020

‘Kijk nou, die vissen zijn meegekomen uit Pirate Bay!’, roep ik verbaasd als ik wat mangoschillen over boord kieper. Eric komt kijken en ziet hoe de pilot sharks, zoals ze hier worden genoemd, vliegensvlug heen en weer zwemmen tussen de boot en de mangoschillen. Ze voelen zich thuis bij ons en, als ze niet onze voedselresten verorberen, hechten ze zich met hun zuignappen vast aan de boot. Pilot sharks, zo genoemd omdat ze op kleine haaitjes lijken, worden in het Nederlands loodsmannetjes genoemd. Officieel zijn het ‘remora’, vissen die zich vasthechten aan grote zeedieren zoals haaien, dolfijnen, walvissen en nu dus aan onze Catherine.

Er wonen meer vissoorten onder onze boot. De laatste weken in Pirate Bay was onze populariteit bij de vissers enorm gestegen omdat er zich een ware kolonie cavalli’s rondom onze boot had verzameld. De vissers kwamen voor de cavalli, ze haalden de een na de andere op met hun simpele lijntje met aas. Af en toe vingen ze per ongeluk een pilot fish maar die werd dan afgekeurd en teruggegooid. We kregen altijd een cavalli als een soort pacht, omdat het min of meer ‘onze vissen’ waren. Toen we aangekomen waren in onze nieuwe baai kregen we een berichtje van onze oude buurtjes Shady Lady, waarvan we ’s ochtends afscheid hadden genomen: ‘de cavalli zijn naar Shady Lady verhuisd en er ligt er al een in de pan!’

Na drie maanden valt het afscheid van Charlotteville ons zwaar.  We hechten ons aan Charlotteville als loodsmannetjes aan Catherine! Gedurende de Coronaperiode hebben we hier een veilig toevluchtsoord gevonden. Voor mijn gevoel hadden we het niet beter kunnen treffen. Alles is te krijgen in het dorp, de mensen zijn enorm vriendelijk en gastvrij en we zijn samen met Shady Lady de enige ‘yachties’. In het begin vonden we het spannend, we wisten niet wat de toekomst zou brengen. We vonden het heel moeilijk dat we ineens zo in onze vrijheid werden beperkt. We zaten vast op het eiland en mochten niet naar een ander eiland. Maar toen merkten we dat we welkom waren in het dorp. Bewoners stelden ons meerdere malen gerust met de woorden: ‘Tobago is the safest and most beautiful place in the world to be during this Corona crisis’. Ook kregen we snel vertrouwen in de aanpak van de regering, die de dreiging van een pandemie zeer serieus nam. Er werden strenge maatregelen genomen en het land ging in lockdown.

Nog steeds zit Tobago en Trinidad, samen één land, kortweg T&T, op slot maar omdat de interne reisbeperkingen zijn opgeheven, mogen wij verplaatsen en dat is de reden waarom wij naar Trinidad kunnen varen. Vergeleken met veel andere Caraïbische landen is T&T veel minder eenzijdig afhankelijk van toerisme, er zijn meerdere bronnen van inkomsten: gas, olie, landbouw, visserij, levensmiddelenindustrie. In Charlotteville zoeken de mensen andere mogelijkheden om geld te verdienen nu er geen toeristen meer zijn. Ze gaan weer vissen of verkopen groente en fruit uit eigen tuin. Lisa, de dochter van onze groentevrouw Pria, helpt haar moeder in de winkel nu de spa op Trinidad, waar ze werkt, gesloten is. Sonson gebruikt z’n boot weer om te vissen, niet langer om toeristen rond te varen.

We gaan de mensen van het dorp missen. Vaak hebben ze hier een alias die verwijst naar iemands karakter, uiterlijk of liefhebberij. Bij mister Dean, alias Johnny Walker, kopen we onze overheerlijke mango’s en avocado’s. Hij loopt altijd met grote passen door het dorp en de steiger op en af. Waarom Sweety Pie zo heet, laat zich raden. Rara is de doofstomme jongen die lege bierflesjes verzamelt, altijd klusjes doet voor iedereen en z’n komst aankondigt met een keihard: ’RARA!’. Moody ziet er erg chagrijnig uit. Al Pacino, is een hartelijk opscheppertje die ons altijd in het Duits aanspreekt, hij noemt z’n goedkope Japanner de Ferrari. Waarom Sonson zo heet, weet ik niet. Dan heb je nog Darling, een grote stoere kerel met wellicht een zacht karakter of juist niet. Op de laatste dag maken we een praatje met Sweet Pea, een rustige bejaarde man die op de kademuur zit en ons altijd vriendelijk groet. Hij vertelt dat hij 20 jaar in New York heeft gewoond en met eigen ogen de Twin Towers heeft zien instorten. Voor sommige mensen hebben we zelf bijnamen bedacht zoals de magere man met de enorme laarzen: Klein Duimpje. Eric heeft in het hotel een bijnaam gekregen: de Ten- beer-man. Omdat hij daar altijd stiekem onder de toonbank tien biertjes gaat kopen bij de eigenaresse Sharon, ofwel Chocolate. De laatste weken van ons verblijf mogen we weer biertjes drinken in de openbare ruimte, in het begin zitten ze nog stiekem in een zakje, maar alles wordt steeds losser en het zakje verdwijnt ook weer. Bij Sharon kun je alles krijgen, zij is een echte zakenvrouw. Als we op een dag benzine willen kopen voor onze buitenboordmotor en blijkt dat je bij de bezinepomp geen benzine meer kunt kopen (‘maybe next week’), heeft Sharon de oplossing: ze heeft jerrycans vol benzine en vult de onze.

Pas na twee maanden, als de lockdown-maatregelen worden versoepeld, gaan we met ons huurautootje het eiland verkennen. Het is een klein rood jeepje met dezelfde kleur als ons oude campertje Roos, we noemen haar Roos II. We gaan voor het eerst Charlotteville uit, het voelt alsof we iets illegaals doen, maar politieauto’s groeten ons vriendelijk en laten ons passeren: we zijn gerustgesteld. We rijden over prachtige, totaal uitgestorven slingerweggetjes, er is nog steeds weinig verkeer. We rijden dwars door oude regenwouden en langs de wilde kust, met af en toe een beschutte baai met zandstrand, afgewisseld door enkele dorpjes. Het eiland is schitterend groen, overal zie je bloemen en ik verbaas me over de planten: het zijn de kamerplanten uit Nederland, alleen dan vele malen groter. Het is alsof je door een grote tropische kas rijdt. We maken lange wandelingen in het regenwoud. Heerlijk om weer eens echte wandelschoenen aan te hebben en de spieren aan het werk te zetten. Overal hoor en zie je vogels, de kolibrietjes lijken op hommels en maken een zelfde soort geluid. We zien krabben, leguanen en staan bijna op een slang die een reptiel aan het verorberen is. Gelukkig ziet Eric hem net op tijd! We gaan naar een waterval in een smalle kloof. Je kunt er alleen zwemmend naar toe. Er is een diep meertje, Eric zwemt naar de waterval en gaat er onder zitten. Ik voel me hier niet prettig bij, de kloof is 20 meter hoog. Ik roep Eric dat ie terug moet komen en blijf zelf in het midden zitten. Een paar minuten nadat Eric terug is valt er een stuk rots naar beneden bij de waterval. Pfff heftig!

Als we ergens op een verlaten onverhard weggetje rijden nemen we een lifter mee. Hij stelt zich voor als Sweety Pie, hij bakt weleens taarten voor het hotel van Sharon, en woont ergens midden in het woud. Hij laat ons zijn woning zien. Het is een oud houten huisje en er staat flink wat rommel, waaronder een compleet gasstel in het bos om het huis. Hij vertelt dat, als we nog een stukje verder rijden, we bij het mooiste baaitje van Tobago komen. Hij gaat er zelf bijna iedere dag zwemmen. Als we over politie beginnen en dat de stranden nog niet open zijn, lacht hij z’n enige tand bloot: ‘No police. Too far away’. We bezoeken het mooiste baaitje van Tobago en wanen ons Adam en Eva in de helblauwe zee bij het parelwitte strand. Als we terug rijden passeren we Sweety Pie en zien hoe hij lekker staat te koken op het roestige gasstel midden in het bos. Hij groet ons, lacht zijn ene tand weer bloot en wij vervolgen onze weg.

Op een andere dag tijdens een wandeling komen we aan bij een mooie groene vallei. Er is bedrijvigheid en een man komt ons tegemoet. Hij stelt zich voor als Anthony, spreekt met een Amerikaans accent en vertelt dat hij net terug is uit Amerika nadat hij daar 25 jaar gewoond heeft. Hij heeft in het leger gediend en was gestationeerd in diverse Europese landen. Hij raakt niet uitgepraat over de klunzigheid en domheid van de Amerikaanse president. Dit stuk grond is van zijn familie die hier al generaties woont en hij heeft ambitieuze plannen met het land. Hij is bezig de vallei te ontginnen en gaat er gewassen planten. De grond is vruchtbaar en er is een natuurlijke bron, dus water genoeg. Hij laat ons ook de plek zien waar zijn huis wordt gebouwd met zicht op de Caribische zee en aan de andere kant op de Atlantische oceaan: adembenemende vergezichten.

Met de crew van Shady Lady vieren we Erics verjaardag en houden een barbecue op het strandje van Pirate bay. Er gaat een grote tonijn op het vuur, die ochtend gekocht van Mr. Dash, en in het vuur leggen we aardappelen in folie. Met lekkere salades en zelfgebakken brood een heerlijke maaltijd. Er is bier en rum, Eric zingt en speelt gitaar, waaronder ons lijflied ‘It’s better to burn out than to fade away’ want we leven maar één keer, en we maken er een gezellige party van. We vieren naast Erics verjaardag ook de versoepeling van de lockdown regels. Er is weer aandacht voor sociale contacten en we merken dat we dat best gemist hebben. In het begin van de lockdown was er vooral aandacht voor de primaire levensbehoeften: eten, drinken en veiligheid. Toen daar in voorzien werd, kwamen daar de broodnodige sociale contacten bij. Ik moet denken aan de piramide van Maslow: als er aan primaire levensbehoeften – eten, drinken en veiligheid – is voldaan komt de behoefte aan respectievelijk sociale contacten, waardering, erkenning en zelfrealisatie. Onze zeilreis is eigenlijk die zelfrealisatie, die opeens weinig betekenis had doordat er, zo dachten we de eerste weken van de lockdown, geknaagd werd aan de primaire voorwaarden voedsel en veiligheid en we vrij geïsoleerd waren.

Ons verblijf bij Charlotteville zit er op; en we maken plannen voor het vervolg van onze reis. Via Bon Accord, een baaitje aan de zuidoostelijke punt van Tobago op vijf uurtjes zeilen afstand van Charlotteville, vervolgen we onze reis. We kunnen moeilijk afscheid nemen van Tobago daarom blijven we nog een dag of tien in Bon Accord voordat we verder gaan naar Trinidad. Sharon en Tony, een gezellig en gelijkgestemd Londens stel dat in het hotel van ‘Chocolate’ in Charlotteville verblijft, vergezelt ons op deze tocht. We zijn nieuwsgierig en kijken gespannen uit naar het veel wereldsere en drukkere Trinidad. Hoe zal het zijn na vier maanden anker weer in een haven te liggen met normaal sanitair en elektriciteit? We voelen ons een stelletje verwilderde zeenomaden. Een klein beetje beschaving zal ons wel goed doen, wat nieuwe kleren, Eric raakt door zijn onderbroeken heen en ik ben m’n eeuwige soepjurk (‘soup dress’, zo leerden we Sharon en Tony na flink wat wijn) wel zat. Een echte douche lonkt ook, heerlijk lang onder de douche staan en niet te hoeven besparen op zoet water. We liggen inmiddels tien dagen bij Bon Accord, het weer is omgeslagen, windstoten en veel regen. Als het weer verbetert gaan we dan eindelijk, echt waar, naar Trinidad.

Karin

 

 

 

 

Daar is de oplossing

                                                                        Tobago, Charlotteville 13-5-2020

Zoals de meesten wel weten zijn we al zeven weken bezig om met een groep andere Nederlandse zeilboten toestemming te krijgen om in een baai van  Curaçao voor anker te gaan. Boten liggen her en der verspreid in het Caribisch gebied en willen voordat het orkaanseizoen begint een veilige haven opzoeken. Curaçao is interessant voor Nederlandse boten omdat het tot het Nederlands koninkrijk behoort en Bonaire omdat het een Nederlandse gemeente is. We hebben bijna dagelijks contact met de Nederlandse vertegenwoordiging op Curaçao. Er is  een speciaal opgerichte Facebook pagina voor zeilboten in de Cariben waarop informatie wordt uitgewisseld. Inmiddels is er ook een flinke groep boten die richting Nederland gaat en het orkaanseizoen hier dus niet uitzit.

Afgelopen vrijdag diende zich een doorbraak aan, we zijn welkom in Curaçao maar onder strikte en strenge voorwaarden. We moeten onze quarantaine periode doorbrengen in een hotel en na de quarantaine zo snel mogelijk van het eiland af. Bij navraag blijkt het ook nog om een heel duur hotel te gaan. Eric en ik zijn verbijsterd: is dit dan wat Curaçao z’n rijksgenoten te bieden heeft? Zeer teleurstellend, een duur hotel i.p.v de beste plek voor quarantaine: voor anker op je eigen boot. Bijna tegelijkertijd met dit nieuws besluiten we een belrondje te doen naar Customs, Immigration en de Coast Guard van Tobago en Trinidad (T&T). We zijn verbaasd, kunnen het bijna niet geloven, maar we zijn welkom in Trinidad. De interne reisbeperkingen zijn opgeheven en we kunnen doorreizen naar Chaguaramas op Trinidad. Corona is op T&T onder controle, met nog maar vier besmettingen, daarom is het tijd om de corona-maatregelen te versoepelen. Chaguaramas is een heel bekend en veilig toevluchtoord voor jachten die in de Cariben verblijven tijdens het orkaanseizoen. We kunnen hier de boot op de kant zetten, zonder quarantaine want we zijn al in T&T, en aan de boot werken. Chaguaramas is op 80 mijl afstand, zo’n 16 uur varen vanaf Charlotteville.

We zijn blij en opgelucht, want eindelijk is een eind gekomen aan een lange periode van onzekerheid. We hadden onze zinnen gezet op Curaçao of Bonaire, maar zijn nu heel blij dat we naar Trinidad kunnen. We trekken er een biertje bij open om dit te vieren. De feeststemming wordt vergroot als vlak voor zonsondergang een groep van zeker dertig dolfijnen de baai inzwemt. Dit zijn van die geluksmomenten: ze zwemmen heel rustig helemaal tot aan de plek waar de vissersboten voor anker liggen, draaien om en gaan langzaam weer terug de zee op. We volgen ze net zo lang tot ze helemaal uit zicht zijn verdwenen. Zo onverstoorbaar en gracieus, we zijn helemaal gelukkig.

Tijdens het weekend maken we plannen. Wat een luxe, we kunnen ergens naar toe leven! Wat doen we? Gaan we nu snel naar Trinidad of doen we rustig aan en blijven we nog wat langer op ons geliefde Tobago? We zijn hier nu langer dan twee maanden, we kennen de baai, het dorp en de diverse stranden in de buurt. We kennen veel mensen in het dorp, de vissers, bewoners, de mensen van de winkels. Het voelt goed en voelt een beetje als thuis. Van de dieren kennen we de meeste honden en katten. We kennen zelfs specifieke vogels met afwijkende kenmerken. Zo zijn er twee fregatvogels, één met een veer die uitsteekt in z’n vleugel en één met een gerafelde vleugel. Een paar pelikanen meen ik ook te herkennen aan de kleuren van hun kop. Rondom onze boot hangen ook dezelfde vissen rond, ze stuiven af op ons organische keukenafval. Vissers vangen zoveel vis dat we soms wat vis van ze krijgen en ze daar absoluut niets voor willen hebben. Als de enige geldautomaat in het dorp weer eens leeg is, krijgen we boodschappen op de pof. We horen er helemaal bij.

Dan is het maandag. Eric zit in de kuip te lezen, ik zit in de kajuit, te bellen met vriendin Sigrid uit Nederland. Dan roept Eric plotseling en hard: ‘walvis!’ Ik stuif naar de kuip en zie op een meter of dertig afstand nog net de donkergrijze, meterslange rug, ik hoor het dier ademhalen door het spuitgat, waarna het onder water verdwijnt. Indrukwekkend en zo mooi! Nu weten we het helemaal zeker: we blijven hier nog een paar weken en gaan dan wel naar Trinidad. Onze contactpersoon uit Trinidad adviseert ons ook nog in Tobago te blijven. Tobago staat bekend als het mooie, kleine zusje van Trinidad. Het is duidelijk: we hebben geen haast.

De dagelijkse routine gaat gewoon door. ’s Ochtends check en beatwoord ik m’n mails en appjes en lees ik de digitale kranten. Dan ga ik m’n rondjes zwemmen rond de boot. Ik heb het al opgevoerd tot 50 minuten! Ik draag wel een brilletje want anders raken mijn ogen ontstoken. Dan gaan we naar het dorp voor boodschappen of voor water. Het wordt weer wat losser in het dorp, mensen maken praatjes en zitten op de kademuur. Barretjes en restaurants zijn nog dicht maar langzaamaan mag er weer het een en ander open. Een kapper heb ik niet nodig want Eric heeft zeker 10 centimeter van m’n haar geknipt. In het dorp krijgen zowel Eric als ik complimentjes over m’n klassieke bobline. Als we terug zijn lunchen we uitgebreid, met meestal vis en verse groenten. We eten hier heerlijk en gezond en ik heb echt lol in koken. Na de warme lunch houden we uitgebreid siësta, dit is het heetste moment van de dag: ik kijk een Netflix serie of lees een boek op m’n e-reader. Eric leest, schrijft, speelt gitaar of schrijft liedjes. Dan aan het einde van de middag gaan we vaak naar Pirate Bay beach om onze vrienden van de kattenfamilie op te zoeken, om te snorkelen en om heen en weer te rennen op het harde zand langs de waterlijn. Vijftien keer heen en weer is drie kilometer. Dan is het al weer avond, we genieten van de zonsondergang en drinken illegale biertjes: ze worden onder de toonbank verkocht bij het plaatselijke hotel.

De boot schoon en opgeruimd houden is geen enorme opgave. Al bijna een jaar leven we op ongeveer 25 m2 en alles heeft z’n vaste plek. We zijn voor energie zelfvoorzienend. De zonnepanelen en de windmolen leveren genoeg energie om de koelkast te laten draaien. Alleen bij windstille en bewolkte dagen moeten we opletten dat de accu’s niet leeg raken. Verder gebruiken we weinig stroom, hooguit voor wat lampjes en het opladen van onze smartphones, iPads en laptops. Met drinkwater doen we zuinig omdat het elke keer nogal een onderneming is om water te halen. Billy loopt nog altijd langzaam leeg dus voor elk tochtje moet ie opgepompt. We gaan dan met tien vijf-liter flessen naar het dorp om water te tappen. Gelukkig is het prima drinkwater. Voor de afwas pompen we zout water op. Voor de was gebruiken we wel zoet water. De was bestaat bijna alleen uit badkleding, doeken, handdoeken en theedoeken. Af en toe gaan we naar de kraan op de steiger om beddengoed te wassen. We gebruiken onze spullen heel intensief, door het klimaat en het zoute water vallen de gaten in het textiel. Ik probeer zo veel mogelijk gaten en scheuren te repareren. Als het echt niet meer kan, hebben we er weer een poetsdoek bij. Metalen keukenspullen roesten snel en moeten af en toe opgepoetst met zoet water. Plastic flessen en plastic tasjes worden constant opnieuw gebruikt. We leiden een zeer duurzaam bestaan. Dit simpele leven aan boord bevalt me steeds beter. En nu we welkom zijn in Chaguaramas, de haven van Trinidad, zijn de zorgen over de nabije toekomst ook opgelost.

Karin

Mijn vrienden, de dieren

        Charlotteville, Tobago 16-4-2020

‘Boink, boink, boink’ klinkt het midden in de nacht, vlak naast mijn oor. Ik schrik wakker, sta op en ga kijken aan dek. Al snel zie ik wat er aan de hand is: we liggen tegen een paar vissersboeitjes aan te bonken. We zijn er overheen gedobberd en de lijn is om het roer gewikkeld. Geen drama, maar wel een irritant geluid. De vissers hadden de dag tevoren hun viskooien uitgegooid op een meter of dertig afstand, maar we liggen aan een ankerketting van 70 meter op 20 meter diepte. We zwenken dus flink. Die ochtend springt Eric in het water en lost het probleem op, maar die boeitjes zullen verlegd moeten worden. Even later komt mister Dash zoals bijna altijd om vis te verkopen of, als hij niets heeft gevangen, gewoon voor een praatje. We stellen Mr. Dash op de hoogte van onze aanvaring met de vissersboeitjes. Het is indrukwekkend hoe snel de tamtam werkt, want nog geen 5 minuten nadat Mr. Dash wegvaart, komt een andere vissersboot met de klinkende naam ‘Dreams of Brighter Days’ de viskooi verplaatsen. Ze halen de spullen op en de kooi zit vol red snappers. Deze baai zit vol vis en de vissers doen nog steeds goede zaken. Gelukkig maar, want de lockdown hakt er hier in Charlotteville behoorlijk in. De schappen van de winkeltjes met levensmiddelen zijn nog wel gevuld en de visverkoop gaat gelukkig gewoon door.

Behalve vis kunnen we ook nog altijd volop verse groente en fruit krijgen. We realiseren ons terdege hoe goed we het hier hebben. We leven op een gezond dieet en voor de broodnodige beweging zwem ik elke dag minstens 35 minuten rond de boot. Tijdens het zwemmen worden mijn mond- en neusholtes flink gespoeld met zout water, verkouden word ik hier nooit. Om de dag gaan we aan land met onze Billy de bijboot voor water, boodschappen en soms voor de was. Op de steiger is een kraan, daar tappen we ons water. Dat is afkomstig van het stuurmeer vlakbij, en stroomt direct naar de kraan. Het is dus goed en drinkbaar water. Ongelofelijk belangrijk voor ons! Soms nemen we wat emmers met wasgoed mee naar de steiger en doen daar de was. Veel werk hebben we er niet aan, want we lopen de hele dag in zwemkleding of in een omgeknoopte doek.

In het dorp wordt het steeds rustiger. Er hangt een wat gelaten sfeer, de mensen lijken af te wachten wat er verder gaat gebeuren. De meeste inwoners van Charlotteville kennen we wel van gezicht en hier en daar maken we een praatje. We voelen ons welkom in het dorp. Je ziet langzaamaan mensen met mondkapjes verschijnen. Onze lieve buurvouw van Shady Lady heeft mondkapjes voor ons gemaakt. We zijn nog een beetje huiverig om ze om te doen. Gisteren gingen we naar het dorp om boodschappen te doen, we hadden onze mondkapjes mee om ze voor de eerste keer te gaan gebruiken. Helaas was er geen geld in de geldautomaat, dus geen boodschappen en geen mondkapjes.

Na het bezoekje aan het dorp, loop ik, om even een stukje te kunnen wandelen, door naar Pirate Bay beach en vaart Eric daarheen met Billy. Aangekomen op het strand komt de poezenfamilie direct op ons af. Een moeder met drie kittens, die inmiddels al groter zijn dan hun moeder. De poezenfamilie is helemaal aan ons gewend want we brengen ze regelmatig visrestjes. Deze keer hebben we niets te eten bij ons, maar wel een mobiel om ze te fotograferen. Sinds we koppie onder zijn gegaan na een bezoekje aan dit strand zijn we ontzettend voorzichtig geworden met spulletjes. We moeten er niet aan denken dat onze smartphones in het water vallen! Vandaag is het erg rustig, dus durven we het aan om één goed verpakte telefoon mee te nemen. De timing van landen op het strand met de dinghy is erg belangrijk.  We wachten even tot de golven wat minder hoog zijn en dan spring ik uit het bootje om hem mee de kant op te trekken. Een enkele keer gaan we terug, zonder aan land te gaan, naar Catherine omdat de golven te hoog zijn en het risico dat we omslaan te groot is.

De poezen zijn alles behalve uitgehongerd want gisteren brachten we ze nog een bak eten. Ik vind het zo leuk om te zien dat de kittens altijd keurig op hun beurt wachten tot hun moeder begint te eten. Als ik me niet lekker voel, soms voel ik me ongerust of gespannen over onze situatie, is de aanwezigheid van dieren enorm troostend. In de baai wemelt het van de zeevogels, ze zijn druk en levendig. De kleine, lawaaierige zeemeeuwen zijn alom aanwezig met hun gekwetter. Ik noem ze de ramptoeristen, ze komen altijd aangevlogen als er weer wat vis te halen is of er een opstootje is. De prehistorisch uitziende pelikanen zijn de clowns, ze zijn heel grappig, ze laten zich van grote hoogte naar beneden storten om vis te vangen. ’s Avonds, als de vissersbootjes aan hun meerboeien in de baai liggen, zitten de peli’s en de meeuwen netjes op een rijtje op de randen van de boten. Ze zitten ook op de rotsjes die een stukje boven het wateroppervlak uitsteken. Tijdens het snorkelen ga ik even op een rotsje staan en sta dan oog in oog met de peli’s en de meeuwen. De meeuwen gaan dan nog harder schreeuwen en de peli’s kijken me wat verdwaasd aan. Ook zijn er de indrukwekkende, grote, zwarte fregatvogels, zij gedragen zich als de bazen van de lucht. Als er een kleine meeuw of een sierlijke, witte kreeftskeerkring vogel in de buurt is zetten ze de aanval in. Ze achtervolgen ze en vallen aan, de kleinere vogels vliegen voor hun leven. Ik verdenk ze van jaloezie, fregatvogels kunnen niet zoals de meeuwen en de peli’s zwemmen.

Terwijl ik de poezen knuffel, staat Eric met Bash te praten, een hele aardige jongeman. Hij werkt in het dorp bij een organisatie die schildpadden beschermt. Nu met de lockdown en nu alle toeristen weg zijn, heeft hij daar niet veel te doen. Hij is zichtbaar zorgelijk als hij erover praat. Van hem horen we veel over de situatie op Tobago en Trinidad. Boven ons, in het woud zit een motmot, een felgekleurde vogel en enorm slim. Volgens Bash herkent deze vogel hem, hij zit vaak bij zijn huis, het zijn zeer intelligente dieren. Achter Eric en Bash zie ik de zon ondergaan, een prachtige grote oranje bal. Ik blijf kijken, het is helder vandaag dus nu is het moment om de ‘green flash’ te zien. Als de zon bijna onder is, zie ik een groenig schijnsel. Was dat het? De mannen hebben het niet gezien. Misschien heb ik teveel verbeelding.

Karin

 

Waarnaartoe als je nergens heen kunt?

Tobago, Charlotteville 26-03-2020

We gaan even terug in de tijd, een week geleden. Ochtend. We zitten in de kuip, bakje koffie in de hand. ‘Wat zijn onze opties?’ vraagt Karin. De ernst van de Coronacrisis is tot overal in de wereld doorgedrongen. Ook hier, in de Cariben. Voorlopig liggen wij met onze Catherine nog aangenaam in de baai van Charlotteville, Tobago. Een prachtige omgeving, groene heuvels, schilderachtig dorpje, helder en warm water om heerlijk in te zwemmen en snorkelen, honderden visjes krioelen om onze boot, een feestmaal voor tonijnen en dorades, die hier uit pure vreugde een sprongetje maken als ze hun buik hebben volgegeten. Vissers komen elke dag langs met hun vangst: ‘Beautiful tuna today! Lobster Mahi! mahi!’ Nee dank je, vandaag niet, morgen ook niet, nog steeds boert de tonijn op die we op de Atlantische oceaan hebben gevangen. Het is hier prettig, maar als we weg willen of moeten, waarheen?

Ik waag een poging ons overlegje te structureren. ‘Oké, we kunnen vanuit Tobago vier kanten uit: noord-, oost-, zuid- en westwaarts, laten we elke mogelijkheid bekijken’, begin ik. Karin zegt direct: ‘oostwaarts valt af, terug naar Suriname, echt niet. Tegen de stroom en wind in, nee dank je.’ Mee eens. ‘Noordwaarts’,  vervolg ik. ‘Als we noordwaarts gaan, varen we langs al die mooie eilanden die eigenlijk het doel van onze zeilreis waren.’ Elke zeiler droomt ervan: van zuid naar noord langs de Grenadinen met de Tobago Keys, droomeilandjes voor elke ankerende wereldzeiler. Dan omhoog via Sint Vincent, Sint Lucia, het Franse Martinique, Dominica, Guadeloupe, om vervolgens via een boel andere eilandparadijsjes bij Sint Maarten aan te komen. Tegen die tijd begint het orkaanseizoen, en waren we van plan om zuidwaarts te koersen richting Bonaire of Curaçao.

Ik noem noordwaarts tegen beter weten in, want steeds meer eilanden weren buitenlandse boten. De één na de andere reisbeperking gaat van kracht. Karin: ‘Zojuist lees ik dat ook Grenada en Sint Vincent, een van de laatste eilanden waar je als zeiler nog kon inklaren, dicht zijn. Martinique en andere eilanden zijn in lockdown. Hoe verstandig is het om nu die reis noordwaarts te beginnen?’ We weten allebei het antwoord. Niet slim. Als je al wordt toegelaten tot een eiland zal de ontvangst uiterst koeltjes zijn. Twee weken quarantaine, of nog langer. Beperkte toegang tot winkels en voorzieningen. Als die al open zijn. ‘Ik heb er geen goed gevoel bij’, zegt Karin. Ze noemt een paar bevriende zeilers die nu op verschillende eilanden vast zitten. De een ligt beter dan de ander, maar allemaal raden ze ons aan: blijf lekker op Tobago. Hier is nog geen corona gemeld, we kunnen aan land, de winkels zijn vol en de mensen aardig. Alles koek en ei. Maar we kunnen hier niet voor altijd blijven liggen. Er is werk aan de winkel met de boot. De schroefas hou ik de laatste maanden in de gaten. Wellicht moeten de waterkeerringen worden vervangen. Niet acuut, het gaat nog goed. Maar we moeten wel het water uit. Dus gaan we door met de overige opties: zuid- en westwaarts.

Ten zuiden van Tobago ligt Trinidad. Samen vormen ze een land. Trinidad is de geboortegrond van mijn favoriete schrijver V.S. Naipaul, nobelprijswinnaar, een soort Engelstalige Geert Mak die naast knappe non-fictieboeken ook geweldige romans heeft geschreven. Trinidad heeft dankzij Naipaul voor mij altijd een magische klank gehad. Zo gaat hij in ‘A Way in the World’, boek over Trinidad, terug naar de tijd van Eldorado, goudkoorts, Sir Walter Raleigh (hij kreeg Engeland aan de tabak) en zijn eigen jeugd op Trinidad. In het kielzog van Naipaul naar Trinidad, dat lijkt me wel wat. ‘Trinidad?’ opper ik. Het lijkt een mooie oplossing, want Trinidad heeft veel voorzieningen voor zeiljachten, we kunnen de boot op de kant zetten en tijdelijk achterlaten als we naar Nederland gaan. Toch voelt het ook ongemakkelijk. Karin: ‘Er zijn best veel berichten over criminaliteit.’ Ik maak me ook zorgen over Venezuela, dat op enkele mijlen afstand ligt. Toen we vertrokken uit Nederland zei ik: ‘We weten niet waar onze reis ons brengt, ik weet wel waar we met een grote boog omheen varen: Venezuela.’ Toch houden we Trinidad als optie. We bellen met de autoriteiten. Mogen we erheen varen? Dat mag. We bellen met de jachthaven – vol, maar we kunnen op de kant.

Het is inmiddels middag. We nemen een duik, lunchen met mango’s, gisteren gekocht  van de vriendelijke Mr. Dean, een van de zichtbaar arme dorpsbewoners die met verkoop van vruchten uit eigen tuin het hoofd boven water probeert te houden. Vooral verkoop aan toeristen levert wat op. Want andere dorpsbewoners hebben dezelfde fruitbomen in de tuin staan. De laatste toeristen vertrekken met de laatste vliegtuigen, achterblijvers zoals wij – er is maar één andere boot – brengen nog wat geld in het laatje. Die andere boot, de Shady Lady uit Scheveningen, zeilt al meer dan twintig jaar over de wereldzeeën. Menig avond drinken we bier met de bemanning. Hoe lang duurt het voordat bevoorrading van bier en andere levensmiddelen in de knel komt? We zijn een beetje bevreesd dat de sfeer in dit gemoedelijke plaatsje dan wel eens radicaal kan omslaan. Ook daarom willen we een bestemming hebben, waar we heen kunnen als het nodig is en waar we veilig zijn tijdens het orkaanseizoen. Dat staat voor de deur: vanaf juni moeten we ergens in de orkaanvrije zuidelijke Cariben zijn. Of terug zijn in Nederland. Maar dat willen we niet. Andere zeilers overwegen wel die route naar huis. Hun probleem is: de Azoren zijn ook gesloten voor jachten. En zo blijven er steeds minder opties over voor de inmiddels tientallen Nederlandse en andere zeiljachten waar we contact mee hebben of goed bevriend mee zijn. Trinidad blijft daarom plan B.

Na de mango’s van Mr. Dean bekijken we de laatste windrichting: westwaarts. ‘Bonaire! Dat zou ik het liefst willen’, zegt Karin. Het eiland is een bijzondere gemeente van Nederland, evenals de bovenwindse eilanden Saba en Sint Eustatius, ofwel de BES-eilanden. Je zou verwachten dat Nederlandse jachten daar toch welkom zouden zijn? ‘Je weet dat Bonaire dicht is, ook voor ons. We kunnen ons er boos over maken, maar dat helpt niet. Bonaire is gesloten’, zeg ik resoluut. Ons gesprekje over de opties loopt vast, onze stemming wordt sombertjes als we ons realiseren dat ook Aruba en Curaçao dicht zijn. Zelfs voor Nederlandse jachten. Hier, in Trinidad en Tobago, zou onze rondreis door de Cariben beginnen. Maar het lijkt er meer op dat dit het eindpunt wordt.

‘Ik voel me kwetsbaar’, verzucht Karin. Ik ook, maar probeer mijn ongemak voor haar verborgen te houden. Dat gevoel is versterkt door een incidentje enkele dagen terug. Op de terugweg van een bezoekje aan het strand met onze trouwe, maar piepkleine bijboot ‘Billy’, ging het mis. Billy sloeg lek. Een van de twee luchtkamers was geheel leeggelopen, op 50 meter van Catherine sloegen we om. Allebei kopje onder. We kwamen weer boven, Karin was oké, daarna had ik gelukkig de tegenwoordigheid van geest om de kraantjes van de buitenboordmotor, vrijwel geheel onder water, dicht te draaien. Twee Franse buren zagen het, stapten in hun bijbootje en schoten ons te hulp. De twee dagen erna was ik bezig met het oplappen van Billy en de buitenboordmotor. Dat is gelukt, maar we voelen ons sindsdien extra kwetsbaar: we waren afhankelijk van anderen die ons af en toe een lift gaven. Het is niet ondenkbaar dat Billy binnenkort definitief de geest geeft. De laatste druppel lijm is verbruikt. Tuurlijk, er is altijd wel een visser of de fijne mensen van de Shady Lady die ons willen helpen. Maar toch. Als zeiler wil je zelfstandig blijven. De twee Franse boten zijn inmiddels vertrokken naar Trinidad. Hun backup is er niet meer. Shady Lady en wij staan er in Charlotteville nu alleen voor.

Dan peppen Karin en ik elkaar op. We maken ons boos dat landen en eilanden binnen het Nederlandse koninkrijk doodleuk Nederlandse paspoorthouders kunnen weigeren. ‘We moeten iets doen’, zegt Karin. Er borrelt iets. ‘Weet je wat’, zeg ik, ‘we schrijven een open brief, die richten we aan de regering van Curaçao én aan de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, waarin we aandacht vragen voor ons en andere Nederlandse zeilers die in een vergelijkbare situatie zitten. En mocht die brief in een anonieme mailbox verdwijnen: we sturen hem ook door naar de grootste krant van Nederland.’ Karin is duidelijk: ‘Doen we!’ Somberheid en passiviteit slaan om in energie. Ik rammel in no-time die brief in elkaar, zoek op internet wat officiële mailadressen op. Via een bevriende zeiler krijg ik het mailadres van een redacteur van de krant. Hij reageert direct, de volgende dag heeft hij stukken uit onze brief en ons blog tot een artikel gesmeed. Tot onze verbazing, nog voor dat is geplaatst, belt de plaatsvervangend Nederlandse vertegenwoordiger op Curaçao. Een hartelijke, maar krachtdadige stem. ‘We hebben uw brief ontvangen. Ja, we gaan ermee aan de slag. Om hoeveel zeilers gaat het?’ Er ontstaat een hotline met deze fantastische vertegenwoordiging van Nederland. We schatten hoeveel zeilers er in het gebied zijn. 100. Hoeveel er naar Curaçao willen. 40, pakweg. Want daar willen we heen, beter dan Bonaire, op Curaçao zijn meer voorzieningen, ook tijdens het orkaanseizoen. Daar zijn we veilig. ‘U zult twee weken in quarantaine moeten.’ Geen probleem. Al snel komt de voorlopige toezegging: ‘Goed nieuws. U bent welkom op Curaçao.’ Via de facebookgroep voor Nederlandse zeilers in de Cariben maken we het bekend. We zeggen: ‘het ziet er goed uit’. Want veel is nog onduidelijk. Wat is de procedure? En vooral: wat is een ‘Nederlands’ jacht? Nederlandse vlag én Nederlandse opvarenden is duidelijk. Maar een Franse boot met Nederlanders, of een gemengde bemanning op een Nederlandse boot? Zijn onze lieve vrienden van de Nederlands-Belgische Giramondo welkom? Dat moet nog worden uitgezocht. Tot daar duidelijkheid over is lijkt het ons, in overleg met de vertegenwoordiger, beter nog even een voorbehoud te maken. Wel inventariseren we op facebook welke boten naar Curaçao willen. Een dag na de oproep zijn er al bijna 40 aanmeldingen. Dat hadden we aardig ingeschat!

We zijn nu bijna een week verder. Alles wijst erop dat we binnenkort naar Curaçao kunnen zeilen. Zijn we opgelucht? Tuurlijk. Onze boot kan daar tijdens het orkaanseizoen op de kant. En vanaf daar zullen na enige tijd wel weer vliegtuigen naar Nederland vertrekken. Bovendien kunnen we ons nuttig maken, met de door ons ontwikkelde en uitgegeven taalmethode voor de Cariben ‘Nederlands onder de zon’. Maar we hebben ook dubbele gevoelens. Want niet al onze zeilvrienden zullen welkom zijn in Curaçao. Onze Duitse vrienden, drie boten, die we in Porto Santo hebben leren kennen bijvoorbeeld. En hoe zit het met Belgische boten? Waar kunnen die heen? Wellicht dat in een later stadium ook voor hun de regels door Curaçao kunnen worden versoepeld. We hopen het. En wat doen de Fransen? Hun eilanden zijn niet veilig tijdens het orkaanseizoen, hoewel best veel zeilers een gokje wagen en hun boot daar laten. Veel is nog onduidelijk voor de meeste zeilers. Wij hebben voor de Nederlanders een oplossing gevonden, hopelijk loopt het voor iedereen goed af. Omdat we de Curaçao-actie zijn begonnen krijgen we ook veel vragen van zeilers die misschien niet naar Curaçao mogen. Ons advies: neem contact op met je eigen ambassade of vertegenwoordiging op het eiland waar je naartoe wilt. Daar kunnen dingen in beweging worden gezet, daar kunnen mensen met elkaar in overleg. Boos worden op een weigerachtige douanebeambte of de kustwacht die boten wegstuurt, zoals ook op Curaçao is gebeurd, heeft geen zin. Die mensen doen gewoon het werk dat hen is opgedragen. De coronacrisis raakt ons, zeilers, maar vooral ook de plaatselijke bevolking, die ons hier gastvrij ontvangt. We duimen dat hier geen pandemie uitbreekt. Dat kunnen de eilanden in de Cariben niet aan. De gezondheidszorg is er niet op berekend. We wensen iedereen het beste, zeilers, maar vooral de bevolking hier, op andere eilanden in de Cariben en in Nederland. Aan iedereen: hou je haaks, zet ’m op, wees aardig en help elkaar.

Liefs, ook van Karin,

Eric

Een dag nadat we bovenstaand blog hebben gepost krijgen we een enorme domper te verwerken. Eigenlijk twee dompers. 1. We zijn niet meer welkom op Trinidad. Plan B vervalt dus. 2. We kregen een belletje. Er is een kink in de kabel bij Curaçao: de regering daar is nóg strenger, we zijn (nog) niet welkom. De Nederlandse vertegenwoordiging doet er samen met Buitenlandse Zaken alles aan om het voor de groep zeilers toch nog voor elkaar te krijgen. Maar voor nu moeten we hier blijven. We hebben intensief contact, ze houden ons op de hoogte. O ja, Trinidad en Tobago gaan morgen ook in lockdown. Van dat woord had ik tot twee weken geleden nooit gehoord. Hoe snel kan de wereld veranderen…

Suriname – Tobago: traantjes en biertjes

Charlotteville, Tobago 10-3-2020

Tijdens de laatste dagen van ons verblijf in Suriname was Marina Waterland,  de enige fatsoenlijke steiger in Suriname waar zeiljachten kunnen afmeren,  behoorlijk leeggelopen. Dat begon met het vertrek van Liselot en Joris. We brachten ze naar vliegveld Zanderij, een uur rijden. Dag pa, dag ma, wees voorzichtig, maar geniet vooral van jullie zeilreis! Dag Joris, succes met je stage bij de Volkskrant. Dag Liselot, geniet van de paar weekjes in Rotterdam voordat je voor je coschap naar Perth in Australië vertrekt. Ik gaf ze beide een zoen op hun slaap, het meest tedere plekje waar je je meest dierbaren een liefdevolle kus geeft. Een laatste omhelzing, ze draaiden zich om, gingen op weg naar de paspoortcontrole. Een zwaai, een handkus, en weg waren ze. Karin en ik bleven verdoofd achter. We besloten even te gaan zitten op een eenvoudig terrasje, op plastic stoeltjes, met een koude frisdrank uit een pakje en een rietje. Zwijgend dronken we het suikergoedje op, sloften naar de auto en reden terug naar de boot. We zwegen, maar dachten hetzelfde: wat gaan we die twee missen.

Tijdens de rit kwamen we weer langzaam tot onszelf. Halverwege passeerden we de gesloten bauxietmijn van Suralco, ooit de economische levensader van het land. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam zestig procent van het aluminium voor de Mustangs en Vliegende Forten van de Amerikanen uit deze mijn. Nu ligt het er verlaten bij, alsof het van de ene op de andere dag achtergelaten is, een neefje van Tjernobyl. Roestige graafmachines, met de scheppen de lucht in alsof ze willen zeggen: laat ons werken, we kunnen het nog, we willen zo graag. Verlaten fabriekshallen, enorm, losse golfplaten, je kijkt zo door de bouwwerken heen. Een gigantisch door prikkeldraad omringd spookgebied, bij uitstek geschikt voor een spannende Hollywoodproductie. Maar Hollywood heeft waarschijnlijk nooit van Suriname gehoord.

Aangekomen bij de marina begroet onze olijke gastheer Runo ons: ‘ja man!’. We ploffen neer in de kuip van onze gastvrije Catherine. Met een koud biertje in de hand zijn we weer terug in de werkelijkheid: het mooie Suriname, de fraaie marina aan de groene Surinamerivier, met de gezellig buren waar we in de loop van de tijd een fijne band mee hebben gekregen. Dirk en Paula, zij stapt op en af terwijl Dirk met vrienden zijn boot Delizia naar en door de Cariben zeilt. Waarschijnlijk liggen we rond de zomer in dezelfde jachthaven op Bonaire. Schipper Rienk van Jive met opstappers Senna en Marek, een bijzonder trio; de één spraakzaam, de ander gereserveerd, de ander altijd vrolijk. Elke avond zegt wel iemand: zullen we een biertje doen? En dan zijn er Rosan, Arnout en hun peuter Berend, zeilend op hun Doejong, die dan weer met meloen, dan weer met een koud biertje of zelfgemaakte cocktail op de steiger staan, opgewekt en gretig in de startblokken voor weer een boeiend gesprek en gezellig avond.

De Jive is inmiddels vertrokken naar Tobago, Paula is al terug in Nederland, als wij de trossen losgooien. Runo en Dirk helpen wat met de lijnen, Dirk handiger dan Runo, ze staan ons op de steiger uit te zwaaien. Ik zet koers naar de riviermonding, vijf uur motoren in het vooruitzicht, en kijk Karin aan. Waterige ogen, nee, zelfs tranen. Wat is er nou? ‘Ik ben gehecht geraakt aan dit land’, zegt ze. ‘Suriname is mooi, de mensen zo aardig en gastvrij. Maar het land is kwetsbaar, ik hoop zo dat het beter zal gaan.’ Karin doelt op de verkiezingen, 25 mei. ‘Die Bouterse brengt het land naar de afgrond, Suriname verdient een betere president.’ Ik kan het alleen maar met haar eens zijn. De corruptie, vriendjespolitiek, politici met kleverige handen van de drugs, hoge ambtenaren die zichzelf verrijken met publiek geld. Het is verschrikkelijk. Tijdens ons verblijf kelderde de munt en trok de Amerikaanse FED de handen af van de Surinaamse dollar. Het laatste nieuws:  de Surinaamse bank heeft 100 miljoen (!!) Amerikaanse dollar, volgens andere berichten zelfs 250 miljoen dollar, verduisterd. Iedereen heeft het erover, schande, maar ja, verzucht men, zo gaat dat in Suriname. Ik heb een keer gelezen dat een volk de leider krijgt die het verdient. Ik hoop dat dat ook voor Suriname geldt.

Ik heb me serieus voorgenomen van dit verhaal een zeilblog te maken, over zeeën,  stroming, koersen, zeilvoering en andere nautische onderwerpen, we zeilen tenslotte in het kielzog van de grote ontdekkingsreizigers, maar sta mezelf toe nog iets meer over Suriname te zeggen.  Want we zeilen, maar zijn in de eerste plaats reizigers, willen meer weten over de landen waar we zijn. In het binnenland is het een en ander gaande. Je ziet het al op de wegen vol kuilen richting die verwaarloosde hoofdstad Paramaribo, een beschermde Unesco-plek, maar  ook een vervallen zooitje met hooguit hier en daar een mooi gerestaureerd gebouw. Helaas gaat het verval in de tropen sneller dan restauratie, dus de toekomst van Paramaribo ziet er somber uit. Het verkeer staat vast, al jaren is er geen investering gedaan in het wegennetwerk. Op de wegen naar de havens bij Paramaribo rijden de vrachtwagens met gigantische boomstammen af en aan: het bos wordt gesloopt. Verder weg, op de grens met Brazilië, is een ander drama gaande. Tienduizenden illegalen uit Brazilië drommen er samen, op zoek naar goud. Al sinds de zestiende eeuw, toen Eldorado nog achter de horizon zou liggen, trekken gelukszoekers hier het woud in. Nu zijn het de Brazilianen, ze zoeken naar hetzelfde goud als die allereerste sloebers, die vlak na Columbus in het regenwoud hun geluk zochten, maar bijna allemaal verkommerden en als sloebers stierven. De huidige gouddelvers leven in zelfgestichte stadjes, waar wetteloosheid en hoererij heersen, zo hoorden wij van een Nederlands-Surinaamse kennis uit het Rotterdamse, die tegenwoordig vlak achter de marina woont. Nog erger: de goudzoekers gebruiken kwik, dat in de rivieren terechtkomt en zich ophoopt in de voedselketen. Benedenstrooms worden hierdoor mismaakte kinderen geboren. Suriname: land van ongekende schoonheid en vreselijke tragiek. Dat roept bij Karin dat gevoel op waardoor ze een traantje moet laten. Maar: we blijven optimistisch, op weg naar 25 mei, de stem van het volk, op weg naar exit Bouterse. Zoals Runo zou zeggen: ‘ja man!’

We stuiven de rivier af, het tij is gekenterd, stroom mee, na vijf uur is de uiterton in zicht. Vóór ons ligt een Chinese boot: een baggeraar. De riviermonding van Paramaribo is bij eb maar vier meter diep. Dichtslibben van de vaargeul dreigt. Al baggerend vergroot China zijn invloed in dit deel van de wereld, zoals je ook elders in Suriname steeds meer Chinese invloeden ziet. Bedrijven, supermarkten, grote borden met Chinese opschriften. China is één van de weinige landen waar decembermoordenaar Bouterse zich nog kan vertonen. We laten de baggeraar aan stuurboord en koersen richting Tobago. Elk uur komt er een metertje diepte bij. Gelukkig, want vier meter diepte voelt onveilig, onprettig, ook omdat de zeekaarten hier minder betrouwbaar zijn. Tobago is 450 mijl verderop, we hebben een stevige stroming mee, we verwachten drie á vier dagen onderweg te zijn. De wind blaast vrij constant. Vijftien knopen, dan weer wat meer, maximaal vijfentwintig. Ideaal. We zeilen behoudend: onze voorstag is provisorisch gerepareerd en die ontzien we. De kotterstag met werkfok doen het prima. Nou vooruit, als de wind aantrekt, nog maar een rifje. We gaan toch als een speer met die stroom. Het zeilt superrelaxed. Toch, ergens in de onderbuik, knaagt een onbehaaglijk gevoel. We zeilen langs de kust van Brits-Guyana en naderen Venezuela, waar af en toe gevallen van piraterij worden gemeld. Wij maken gelukkig niets mee, er gebeurt niets verdachts.

We worden opgeroepen door één van twee langzame schepen die met elkaar opvaren en onze koers kruisen: kabeltrekkers, op weg naar Suriname of Brits Guyana. Of we afstand willen houden. Dat waren we al van plan ja, maar toch goed dat hierover gecommuniceerd wordt om misverstanden en gevaarlijke situaties te voorkomen.

En daar komen ze: dolfijnenvrienden! Enthousiast sprinten ze op ons af, hupladié, de lucht in, joepie, spring, spring, het zijn er maar tien of zo, maar wat een plezier maken ze met elkaar, ze spelen tikkertje, zwemmen achter elkaar aan, zoef, razendsnel. Dan zijn ze weer weg. Zo gaat de tweede dag voorbij. De zon gaat onder. Wat een mooi rood vlekje daar aan de horizon! Maar naarmate de zon verder zakt, wordt het vlekje steeds feller. Vreemd. Wat is dat? Op de kaart, via de AIS, zien we een drukke activiteit. Wel tien boten op dezelfde plek. Moeilijk manoeuvreerbaar, staat erbij. Het duurt ruim een uur voordat we een beetje kunnen zien wat er gaande is. Oliewinning, op grote schaal. Supertankers liggen klaar om bij een van de boorplatforms – we tellen er zes – zich vol te laten lopen. Hier is de wereldeconomie in volle gang. Schepen uit Singapore, de Verenigde Staten, Panama, noem maar op, allemaal komen ze hierheen want hier is het vloeibare goud, dit is het huidige Eldorado: olie. We varen er langs in de nacht, de enorme vuurbal verblindt ons en domineert de nachtelijke hemel gedurende een uur of zes. Hoeveel energie wordt verspild, hoeveel CO2 gaat hier de lucht in, alleen al door dit affakkelen? Vergelijkbaar met het dagelijks energieverbruik van Rotterdam?

Dag drie sukkelt voort. De stroomt zuigt ons als het ware naar Tobago. Waar we aan het begin van onze reis nog gespannen toeleefden naar de driedaagse oversteek van de Golf van Biskaje, beleven we deze driedaagse tocht als een gezapig uitje. De verveling dreigt toe te slaan als land in zicht komt: Tobago! Op 31 juli 1498, tijdens zijn derde grote reis, zeilde Columbus in dezelfde buurt, maar iets zuidelijker. Hij zag niet Tobago, maar drie heuvels, hij had een nieuw eiland ontdekt, en met de Heilige Drievuldigheid in gedachte noemde de vrome Columbus het eiland ‘Trinidad’, dat tegenwoordig met Tobago een land vormt. Wij, bescheiden plezierzeilers van de Catherine, varen niet in zijn kielzog mee naar de zuidkant van Trinidad. We zouden wel willen, maar Venezuela ligt te dichtbij, we vrezen de piraten. Tussen Venezuela en Trinidad ligt de Golf van Paria, waar de bekende Orinoco-rivier in uitmondt. Daar beleefde één van de grootste natuuronderzoekers ooit, Alexander von Humboldt, zijn grootste avonturen. Humboldt was een grote inspirator voor Charles Darwin. En Charles Darwin, op zijn beurt, slaagde erin antwoorden te vinden op alle levensvragen. Ook op vragen die nog niet eerder gesteld waren en pas anno 2020 actueel zijn. Bijvoorbeeld hoe het kan dat de mens en virussen als het Corona zich evolueren tot wat ze zijn. De lijntjes tussen Catherine, Karin, mij, Trinidad, Tobago, Columbus, Humboldt en Darwin zijn flinterdun, maar ja, dit soort gedachtes krijgt een kans als je drie dagen op een bootje zeilt richting de Cariben.

Nog een piepklein stukje varen. We ronden de noordkaap van Tobago, laten de zeilen zakken, varen langs Mable Rock en de London Bridge Rock, varen dan de prachtige baai van het plaatsje Charlotteville binnen. We zwaaien naar de bemanning van de Jive, maken kennis met Ype van de Free. In vijftien meter diepte ligt ons anker op een zandbodem, Catherine ligt kabbelend in de Caribische Zee, terwijl wij ons ankerbiertje opentrekken. We zijn in de Cariben!

Eric