Tobago, Charlotteville 13-5-2020

Zoals de meesten wel weten zijn we al zeven weken bezig om met een groep andere Nederlandse zeilboten toestemming te krijgen om in een baai van  Curaçao voor anker te gaan. Boten liggen her en der verspreid in het Caribisch gebied en willen voordat het orkaanseizoen begint een veilige haven opzoeken. Curaçao is interessant voor Nederlandse boten omdat het tot het Nederlands koninkrijk behoort en Bonaire omdat het een Nederlandse gemeente is. We hebben bijna dagelijks contact met de Nederlandse vertegenwoordiging op Curaçao. Er is  een speciaal opgerichte Facebook pagina voor zeilboten in de Cariben waarop informatie wordt uitgewisseld. Inmiddels is er ook een flinke groep boten die richting Nederland gaat en het orkaanseizoen hier dus niet uitzit.

Afgelopen vrijdag diende zich een doorbraak aan, we zijn welkom in Curaçao maar onder strikte en strenge voorwaarden. We moeten onze quarantaine periode doorbrengen in een hotel en na de quarantaine zo snel mogelijk van het eiland af. Bij navraag blijkt het ook nog om een heel duur hotel te gaan. Eric en ik zijn verbijsterd: is dit dan wat Curaçao z’n rijksgenoten te bieden heeft? Zeer teleurstellend, een duur hotel i.p.v de beste plek voor quarantaine: voor anker op je eigen boot. Bijna tegelijkertijd met dit nieuws besluiten we een belrondje te doen naar Customs, Immigration en de Coast Guard van Tobago en Trinidad (T&T). We zijn verbaasd, kunnen het bijna niet geloven, maar we zijn welkom in Trinidad. De interne reisbeperkingen zijn opgeheven en we kunnen doorreizen naar Chaguaramas op Trinidad. Corona is op T&T onder controle, met nog maar vier besmettingen, daarom is het tijd om de corona-maatregelen te versoepelen. Chaguaramas is een heel bekend en veilig toevluchtoord voor jachten die in de Cariben verblijven tijdens het orkaanseizoen. We kunnen hier de boot op de kant zetten, zonder quarantaine want we zijn al in T&T, en aan de boot werken. Chaguaramas is op 80 mijl afstand, zo’n 16 uur varen vanaf Charlotteville.

We zijn blij en opgelucht, want eindelijk is een eind gekomen aan een lange periode van onzekerheid. We hadden onze zinnen gezet op Curaçao of Bonaire, maar zijn nu heel blij dat we naar Trinidad kunnen. We trekken er een biertje bij open om dit te vieren. De feeststemming wordt vergroot als vlak voor zonsondergang een groep van zeker dertig dolfijnen de baai inzwemt. Dit zijn van die geluksmomenten: ze zwemmen heel rustig helemaal tot aan de plek waar de vissersboten voor anker liggen, draaien om en gaan langzaam weer terug de zee op. We volgen ze net zo lang tot ze helemaal uit zicht zijn verdwenen. Zo onverstoorbaar en gracieus, we zijn helemaal gelukkig.

Tijdens het weekend maken we plannen. Wat een luxe, we kunnen ergens naar toe leven! Wat doen we? Gaan we nu snel naar Trinidad of doen we rustig aan en blijven we nog wat langer op ons geliefde Tobago? We zijn hier nu langer dan twee maanden, we kennen de baai, het dorp en de diverse stranden in de buurt. We kennen veel mensen in het dorp, de vissers, bewoners, de mensen van de winkels. Het voelt goed en voelt een beetje als thuis. Van de dieren kennen we de meeste honden en katten. We kennen zelfs specifieke vogels met afwijkende kenmerken. Zo zijn er twee fregatvogels, één met een veer die uitsteekt in z’n vleugel en één met een gerafelde vleugel. Een paar pelikanen meen ik ook te herkennen aan de kleuren van hun kop. Rondom onze boot hangen ook dezelfde vissen rond, ze stuiven af op ons organische keukenafval. Vissers vangen zoveel vis dat we soms wat vis van ze krijgen en ze daar absoluut niets voor willen hebben. Als de enige geldautomaat in het dorp weer eens leeg is, krijgen we boodschappen op de pof. We horen er helemaal bij.

Dan is het maandag. Eric zit in de kuip te lezen, ik zit in de kajuit, te bellen met vriendin Sigrid uit Nederland. Dan roept Eric plotseling en hard: ‘walvis!’ Ik stuif naar de kuip en zie op een meter of dertig afstand nog net de donkergrijze, meterslange rug, ik hoor het dier ademhalen door het spuitgat, waarna het onder water verdwijnt. Indrukwekkend en zo mooi! Nu weten we het helemaal zeker: we blijven hier nog een paar weken en gaan dan wel naar Trinidad. Onze contactpersoon uit Trinidad adviseert ons ook nog in Tobago te blijven. Tobago staat bekend als het mooie, kleine zusje van Trinidad. Het is duidelijk: we hebben geen haast.

De dagelijkse routine gaat gewoon door. ’s Ochtends check en beatwoord ik m’n mails en appjes en lees ik de digitale kranten. Dan ga ik m’n rondjes zwemmen rond de boot. Ik heb het al opgevoerd tot 50 minuten! Ik draag wel een brilletje want anders raken mijn ogen ontstoken. Dan gaan we naar het dorp voor boodschappen of voor water. Het wordt weer wat losser in het dorp, mensen maken praatjes en zitten op de kademuur. Barretjes en restaurants zijn nog dicht maar langzaamaan mag er weer het een en ander open. Een kapper heb ik niet nodig want Eric heeft zeker 10 centimeter van m’n haar geknipt. In het dorp krijgen zowel Eric als ik complimentjes over m’n klassieke bobline. Als we terug zijn lunchen we uitgebreid, met meestal vis en verse groenten. We eten hier heerlijk en gezond en ik heb echt lol in koken. Na de warme lunch houden we uitgebreid siësta, dit is het heetste moment van de dag: ik kijk een Netflix serie of lees een boek op m’n e-reader. Eric leest, schrijft, speelt gitaar of schrijft liedjes. Dan aan het einde van de middag gaan we vaak naar Pirate Bay beach om onze vrienden van de kattenfamilie op te zoeken, om te snorkelen en om heen en weer te rennen op het harde zand langs de waterlijn. Vijftien keer heen en weer is drie kilometer. Dan is het al weer avond, we genieten van de zonsondergang en drinken illegale biertjes: ze worden onder de toonbank verkocht bij het plaatselijke hotel.

De boot schoon en opgeruimd houden is geen enorme opgave. Al bijna een jaar leven we op ongeveer 25 m2 en alles heeft z’n vaste plek. We zijn voor energie zelfvoorzienend. De zonnepanelen en de windmolen leveren genoeg energie om de koelkast te laten draaien. Alleen bij windstille en bewolkte dagen moeten we opletten dat de accu’s niet leeg raken. Verder gebruiken we weinig stroom, hooguit voor wat lampjes en het opladen van onze smartphones, iPads en laptops. Met drinkwater doen we zuinig omdat het elke keer nogal een onderneming is om water te halen. Billy loopt nog altijd langzaam leeg dus voor elk tochtje moet ie opgepompt. We gaan dan met tien vijf-liter flessen naar het dorp om water te tappen. Gelukkig is het prima drinkwater. Voor de afwas pompen we zout water op. Voor de was gebruiken we wel zoet water. De was bestaat bijna alleen uit badkleding, doeken, handdoeken en theedoeken. Af en toe gaan we naar de kraan op de steiger om beddengoed te wassen. We gebruiken onze spullen heel intensief, door het klimaat en het zoute water vallen de gaten in het textiel. Ik probeer zo veel mogelijk gaten en scheuren te repareren. Als het echt niet meer kan, hebben we er weer een poetsdoek bij. Metalen keukenspullen roesten snel en moeten af en toe opgepoetst met zoet water. Plastic flessen en plastic tasjes worden constant opnieuw gebruikt. We leiden een zeer duurzaam bestaan. Dit simpele leven aan boord bevalt me steeds beter. En nu we welkom zijn in Chaguaramas, de haven van Trinidad, zijn de zorgen over de nabije toekomst ook opgelost.

Karin

        Charlotteville, Tobago 16-4-2020

‘Boink, boink, boink’ klinkt het midden in de nacht, vlak naast mijn oor. Ik schrik wakker, sta op en ga kijken aan dek. Al snel zie ik wat er aan de hand is: we liggen tegen een paar vissersboeitjes aan te bonken. We zijn er overheen gedobberd en de lijn is om het roer gewikkeld. Geen drama, maar wel een irritant geluid. De vissers hadden de dag tevoren hun viskooien uitgegooid op een meter of dertig afstand, maar we liggen aan een ankerketting van 70 meter op 20 meter diepte. We zwenken dus flink. Die ochtend springt Eric in het water en lost het probleem op, maar die boeitjes zullen verlegd moeten worden. Even later komt mister Dash zoals bijna altijd om vis te verkopen of, als hij niets heeft gevangen, gewoon voor een praatje. We stellen Mr. Dash op de hoogte van onze aanvaring met de vissersboeitjes. Het is indrukwekkend hoe snel de tamtam werkt, want nog geen 5 minuten nadat Mr. Dash wegvaart, komt een andere vissersboot met de klinkende naam ‘Dreams of Brighter Days’ de viskooi verplaatsen. Ze halen de spullen op en de kooi zit vol red snappers. Deze baai zit vol vis en de vissers doen nog steeds goede zaken. Gelukkig maar, want de lockdown hakt er hier in Charlotteville behoorlijk in. De schappen van de winkeltjes met levensmiddelen zijn nog wel gevuld en de visverkoop gaat gelukkig gewoon door.

Behalve vis kunnen we ook nog altijd volop verse groente en fruit krijgen. We realiseren ons terdege hoe goed we het hier hebben. We leven op een gezond dieet en voor de broodnodige beweging zwem ik elke dag minstens 35 minuten rond de boot. Tijdens het zwemmen worden mijn mond- en neusholtes flink gespoeld met zout water, verkouden word ik hier nooit. Om de dag gaan we aan land met onze Billy de bijboot voor water, boodschappen en soms voor de was. Op de steiger is een kraan, daar tappen we ons water. Dat is afkomstig van het stuurmeer vlakbij, en stroomt direct naar de kraan. Het is dus goed en drinkbaar water. Ongelofelijk belangrijk voor ons! Soms nemen we wat emmers met wasgoed mee naar de steiger en doen daar de was. Veel werk hebben we er niet aan, want we lopen de hele dag in zwemkleding of in een omgeknoopte doek.

In het dorp wordt het steeds rustiger. Er hangt een wat gelaten sfeer, de mensen lijken af te wachten wat er verder gaat gebeuren. De meeste inwoners van Charlotteville kennen we wel van gezicht en hier en daar maken we een praatje. We voelen ons welkom in het dorp. Je ziet langzaamaan mensen met mondkapjes verschijnen. Onze lieve buurvouw van Shady Lady heeft mondkapjes voor ons gemaakt. We zijn nog een beetje huiverig om ze om te doen. Gisteren gingen we naar het dorp om boodschappen te doen, we hadden onze mondkapjes mee om ze voor de eerste keer te gaan gebruiken. Helaas was er geen geld in de geldautomaat, dus geen boodschappen en geen mondkapjes.

Na het bezoekje aan het dorp, loop ik, om even een stukje te kunnen wandelen, door naar Pirate Bay beach en vaart Eric daarheen met Billy. Aangekomen op het strand komt de poezenfamilie direct op ons af. Een moeder met drie kittens, die inmiddels al groter zijn dan hun moeder. De poezenfamilie is helemaal aan ons gewend want we brengen ze regelmatig visrestjes. Deze keer hebben we niets te eten bij ons, maar wel een mobiel om ze te fotograferen. Sinds we koppie onder zijn gegaan na een bezoekje aan dit strand zijn we ontzettend voorzichtig geworden met spulletjes. We moeten er niet aan denken dat onze smartphones in het water vallen! Vandaag is het erg rustig, dus durven we het aan om één goed verpakte telefoon mee te nemen. De timing van landen op het strand met de dinghy is erg belangrijk.  We wachten even tot de golven wat minder hoog zijn en dan spring ik uit het bootje om hem mee de kant op te trekken. Een enkele keer gaan we terug, zonder aan land te gaan, naar Catherine omdat de golven te hoog zijn en het risico dat we omslaan te groot is.

De poezen zijn alles behalve uitgehongerd want gisteren brachten we ze nog een bak eten. Ik vind het zo leuk om te zien dat de kittens altijd keurig op hun beurt wachten tot hun moeder begint te eten. Als ik me niet lekker voel, soms voel ik me ongerust of gespannen over onze situatie, is de aanwezigheid van dieren enorm troostend. In de baai wemelt het van de zeevogels, ze zijn druk en levendig. De kleine, lawaaierige zeemeeuwen zijn alom aanwezig met hun gekwetter. Ik noem ze de ramptoeristen, ze komen altijd aangevlogen als er weer wat vis te halen is of er een opstootje is. De prehistorisch uitziende pelikanen zijn de clowns, ze zijn heel grappig, ze laten zich van grote hoogte naar beneden storten om vis te vangen. ’s Avonds, als de vissersbootjes aan hun meerboeien in de baai liggen, zitten de peli’s en de meeuwen netjes op een rijtje op de randen van de boten. Ze zitten ook op de rotsjes die een stukje boven het wateroppervlak uitsteken. Tijdens het snorkelen ga ik even op een rotsje staan en sta dan oog in oog met de peli’s en de meeuwen. De meeuwen gaan dan nog harder schreeuwen en de peli’s kijken me wat verdwaasd aan. Ook zijn er de indrukwekkende, grote, zwarte fregatvogels, zij gedragen zich als de bazen van de lucht. Als er een kleine meeuw of een sierlijke, witte kreeftskeerkring vogel in de buurt is zetten ze de aanval in. Ze achtervolgen ze en vallen aan, de kleinere vogels vliegen voor hun leven. Ik verdenk ze van jaloezie, fregatvogels kunnen niet zoals de meeuwen en de peli’s zwemmen.

Terwijl ik de poezen knuffel, staat Eric met Bash te praten, een hele aardige jongeman. Hij werkt in het dorp bij een organisatie die schildpadden beschermt. Nu met de lockdown en nu alle toeristen weg zijn, heeft hij daar niet veel te doen. Hij is zichtbaar zorgelijk als hij erover praat. Van hem horen we veel over de situatie op Tobago en Trinidad. Boven ons, in het woud zit een motmot, een felgekleurde vogel en enorm slim. Volgens Bash herkent deze vogel hem, hij zit vaak bij zijn huis, het zijn zeer intelligente dieren. Achter Eric en Bash zie ik de zon ondergaan, een prachtige grote oranje bal. Ik blijf kijken, het is helder vandaag dus nu is het moment om de ‘green flash’ te zien. Als de zon bijna onder is, zie ik een groenig schijnsel. Was dat het? De mannen hebben het niet gezien. Misschien heb ik teveel verbeelding.

Karin

 

Tobago, Charlotteville 26-03-2020

We gaan even terug in de tijd, een week geleden. Ochtend. We zitten in de kuip, bakje koffie in de hand. ‘Wat zijn onze opties?’ vraagt Karin. De ernst van de Coronacrisis is tot overal in de wereld doorgedrongen. Ook hier, in de Cariben. Voorlopig liggen wij met onze Catherine nog aangenaam in de baai van Charlotteville, Tobago. Een prachtige omgeving, groene heuvels, schilderachtig dorpje, helder en warm water om heerlijk in te zwemmen en snorkelen, honderden visjes krioelen om onze boot, een feestmaal voor tonijnen en dorades, die hier uit pure vreugde een sprongetje maken als ze hun buik hebben volgegeten. Vissers komen elke dag langs met hun vangst: ‘Beautiful tuna today! Lobster Mahi! mahi!’ Nee dank je, vandaag niet, morgen ook niet, nog steeds boert de tonijn op die we op de Atlantische oceaan hebben gevangen. Het is hier prettig, maar als we weg willen of moeten, waarheen?

Ik waag een poging ons overlegje te structureren. ‘Oké, we kunnen vanuit Tobago vier kanten uit: noord-, oost-, zuid- en westwaarts, laten we elke mogelijkheid bekijken’, begin ik. Karin zegt direct: ‘oostwaarts valt af, terug naar Suriname, echt niet. Tegen de stroom en wind in, nee dank je.’ Mee eens. ‘Noordwaarts’,  vervolg ik. ‘Als we noordwaarts gaan, varen we langs al die mooie eilanden die eigenlijk het doel van onze zeilreis waren.’ Elke zeiler droomt ervan: van zuid naar noord langs de Grenadinen met de Tobago Keys, droomeilandjes voor elke ankerende wereldzeiler. Dan omhoog via Sint Vincent, Sint Lucia, het Franse Martinique, Dominica, Guadeloupe, om vervolgens via een boel andere eilandparadijsjes bij Sint Maarten aan te komen. Tegen die tijd begint het orkaanseizoen, en waren we van plan om zuidwaarts te koersen richting Bonaire of Curaçao.

Ik noem noordwaarts tegen beter weten in, want steeds meer eilanden weren buitenlandse boten. De één na de andere reisbeperking gaat van kracht. Karin: ‘Zojuist lees ik dat ook Grenada en Sint Vincent, een van de laatste eilanden waar je als zeiler nog kon inklaren, dicht zijn. Martinique en andere eilanden zijn in lockdown. Hoe verstandig is het om nu die reis noordwaarts te beginnen?’ We weten allebei het antwoord. Niet slim. Als je al wordt toegelaten tot een eiland zal de ontvangst uiterst koeltjes zijn. Twee weken quarantaine, of nog langer. Beperkte toegang tot winkels en voorzieningen. Als die al open zijn. ‘Ik heb er geen goed gevoel bij’, zegt Karin. Ze noemt een paar bevriende zeilers die nu op verschillende eilanden vast zitten. De een ligt beter dan de ander, maar allemaal raden ze ons aan: blijf lekker op Tobago. Hier is nog geen corona gemeld, we kunnen aan land, de winkels zijn vol en de mensen aardig. Alles koek en ei. Maar we kunnen hier niet voor altijd blijven liggen. Er is werk aan de winkel met de boot. De schroefas hou ik de laatste maanden in de gaten. Wellicht moeten de waterkeerringen worden vervangen. Niet acuut, het gaat nog goed. Maar we moeten wel het water uit. Dus gaan we door met de overige opties: zuid- en westwaarts.

Ten zuiden van Tobago ligt Trinidad. Samen vormen ze een land. Trinidad is de geboortegrond van mijn favoriete schrijver V.S. Naipaul, nobelprijswinnaar, een soort Engelstalige Geert Mak die naast knappe non-fictieboeken ook geweldige romans heeft geschreven. Trinidad heeft dankzij Naipaul voor mij altijd een magische klank gehad. Zo gaat hij in ‘A Way in the World’, boek over Trinidad, terug naar de tijd van Eldorado, goudkoorts, Sir Walter Raleigh (hij kreeg Engeland aan de tabak) en zijn eigen jeugd op Trinidad. In het kielzog van Naipaul naar Trinidad, dat lijkt me wel wat. ‘Trinidad?’ opper ik. Het lijkt een mooie oplossing, want Trinidad heeft veel voorzieningen voor zeiljachten, we kunnen de boot op de kant zetten en tijdelijk achterlaten als we naar Nederland gaan. Toch voelt het ook ongemakkelijk. Karin: ‘Er zijn best veel berichten over criminaliteit.’ Ik maak me ook zorgen over Venezuela, dat op enkele mijlen afstand ligt. Toen we vertrokken uit Nederland zei ik: ‘We weten niet waar onze reis ons brengt, ik weet wel waar we met een grote boog omheen varen: Venezuela.’ Toch houden we Trinidad als optie. We bellen met de autoriteiten. Mogen we erheen varen? Dat mag. We bellen met de jachthaven – vol, maar we kunnen op de kant.

Het is inmiddels middag. We nemen een duik, lunchen met mango’s, gisteren gekocht  van de vriendelijke Mr. Dean, een van de zichtbaar arme dorpsbewoners die met verkoop van vruchten uit eigen tuin het hoofd boven water probeert te houden. Vooral verkoop aan toeristen levert wat op. Want andere dorpsbewoners hebben dezelfde fruitbomen in de tuin staan. De laatste toeristen vertrekken met de laatste vliegtuigen, achterblijvers zoals wij – er is maar één andere boot – brengen nog wat geld in het laatje. Die andere boot, de Shady Lady uit Scheveningen, zeilt al meer dan twintig jaar over de wereldzeeën. Menig avond drinken we bier met de bemanning. Hoe lang duurt het voordat bevoorrading van bier en andere levensmiddelen in de knel komt? We zijn een beetje bevreesd dat de sfeer in dit gemoedelijke plaatsje dan wel eens radicaal kan omslaan. Ook daarom willen we een bestemming hebben, waar we heen kunnen als het nodig is en waar we veilig zijn tijdens het orkaanseizoen. Dat staat voor de deur: vanaf juni moeten we ergens in de orkaanvrije zuidelijke Cariben zijn. Of terug zijn in Nederland. Maar dat willen we niet. Andere zeilers overwegen wel die route naar huis. Hun probleem is: de Azoren zijn ook gesloten voor jachten. En zo blijven er steeds minder opties over voor de inmiddels tientallen Nederlandse en andere zeiljachten waar we contact mee hebben of goed bevriend mee zijn. Trinidad blijft daarom plan B.

Na de mango’s van Mr. Dean bekijken we de laatste windrichting: westwaarts. ‘Bonaire! Dat zou ik het liefst willen’, zegt Karin. Het eiland is een bijzondere gemeente van Nederland, evenals de bovenwindse eilanden Saba en Sint Eustatius, ofwel de BES-eilanden. Je zou verwachten dat Nederlandse jachten daar toch welkom zouden zijn? ‘Je weet dat Bonaire dicht is, ook voor ons. We kunnen ons er boos over maken, maar dat helpt niet. Bonaire is gesloten’, zeg ik resoluut. Ons gesprekje over de opties loopt vast, onze stemming wordt sombertjes als we ons realiseren dat ook Aruba en Curaçao dicht zijn. Zelfs voor Nederlandse jachten. Hier, in Trinidad en Tobago, zou onze rondreis door de Cariben beginnen. Maar het lijkt er meer op dat dit het eindpunt wordt.

‘Ik voel me kwetsbaar’, verzucht Karin. Ik ook, maar probeer mijn ongemak voor haar verborgen te houden. Dat gevoel is versterkt door een incidentje enkele dagen terug. Op de terugweg van een bezoekje aan het strand met onze trouwe, maar piepkleine bijboot ‘Billy’, ging het mis. Billy sloeg lek. Een van de twee luchtkamers was geheel leeggelopen, op 50 meter van Catherine sloegen we om. Allebei kopje onder. We kwamen weer boven, Karin was oké, daarna had ik gelukkig de tegenwoordigheid van geest om de kraantjes van de buitenboordmotor, vrijwel geheel onder water, dicht te draaien. Twee Franse buren zagen het, stapten in hun bijbootje en schoten ons te hulp. De twee dagen erna was ik bezig met het oplappen van Billy en de buitenboordmotor. Dat is gelukt, maar we voelen ons sindsdien extra kwetsbaar: we waren afhankelijk van anderen die ons af en toe een lift gaven. Het is niet ondenkbaar dat Billy binnenkort definitief de geest geeft. De laatste druppel lijm is verbruikt. Tuurlijk, er is altijd wel een visser of de fijne mensen van de Shady Lady die ons willen helpen. Maar toch. Als zeiler wil je zelfstandig blijven. De twee Franse boten zijn inmiddels vertrokken naar Trinidad. Hun backup is er niet meer. Shady Lady en wij staan er in Charlotteville nu alleen voor.

Dan peppen Karin en ik elkaar op. We maken ons boos dat landen en eilanden binnen het Nederlandse koninkrijk doodleuk Nederlandse paspoorthouders kunnen weigeren. ‘We moeten iets doen’, zegt Karin. Er borrelt iets. ‘Weet je wat’, zeg ik, ‘we schrijven een open brief, die richten we aan de regering van Curaçao én aan de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, waarin we aandacht vragen voor ons en andere Nederlandse zeilers die in een vergelijkbare situatie zitten. En mocht die brief in een anonieme mailbox verdwijnen: we sturen hem ook door naar de grootste krant van Nederland.’ Karin is duidelijk: ‘Doen we!’ Somberheid en passiviteit slaan om in energie. Ik rammel in no-time die brief in elkaar, zoek op internet wat officiële mailadressen op. Via een bevriende zeiler krijg ik het mailadres van een redacteur van de krant. Hij reageert direct, de volgende dag heeft hij stukken uit onze brief en ons blog tot een artikel gesmeed. Tot onze verbazing, nog voor dat is geplaatst, belt de plaatsvervangend Nederlandse vertegenwoordiger op Curaçao. Een hartelijke, maar krachtdadige stem. ‘We hebben uw brief ontvangen. Ja, we gaan ermee aan de slag. Om hoeveel zeilers gaat het?’ Er ontstaat een hotline met deze fantastische vertegenwoordiging van Nederland. We schatten hoeveel zeilers er in het gebied zijn. 100. Hoeveel er naar Curaçao willen. 40, pakweg. Want daar willen we heen, beter dan Bonaire, op Curaçao zijn meer voorzieningen, ook tijdens het orkaanseizoen. Daar zijn we veilig. ‘U zult twee weken in quarantaine moeten.’ Geen probleem. Al snel komt de voorlopige toezegging: ‘Goed nieuws. U bent welkom op Curaçao.’ Via de facebookgroep voor Nederlandse zeilers in de Cariben maken we het bekend. We zeggen: ‘het ziet er goed uit’. Want veel is nog onduidelijk. Wat is de procedure? En vooral: wat is een ‘Nederlands’ jacht? Nederlandse vlag én Nederlandse opvarenden is duidelijk. Maar een Franse boot met Nederlanders, of een gemengde bemanning op een Nederlandse boot? Zijn onze lieve vrienden van de Nederlands-Belgische Giramondo welkom? Dat moet nog worden uitgezocht. Tot daar duidelijkheid over is lijkt het ons, in overleg met de vertegenwoordiger, beter nog even een voorbehoud te maken. Wel inventariseren we op facebook welke boten naar Curaçao willen. Een dag na de oproep zijn er al bijna 40 aanmeldingen. Dat hadden we aardig ingeschat!

We zijn nu bijna een week verder. Alles wijst erop dat we binnenkort naar Curaçao kunnen zeilen. Zijn we opgelucht? Tuurlijk. Onze boot kan daar tijdens het orkaanseizoen op de kant. En vanaf daar zullen na enige tijd wel weer vliegtuigen naar Nederland vertrekken. Bovendien kunnen we ons nuttig maken, met de door ons ontwikkelde en uitgegeven taalmethode voor de Cariben ‘Nederlands onder de zon’. Maar we hebben ook dubbele gevoelens. Want niet al onze zeilvrienden zullen welkom zijn in Curaçao. Onze Duitse vrienden, drie boten, die we in Porto Santo hebben leren kennen bijvoorbeeld. En hoe zit het met Belgische boten? Waar kunnen die heen? Wellicht dat in een later stadium ook voor hun de regels door Curaçao kunnen worden versoepeld. We hopen het. En wat doen de Fransen? Hun eilanden zijn niet veilig tijdens het orkaanseizoen, hoewel best veel zeilers een gokje wagen en hun boot daar laten. Veel is nog onduidelijk voor de meeste zeilers. Wij hebben voor de Nederlanders een oplossing gevonden, hopelijk loopt het voor iedereen goed af. Omdat we de Curaçao-actie zijn begonnen krijgen we ook veel vragen van zeilers die misschien niet naar Curaçao mogen. Ons advies: neem contact op met je eigen ambassade of vertegenwoordiging op het eiland waar je naartoe wilt. Daar kunnen dingen in beweging worden gezet, daar kunnen mensen met elkaar in overleg. Boos worden op een weigerachtige douanebeambte of de kustwacht die boten wegstuurt, zoals ook op Curaçao is gebeurd, heeft geen zin. Die mensen doen gewoon het werk dat hen is opgedragen. De coronacrisis raakt ons, zeilers, maar vooral ook de plaatselijke bevolking, die ons hier gastvrij ontvangt. We duimen dat hier geen pandemie uitbreekt. Dat kunnen de eilanden in de Cariben niet aan. De gezondheidszorg is er niet op berekend. We wensen iedereen het beste, zeilers, maar vooral de bevolking hier, op andere eilanden in de Cariben en in Nederland. Aan iedereen: hou je haaks, zet ’m op, wees aardig en help elkaar.

Liefs, ook van Karin,

Eric

Een dag nadat we bovenstaand blog hebben gepost krijgen we een enorme domper te verwerken. Eigenlijk twee dompers. 1. We zijn niet meer welkom op Trinidad. Plan B vervalt dus. 2. We kregen een belletje. Er is een kink in de kabel bij Curaçao: de regering daar is nóg strenger, we zijn (nog) niet welkom. De Nederlandse vertegenwoordiging doet er samen met Buitenlandse Zaken alles aan om het voor de groep zeilers toch nog voor elkaar te krijgen. Maar voor nu moeten we hier blijven. We hebben intensief contact, ze houden ons op de hoogte. O ja, Trinidad en Tobago gaan morgen ook in lockdown. Van dat woord had ik tot twee weken geleden nooit gehoord. Hoe snel kan de wereld veranderen…