Burgh-Haamstede, 30-8-2020

Zo, we zijn weer thuis, een jaar nadat we vertrokken. Vertrouwd, rustig, prettig, aangenaam, warm – zowel het weer als de ontvangst van vrienden en familie. Ook een tikje vreemd en onwennig, onwerkelijk, vooral de eerste week, toen we net terug waren, maar toch niet helemaal geland, terwijl we toch echt op Schiphol zijn aangekomen. Nu, ruim een maand verder, zijn we weer helemaal oké, Karin en Eric, zoals mensen ons kennen van vóór onze zeilreis. De baard is geschoren, de kleren zijn gewassen. We kennen onszelf weer terug, ons sociale leventje met zoveel gezelligheidsmomenten met vrienden, ook al houden de beperkingen vanwege corona ons binnen het gareel. Een elleboogje hier, een warme groet daar, heel soms een knuffel als we ons niet kunnen inhouden. Het is fijn weer thuis te zijn, bij jullie, vrienden, familie, Joris! Liselot is nog in Australië, die hereniging volgt in oktober.

Dat gezegd hebbende, wat hebben we genoten van het afgelopen jaar zónder jullie, zonder bijna alles wat vertrouwd was, behalve onze gastvrije Catherine, die een jaar lang ons drijvende, knusse huisje was. Karin en ik namen een sprong in het ongewisse, toen we op de laatste dag van juli 2019 onder de Van Brienenoordbrug door voeren, uitgezwaaid door mijn lieve broer, een klein kwetsbaar mensje op die grote brug met voortrazend verkeer, hij riep ons een goede reis toe. Toen hadden wij nog geen idee hoe het ons zou bevallen en wat we allemaal zouden meemaken. Nu, een kleine maand na onze thuiskomst, lukt het ons om alle belevenissen rustig op een rijtje te zetten. Veel hoogtepunten, maar er waren ook enkele moeilijke situaties. De meest riskante deed zich midden op de oceaan voor.

De sprong in het diepe begon letterlijk bij de oversteek van de Golf van Biskaje. Niet alleen wij, ook een aantal andere zeilers met vergelijkbare reisplannen leefden een tikje gespannen toe naar deze eerste meerdaagse oversteek van de reis. Karin en ik hadden vaker nachten doorgebracht op zee, niet meer dan twee, op de Noordzee en vanuit Duitsland terug naar Nederland. Dit was andere koek. Minimaal drie etmalen over de tomeloze diepte van de oceaan. In de aanloop hielden we het weer goed in de gaten, want slecht weer in de Golf is geen pretje en kan de grootste schepen in problemen brengen. Toen kwam er een gunstig weergat aan, het woord dat zeilers bijna dagelijks in hun mond nemen maar landrotten wat vreemd vinden klinken. We vertrokken vanuit Camaret-sur-mer, Bretagne, waar onze dochter Liselot en haar vriendin Irene op surfvakantie waren en ons kwamen opzoeken en uitzwaaien. De oversteek zelf verliep probleemloos. Totdat we bij Noord-Spanje vanuit de oceaandiepte het continentaal plat opvoeren. Middenin de nacht, pikkedonker, kwamen we in een wildwaterbaan terecht. Of was het de lancering van een ruimtevaartuig? Laten we zeggen: een pittig zeetje. Catherine maakte de meest felle en onverwachte bewegingen, hup links, rechts, ze werd opgepakt en neergesmakt, maar ze gedroeg zich voorbeeldig. Alles trilde, rammelde, schudde. Anticiperen was onmogelijk omdat we geen hand voor ogen zagen. In één keer is daar de volgende golf. Hatsikidee, hatseflats, kedeng, plons! Toen kwam de zon op, het water werd rustiger, we zeilden een paar uur verder en gooiden aan het eind van de ochtend het anker uit in de baai bij A Coruna. Voor het eerst maakten we mee hoe het voelt om op eigen kiel een verre bestemming te bezoeken. We waren opgelucht, we hadden de vuurdoop doorstaan, de komende meerdaagse tochten zagen we nu met vertrouwen tegemoet. Trots liepen we door de steegjes van de stad in Galicië en lieten we ons de lekkerste tapas serveren. De reis was begonnen!

We zakten de Spaanse kust af. Pittig avontuurtje beleefden we bij de Costa da Morte. Je zou zeggen, de naam had ons kunnen waarschuwen. De woeste kust van Galicië heeft prachtige, fjord-achtige ingangen, ria’s genaamd, waar we wilden ankeren en verstilde visserdorpjes zouden bezoeken. Maar eerst moesten we de kaap bij die dodenkust ronden. Ik, kapitein, schipper, Eric, niet dom maar ook een feilbaar mens, maakte enkele foutjes. Eén: ik voer te dicht bij de kust. Daardoor kregen de valwinden vanuit de bergen vat op ons. Twee. Na het reven bleek dat ik de stopper van de genuarolreeflijn niet goed vast had gezet. Dom. De wind trok opeens aan tot boven de 35 knopen, dat was mijn laatste waarneming, want daarna had ik geen tijd meer om naar metertjes te kijken. De genua rolde uit, een flinke lap zeil, de wind nam toe, Catherine was nog nooit zo scheef gegaan, Karin schrok wakker van haar middagdutje en vroeg met verschrikte ogen of alles onder controle was, ja alles oké maar het is even druk, geen paniek maar wel hard werken, een kleine 40 knopen halve wind met veel te veel zeil maakt veel herrie, wat zeg je? Even aanpoten! En dan, zoals altijd, liggen we na de hectiek een uurtje later vreedzaam voor anker, biertje in de hand, na te praten over wat er mis ging, hoe het goed afliep en genieten we van het schitterende uitzicht op de woeste natuur van Ria de Muros. Zeilen is soms inspannend, soms wat eentonig, maar nooit saai.

Voor de kust van Galicië liggen de prachtige eilandjes Cies en Isla Onse, waar we mooi voor anker lagen en heerlijke wandelingen hebben gemaakt. We zeilden naar de Portugese stad Porto, daarna naar het gezellige dorpje Seixal, tegenover Lissabon. Vandaaruit maakten we de overtocht naar Porto Santo, een vrij onbekend eiland naast Madeira, er komt vrijwel geen reguliere Europese toerist, maar het is een levendig zeilersbolwerk. Hier wordt geschuurd, gelast, gezaagd, gepoetst, verbouwd, olie ververst en veel gezopen. We namen voor het eerst deel aan de weinig formele bijeenkomsten van wereldzeilers. De barbecue-avonden bleken het startsein voor menig slemppartij tot in de kleine uurtjes, sommige zeilers dronken de volgende dag hun kater weg bij het enige café aan de haven. Om diezelfde avond in de kuip de volgende tree aan te rukken, want: die koelkast in de boot werkt goed joh! En geef toe, als het bier koud staat bij 30 graden Celsius in de kuip, waarom niet nog een blikje opentrekken? Wereldzeilen is flink doorhalen in de havens en als je niet oppast blijf je er veel te lang liggen. Avontuurlijke bestemmingen waar wij vanuit de fauteuil in Rotterdam bij wegdroomden, blijken vol te liggen met zeilers die er voorlopig niet wegkomen. Wij hielden ons een beetje in, zoals we vaker in ons leven de middenweg zoeken, niet al te veel extremen maar wel avontuur en jolijt, pilsje hier wijntje daar, niet roomser dan de paus maar ook niet van god los, hoewel Darwin in hoger aanzien staat. Dus wij vertrokken na een week of drie gezelligheid naar Madeira, waar we vooral veel gewandeld hebben, de alcoholconsumptie van de weken ervoor enigszins gecompenseerd hebben en aan onze conditie hebben gewerkt.

Vanuit Madeira zeilden we naar de Canarische eilanden. Vriend Wim kwam over en zeilde mee, we maakten een weinig fortuinlijke stop bij de Selvagens eilanden, waar de beperkte ankermogelijkheden ons voor een dilemma plaatsten. We hingen aan een verroeste boei, die na een wandeling op het dorre Portugese rotsblok flinke krassen bleek te hebben gekerft in Catherine’s verder gladde en glimmende scheepshuid. Toen was het pikkedonker, de lijnen raakten verstrikt rondom de boei, Karin werd met de reddingsbrigade van het eiland naar Catherine vervoerd omdat ons weinig zeewaardige bijbootje Billy bang was in het donker, terwijl kanjer Wim en ik onze handen vol hadden aan dek en verdere schade aan de kwetsbare Catherine wisten te voorkomen. Uiteindelijk kwam alles goed en lagen we twee dagen later keurig aan een steiger van Las Palmas, Gran Canaria.

Terwijl de Tui-toeristen op Gran Canaria ondergebracht worden in massale betonnen bunkers, lagen wij knus in de fijne jachthaven van Las Palmas met onze Catherine. We namen afscheid van Wim, en Karin en ik laafden ons aan stoere verhalen van wereldzeilers, van allerlei pluimage, in de onvervalste Sailor’s Bar. Ook weer zo’n sympathieke gezellige zeilers-zuip-plek, en de norse, ongezellige Italiaanse eigenaar, ex-zeiler, bakte zalige pizza’s. Karins moeder Greet kwam langs met Karins zus Margreet. We pikten Joris en Liselot op van hun surfvakantie op Fuerteventura. Na een paar dagen flink bunkeren vertrokken we. Nieuwjaar vierden we met bubbels voor anker bij de prachtige duinen van Maspalomas, zuidelijk Gran Canaria.  Daarna zeilden we via La Gomera, Canarisch paradijsje, naar Kaapverdië.

15kg schoon aan de haak

Wat was het fijn om herenigd te zijn! Met z’n vieren aan boord ging prima. De altijd opgewekte en actieve Joris en Liselot, beiden talentvolle zeezeilers, maakten de achtdaagse overtocht naar de enige Afrikaanse bestemming van onze reis tot een makkie. We vingen onze eerste tonijn, een flink, prachtig dier, dat zijn leven met moeite liet. De kuip werd een wreed, rood abbatoir, het was boenen en schrobben na afloop van de slachtpartij. Maar lekker dat de tonijn smaakte!

In Kaapverdië waren we al een flink eind op streek. En toch hadden we het gevoel dat onze reis maar net begonnen was. Het eilandenland is een bestemming op zich, maar wij beschouwden het als een tussenstopje. We hebben er vooral voorraden ingeslagen en aangevuld, hoewel we Mindelo een gezellige plaats vonden en Santo Antão, daar tegenover, een adembenemend mooi eiland is met onwaarschijnlijke rotspartijen.

Op de Oost-Vlieland

Alle zeilers komen bunkeren in Mindelo en de plaatselijke middenstand weet dat maar al te goed. Bij het betreden van de markthal, een roestig dak boven tafels met verswaar en daaronder wegrennende kakkerlakken, schalmt het door de ruimte: ‘Turista!’ En hup, de lokale prijslijstjes werden vervangen door de toeristische variant en de kassa, hoewel niet aanwezig, rinkelt. Wij hadden er geen probleem mee, Kaapverdië is een arm land en de mensen moeten alle zeilen bij zetten, op een andere manier dan wij wereldzeilers doen. Zoals in andere zeilersknooppunten wordt ook in de marina van Mindelo, in het ‘Floating Restaurant’, menig biertje besteld, we hebben gezellige avondjes, ook met een aantal Nederlandse zeilers die we tot dan alleen maar kenden van hun facebook. En dan nadert het vertrek. De oversteek!

We gooien de trossen los, er wordt vanuit de marina flink getoeterd en gezwaaid. Een klein gebaar, even de handen omhoog en op een toeter blazen, maar het staat symbool voor de onderlinge verbondenheid van zeilers. Iedereen vindt het eigen bootje het mooist, zeer zeewaardig en zegt er op te vertrouwen, maar elke zeiler weet ook dat het wel eens mis kan gaan. De toeters bij vertrek betekenen dan ook: behouden vaart, goede reis. Want hoewel veel jachten probleemloos de oversteek maken, krijgt toch menig zeiljacht problemen en loopt het soms verkeerd af. Aanvaring op zee, storm, gescheurde zeilen, motorproblemen, stuurproblemen, ziekte. Er kan van alles mis gaan en toch moet je vertrouwen hebben als je de haven uitvaart. Wij hadden dat vertrouwen.

De eerste week op de oceaan verliep vlekkeloos, hoewel de eerste twee dagen de wind het soms liet afweten. Daarna een heerlijk ruime wind, zorgeloos zeilen. De windvaan, wat een geweldig apparaat, stuurde de boot. Het was even zoeken naar de juiste zeilvoering, uiteindelijk bleek de uitgeboomde genua en het grootzeil over de andere boeg de beste resultaten te geven. De Atlantische oceaan oversteken? Geen centje pijn! Tevreden ging ik slapen, wetende dat mijn stoere dochter Liselot onze Catherine in haar eentje prima kan besturen. Ik lag vredig te slapen toen een scherp, abrupt geluid, een fractie van een seconde, mij terughaalde naar de werkelijkheid. Mijn lichaamsharen stonden recht overeind, mijn ogen wijd open, een fysieke reactie op: stront aan de knikker, onheil, ernstig, alarm, actie. Ik vloog naar de kuip, waar Liselot rondkeek en probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam. ‘Pap’, zei ze bezorgd, ‘ik hoorde een ….’ Ik onderbrak haar. Mijn oog viel op de genua en de voorstag. Los. Kapot. De mast loopt gevaar. ‘Maak Joris wakker’, zei ik nog. Ik lijnde mezelf aan en begaf me naar de

boeg. Daar hing de genua hulpeloos te wapperen aan de rolreeflijn en de zwiepende boom, het was een kwestie van tijd voor ook die zouden knakken. Wat ik nooit had gedacht dat zou gebeuren, maar wel eens had gevreesd, was een feit: een cruciaal dik stuk rvs, de putting, was afgebroken. Joris was inmiddels ook bij de boeg. Als ik heel eerlijk ben: de angst gierde door mijn lijf. Ik keek Joris in de ogen, die direct de ernst van de situatie inzag. Geen woorden nodig. Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…

Wordt vervolgd! Volgende week in deel 2 lezen jullie hoe het allemaal goed afloopt.

 

 

Waterland, Suriname, 14 februari 2020

Het is een rustige, maanloze nacht en de sterren schitteren aan de hemel. De gitzwarte zee is bijna niet te onderscheiden van de lucht, want ook het water is bezaaid met lichtgevende puntjes. De luminescerende algen verlichten vooral ons kielzog, waardoor het lijkt alsof we niet op zee, maar over de Melkweg naar het westen varen. En dan: BENG! Iedereen is op slag wakker en terwijl we ons naar de kuip haasten, ontdekt Liselot, die wacht heeft, de oorzaak van het kabaal: de genua, inclusief rolsysteem en voorstag, zwabberen los over het voordek.

Jochie showt trots zijn zelfgemaakte speelgoedauto

Een week eerder, op de Kaapverdische eilanden, waren we druk bezig geweest om de boot grondig na te lopen om dit soort problemen tijdens de grote oversteek te voorkomen. We hadden besloten alles binnen een week gedaan te krijgen, omdat Liselot en ik eind februari weer terug moesten zijn voor onze studies. Dat is niet heel lang om schoon schip te maken, bunkeren, te klussen én nog wat van de eilanden te zien. Toch voelden we ons er na die week al thuis, want de mensen deden ons denken aan onze Kaapverdische buren in Rotterdam, die misschien wel de aardigste mensen ter wereld zijn.

Karin bij de Oost-Vlieland

Op aanraden van Rienk, een andere Nederlandse zeiler die met zijn boot in de marina van Mindelo afgemeerd ligt, bezoeken we het naburige eiland Santo Antão. De oversteek daarnaartoe is op de Oost-Vlieland, een roestige veerboot die onze ouders in hun jeugd meerdere malen naar een heel ander eiland moet hebben gevaren. Bij aankomst lijkt het vooral een slaperige en stoffige plek, maar na er met een autootje twee dagen rond te hebben gereden moeten we die mening bijstellen: wat een ongelooflijk mooi eiland. De soms bijna verticale rotswanden zijn bezaaid met terrassen waar mensen gewassen verbouwen en de noordkant van het eiland is prachtig groen. De enige asfaltweg is ongeveer 2km lang, de rest van de wegen zijn keurig geplaveid met vierkante basaltblokjes. Langs de weg kopen we voor een paar Escudo een zak appeltjes van een mevrouw, terwijl haar kleinkinderen heel verlegen maar duidelijk trots hun zelfgemaakte speelgoedauto’s laten zien.

Liselot maakt een hangmatje voor de bananen

Hoe anders gaat het inkopen doen op de markt in Mindelo! Een marktkoopvrouw maakt onze komst luid kenbaar aan haar collega’s, waarna iedereen de prijzen idioot omhoog gooit voor het karige verswaar. We zijn alle vier geen gehaaide handelaren en vinden afdingen ook niet heel leuk. Toch weten we uiteindelijk (voor een hoop geld, de Albert Heijn is goedkoper) een mooie voorraad vers in te slaan.

Wat gaat er allemaal mee als je voor drie weken boodschappen doet maar niet de hele tijd blikvoer wil eten? Knollen zoals (zoete) aardappel en cassave doen het goed, maar ook uien, kool en harde groentes zoals wortelen en pompoen zijn heel lang houdbaar. Voor de eerste paar dagen gaan er peren, een paar gigantische avocado´s, sla, komkommers en tomaten mee en een tros groene bananen krijgt een plaatsje in een custom-made hangmatje onder de bimini. De absolute winnaar was toch wel de courgette, die we bijna drie weken later ongeschonden aantreffen in onze koelkast.

Volgetankt met water, diesel en een koelkast die tot de nok gevuld is, gooien we de trossen los en worden hartelijk uitgezwaaid door Rienk en onze buren, die 5 minuten eerder aankwamen van hun oversteek vanaf de Canarische eilanden. Deze generale repetitie hadden wij gelukkig al achter de rug, nu zouden we voor het echie gaan! We zeilen met een flinke bocht om het zuidelijke puntje van Santo Antão heen om de luwte te vermijden en beginnen daar aan onze ‘grootcirkelnavigatie’. Moeilijke term voor een simpel begrip; het houdt in dat je de kortste route volgt die men kan afleggen tussen twee punten op de aardbol. Op de meeste zeekaarten lijkt deze route door de manier waarop kaarten geprojecteerd worden helemaal niet de kortste. Eerder op een grote omweg, oftewel een grootcirkel. Terwijl de gastvrije eilanden vervagen aan de kim, ziet Eric in de verte de fontein van een walvis.

Bij ons zit degene die wachtloopt altijd buiten, waardoor er voortdurend een paar ogen op het water gericht is. Waarschijnlijk is dat de reden dat we bijna dagelijks walvissen of dolfijnen spotten. De meest frequente bezoeker is een kleine dolfijnensoort, die speels op onze boeggolf meezwemt en soms volledige pirouettes maakt boven water. Maar we zien ook andere soorten. Op een middag zwemt een groep snaveldolfijnen zo lang met ons mee dat we de kans krijgen onze onderwatercamera op een pikhaak te tapen en er opnames van te maken. Best bijzonder om deze dieren te zien, want ze komen niet veel in kustwateren voor. Ze jagen in diep water, voorbij het continentaal plat, op zoek naar vis en inktvis.

Een andere keer worden we omringd door een groep van maar liefst honderd grienden. Het duurt misschien wel een kwartier voordat de groep ons heeft ingehaald. Dit is de grootste dolfijnensoort: de mannetjes kunnen zeven meter lang worden! Later, na wat zoekwerk op internet, kom ik erachter dat zo’n grote groep een tijdelijke verzameling is van verschillende scholen, die bij elkaar komen om te paren. Tijdens het reven voor de nacht spot Liselot een kleine walvis, waarschijnlijk een dwergvinvis. Karin doet de meest spectaculaire waarneming. We liggen allemaal te dutten, maar aan haar stem horen we dat er iets bijzonders is en we staan binnen enkele seconden allemaal aan dek. Met een soort grimmige vastberadenheid, als een doodseskader op missie, doorkruisen ze de zee. In tegenstelling tot de andere dolfijnen, trekken ze zich niks aan van onze boot. Met hun gigantische zwarte rugvinnen en witte flanken weten we het zeker: orka’s! Sommige orka’s eten uitsluitend vis, anderen jagen op alles; van dolfijnen, walvissen en zeehonden tot haaien. Het uiterlijk van deze twee groepen verschilt ook een beetje en ze spreken een andere ‘taal’ tijdens het jagen en socializen. Ik ben geen expert, maar een groepje dolfijnen dat met de orka’s opzwemt doet me vermoeden dat het om de pescotarische variant moet gaan: visetende orka’s.

Karin en een lifter

Het oceaanwater waarin deze indrukwekkende dieren leven bruist en kolkt van het leven. Vliegende vissen vliegen ons dagelijks om de oren, op de vlucht voor hun bloeddorstige vijanden. Het zijn blauwzilvere, feeërieke wezentjes met doorzichtige vleugels en grote, onschuldige ogen. ’s Nachts zien ze onze boot niet, waardoor ze geregeld de kuip invliegen. Die bloeddorstige vijanden spotten we trouwens ook; tijdens een van de laatste dagen van de oversteek zwemt er een tonijn urenlang met ons mee (zie filmpje), en een gigantische blauwe marlijn en een mahi-mahi komen diezelfde dag ook even langszij om te kijken of er nog wat te halen valt. Verschillende zeevogels vliegen voortdurend met ons op en ’s nacht licht niet alleen het plankton op, maar ook een soort bollen, soms wel zo groot als een voetbal. We weten niet of het licht afkomstig is van kwallen of van het drijvende wier dat we overdag zoveel zien.

Ongezellige ontmoeting op zee

Het grootste deel van de tijd vormt ons kleine bootje voor ons het middelpunt van de beschaving in het onmetelijke blauw. Totdat je ineens koers moet wijzigen omdat de officieren op een voorbij stormende tanker, op weg naar Liberia, lak hebben aan de regels (zeilboten hebben voorrang op open zee). Maar we maken ook een hartverwarmende ontmoeting mee met een zeilboot op weg naar Barbados. Via de marifoon babbelt Eric met delivery-skipper Nicholas, die ons met zware stem en een licht Russisch accent vraagt hoe het vissen bij ons gaat, bij hen is het nog niet gelukt. Ongeveer tien minuten later roept hij ons weer op om ons te bedanken voor het geluk wat de ontmoeting hen blijkbaar heeft gebracht: ze vangen een barracuda-achtige vis.

Trots op de vangst, we eten een week lang tonijn

Het vissen gaat ons inderdaad makkelijk af, de tweede dag hebben we een kleine mahi-mahi te pakken. Al snel volgt een blauwvintonijn van misschien wel vijftien kilo. Zijn torpedovormige lichaam, één bonk spier, glimt als vloeibaar kwik en is in miljoenen jaren geëvolueerd tot de efficiëntste moordmachine van de zee. Deze keer is hij zelf de pineut. Hem een kopje kleiner maken voelt dubbel, maar we zijn ervan overtuigd dat dit de manier is: met respect voor het leven dat je neemt en op kleine schaal gebruik maken van wat de natuur te bieden heeft. Dat is ook de reden dat we normaal gesproken bijna geen vlees of vis eten. We maken dankbaar gebruik van de goedkope rum uit Kaapverdië om de vis te verdoven. Door de alcohol in de kieuwen te gieten ligt hij stil. De vier filets die we uiteindelijk van de vis af snijden wegen samen misschien wel acht kilo. Liggend op de snijplank, zijn er in de biefstukachtige lappen vlees af en toe nog stuiptrekkingen te zien! Een week lang eten we sushi, steaks, visscury, tuna melts, tuna carbonara en vissoep.

Het leven op zee draait niet alleen om eten, de boot heeft ook geregeld aandacht nodig en er gaat ook weleens wat kapot. Terwijl we de tonijn fileren, breekt bijvoorbeeld de spinnakerboom zonder aankondiging als een luciferhoutje in tweeën. Het gaat om een uitschuifbare boom, waarvan het uitschuifbare deel is geknapt. We hebben gelukkig een ijzerzaagje aan boord en weten de boom weer functioneel te krijgen door hem in te korten.  Gelukkig maar, want twee weken pal voor de wind zeilen zonder spinnakerboom om het voorzeil uit te bomen is een drama! Later, tijdens een behoedzame gijp, vliegt een blok van de grootschoot doormidden.

Eric ontleedt de rolreefinstallatie

En dan, op een nacht midden op de Atlantische oceaan staan we te kijken naar onze boot, die zonder voorstag ronddobbert. Het is een spannend moment, want de voorstag is een essentieel onderdeel dat de mast omhoog houdt. Gelukkig varen we voor de wind in een rustige zee, waardoor de achterstagen de mast grotendeels ondersteunen, en is onze Catherine voor vertrek met een kotterstag uitgerust. We brengen een val naar voren als extra ondersteuning en ruimen het zeil op en binden de bungelende voorstag vast. Het blijkt dat de putting, een dik stuk rvs-plaat, waaraan de voorstag vastzit is afgescheurd. De volgende ochtend gaan we aan de slag. We ontmantelen het rolreefsysteem om bij de stagspanner te kunnen. Nadat we de stag langer hebben gemaakt, weten we hem weer aan de putting te bevestigen met een heavy-duty karabijnhaak.

Geschrokken, maar ook trots op onszelf dat we zo daadkrachtig te werk zijn gegaan, varen we verder zonder genua om de provisorische reparatie zo veel mogelijk te ontzien. We verzinnen klinkende Engelse taakomschrijvingen om onze kwaliteiten te illustreren. Kapitein Eric wordt CEO and director dynamic management vanwege zijn adequate optreden in onvoorziene situaties, Karin wordt co-founder, head of cinematography and social media, Liselot wordt lead navigator and medical officer en ik head fisheries and culinary operations. We zijn een goed team.

Land in zicht!!!

Na vijftien dagen verandert de kleur van de zee langzaam van diepblauw naar grijsgroen en tot slot naar bruin. We varen het continentaal plat op waar de machtige Zuid-Amerikaanse rivieren hun sediment lozen. Terwijl de ondergaande zon de wolken dieprood kleurt, spotten we een paar stukjes groen. Land! Even later varen we het beschutte ankerbaaitje van Ile de Royale binnen, een eilandje voor de kust van Frans Guyana. Voor het eerst sinds lange tijd is de boot geen schommelschip maar ligt ze volkomen stil. Ongekende luxe! De palmbomen ritselen in de wind en de volle maan komt tevoorschijn als we onszelf een glaasje bubbels inschenken om onze aankomst te vieren.

 

Joris

 

Klik op onderstaande foto’s voor een korte slideshow.

                                                                                                                                  Mindelo 20-1-2020

De dagen en nachten vloeien langzaam en geleidelijk in elkaar over. ‘s Morgens en ’s avonds van zeven tot tien houd ik de wacht. Iedere ochtend zie ik links de zon opkomen, de lucht kleurt rood alsof hij in brand staat. Iedere avond gaat de zon rechts voor mij onder en wordt de oranje gloed steeds feller. Ik onderscheid allerlei figuren in de wolkenformaties: een gezicht van een reus met een enorme neus, een arrenslee met kerstman of een leeuwenkop, ik fantaseer er op los. Als de avond vroeg invalt schijnt er een volle maan. Het is zo licht aan dek dat je kleuren en schaduwen kunt onderscheiden.

Als Eric, Joris en Liselot slapen en ik alleen in de kuip wacht houd, zit ik graag op de captains seat: achterin de kuip aan stuurboord, hebben we met kussentjes een soort primitieve fauteuil geïmproviseerd. Ik heb heldere gedachten die ik de vrije loop laat: ik reflecteer op wat was, ik denk na over wat gaat komen. Soms doe ik mijn oortjes in en luister naar muziek of naar mijn Spaanse luisteroefeningen. Vaak ook ga ik staan in de kuip en houd me vast aan de buiskap, beweeg op de muziek en gun mijn ledematen de broodnodige beweging. Raggaetón is op dit moment mijn favoriet, lekker foute muziek en zo pik ik gelijk weer wat Spaans op.

Als een van ons in de nacht de wacht houdt, slapen de anderen ergens in de boot: voorin lig je het meest te schudden, in het midden ligt het beter en achterin naast de voorraden lig je het best. Kijkend naar de verzameling conserven naast hun slaapplek doen Joris en Liselot zo vaak ideeën op voor het avondmaal van de dag erop. Liselot zag de kikkererwten en ging daarvan burgers maken en Joris kwam op het idee om ansjovis te gebruiken voor de pastasalade. Achterin moet je wel oordoppen in want onze windmolen staat op de achtersteven, is lawaaierig en loeit erop los om ons van elektriciteit te voorzien.

De eerste vier dagen moeten we allemaal inslingeren. We slapen en rusten veel. Gelukkig is niemand ernstig zeeziek. Iedereen is af en toe wat katterig: lezen of koken is lastig. Toch eten we heerlijk, we hebben vier lekkerbekken aan boord die ook nog eens van koken houden en grote hoeveelheden wegwerken. De avondmaaltijd is een van de hoogtepunten van de dag. Al vroeg in de dag bespreken we wat we zullen eten en verheugen we ons op de komende maaltijd. In Las Palmas hebben we een lijst gemaakt met gerechten en de bijbehorende boodschappen gedaan. Terugkijkend blijkt het een goed systeem te zijn, dat zijn vervolg krijgt bij de ‘Suriname oversteek’. Deze kortere tocht is een soort generale repetitie voor onze tocht naar de overkant van de Atlantische oceaan.

We verdrijven de tijd met liggen, slapen, denken, muziek luisteren en ik stort me op mijn Spaanse luisteroefeningen. Veder doen we spelletjes waar geen spullen voor nodig zijn: we doen raadspelletjes, we leggen elkaar onmogelijke dilemma’s voor of doen wedstrijdjes zoals wie de meeste blauwe plekken heeft. Door het geschud en gewiebel van de boot kost elke handeling enorm veel tijd en energie. Van de kuip naar de voorhut lopen, een afstand van 8 meter, kost veel moeite. Je moet je goed vasthouden en dan nog loop je het risico je te stoten met als gevolg weer een beurse plek. Liselot won de blauwe-plekken-wedstrijd met verve.

Als er buiten op het dek iets moet gebeuren, bijvoorbeeld als de boom moet worden bijgezet of juist weggehaald, het grootzeil moet worden gehesen of juist gestreken of er moet iets anders worden veranderd aan de zeilvoering, zijn we altijd aangelijnd, dat wil zeggen: er gaat een lijn van je reddingsvest naar de boot. Mocht de boot een enorme zwieper maken en je gaat over boord dan zit je nog altijd vast. Vooral met flinke deining en ‘s nachts zijn dit de spannendste klussen, die we dan ook zo veel mogelijk proberen te voorkomen door met gereefde zeilen de nacht in de gaan.

De zee is behoorlijk woelig, vooral de eerste dagen. De golven komen van opzij en van achteren. Ze zijn steil en hoog , soms maakt de boot een dwarse zwieper naar beneden of wordt de zijwaartse beweging steeds feller opgebouwd na een paar keer van rechts naar links te zijn geslingerd. Af en toe pakt de boot een grote golf en surft met een enorme snelheid vooruit. Dan weer is er een moment van rust waarin je hoopt dat de rust wat langer zal aanhouden. Soms raken we geïrriteerd, maar vaak ook hebben we enorme lol om de chaotische taferelen die worden veroorzaakt door de golven. Koken is een uitdaging en levert soms hilarische momenten op. Maar ook eten en drinken zijn een uitdaging. Je moet je vast houden met één hand en dan nog gaat het vaak mis en vliegt de inhoud van je hondenbak door de ruimte. De bewegingen zijn niet ritmisch, dus anticiperen is geen optie.

Een heerlijk hoogtepunt van de dag is ook de bijna dagelijkse dolfijnenshow waarop we getrakteerd worden. Telkens weer een cadeautje als de dolfijnen aan alle kanten de boot omringen en meezwemmen: kriskras onder de boot door of voor de boot langs. Een keer ligt Joris bij de boeg op zijn buik om de dolfijnen te filmen met de onderwatercamera. Hij komt klem te zitten tussen de reling en de voorpunt, zijn reddingsvest blaast zich op als hij door een golf wordt overspoeld.

Op de vijfde dag wordt iedereen ineens enorm actief, het katterige gevoel is weg bij ons allemaal. Deze dag vangen we ook onze eerste vis. Elke dag hangen we een 50 meter lange lijn uit met een blinker, in de hoop een vis te vangen. Joris en Liselot veranderen op deze dag de blinker: ze bevestigen een roze, diep duikende blinker, speciaal voor tonijn bedoeld. De dag is bijna voorbij en Joris haalt de lijn binnen. Dan voelt hij de weerstand en jawel, er zit een flinke vis aan. Met behulp van de lier haalt Liselot de vis binnen, Joris rolt de lijn aan de haspel, Karin legt snel de slachthamer, handschoenen, fileermes en snijplank klaar, Eric trekt de vis uit het water en het blijkt een enorme tonijn te zijn. De tonijn krijgt een paar klappen met de hamer, een wild en bloederig gebeuren, waarna de prachtige vis vakkundig door Joris wordt gefileerd. Een tonijn van ruim 8 kilo, we hebben er 4 dagen van gesmuld: tonijnsteak, sushi, curry en pasta met tonijn. Heerlijk is het. Af en toe hebben we een vliegende vis, een mooi blauw, sprookjesachtig wezentje aan boord. Tijdens de slachtpartij van onze tonijn komt er plotseling, oog in oog met de zojuist gedode vis een spartelend vliegend visje naast onze vangst te liggen. Joris gooit het nog levende visje terug in de oceaan. Eén leven wordt gered, de oceaan geeft en neemt.

Het zeilen gaat voorspoedig. We hebben een vrij constante wind van tussen de 15 en 22 knopen. We varen een ruime of voordewindse koers. Meestal hebben we een uitgeboomde genua opstaan. Dat gaat prima, totdat de wind inkakt tot onder de tien knopen. We experimenteren wat met de zeilvoering. Genua-grootzeil, gennaker, grootzeil-werkfok, maar het bevalt niet, de boot loopt niet lekker, of het grootzeil neemt de wind uit het voorzeil, of de wind blijkt opeens weer te krachtig voor de gennaker, een enorme lap zeil voor lichte wind. Dan rollen we de genua weer uit en hijsen de werkfok en gaan zo voor het lappie, zeilen aan weerszijden, ook wel melkmeisje genoemd. Dat blijkt geweldig te gaan als we zo’n beetje voor de wind varen, de koers die we ook tijdens de grote oversteek zullen zeilen.

Aan het einde van de zesde dag zien we in de verte vaag de contouren van São Antao. We moeten nog 30 mijl. Als we rond middernacht Mindelo naderen is het pikdonker, de maan is nog niet op. Dan worden we gegrepen door de acceleratiewind: het trechtereffect tussen de eilanden. We zagen dat aankomen dus hadden het grootzeil al laten zakken en de genua een stukje ingerold. We naderen de haven, starten de motor en rollen het laatste stukje genua in. Als we aankomen in de haven is het ineens  veel rustiger. Het is donker, we twijfelen of we zullen ankeren of een plekje zullen zoeken in de marina. Dan zien we een man staan op de steiger met een lamp. Hij seint en wijst ons een plekje, we varen naar de steiger en twee mannen helpen ons met aanleggen. We zijn er, zeseneenhalf etmaal na ons vertrek. Ik spring op de steiger en loop wiebelig en onwennig de steiger op. Ik hoef me niet vast te houden. Het voelt onwennig maar fantastisch. Zodra de boot goed vastligt nemen we een biertje, de eerste van de week, we proosten op de mooie, langste tocht tot nu toe en veilige aankomst. We gaan al snel naar ons bed en vallen als een blok in slaap.

Karin