Burgh-Haamstede, 30-9-2020

In het vorige blog beschreef ik hoe midden op de oceaan, halverwege Kaapverdië en Suriname, onze voorstag losraakte. Je kan wel zeggen: een serieus probleem. Hieronder lees je hoe het allemaal goed afliep. En dat onze reis in de Cariben door corona eindigde waar die begon.

Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…Ik wist me te herpakken, raakte niet in paniek, maar de angst gierde wel door mijn keel, de adrenaline raasde door mijn lijf, ik probeerde de ratio het te laten winnen van emoties, ik moest nu dénken, niet voelen. Mijn verstand zei: we zijn midden op de oceaan, ik moet het overzicht behouden en juist handelen. Anders kan de mast afbreken, althans het bovenste deel, want de kortere kotterstag – goddank had ik die voor deze reis laten plaatsen – gaf nog steun aan het onderste deel van de mast. Ook het voorste onderwant oefent een voorwaartse kracht uit op de mast. Het lukte me om rustig te blijven, ik behield het overzicht. Allereerst: genua inrollen, met de hand, terwijl de voorstag met het hele rolreefsysteem, een metertje of vijftien lang en tientallen kilo’s zwaar, heen en weer bungelde, tegen de preekstoel aan kletterde, dan weer op het voordek schuurde. Ik moest oppassen dan mijn hand niet bekneld raakte, maar het lukte met hulp van Joris. Vervolgens wat te doen? De voorstag fixeren om verdere schade te voorkomen. Vervolgens zo snel mogelijk de spinakerval aan de boeg bevestigen als noodstag. In de tussentijd reefden we het grootzeil om de krachten op de mast te verminderen, maar lieten we het grootzeil wel staan omdat de voordewindse koers de mast naar voren duwde. Terwijl Liselot en Karin in de kuip de koers bewaakten, werkten Joris en ik geweldig samen, elk besef van tijd verdween, maar na een tijd was de klus geklaard en zaten we na te hijgen in de kuip. De mast bewoog niet, was niet krom, leek stabiel. Ik probeerde Karin en Liselot objectief te informeren over de ernst van de situatie, maar ook gerust te stellen. Alles komt goed, zei ik, hoewel een stemmetje in mij zei: je hóópt dat het goed komt.  Joris en ik spraken af bij dageraad de situatie opnieuw op te nemen. We gingen ter kooi.

De volgende dag maakten we een plan. We wilden de voorstag aan een oog op het boegbeslag bevestigen, daarvoor moest eerst de genua worden geborgen, daarna de rolreefinstallatie worden gedemonteerd, om bij de spanner van de voorstag te kunnen komen, losser te draaien en ruimte te maken voor een noodverbinding. Een flinke klus omdat alles enorm vast zat en de deining het werk bemoeilijkte. Met een uiterste krachtinspanning, vergezeld van een diepe oerkreet, kon ik wat gecorrodeerde inbusbouten loskrijgen. Maar het lukte! We bevestigden de voorstag aan het oog, spanden de stag een beetje op en zetten het rolreefsysteem weer in elkaar. Dit was een zeer geslaagde noodklus, we konden zonder al te veel zorgen de werkfok aan de kotterstag hijsen en de vaart verhogen, op weg naar de overkant.

Gaandeweg, na een of twee dagen, maakte de stress plaats voor ontspanning. Ook bij mij, nu ik zeker wist dat de mast redelijk goed verstaagd was, zolang we niet aan de wind zouden gaan varen, zolang de wind niet van voren kwam. We konden opnieuw genieten van de oceaan. Het geruststellen van Karin en Liselot lukte me nu veel beter, omdat ik er zelf in geloofde dat het allemaal goed zou aflopen.

We kregen weer oog voor de oceaan. We verbaasden ons over de enorme hoeveelheden zeewier dat voorbij trok. Gelukkig bleef niets hangen aan onze vleugelkiel, schroef of roerblad. We zagen ook talloze Portugese oorlogsschepen langskomen. Weinig complexe wezens, die kwallen, maar door de evolutie (daar istie weer, Darwin!) perfect aangepast aan het leven op de oceaan. Ze hebben een fleurig zeiltje waarmee ze op koers blijven en meterslange tentakels waarmee ze hun voedsel weten te vangen. We zagen een troep orka’s en veel dolfijnen. Geen dag is saai op de oceaan, ook als je verstaging heel blijft, mits je ziet wat er allemaal te zien is.

En toen, na zestien dagen op de oceaan, waren de drie Îles de Salut in zicht. Karins telefoon kwam tot leven met de mededeling: welkom in Frankrijk. Dat betekende dat we gewoon met ons Nederlands abonnementje konden bellen, appen, internetten. We gooiden het anker uit en namen gelijk een duik in het beschutte baaitje van Île Royale, enkele De eerste plonshonderden meters naast Île du Diable, Duivelseiland, waar Dreyfus gevangen zat vanwege een staatscomplot, een triest anti-semitisch drama aan het einde van de negentiende eeuw dat nog steeds  als een dieptepunt in de Franse geschiedenis wordt beschouwd: de Dreyfusaffaire. Ook Papillon zat er gevangen, diens verhaal is verfilmd, maar wel op een ander eiland. Ondanks deze zwaarmoedige geschiedenis liepen wij lichtvoetig, trots en opgewekt een rondje over het prachtige eilandje. Want we hadden de oceaan overgestoken! Tegenslagen overwonnen, teamgeest bewaard, samengewerkt én met elkaar genoten. Als vader ben ik apetrots op dit gezin, mijn eigenzinnige vrouw, en fantastische zoon en dochter, dat voelde ik op Île Royale sterker dan ooit, ooit tevoren.

Suriname lonkte. Na twee nachten gingen we ankerop. De stroming en wat wind sleurde ons met een machtige negen knopen (pakweg 16 km/uur), supersnel voor onze ondertuigde Catherine, over de ondiepe kustwateren van Frans Guyana naar de aanloopton van de Surinamerivier, waar we zoals gepland rond het middaguur van 10 februari aankwamen. We loefden op, zeilden zelfs even aan de wind, wat we maanden niet hadden gedaan. Ik keek omhoog, checkte de noodverstaging, de mast stond stabiel, stevig, ook bij deze wind. Tussen de oevers van de rivier lieten we de zeilen zakken en motorden stroomopwaarts, langs Paramaribo, verder de bruine rivier op. Onze berekening bleek juist; we hadden stroom mee, tot we vastknoopten aan de enige steiger voor jachten in Suriname, die van Marina Waterland.

Wat volgde was een heerlijke maand in dit prachtige land, met doorgaans ontzettend aardige mensen en heerlijk eten. Toch hing er een gespannen sfeer in het land: de verkiezingen kwamen eraan, zou Bouterse, de drugshandelaar die zich voordeed als politicus, de crimineel die het land al veertig jaar in de greep hield, accepteren als hij zou worden weggestemd? Daar kwam ook nog eens de verduistering van 100 miljoen Amerikaanse dollar bovenop, een enorme  domper voor het toch al kwetsbare land met een half miljoen inwoners. Van de ene op de andere dag had elke Surinamer er omgerekend een schuld van 200 U$ dollar bij! Bovenop de toch al torenhoge staatsschuld. Het slechte nieuws stond dagenlang op de voorpagina’s van de kranten, was het gesprek van de dag bij de warungs en winkels. En toch, ondanks corruptie en wanbeleid ademt Suriname levenslust, plezier, ontspanning en klinkt de muziek.

Na twee weken namen we afscheid van Joris en Liselot, die hun studie moesten oppakken. Dit gezin houdt het moeilijk droog bij afscheid. Het werd een tranendal op vliegveld Zanderij! Maar we waren ook blij, dat we twee maanden lang met elkaar waren geweest op deze bijzondere reis. Toen de tranen waren gedroogd stonden Karin en ik elkaar een beetje verdwaasd aan te kijken. Een rit huiswaarts volgde, met weinig woorden, maar veel gedachtes en gevoelens.

De dagen erna vonden we afleiding en gezelligheid bij onze nieuwe zeilvrienden aan de steiger van Waterland, Nederlandse zeilers die net als wij de sprong gingen maken naar de Cariben. Karin en ik hervonden onszelf de weken erop als duo, paar, koppel op reis. We maakten prachtige uitjes met ons huurautootje, dronken Parbo-biertjes met de buren. We werden gastvrij onthaald door een Nederlands-Surinaamse oud-collega en mede-Rotterdam-Delfshavenaar die vlakbij de marina woont. Dankzij haar en haar aardige vriend begrepen we steeds meer van het land en de politiek. Terloops lazen we in de krant berichten uit China die we toen nog weinig aandacht gaven. Ook toen de eerste berichten vanuit Italië binnenkwamen, betrokken we dat niet op onszelf, noch op Nederland. Hoe naïef waren we! Inmiddels was het de eerste week van maart. Tijd om verder te gaan.

En daar gingen we, de rivier af, stroom mee, we zeilden in drie dagen naar Tobago. Daar, in de baai van Charlotteville, Man of War Bay, het noordelijkste puntje van het eiland, lieten we op 10 maart het anker vallen om het pas in juni weer op te halen. De ankerketting was begroeid, wij hadden ons niet verplaatst, maar de wereld was veranderd, niet alleen op Tobago, overal, niets was meer vanzelfsprekend. Ook niet dat je als zeiler kan gaan en staan waar je maar wilt, zolang je je keurig hield aan regeltjes van douane en immigratie, kon je als zeiler overal heen. Nu konden wij helemaal nergens heen. Tobago, springplank naar tientallen Caribische eilanden, bleek geen startpunt maar voorlopig eindpunt van onze reis. Het enige dat we konden doen was afwachten. We probeerden nog wel de Curaçaose en Bonairiaanse overheden te overreden om ons toe te laten. Tevergeefs. Wachten was onze enige mogelijkheid. Wat deden we die maanden? Zwemmen, tonijn fileren, bakken, gitaar spelen. Weer zwemmen. Boodschappen doen in het dorp, waar we er na enige tijd helemaal bijhoorden als tijdelijke dorpsgenoten. Tussendoor deden we enkele klusjes aan de boot. Ik voelde rust in mijn hoofd, ontspanning, schreef muziek en songteksten. We hadden af en toe een gezellig praatje en later een barbecue met onze fijne buren van de Shady Lady, zeezwervers, vrijbuiters. Toen de lockdown werd versoepeld, huurden we een autootje en kriskrasten een week lang over het eiland, maakten wandelingen dwars door het schitterende regenwoud en verbaasden ons erover dat wij met Shady Lady, waarmee we nu bij Mr. Gray bier konden drinken met Marvin Gay uit de speakers, de enige zeilers waren die op dit paradijselijke eiland waren. Andere boten, honderden, zochten hun heil bij bekendere bestemmingen: Grenada, Martinique, de Grenadines. Nu hadden wij het gevoel dat we dit eiland hadden herontdekt, vijf eeuwen nadat Columbus voor het eerst de groene heuvels zag. Zijn naam schrijf ik nu op, maar noemde ik toen niet, want ook op Trinidad en Tobago, kortweg T&T, tegenwoordig één land, drong het besef door, terecht, dat Black Lives Matter en dat de wereldgeschiedenis doorgaans vanuit westers perspectief wordt beschreven. De toekomst van het standbeeld van Columbus in de hoofdstad Port of Spain was onderwerp in de kranten van T&T. In Charlotteville was er weinig van te merken. Sharon – de stoere uitbaatster van het enige hotel in het dorp die niet met zich liet sollen, zelfs de lokale politie had ontzag voor haar – bleef me ‘darling’ noemen, en schoof onder de toonbank tien bier in mijn boodschappentas. ‘Enjoy!’ riep ze me na, vergezeld met een vette knipoog.

En zo schoven de dagen, weken, maanden voorbij. Toen kwam het nieuws dat wij ons met de boot mochten verplaatsen binnen de territoriale wateren van T&T. We namen afscheid van Shady Lady, we’ll meet again, don’t know where, don’t know when, en zeilden naar de volgende baai: Bon Accord. Daar lagen we als enige boot voor anker, veilig achter een groot koraalrif. Elk cliché van een tropisch eiland werd hier bevestigd, met als enige geluid het ruisen van de palmbomen en het geklots van lieflijke golfjes tegen de romp van Catherine. We verzonnen allerlei smoezen om nog maar een weekje te blijven, waarom niet, en nog een week, morgen dan, of toch maar overmorgen? Uiteindelijk raapten we de moed bij elkaar en gingen op weg naar onze voorlopige eindbestemming: Chaguaramas, Trinidad.

De drempel van de baai bij Bon Accord is tijdens vloed amper twee meter, onze Catherine schoof met een enkele decimeter over de zandbodem. Spannend. Maar het ging goed en we voeren de laatste zeilnacht in van onze reis. Een heerlijke nacht, waarin alle herinneringen van het afgelopen jaar, zoals in deze en vorige blog beschreven, door mijn hoofd schoten. De volgende ochtend lagen we in Trinidad aan de steiger van Peake Yacht Services, een professioneel, gastvrij en net haventje en werf. Hier deelden we verhalen met andere wereldzeilers, het was een warm bad van mensen van allerlei pluimage, gretige jonge zeilers, een zwangere jongedame, een uitgezeilde oudere dame, een rechtse Amerikaan en progressieve Europeanen, een Brexiteer, een Londense goedzak, en een hartelijke groep Fransen. Iedereen was anders, maar we waren allen één: wereldzeilers, in een poging te leven op de dag, niet morgen maar nu het kan, ieder op zijn of haar eigen schuit, op zoek naar de vrijheid die ons nu tijdelijk was ontnomen.

We motorden Catherine naar de kraan, de banden werden onder haar romp bevestigd, de kraan tilde haar omhoog, haar onderkant zag er verrassend goed uit. Ze werd naar haar plaatsje op het land gereden. Hier mag ze uitrusten, op de kant, tot we onze reis hervatten. Wanneer dat kan weten we niet. De grens van T&T is dicht, niemand mag het land in. Dat is de realiteit van het coronajaar 2020. Karin en ik boekten een vlucht naar Amsterdam, er ging maar één vliegtuig per maand naar Europa, dus we besloten deze te nemen. Een rib uit ons lijf, dat wel. God zegene de greep, we zien wel wanneer de grenzen open gaan, wanneer we weer terug kunnen. En toen stonden we ineens op een vrijwel uitgestorven Schiphol. Mijn broer, de laatste die ons uitzwaaide vanaf de Van Brienenoordbrug in Rotterdam, was de eerste die we zagen, hij stond als enige op een uitgestorven Schiphol op ons te wachten. Een elleboog, een voorzichtige omhelzing. Joris kwam later aangelopen en reed ons naar huis. De ruitenwisser veegde de laatste beelden van Catherine en de Caribische Zee weg, de tropische hemel maakte plaats voor de grijze lucht waaruit Hollandse regen viel op platte polders. We zijn thuis, vertrouwd, maar in een veranderde wereld. We gingen op reis, op zoek naar afgelegen plekken en onbedorven baaien waar de wereld is zoals die altijd is geweest. Wat we vonden is een wereld die voor iedereen is veranderd. De tijd zal het leren of de tijd weer wordt teruggedraaid, of we die vertrouwde wereld van vroeger nog zullen vinden, als we onze reis hervatten, met onze Catherine, verder van huis, langs de Caribische eilanden en dan weer verder. Waarheen? Dat weten we nog niet, we gaan het zien.

Eric

Burgh-Haamstede, 30-8-2020

Zo, we zijn weer thuis, een jaar nadat we vertrokken. Vertrouwd, rustig, prettig, aangenaam, warm – zowel het weer als de ontvangst van vrienden en familie. Ook een tikje vreemd en onwennig, onwerkelijk, vooral de eerste week, toen we net terug waren, maar toch niet helemaal geland, terwijl we toch echt op Schiphol zijn aangekomen. Nu, ruim een maand verder, zijn we weer helemaal oké, Karin en Eric, zoals mensen ons kennen van vóór onze zeilreis. De baard is geschoren, de kleren zijn gewassen. We kennen onszelf weer terug, ons sociale leventje met zoveel gezelligheidsmomenten met vrienden, ook al houden de beperkingen vanwege corona ons binnen het gareel. Een elleboogje hier, een warme groet daar, heel soms een knuffel als we ons niet kunnen inhouden. Het is fijn weer thuis te zijn, bij jullie, vrienden, familie, Joris! Liselot is nog in Australië, die hereniging volgt in oktober.

Dat gezegd hebbende, wat hebben we genoten van het afgelopen jaar zónder jullie, zonder bijna alles wat vertrouwd was, behalve onze gastvrije Catherine, die een jaar lang ons drijvende, knusse huisje was. Karin en ik namen een sprong in het ongewisse, toen we op de laatste dag van juli 2019 onder de Van Brienenoordbrug door voeren, uitgezwaaid door mijn lieve broer, een klein kwetsbaar mensje op die grote brug met voortrazend verkeer, hij riep ons een goede reis toe. Toen hadden wij nog geen idee hoe het ons zou bevallen en wat we allemaal zouden meemaken. Nu, een kleine maand na onze thuiskomst, lukt het ons om alle belevenissen rustig op een rijtje te zetten. Veel hoogtepunten, maar er waren ook enkele moeilijke situaties. De meest riskante deed zich midden op de oceaan voor.

De sprong in het diepe begon letterlijk bij de oversteek van de Golf van Biskaje. Niet alleen wij, ook een aantal andere zeilers met vergelijkbare reisplannen leefden een tikje gespannen toe naar deze eerste meerdaagse oversteek van de reis. Karin en ik hadden vaker nachten doorgebracht op zee, niet meer dan twee, op de Noordzee en vanuit Duitsland terug naar Nederland. Dit was andere koek. Minimaal drie etmalen over de tomeloze diepte van de oceaan. In de aanloop hielden we het weer goed in de gaten, want slecht weer in de Golf is geen pretje en kan de grootste schepen in problemen brengen. Toen kwam er een gunstig weergat aan, het woord dat zeilers bijna dagelijks in hun mond nemen maar landrotten wat vreemd vinden klinken. We vertrokken vanuit Camaret-sur-mer, Bretagne, waar onze dochter Liselot en haar vriendin Irene op surfvakantie waren en ons kwamen opzoeken en uitzwaaien. De oversteek zelf verliep probleemloos. Totdat we bij Noord-Spanje vanuit de oceaandiepte het continentaal plat opvoeren. Middenin de nacht, pikkedonker, kwamen we in een wildwaterbaan terecht. Of was het de lancering van een ruimtevaartuig? Laten we zeggen: een pittig zeetje. Catherine maakte de meest felle en onverwachte bewegingen, hup links, rechts, ze werd opgepakt en neergesmakt, maar ze gedroeg zich voorbeeldig. Alles trilde, rammelde, schudde. Anticiperen was onmogelijk omdat we geen hand voor ogen zagen. In één keer is daar de volgende golf. Hatsikidee, hatseflats, kedeng, plons! Toen kwam de zon op, het water werd rustiger, we zeilden een paar uur verder en gooiden aan het eind van de ochtend het anker uit in de baai bij A Coruna. Voor het eerst maakten we mee hoe het voelt om op eigen kiel een verre bestemming te bezoeken. We waren opgelucht, we hadden de vuurdoop doorstaan, de komende meerdaagse tochten zagen we nu met vertrouwen tegemoet. Trots liepen we door de steegjes van de stad in Galicië en lieten we ons de lekkerste tapas serveren. De reis was begonnen!

We zakten de Spaanse kust af. Pittig avontuurtje beleefden we bij de Costa da Morte. Je zou zeggen, de naam had ons kunnen waarschuwen. De woeste kust van Galicië heeft prachtige, fjord-achtige ingangen, ria’s genaamd, waar we wilden ankeren en verstilde visserdorpjes zouden bezoeken. Maar eerst moesten we de kaap bij die dodenkust ronden. Ik, kapitein, schipper, Eric, niet dom maar ook een feilbaar mens, maakte enkele foutjes. Eén: ik voer te dicht bij de kust. Daardoor kregen de valwinden vanuit de bergen vat op ons. Twee. Na het reven bleek dat ik de stopper van de genuarolreeflijn niet goed vast had gezet. Dom. De wind trok opeens aan tot boven de 35 knopen, dat was mijn laatste waarneming, want daarna had ik geen tijd meer om naar metertjes te kijken. De genua rolde uit, een flinke lap zeil, de wind nam toe, Catherine was nog nooit zo scheef gegaan, Karin schrok wakker van haar middagdutje en vroeg met verschrikte ogen of alles onder controle was, ja alles oké maar het is even druk, geen paniek maar wel hard werken, een kleine 40 knopen halve wind met veel te veel zeil maakt veel herrie, wat zeg je? Even aanpoten! En dan, zoals altijd, liggen we na de hectiek een uurtje later vreedzaam voor anker, biertje in de hand, na te praten over wat er mis ging, hoe het goed afliep en genieten we van het schitterende uitzicht op de woeste natuur van Ria de Muros. Zeilen is soms inspannend, soms wat eentonig, maar nooit saai.

Voor de kust van Galicië liggen de prachtige eilandjes Cies en Isla Onse, waar we mooi voor anker lagen en heerlijke wandelingen hebben gemaakt. We zeilden naar de Portugese stad Porto, daarna naar het gezellige dorpje Seixal, tegenover Lissabon. Vandaaruit maakten we de overtocht naar Porto Santo, een vrij onbekend eiland naast Madeira, er komt vrijwel geen reguliere Europese toerist, maar het is een levendig zeilersbolwerk. Hier wordt geschuurd, gelast, gezaagd, gepoetst, verbouwd, olie ververst en veel gezopen. We namen voor het eerst deel aan de weinig formele bijeenkomsten van wereldzeilers. De barbecue-avonden bleken het startsein voor menig slemppartij tot in de kleine uurtjes, sommige zeilers dronken de volgende dag hun kater weg bij het enige café aan de haven. Om diezelfde avond in de kuip de volgende tree aan te rukken, want: die koelkast in de boot werkt goed joh! En geef toe, als het bier koud staat bij 30 graden Celsius in de kuip, waarom niet nog een blikje opentrekken? Wereldzeilen is flink doorhalen in de havens en als je niet oppast blijf je er veel te lang liggen. Avontuurlijke bestemmingen waar wij vanuit de fauteuil in Rotterdam bij wegdroomden, blijken vol te liggen met zeilers die er voorlopig niet wegkomen. Wij hielden ons een beetje in, zoals we vaker in ons leven de middenweg zoeken, niet al te veel extremen maar wel avontuur en jolijt, pilsje hier wijntje daar, niet roomser dan de paus maar ook niet van god los, hoewel Darwin in hoger aanzien staat. Dus wij vertrokken na een week of drie gezelligheid naar Madeira, waar we vooral veel gewandeld hebben, de alcoholconsumptie van de weken ervoor enigszins gecompenseerd hebben en aan onze conditie hebben gewerkt.

Vanuit Madeira zeilden we naar de Canarische eilanden. Vriend Wim kwam over en zeilde mee, we maakten een weinig fortuinlijke stop bij de Selvagens eilanden, waar de beperkte ankermogelijkheden ons voor een dilemma plaatsten. We hingen aan een verroeste boei, die na een wandeling op het dorre Portugese rotsblok flinke krassen bleek te hebben gekerft in Catherine’s verder gladde en glimmende scheepshuid. Toen was het pikkedonker, de lijnen raakten verstrikt rondom de boei, Karin werd met de reddingsbrigade van het eiland naar Catherine vervoerd omdat ons weinig zeewaardige bijbootje Billy bang was in het donker, terwijl kanjer Wim en ik onze handen vol hadden aan dek en verdere schade aan de kwetsbare Catherine wisten te voorkomen. Uiteindelijk kwam alles goed en lagen we twee dagen later keurig aan een steiger van Las Palmas, Gran Canaria.

Terwijl de Tui-toeristen op Gran Canaria ondergebracht worden in massale betonnen bunkers, lagen wij knus in de fijne jachthaven van Las Palmas met onze Catherine. We namen afscheid van Wim, en Karin en ik laafden ons aan stoere verhalen van wereldzeilers, van allerlei pluimage, in de onvervalste Sailor’s Bar. Ook weer zo’n sympathieke gezellige zeilers-zuip-plek, en de norse, ongezellige Italiaanse eigenaar, ex-zeiler, bakte zalige pizza’s. Karins moeder Greet kwam langs met Karins zus Margreet. We pikten Joris en Liselot op van hun surfvakantie op Fuerteventura. Na een paar dagen flink bunkeren vertrokken we. Nieuwjaar vierden we met bubbels voor anker bij de prachtige duinen van Maspalomas, zuidelijk Gran Canaria.  Daarna zeilden we via La Gomera, Canarisch paradijsje, naar Kaapverdië.

15kg schoon aan de haak

Wat was het fijn om herenigd te zijn! Met z’n vieren aan boord ging prima. De altijd opgewekte en actieve Joris en Liselot, beiden talentvolle zeezeilers, maakten de achtdaagse overtocht naar de enige Afrikaanse bestemming van onze reis tot een makkie. We vingen onze eerste tonijn, een flink, prachtig dier, dat zijn leven met moeite liet. De kuip werd een wreed, rood abbatoir, het was boenen en schrobben na afloop van de slachtpartij. Maar lekker dat de tonijn smaakte!

In Kaapverdië waren we al een flink eind op streek. En toch hadden we het gevoel dat onze reis maar net begonnen was. Het eilandenland is een bestemming op zich, maar wij beschouwden het als een tussenstopje. We hebben er vooral voorraden ingeslagen en aangevuld, hoewel we Mindelo een gezellige plaats vonden en Santo Antão, daar tegenover, een adembenemend mooi eiland is met onwaarschijnlijke rotspartijen.

Op de Oost-Vlieland

Alle zeilers komen bunkeren in Mindelo en de plaatselijke middenstand weet dat maar al te goed. Bij het betreden van de markthal, een roestig dak boven tafels met verswaar en daaronder wegrennende kakkerlakken, schalmt het door de ruimte: ‘Turista!’ En hup, de lokale prijslijstjes werden vervangen door de toeristische variant en de kassa, hoewel niet aanwezig, rinkelt. Wij hadden er geen probleem mee, Kaapverdië is een arm land en de mensen moeten alle zeilen bij zetten, op een andere manier dan wij wereldzeilers doen. Zoals in andere zeilersknooppunten wordt ook in de marina van Mindelo, in het ‘Floating Restaurant’, menig biertje besteld, we hebben gezellige avondjes, ook met een aantal Nederlandse zeilers die we tot dan alleen maar kenden van hun facebook. En dan nadert het vertrek. De oversteek!

We gooien de trossen los, er wordt vanuit de marina flink getoeterd en gezwaaid. Een klein gebaar, even de handen omhoog en op een toeter blazen, maar het staat symbool voor de onderlinge verbondenheid van zeilers. Iedereen vindt het eigen bootje het mooist, zeer zeewaardig en zegt er op te vertrouwen, maar elke zeiler weet ook dat het wel eens mis kan gaan. De toeters bij vertrek betekenen dan ook: behouden vaart, goede reis. Want hoewel veel jachten probleemloos de oversteek maken, krijgt toch menig zeiljacht problemen en loopt het soms verkeerd af. Aanvaring op zee, storm, gescheurde zeilen, motorproblemen, stuurproblemen, ziekte. Er kan van alles mis gaan en toch moet je vertrouwen hebben als je de haven uitvaart. Wij hadden dat vertrouwen.

De eerste week op de oceaan verliep vlekkeloos, hoewel de eerste twee dagen de wind het soms liet afweten. Daarna een heerlijk ruime wind, zorgeloos zeilen. De windvaan, wat een geweldig apparaat, stuurde de boot. Het was even zoeken naar de juiste zeilvoering, uiteindelijk bleek de uitgeboomde genua en het grootzeil over de andere boeg de beste resultaten te geven. De Atlantische oceaan oversteken? Geen centje pijn! Tevreden ging ik slapen, wetende dat mijn stoere dochter Liselot onze Catherine in haar eentje prima kan besturen. Ik lag vredig te slapen toen een scherp, abrupt geluid, een fractie van een seconde, mij terughaalde naar de werkelijkheid. Mijn lichaamsharen stonden recht overeind, mijn ogen wijd open, een fysieke reactie op: stront aan de knikker, onheil, ernstig, alarm, actie. Ik vloog naar de kuip, waar Liselot rondkeek en probeerde te achterhalen waar het geluid vandaan kwam. ‘Pap’, zei ze bezorgd, ‘ik hoorde een ….’ Ik onderbrak haar. Mijn oog viel op de genua en de voorstag. Los. Kapot. De mast loopt gevaar. ‘Maak Joris wakker’, zei ik nog. Ik lijnde mezelf aan en begaf me naar de

boeg. Daar hing de genua hulpeloos te wapperen aan de rolreeflijn en de zwiepende boom, het was een kwestie van tijd voor ook die zouden knakken. Wat ik nooit had gedacht dat zou gebeuren, maar wel eens had gevreesd, was een feit: een cruciaal dik stuk rvs, de putting, was afgebroken. Joris was inmiddels ook bij de boeg. Als ik heel eerlijk ben: de angst gierde door mijn lijf. Ik keek Joris in de ogen, die direct de ernst van de situatie inzag. Geen woorden nodig. Ik dacht aan Karin, ik zag Liselot, turend boven de buiskap. Ook zij begreep de ernst van de situatie. Ik ben verantwoordelijk voor hun veiligheid, met hun mag niets gebeuren, in een kort moment dacht ik in lichte paniek: ik had hen nooit moeten meeslepen in dit zeilavontuur…

Wordt vervolgd! Volgende week in deel 2 lezen jullie hoe het allemaal goed afloopt.

 

 

Waterland, Suriname, 14 februari 2020

Het is een rustige, maanloze nacht en de sterren schitteren aan de hemel. De gitzwarte zee is bijna niet te onderscheiden van de lucht, want ook het water is bezaaid met lichtgevende puntjes. De luminescerende algen verlichten vooral ons kielzog, waardoor het lijkt alsof we niet op zee, maar over de Melkweg naar het westen varen. En dan: BENG! Iedereen is op slag wakker en terwijl we ons naar de kuip haasten, ontdekt Liselot, die wacht heeft, de oorzaak van het kabaal: de genua, inclusief rolsysteem en voorstag, zwabberen los over het voordek.

Jochie showt trots zijn zelfgemaakte speelgoedauto

Een week eerder, op de Kaapverdische eilanden, waren we druk bezig geweest om de boot grondig na te lopen om dit soort problemen tijdens de grote oversteek te voorkomen. We hadden besloten alles binnen een week gedaan te krijgen, omdat Liselot en ik eind februari weer terug moesten zijn voor onze studies. Dat is niet heel lang om schoon schip te maken, bunkeren, te klussen én nog wat van de eilanden te zien. Toch voelden we ons er na die week al thuis, want de mensen deden ons denken aan onze Kaapverdische buren in Rotterdam, die misschien wel de aardigste mensen ter wereld zijn.

Karin bij de Oost-Vlieland

Op aanraden van Rienk, een andere Nederlandse zeiler die met zijn boot in de marina van Mindelo afgemeerd ligt, bezoeken we het naburige eiland Santo Antão. De oversteek daarnaartoe is op de Oost-Vlieland, een roestige veerboot die onze ouders in hun jeugd meerdere malen naar een heel ander eiland moet hebben gevaren. Bij aankomst lijkt het vooral een slaperige en stoffige plek, maar na er met een autootje twee dagen rond te hebben gereden moeten we die mening bijstellen: wat een ongelooflijk mooi eiland. De soms bijna verticale rotswanden zijn bezaaid met terrassen waar mensen gewassen verbouwen en de noordkant van het eiland is prachtig groen. De enige asfaltweg is ongeveer 2km lang, de rest van de wegen zijn keurig geplaveid met vierkante basaltblokjes. Langs de weg kopen we voor een paar Escudo een zak appeltjes van een mevrouw, terwijl haar kleinkinderen heel verlegen maar duidelijk trots hun zelfgemaakte speelgoedauto’s laten zien.

Liselot maakt een hangmatje voor de bananen

Hoe anders gaat het inkopen doen op de markt in Mindelo! Een marktkoopvrouw maakt onze komst luid kenbaar aan haar collega’s, waarna iedereen de prijzen idioot omhoog gooit voor het karige verswaar. We zijn alle vier geen gehaaide handelaren en vinden afdingen ook niet heel leuk. Toch weten we uiteindelijk (voor een hoop geld, de Albert Heijn is goedkoper) een mooie voorraad vers in te slaan.

Wat gaat er allemaal mee als je voor drie weken boodschappen doet maar niet de hele tijd blikvoer wil eten? Knollen zoals (zoete) aardappel en cassave doen het goed, maar ook uien, kool en harde groentes zoals wortelen en pompoen zijn heel lang houdbaar. Voor de eerste paar dagen gaan er peren, een paar gigantische avocado´s, sla, komkommers en tomaten mee en een tros groene bananen krijgt een plaatsje in een custom-made hangmatje onder de bimini. De absolute winnaar was toch wel de courgette, die we bijna drie weken later ongeschonden aantreffen in onze koelkast.

Volgetankt met water, diesel en een koelkast die tot de nok gevuld is, gooien we de trossen los en worden hartelijk uitgezwaaid door Rienk en onze buren, die 5 minuten eerder aankwamen van hun oversteek vanaf de Canarische eilanden. Deze generale repetitie hadden wij gelukkig al achter de rug, nu zouden we voor het echie gaan! We zeilen met een flinke bocht om het zuidelijke puntje van Santo Antão heen om de luwte te vermijden en beginnen daar aan onze ‘grootcirkelnavigatie’. Moeilijke term voor een simpel begrip; het houdt in dat je de kortste route volgt die men kan afleggen tussen twee punten op de aardbol. Op de meeste zeekaarten lijkt deze route door de manier waarop kaarten geprojecteerd worden helemaal niet de kortste. Eerder op een grote omweg, oftewel een grootcirkel. Terwijl de gastvrije eilanden vervagen aan de kim, ziet Eric in de verte de fontein van een walvis.

Bij ons zit degene die wachtloopt altijd buiten, waardoor er voortdurend een paar ogen op het water gericht is. Waarschijnlijk is dat de reden dat we bijna dagelijks walvissen of dolfijnen spotten. De meest frequente bezoeker is een kleine dolfijnensoort, die speels op onze boeggolf meezwemt en soms volledige pirouettes maakt boven water. Maar we zien ook andere soorten. Op een middag zwemt een groep snaveldolfijnen zo lang met ons mee dat we de kans krijgen onze onderwatercamera op een pikhaak te tapen en er opnames van te maken. Best bijzonder om deze dieren te zien, want ze komen niet veel in kustwateren voor. Ze jagen in diep water, voorbij het continentaal plat, op zoek naar vis en inktvis.

Een andere keer worden we omringd door een groep van maar liefst honderd grienden. Het duurt misschien wel een kwartier voordat de groep ons heeft ingehaald. Dit is de grootste dolfijnensoort: de mannetjes kunnen zeven meter lang worden! Later, na wat zoekwerk op internet, kom ik erachter dat zo’n grote groep een tijdelijke verzameling is van verschillende scholen, die bij elkaar komen om te paren. Tijdens het reven voor de nacht spot Liselot een kleine walvis, waarschijnlijk een dwergvinvis. Karin doet de meest spectaculaire waarneming. We liggen allemaal te dutten, maar aan haar stem horen we dat er iets bijzonders is en we staan binnen enkele seconden allemaal aan dek. Met een soort grimmige vastberadenheid, als een doodseskader op missie, doorkruisen ze de zee. In tegenstelling tot de andere dolfijnen, trekken ze zich niks aan van onze boot. Met hun gigantische zwarte rugvinnen en witte flanken weten we het zeker: orka’s! Sommige orka’s eten uitsluitend vis, anderen jagen op alles; van dolfijnen, walvissen en zeehonden tot haaien. Het uiterlijk van deze twee groepen verschilt ook een beetje en ze spreken een andere ‘taal’ tijdens het jagen en socializen. Ik ben geen expert, maar een groepje dolfijnen dat met de orka’s opzwemt doet me vermoeden dat het om de pescotarische variant moet gaan: visetende orka’s.

Karin en een lifter

Het oceaanwater waarin deze indrukwekkende dieren leven bruist en kolkt van het leven. Vliegende vissen vliegen ons dagelijks om de oren, op de vlucht voor hun bloeddorstige vijanden. Het zijn blauwzilvere, feeërieke wezentjes met doorzichtige vleugels en grote, onschuldige ogen. ’s Nachts zien ze onze boot niet, waardoor ze geregeld de kuip invliegen. Die bloeddorstige vijanden spotten we trouwens ook; tijdens een van de laatste dagen van de oversteek zwemt er een tonijn urenlang met ons mee (zie filmpje), en een gigantische blauwe marlijn en een mahi-mahi komen diezelfde dag ook even langszij om te kijken of er nog wat te halen valt. Verschillende zeevogels vliegen voortdurend met ons op en ’s nacht licht niet alleen het plankton op, maar ook een soort bollen, soms wel zo groot als een voetbal. We weten niet of het licht afkomstig is van kwallen of van het drijvende wier dat we overdag zoveel zien.

Ongezellige ontmoeting op zee

Het grootste deel van de tijd vormt ons kleine bootje voor ons het middelpunt van de beschaving in het onmetelijke blauw. Totdat je ineens koers moet wijzigen omdat de officieren op een voorbij stormende tanker, op weg naar Liberia, lak hebben aan de regels (zeilboten hebben voorrang op open zee). Maar we maken ook een hartverwarmende ontmoeting mee met een zeilboot op weg naar Barbados. Via de marifoon babbelt Eric met delivery-skipper Nicholas, die ons met zware stem en een licht Russisch accent vraagt hoe het vissen bij ons gaat, bij hen is het nog niet gelukt. Ongeveer tien minuten later roept hij ons weer op om ons te bedanken voor het geluk wat de ontmoeting hen blijkbaar heeft gebracht: ze vangen een barracuda-achtige vis.

Trots op de vangst, we eten een week lang tonijn

Het vissen gaat ons inderdaad makkelijk af, de tweede dag hebben we een kleine mahi-mahi te pakken. Al snel volgt een blauwvintonijn van misschien wel vijftien kilo. Zijn torpedovormige lichaam, één bonk spier, glimt als vloeibaar kwik en is in miljoenen jaren geëvolueerd tot de efficiëntste moordmachine van de zee. Deze keer is hij zelf de pineut. Hem een kopje kleiner maken voelt dubbel, maar we zijn ervan overtuigd dat dit de manier is: met respect voor het leven dat je neemt en op kleine schaal gebruik maken van wat de natuur te bieden heeft. Dat is ook de reden dat we normaal gesproken bijna geen vlees of vis eten. We maken dankbaar gebruik van de goedkope rum uit Kaapverdië om de vis te verdoven. Door de alcohol in de kieuwen te gieten ligt hij stil. De vier filets die we uiteindelijk van de vis af snijden wegen samen misschien wel acht kilo. Liggend op de snijplank, zijn er in de biefstukachtige lappen vlees af en toe nog stuiptrekkingen te zien! Een week lang eten we sushi, steaks, visscury, tuna melts, tuna carbonara en vissoep.

Het leven op zee draait niet alleen om eten, de boot heeft ook geregeld aandacht nodig en er gaat ook weleens wat kapot. Terwijl we de tonijn fileren, breekt bijvoorbeeld de spinnakerboom zonder aankondiging als een luciferhoutje in tweeën. Het gaat om een uitschuifbare boom, waarvan het uitschuifbare deel is geknapt. We hebben gelukkig een ijzerzaagje aan boord en weten de boom weer functioneel te krijgen door hem in te korten.  Gelukkig maar, want twee weken pal voor de wind zeilen zonder spinnakerboom om het voorzeil uit te bomen is een drama! Later, tijdens een behoedzame gijp, vliegt een blok van de grootschoot doormidden.

Eric ontleedt de rolreefinstallatie

En dan, op een nacht midden op de Atlantische oceaan staan we te kijken naar onze boot, die zonder voorstag ronddobbert. Het is een spannend moment, want de voorstag is een essentieel onderdeel dat de mast omhoog houdt. Gelukkig varen we voor de wind in een rustige zee, waardoor de achterstagen de mast grotendeels ondersteunen, en is onze Catherine voor vertrek met een kotterstag uitgerust. We brengen een val naar voren als extra ondersteuning en ruimen het zeil op en binden de bungelende voorstag vast. Het blijkt dat de putting, een dik stuk rvs-plaat, waaraan de voorstag vastzit is afgescheurd. De volgende ochtend gaan we aan de slag. We ontmantelen het rolreefsysteem om bij de stagspanner te kunnen. Nadat we de stag langer hebben gemaakt, weten we hem weer aan de putting te bevestigen met een heavy-duty karabijnhaak.

Geschrokken, maar ook trots op onszelf dat we zo daadkrachtig te werk zijn gegaan, varen we verder zonder genua om de provisorische reparatie zo veel mogelijk te ontzien. We verzinnen klinkende Engelse taakomschrijvingen om onze kwaliteiten te illustreren. Kapitein Eric wordt CEO and director dynamic management vanwege zijn adequate optreden in onvoorziene situaties, Karin wordt co-founder, head of cinematography and social media, Liselot wordt lead navigator and medical officer en ik head fisheries and culinary operations. We zijn een goed team.

Land in zicht!!!

Na vijftien dagen verandert de kleur van de zee langzaam van diepblauw naar grijsgroen en tot slot naar bruin. We varen het continentaal plat op waar de machtige Zuid-Amerikaanse rivieren hun sediment lozen. Terwijl de ondergaande zon de wolken dieprood kleurt, spotten we een paar stukjes groen. Land! Even later varen we het beschutte ankerbaaitje van Ile de Royale binnen, een eilandje voor de kust van Frans Guyana. Voor het eerst sinds lange tijd is de boot geen schommelschip maar ligt ze volkomen stil. Ongekende luxe! De palmbomen ritselen in de wind en de volle maan komt tevoorschijn als we onszelf een glaasje bubbels inschenken om onze aankomst te vieren.

 

Joris

 

Klik op onderstaande foto’s voor een korte slideshow.