Charlotteville, Tobago 10-3-2020

Tijdens de laatste dagen van ons verblijf in Suriname was Marina Waterland,  de enige fatsoenlijke steiger in Suriname waar zeiljachten kunnen afmeren,  behoorlijk leeggelopen. Dat begon met het vertrek van Liselot en Joris. We brachten ze naar vliegveld Zanderij, een uur rijden. Dag pa, dag ma, wees voorzichtig, maar geniet vooral van jullie zeilreis! Dag Joris, succes met je stage bij de Volkskrant. Dag Liselot, geniet van de paar weekjes in Rotterdam voordat je voor je coschap naar Perth in Australië vertrekt. Ik gaf ze beide een zoen op hun slaap, het meest tedere plekje waar je je meest dierbaren een liefdevolle kus geeft. Een laatste omhelzing, ze draaiden zich om, gingen op weg naar de paspoortcontrole. Een zwaai, een handkus, en weg waren ze. Karin en ik bleven verdoofd achter. We besloten even te gaan zitten op een eenvoudig terrasje, op plastic stoeltjes, met een koude frisdrank uit een pakje en een rietje. Zwijgend dronken we het suikergoedje op, sloften naar de auto en reden terug naar de boot. We zwegen, maar dachten hetzelfde: wat gaan we die twee missen.

Tijdens de rit kwamen we weer langzaam tot onszelf. Halverwege passeerden we de gesloten bauxietmijn van Suralco, ooit de economische levensader van het land. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam zestig procent van het aluminium voor de Mustangs en Vliegende Forten van de Amerikanen uit deze mijn. Nu ligt het er verlaten bij, alsof het van de ene op de andere dag achtergelaten is, een neefje van Tjernobyl. Roestige graafmachines, met de scheppen de lucht in alsof ze willen zeggen: laat ons werken, we kunnen het nog, we willen zo graag. Verlaten fabriekshallen, enorm, losse golfplaten, je kijkt zo door de bouwwerken heen. Een gigantisch door prikkeldraad omringd spookgebied, bij uitstek geschikt voor een spannende Hollywoodproductie. Maar Hollywood heeft waarschijnlijk nooit van Suriname gehoord.

Aangekomen bij de marina begroet onze olijke gastheer Runo ons: ‘ja man!’. We ploffen neer in de kuip van onze gastvrije Catherine. Met een koud biertje in de hand zijn we weer terug in de werkelijkheid: het mooie Suriname, de fraaie marina aan de groene Surinamerivier, met de gezellig buren waar we in de loop van de tijd een fijne band mee hebben gekregen. Dirk en Paula, zij stapt op en af terwijl Dirk met vrienden zijn boot Delizia naar en door de Cariben zeilt. Waarschijnlijk liggen we rond de zomer in dezelfde jachthaven op Bonaire. Schipper Rienk van Jive met opstappers Senna en Marek, een bijzonder trio; de één spraakzaam, de ander gereserveerd, de ander altijd vrolijk. Elke avond zegt wel iemand: zullen we een biertje doen? En dan zijn er Rosan, Arnout en hun peuter Berend, zeilend op hun Doejong, die dan weer met meloen, dan weer met een koud biertje of zelfgemaakte cocktail op de steiger staan, opgewekt en gretig in de startblokken voor weer een boeiend gesprek en gezellig avond.

De Jive is inmiddels vertrokken naar Tobago, Paula is al terug in Nederland, als wij de trossen losgooien. Runo en Dirk helpen wat met de lijnen, Dirk handiger dan Runo, ze staan ons op de steiger uit te zwaaien. Ik zet koers naar de riviermonding, vijf uur motoren in het vooruitzicht, en kijk Karin aan. Waterige ogen, nee, zelfs tranen. Wat is er nou? ‘Ik ben gehecht geraakt aan dit land’, zegt ze. ‘Suriname is mooi, de mensen zo aardig en gastvrij. Maar het land is kwetsbaar, ik hoop zo dat het beter zal gaan.’ Karin doelt op de verkiezingen, 25 mei. ‘Die Bouterse brengt het land naar de afgrond, Suriname verdient een betere president.’ Ik kan het alleen maar met haar eens zijn. De corruptie, vriendjespolitiek, politici met kleverige handen van de drugs, hoge ambtenaren die zichzelf verrijken met publiek geld. Het is verschrikkelijk. Tijdens ons verblijf kelderde de munt en trok de Amerikaanse FED de handen af van de Surinaamse dollar. Het laatste nieuws:  de Surinaamse bank heeft 100 miljoen (!!) Amerikaanse dollar, volgens andere berichten zelfs 250 miljoen dollar, verduisterd. Iedereen heeft het erover, schande, maar ja, verzucht men, zo gaat dat in Suriname. Ik heb een keer gelezen dat een volk de leider krijgt die het verdient. Ik hoop dat dat ook voor Suriname geldt.

Ik heb me serieus voorgenomen van dit verhaal een zeilblog te maken, over zeeën,  stroming, koersen, zeilvoering en andere nautische onderwerpen, we zeilen tenslotte in het kielzog van de grote ontdekkingsreizigers, maar sta mezelf toe nog iets meer over Suriname te zeggen.  Want we zeilen, maar zijn in de eerste plaats reizigers, willen meer weten over de landen waar we zijn. In het binnenland is het een en ander gaande. Je ziet het al op de wegen vol kuilen richting die verwaarloosde hoofdstad Paramaribo, een beschermde Unesco-plek, maar  ook een vervallen zooitje met hooguit hier en daar een mooi gerestaureerd gebouw. Helaas gaat het verval in de tropen sneller dan restauratie, dus de toekomst van Paramaribo ziet er somber uit. Het verkeer staat vast, al jaren is er geen investering gedaan in het wegennetwerk. Op de wegen naar de havens bij Paramaribo rijden de vrachtwagens met gigantische boomstammen af en aan: het bos wordt gesloopt. Verder weg, op de grens met Brazilië, is een ander drama gaande. Tienduizenden illegalen uit Brazilië drommen er samen, op zoek naar goud. Al sinds de zestiende eeuw, toen Eldorado nog achter de horizon zou liggen, trekken gelukszoekers hier het woud in. Nu zijn het de Brazilianen, ze zoeken naar hetzelfde goud als die allereerste sloebers, die vlak na Columbus in het regenwoud hun geluk zochten, maar bijna allemaal verkommerden en als sloebers stierven. De huidige gouddelvers leven in zelfgestichte stadjes, waar wetteloosheid en hoererij heersen, zo hoorden wij van een Nederlands-Surinaamse kennis uit het Rotterdamse, die tegenwoordig vlak achter de marina woont. Nog erger: de goudzoekers gebruiken kwik, dat in de rivieren terechtkomt en zich ophoopt in de voedselketen. Benedenstrooms worden hierdoor mismaakte kinderen geboren. Suriname: land van ongekende schoonheid en vreselijke tragiek. Dat roept bij Karin dat gevoel op waardoor ze een traantje moet laten. Maar: we blijven optimistisch, op weg naar 25 mei, de stem van het volk, op weg naar exit Bouterse. Zoals Runo zou zeggen: ‘ja man!’

We stuiven de rivier af, het tij is gekenterd, stroom mee, na vijf uur is de uiterton in zicht. Vóór ons ligt een Chinese boot: een baggeraar. De riviermonding van Paramaribo is bij eb maar vier meter diep. Dichtslibben van de vaargeul dreigt. Al baggerend vergroot China zijn invloed in dit deel van de wereld, zoals je ook elders in Suriname steeds meer Chinese invloeden ziet. Bedrijven, supermarkten, grote borden met Chinese opschriften. China is één van de weinige landen waar decembermoordenaar Bouterse zich nog kan vertonen. We laten de baggeraar aan stuurboord en koersen richting Tobago. Elk uur komt er een metertje diepte bij. Gelukkig, want vier meter diepte voelt onveilig, onprettig, ook omdat de zeekaarten hier minder betrouwbaar zijn. Tobago is 450 mijl verderop, we hebben een stevige stroming mee, we verwachten drie á vier dagen onderweg te zijn. De wind blaast vrij constant. Vijftien knopen, dan weer wat meer, maximaal vijfentwintig. Ideaal. We zeilen behoudend: onze voorstag is provisorisch gerepareerd en die ontzien we. De kotterstag met werkfok doen het prima. Nou vooruit, als de wind aantrekt, nog maar een rifje. We gaan toch als een speer met die stroom. Het zeilt superrelaxed. Toch, ergens in de onderbuik, knaagt een onbehaaglijk gevoel. We zeilen langs de kust van Brits-Guyana en naderen Venezuela, waar af en toe gevallen van piraterij worden gemeld. Wij maken gelukkig niets mee, er gebeurt niets verdachts.

We worden opgeroepen door één van twee langzame schepen die met elkaar opvaren en onze koers kruisen: kabeltrekkers, op weg naar Suriname of Brits Guyana. Of we afstand willen houden. Dat waren we al van plan ja, maar toch goed dat hierover gecommuniceerd wordt om misverstanden en gevaarlijke situaties te voorkomen.

En daar komen ze: dolfijnenvrienden! Enthousiast sprinten ze op ons af, hupladié, de lucht in, joepie, spring, spring, het zijn er maar tien of zo, maar wat een plezier maken ze met elkaar, ze spelen tikkertje, zwemmen achter elkaar aan, zoef, razendsnel. Dan zijn ze weer weg. Zo gaat de tweede dag voorbij. De zon gaat onder. Wat een mooi rood vlekje daar aan de horizon! Maar naarmate de zon verder zakt, wordt het vlekje steeds feller. Vreemd. Wat is dat? Op de kaart, via de AIS, zien we een drukke activiteit. Wel tien boten op dezelfde plek. Moeilijk manoeuvreerbaar, staat erbij. Het duurt ruim een uur voordat we een beetje kunnen zien wat er gaande is. Oliewinning, op grote schaal. Supertankers liggen klaar om bij een van de boorplatforms – we tellen er zes – zich vol te laten lopen. Hier is de wereldeconomie in volle gang. Schepen uit Singapore, de Verenigde Staten, Panama, noem maar op, allemaal komen ze hierheen want hier is het vloeibare goud, dit is het huidige Eldorado: olie. We varen er langs in de nacht, de enorme vuurbal verblindt ons en domineert de nachtelijke hemel gedurende een uur of zes. Hoeveel energie wordt verspild, hoeveel CO2 gaat hier de lucht in, alleen al door dit affakkelen? Vergelijkbaar met het dagelijks energieverbruik van Rotterdam?

Dag drie sukkelt voort. De stroomt zuigt ons als het ware naar Tobago. Waar we aan het begin van onze reis nog gespannen toeleefden naar de driedaagse oversteek van de Golf van Biskaje, beleven we deze driedaagse tocht als een gezapig uitje. De verveling dreigt toe te slaan als land in zicht komt: Tobago! Op 31 juli 1498, tijdens zijn derde grote reis, zeilde Columbus in dezelfde buurt, maar iets zuidelijker. Hij zag niet Tobago, maar drie heuvels, hij had een nieuw eiland ontdekt, en met de Heilige Drievuldigheid in gedachte noemde de vrome Columbus het eiland ‘Trinidad’, dat tegenwoordig met Tobago een land vormt. Wij, bescheiden plezierzeilers van de Catherine, varen niet in zijn kielzog mee naar de zuidkant van Trinidad. We zouden wel willen, maar Venezuela ligt te dichtbij, we vrezen de piraten. Tussen Venezuela en Trinidad ligt de Golf van Paria, waar de bekende Orinoco-rivier in uitmondt. Daar beleefde één van de grootste natuuronderzoekers ooit, Alexander von Humboldt, zijn grootste avonturen. Humboldt was een grote inspirator voor Charles Darwin. En Charles Darwin, op zijn beurt, slaagde erin antwoorden te vinden op alle levensvragen. Ook op vragen die nog niet eerder gesteld waren en pas anno 2020 actueel zijn. Bijvoorbeeld hoe het kan dat de mens en virussen als het Corona zich evolueren tot wat ze zijn. De lijntjes tussen Catherine, Karin, mij, Trinidad, Tobago, Columbus, Humboldt en Darwin zijn flinterdun, maar ja, dit soort gedachtes krijgt een kans als je drie dagen op een bootje zeilt richting de Cariben.

Nog een piepklein stukje varen. We ronden de noordkaap van Tobago, laten de zeilen zakken, varen langs Mable Rock en de London Bridge Rock, varen dan de prachtige baai van het plaatsje Charlotteville binnen. We zwaaien naar de bemanning van de Jive, maken kennis met Ype van de Free. In vijftien meter diepte ligt ons anker op een zandbodem, Catherine ligt kabbelend in de Caribische Zee, terwijl wij ons ankerbiertje opentrekken. We zijn in de Cariben!

Eric

3 replies
  1. Paula
    Paula says:

    Wat een heerlijk verhaal Erik! Ik ga t vast ooit durven😄 was idd supergezellig in onze portiekflat aan de muurvarenweg. Xxx

    Reply
  2. Frans Tieman
    Frans Tieman says:

    Eric, hier met Frans Tieman, ik denk dat Curacao heel moeilijk wordt. Complete lock down.
    Ik weet niet of Trinidad een lock down heeft. Anders zou ik daar voorlopig blijven. Succes.

    Reply

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *